In de sneeuw/3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

III.
pages 34-55

[ 34 ]

III.

Maar Daniël Jürges leed door die oude schuur en deze krenkingen, meer dan iemand vermoedde.

Het was zoo geheel strijdig met zijn aard, het leelijke voor oogen te hebben.

Zijne levensbeschouwing was idealistisch, en de studie der klassieken had zijnen geest doen neigen naar het goede en schoone. Als student was hij een der beste latinisten geweest, later een welsprekend redenaar en — dichter. Hij behoorde tot die enkele theologanten, die met de menschen kunnen omgaan, zonder zich in eigen oogen te compromitteeren, en zonder door hunne aanwezigheid het genoegen van anderen te bederven.

Hij stamde af van een oud ambtenaarsgeslacht, welks leden, door tal van generaties, het land waren doorgetrokken, van ambt tot ambt — [ 35 ] verlangend het oog gericht naar een hoogere betrekking.

Oorspronkelijk waren zij van Deensche of Duitsche afkomst, en ofschoon hun bloed nu menigmaal met Noorsch bloed was vermengd, hadden zij altijd iets „vreemds“ behouden, wat voorheen als „gedistingueerd“ werd beschouwd. En daar het trekken van de eene plaats naar de andere, in bestendig verlangen naar beter bezoldigde ambten, de kinderen niet deden hechten aan éen bepaalde woonplaats, leerden deze het land beschouwen als éen groot, vrij terrein, waarin men met weinig moeite en veel geduld langzaam hooger stijgt op den maatschappelijken ladder.

Wijl men door „de courant der hoofdstad“ en den staatsalmanak steeds op de hoogte moest blijven van de verplaatsingen en veranderingen, ontwikkelde er zich in de ambtenaars-familie eene buitengewone „personenkennis“. Het was niet genoeg, dat men de verplaatsingen der ambtenaren naging, men moest ook het oog houden op de geestelijken en doctoren, want door huwelijken enz. stonden allen met elkaar in betrekking, zelfs met bisschoppen en [ 36 ] staatsraden, die de draden der staatsmachine in handen hielden. Hunne belangstelling werd zoo geheel ingenomen door dit „ambtenaarsnet“ dat zij geen verschil of verandering waarnamen bij de personen over wier hoofd het was gespannen.

Eene zaak echter was voor hen van het grootste gewicht. Men kon op zoo'n nieuwe standplaats gezelschap vinden om meê om te gaan, — passenden omgang voor de kinderen: òf men kon op dorpen aanlanden waar men zelf voor zijn amusement moest zorgen. „De boeren“ toch, waren overal gelijk.

Zij kenden „den boer“ — uit de boeken —in al zijn doen en laten; in zijne sluwheid voor de rechtbank; in zijne onzindelijkheid; zij kenden hem in zijne onwetendheid en zijn bijgeloof, — en in zijn zondagskleeding, van Tideman's schilderijen.

De boer was een wezen van een bijzonder soort, geenszins iemands belangstelling onwaard. Integendeel. Hij was waard te worden bestudeerd. Maar om dit met vrucht te doen, moest men „met hem leven“.

Toen nu de geest des tijds eene andere [ 37 ] richting nam, en de belangstelling zich niet meer uitsluitend richtte op aanzienlijken en hooggeplaatsten; — toen men afdaalde tot lager sfeer, en eindelijk opging in vergoding van „den boer“, werd de ergernis gewekt van de oude ambtenaarsgeslachten, — eene ergernis, die zich uitbreidde over zonen, neven, nichten, tantes, huishoudsters, in 't kort, over allen die smaak en kennis bezaten, — en bijgevolg ook over — „de courant der hoofdstad.“

Maar Daniël Jürges ergerde zich niet. Er was iets in zijn karakter, dat hem tot oppositie dwong tegen oude, vastgeroeste meeningen. Hij hield wel van „dien nieuwen blik“ op het volk, en als jongmensch was hij een dergenen geweest, die de boeren welkom heetten in de litteratuur en in de maatschappij.

