In de sneeuw/4

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk III In de sneeuw van Alexander Lange Kielland

Hoofdstuk IV

Hoofdstuk V
(pagina 54 t/m 77)


[ 56 ]

IV.

„........De consequentie van het principe „volkssouvereiniteit" zal leiden tot afschaffing van het Christendom, als zedelijkheidsbeginsel in de maatschappij. Vreesachtige zielen discuteeren over de onttroning van het Christendom — onder voorbehoud; 't is eene wijdloopige discussie, rijk aan phrases; de vrijzinnige geesten decreteeren „la mort sans phrase." De strijd wordt oogenschijnlijk slechts gevoerd tusschen de radicalen en de regeering; feitelijk is het een aanslag tegen Hem, van Wien alle overheid is — het is een strijd tegen God."

Daniël Jürges las deze zijne eigene woorden in „de courant der hoofdstad," en hij vond ze — krachtig.

Sedert die mislukte recensie, had zijne verhouding tot de courant zich gewijzigd. Wel maakte [ 57 ] deze nog bijna uitsluitend zijne lectuur uit, en stelde hij haar nog even hoog, maar zijne bewondering voor haar was nu minder gemengd met ontzag; hij was medewerker geworden — een bijna even beduidend medewerker als de "hooggeachte Q."

Op reis naar de nieuwe standplaats, had de familie Jürges eenigen tijd in Christiania vertoefd, en dit korte verblijf was voldoende geweest, om dominé Jürges het evenwicht te hergeven. Hij herstelde zich weldra