Zijn vader stond op 't punt, Dompredikant te worden in Christiania, en daarom had Daniël, in zijn studententijd, in de hoofdstad niet geleefd als een vreemde, maar als een inwoner der stad. Als zoon van een hooggeplaatst ambtenaar der kerk, stonden hem alle kringen open; en zoo hij lust gevoelde in het huwelijk te treden, behoefde hij maar te kiezen. Hij koos dan ook, [ 38 ] en wel de schoonste der jonge dames, die als sterren schitterden in het gezelschapsleven der stad.

En nu stond hij aan den ingang van een eervolle, gezegende loopbaan. Hij had slechts naar eene hem passende standplaats in de hoofdstad of hare nabijheid te wijzen, om zich te zien aangesteld, waarna hij, zoo spoedig als dit zonder àl te groot opzien te baren mogelijk was, zou kunnen stijgen naar ambten, die hem niet alleen alles boden, wat het leven aan zijn meest begunstigden kan verschaffen, maar die daarenboven aan het heilig gezag, dat zij verzekeren, een rust en vrede doen samengaan „boven alle verstand.“

Hij was als geschapen om predikant in de hoofdstad te zijn. Dit had men hem altijd verzekerd. Zijne gestalte was wèlgemaakt en zou met der tijd statig worden, zijne stem krachtig en welluidend, en hij vereenigde in zich het eigenaardig aantrekkelijke van den man van-de-wereld, met de zachtmoedige hoogheid van een dienaar des Heeren.

Maar de candidaat Jürges was er de man niet naar om zachtkens den levensstroom te [ 39 ] bevaren in zonneschijn. Het stuitte hem tegen de borst, wanneer men zei, dat hij predikant moest zijn voor beschaafden en aanzienlijken. Hij wilde juist bewijzen, dat de ernst des levens zeer goed te vereenigen viel met zin en smaak voor de genoegens der wereld; hij zou door zijn leven toonen, dat hij, van wien niemand dit had verondersteld, hart had voor en begrip van het geringe en verachte.

Daarom voerde hij zijn "fijn" jong vrouwtje als uit de balzaal, wèl ingepakt in pelswerk, naar een klein plaatsje in het Noorden.

Hij en zij lachten beide bij de gedachte aan al de verbazing, teleurstelling en ergernis, die ze hadden gewekt. Hij was een der meest interessante jonge mannen der gezelschappen geweest, en zij had de voornaamsten der stad om zich heen verzameld door haar talent voor muziek en haar vroolijke beminnelijkheid.

En wanneer zij in den eersten tijd van hun geluk, in de belachelijk kleine, slecht ingerichte pastorie, samen de brieven hunner kennissen lazen, dan zwol hun hart bij de gedachte aan 'tgeen ze hadden opgeofferd. En zijn jeugdig vrouwtje, tot hem opziende, zocht dan, [ 40 ] overstelpt door bewondering, naar woorden, maar kon niets anders uitbrengen dan: "mijn God! wat zijt ge groot, Daniël!"

Hij begon te werken en te prediken, met ijver en welsprekendheid; en toen het hem al spoedig duidelijk werd, dat men niet het geringste begreep nòch van hetgeen hij verkondigde, nòch van hetgeen hij trachtte tot stand te brengen, kwam hij tot de overtuiging, dat hij zich had vergist,   n i e t   in zijn manier van werken, maar   i n   h e t   b e r o e p.

Hier in 't Noorden ging het volk nog gebukt onder den fellen strijd om het bestaan, en die harde kamp nam al hun kracht in beslag. — Zelfs van de eenvoudigste, godsdienstige vraagstukken hadden ze geen begrip, en van eenigen tak van wetenschap nog minder.

Maar Daniël Jürges verloor den moed niet: hij volhardde, zij zouden tòch ongelijk krijgen — zij, daar in de hoofdstad, die hadden voorspeld, dat hij zulk een leven niet uit zou houden; hij zou hun toonen, dat hij het wèl uithield.

En dat deed hij — jaar op jaar. Sterk en gezond als hij was, ondernam hij allerlei tochten te water en te land, en nooit klaagde hij; hij [ 41 ] beschreef slechts. Zijn kleine vrouwtje, en toen de kinderen grooter werden , ook deze, zaten angstig te luisteren wanneer hij zijne gevaarlijke tochten per boot schilderde, of verslag gaf van zijn moeielijke bergtochten. Maar hij lachte, en sprak: "ja, zeker, het wàs erg: maar ik red er me altijd door, — zooals gij ziet — met Gods hulp!"

En later nam hij de gewoonte aan, om wanneer hij zich alleen bevond, bij zich zelven na te gaan wat hij had beleefd, en wat hij had gedacht. In zijne verbeelding zag hij dan altijd eenige vrienden uit het zuiden vóór zich staan, met een veelzeggend lachje om de lippen, dat evenwel meer en meer verdween, naarmate hij vertelde van zijn leven, zijne beproevingen, zijn ontberingen — en, hoe hij dat alles wist te verdragen.

Deze ingebeelde gesprekken waren bijna de eenige gemeenschap die hij met familie en vrienden onderhield. Overigens verliepen de dagen onder de gewone huiselijke beslommeringen en het besturen der gaard, afgewisseld met het preeken des Zondags, het bezoeken der armen en het te woord staan van zijne gemeenteleden, [ 42 ] wier langdradige verhalen hij echter met veel tact wist te bekorten.

Maar aan al die werkzaamheden had Daniël Jürges niet genoeg; zijne vele kundigheden, zoowel als zijn ondernemend karakter, gaven hem lust en kracht om in uitgebreider kring werkzaam te zijn dan in het kleine hoekje, dat hij zich zoo bescheiden tot terrein had gekozen.

Nooit zou hij, die zijn jeugd in ernstige studiën had doorgebracht, en een open oog en oor behield voor alles, wat er in de maatschappij omging, kunnen dulden, dat men hem verdacht, hier in de eenzaamheid in te dommelen.

Er bestond immers geen tak van wetenschap of kunst, die hem onbekend was, en waarover hij geen oordeel bezat! Hoe vèr ook van het middelpunt der beschaving verwijderd, lag toch alles open voor zijnen blik. En menigmaal moest hij lachen als hij zag, hoe zij dwaalden — de menschen, — hij moest lachen ook bij de gedachte, hoe hier, in een onaanzienlijk dorp tusschen de bergen, een bescheiden predikant woonde, die door niemand om raad werd gevraagd, en die toch misschien een beter antwoord had kunnen geven, dan ... àl die anderen.

[ 43 ] In den beginne las hij uitsluitend "de courant der hoofdstad."

Maar later, toen dat groote blad met zijn extra-nummers en bijbladen hoe langer hoe meer van zijnen tijd vorderde, ontwaakte in hem weer de lust tot studeeren, die door de examens was geknakt. Hij begon nu naar eigen keus verschillende vakken te bestudeeren, met de courant der hoofdstad tot grondslag. Hij bezat de tamelijk uitgebreide bibliotheek zijns vaders, en bovendien liet hij zich nu en dan door zijn boekverkooper in Christiania een en ander werk zenden, dat de courant — zijn courant, — als lezenswaard had aanbevolen. Dit gaf hem aanleiding om hetgeen hij las te critiseeren, iets, wat in hooge mate zijn zelfstandig oordeel scherpte.

Want was hij het ook al niet op alle punten eens met de uitstekende mannen, die in de courant artikelen leverden, deze waren toch wèl onderlegd, en gaven bewijs van flink over alles te hebben nagedacht. Het boezemde hem daarom groote belangstelling in, na te gaan, hoe zij eindelijk tot dezelfde slotsom kwamen als hij — zij het dan ook langs wegen, die — hoe interessant ze mochten zijn — door hem niet verkieselijk werden geacht.

[ 44 ] In den loop der jaren werd het hem tot zijne onuitsprekelijke blijdschap duidelijk, dat hij er ver van af was, de sombere verwachting, die de vrienden in de hoofdstad hadden gekoesterd, te verwezenlijken. Neen, zijn geest was niet ingedommeld, de ijver waarmee hij eene gedachte of beschouwing aangreep, niet verflauwd.

Integendeel, hij gevoelde met eene zekere verrassing, hoe zijn liefde voor waarheid en recht met elken dag grooter werd.

Als hij de gevaarlijke wegsleepende taal las der „organen van krankzinnigheid en misdaad"; al het leelijke en slechte, dat, hand over hand veld winnende, zich op den voorgrond drong, dan begon in zijn hart een gevoel van haat op te wellen, — een geweldige haat, die hem somwijlen belette in zijn stoel te blijven zitten, en hem zijne sterke armen deed schudden tegen de apostelen van oproer en leugen. Als een Simson stond hij dan daar, bevend van woede, tot hij zich herinnerde, dat hij zich alleen in zijn studeervertrek bevond — hij, een stille dienaar van God, die zijn werk deed, trouw tot in het geringe. Er kwamen evenwel ook oogenblikken, waarin hij zich zelven afvroeg: of hij het recht [ 45 ] had te zwijgen, terwijl alles in hem zoo luide sprak. Zijn gansche leven door was hij op zijn hoede geweest tegen zijne ijdelheid, — dáarom zat hij immers ook .. waar hij zat — hij was zich zijne boezemzonde wèl bewust; maar, men zou zien dat hij er zich niet aan toegaf. Indien hij wilde spreken, dan — hij wist het — zou het geheele land naar hem luisteren, aller oogen zouden op hem gevestigd zijn.

Maar juist dàt wilde hij niet.

Wanneer hij in de courant der hoofdstad zijne ideeën terugvond, dan lachte hij berustend, en liet aan anderen de eer. En wanneer hij onder een eindeloos gesprek met een arm, ziek, oud vrouwtje, bedacht, wie het eigenlijk was, die hier zat en zijnen geest dwong af te dalen tot het lage peil van bekrompen gedachten, dan overviel hem eene weemoedige stemming, — hij werd geroerd. En met zijn vriendelijke, zachte stem sprak hij woorden, zóó eenvoudig, dat hij zelf er bijna tot weenens toe door werd bewogen.

Maar eindelijk kon hij, voor een enkele maal, de verzoeking niet weer staan, en schreef hij een critiek over een pas verschenen werk. Ditmaal [ 46 ] meende hij, dat zijn plicht hem het spreken gebood. Het ging toch niet aan, dat hij, wiens naam — ofschoon niet genoemd onder "de eersten" — toch een goeden klank had, overal waar een schoone vorm en reine poëzie werd gehuldigd — dat hij nu zou zwijgen, en hierdoor oorzaak worden, dat menigeen, inzonderheid onder de jongeren, op dwaalwegen zou worden gevoerd ten opzichte zijner litteraire begrippen.

Want het nieuwe boek — hoe verderfelijk ook — was met vuur geschreven; er was iets in, dat hem op pijnlijke wijze herinnerde, hoe hij zelf, eenige jaren geleden, had meêgedaan aan die domme boerenvergoding. Deze herinnering verhoogde zijn gevoel van plicht. Ja, hij was verplicht te verklaren, hoe het "eenvoudige", "natuurlijke" in de litteratuur, aanvankelijk recht had gehad van bestaan, maar hoe nú de grenzen van dat recht werden overschreden, en het tijd werd te protesteeren tegen een misbruik en eene overdrijving, waarvan ook dit boek de blijken droeg.

Dit deed hij dan ook — op scherpe wijs, maar toch met een medelijdenden glimlach voor de dwalenden. En hij zond zijne critiek naar "de [ 47 ] courant der hoofdstad," onderteekend met zijn oud, welbekend initiaal "D".

In de dagen die er verloopen moesten, voor het artikel kon geplaatst zijn, genoot hij weer eens, na langen, langen tijd, de aangename gewaarwording van "spanning." Hij stelde zich levendig voor, welk een opzien het zou baren — een artikel van   z i j n   hand — al was het dan ook slechts eene boekbespreking.

Zijne vrienden in de hoofdstad zouden nu kunnen zien, dat hij in zekeren zin met hen meeleefde: er zou over zijn artikel worden gesproken, misschien zelfs wel geschreven. Hij was benieuwd, welk een figuur zijn eigene gedachten tusschen die van anderen zouden maken.

Toch lachte hij zich zelven uit, en trachtte hij dit onwaardig gevoel te bedwingen. En toen eindelijk de post hem de courant bracht waarin ongetwijfeld zijn artikel moest zijn opgenomen, ging hij, alvorens haar te lezen, eene lange wandeling maken, om zich zelven in den waan te brengen, dat de zaak hem toch tamelijk onverschillig liet.

Thuis gekomen, nam hij langzaam in zijn leunstoel plaats, opende het "postkistje", vouwde [ 48 ] de courant uit, en legde haar voor zich op de schrijftafel. Hij wilde nu, als naar gewoonte, eerst de brieven inzien, maar zijn oog viel juist op den titel van het nieuwe boek, en hij begon te lezen, — niet, omdat hij zich zelven niet kon beheerschen, maar wijl de eerste woorden dier bespreking hem onbekend voorkwamen.

Neen, dàt waren zijne woorden niet; haastig liet hij zijn oogen over het artikel glijden, — gejaagd sloeg hij het blad om; Q. stond er; dat was de bekende Q, dien hij "hoogachtte" — maar toch .... Zijne bespreking moest te laat zijn gekomen, — dit hoopte hij ten minste, anders zou het àl te ergerlijk zijn. Hij las het stuk van Q. niet, maar nam nu de brieven uit het kistje, — een "aangeteekenden" het eerst.

Maar op eens werd al zijne belangstelling weer teruggevoerd naar de courant.

De brief bevatte eene dankbetuiging der redactie van het blad, benevens honorarium voor een geleverd artikel.

"De brief was zoo laat aangekomen, dat de hooggeachte Q. slechts den tijd had gevonden, om eenige gedachten van den geëerden inzender in zijn eigen artikel in te [ 49 ] lasschen, dat alreede voor de pers gereed had gelegen. En hiervoor zond men het honorarium, terwijl de redactie, in uiterst minzame bewoordingen, hoopte, bij een andere gelegenheid, van eene zoo uitstekende pen, — het welbekende initiaal — " en zoo verder.

Daniël Jürges voelde zich toch ontstemd, — inzonderheid hinderde hem dat geld, hetwelk hij naar zijne meening niet eerlijk had verdiend. Maar wat hem geheel uit zijn humeur bracht, was de volgende opmerking in den brief:

De redactie neemt de vrijheid, den geëerden inzender opmerkzaam te maken, dat onze hooggeachte Q. in het Nr. van gisteren zich in denzelfden geest over hetzelfde onderwerp heeft uitgelaten als de geëerde inzender, maar, het moet worden gezegd, met grooter scherpte en duidelijkheid, wat de hoofdzaak betreft. Het spreekt ook vanzelf, dat hij, die nu en dan in nauwe aanraking komt met die "litteraire excessen", andere woorden voor zijn oordeel vindt, dan de meer teruggetrokkene, die in zijn stillen werkkring alles wat den tijd [ 50 ]
beroert, door den verren afstand als verzwakt waarneemt. En ofschoon de redactie eerbied heeft voor den humanen, beminnelijken geest, die uit uwe uitstekende beoordeeling spreekt, en die onder andere omstandigheden hare volle instemming zou genieten, kan zij toch niet nalaten er op te wijzen, dat — zooals nu de litteraire verhoudingen zijn in het buitenland, en sedert de laatste jaren ook in Noorwegen — het meer overeenkomstig den goeden smaak, en meer in overeenstemming met de eischen van zedelijkheid en gepastheid mag geacht worden, om scherp en energiek te protesteeren tegen dezen meer en meer veldwinnenden wansmaak.

Die brief trof Daniël Jürges tot in het diepste zijner ziel. Hij was dus te ver van het leven verwijderd om te hooren en te verstaan! hij wist geen passend bescheid, was niet op de hoogte van den tijd. — in geen enkel opzicht — zelfs niet ten opzichte der litteratuur. Kon het mogelijk zijn ?! —

Nu las hij in éénen adem het artikel van den "zeer geachten" Q. [ 51 ] Na de lezing viel hij achterover in zijn stoel; hij gevoelde zich onvoldaan, ongelukkig. Het werd hem spoedig duidelijk dat het niets dan een „beleefd praatje“ was van de redactie, alsof Q. zich van zijne ideeën zou hebben bediend, — ach! — ze waren immers water en melk, in vergelijking met die van Q.

Maar was het waar? — schuilde er werkelijk zooveel kwaads, zooveel wat der maatschappij gevaarlijk kon worden, in deze eenvoudige vertelling, die hem alleen geprikkeld had door haar gebrek aan poëzie en waar gevoel?

Hij nam het ongelukkige boek ter hand, dat nog op zijn schrijftafel lag, en sloeg het bij de 73ste bladzijde open, die de verontwaardiging van den zeer geachten Q. zoo bijzonder had gaande gemaakt. Toen hij haar gelezen had, overdekte een gloeiende blos zijn gelaat.

Want het was waar. Hij moest met schaamte erkennen, dat hij was achteruitgegaan.

Was hij nog bevoegd tot oordeelen en spreken? Had de dompige atmosfeer, waarin hij leefde onder die grove bekrompene wezens, zijn blik beneveld, zoodat hij niet scherp genoeg de teekenen des tijds kon waarnemen? En hij had [ 52 ] nog wel gemeend, zoo helderziende, zoo goed op de hoogte te zijn, zoo geheel in de dingen, waarover hij tot oordeelen zich bevoegd had geacht.

Maar nu, nadat Q hem de oogen had geopend, begreep hij, dat hetgeen door hem als "overdrijving" was gebrandmerkt, — als een uitwas op een tak van literatuur, die, als reactie van het romantische, recht had van bestaan, — de vrucht was van den haat der lageren tegen de hoogeren en het hoogste.

En zelfs bladzijde 73, die hem zoozeer had mishaagd, wijl hij onder het lezen had gevoeld, in welk een hoogen graad het den auteur ontbrak aan het talent om "ideale liefde" te schilderen, beschouwde hij nu in een ander licht. Hij schaamde zich, alsof hij zelf iets onbehoorlijks had gedaan.

Terwijl hij zoo zat en een gevoel kreeg alsof hij langzamerhand meer en meer zonk, drong zich de vraag aan hem op, of hij het kon verantwoorden zoo — te zinken. Want, als dit het geval was in eene zaak van literatuur, waarin hij toch — dit kon hij, zonder zich van ijdelheid te beschuldigen, getuigen, — een [ 53 ] der eersten was geweest, hoe kon hij dan weten, of hij niet ook in andere opzichten, — ja , in alles — achteruit was gegaan? Of hij ten slotte toch niet geworden was, wat men hem met groot beklag had voorspeld, toen hij de hoofdstad verliet, "een verdroogde boerenpredikant, in een uithoek van de wereld".

Heel zijn leven had dan zijne beteekenis verloren, want hij had immers juist willen bewijzen, dat hij, trots eenzaamheid en afstand, zich op de hoogte hield. En nu?

Hij herlas het artikel van Q. en de kloof, die hen scheidde, werd voor hem steeds grooter. Toch was deze Q. dien hij — o, zeker — "hoog achtte", nooit genoemd als een "talent", een "ziener", die in een enkel opzicht zich met hem kon meten.

Het was dus waar, dat hij dwaselijk zijn talent had begraven; moedeloos erkende hij, dat hij uit vrees voor de zonde der ijdelheid, was gedreven tot eene andere, die veel erger was.

Deze smartelijke ontdekking werd hem, in hetzelfde oogenblik dat hij haar aannam en droeg [ 54 ] als een straf, tot een middel om zich te verheffen uit zijne moedeloosheid, zoodat hij, bijna met tranen in de oogen, God dankte, wijl Hij den blik van zijn dienaar had verhelderd terwijl het nog tijd was. En hij nam een blad papier en schreef eene sollicitatie naar het aanzienlijk beroep, waartoe de bisschop hem een wenk had gegeven.

Toen hij den brief had verzegeld, stond hij op als iemand, die eene overwinning heeft behaald op zich zelven.

Na dit besluit werd op wonderbare wijze veel voor hem opgehelderd. Hij begon nu te denken, of het misschien geen ijdelheid was geweest, die het hem zoolang had doen uithouden in dat "ellendig nest", waar zijne vrouw altijd sukkelde en zoo vele van zijne kinderen waren gestorven.

Toen daarom zijne Mina, met tranen van dankbaarheid in de oogen, hem verzocht, om harentwege geen haarbreed af te wijken van den weg, hem door zijn plicht voorgeschreven, antwoordde hij haar oprecht, dat het niet u i t s l u i t e n d om háár was, dat hij verplaatsing vroeg: hij zelf óók, had behoefte meer zuidwaarts te gaan.

[ 55 ] Weldra kreeg hij het beroep, en kwam hij vol moed en werklust in zijne nieuwe standplaats aan. Maar — nu moest het daar zoo ongelukkig beginnen met die oude schuur en dat hout



Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=In_de_sneeuw/3&oldid=38530"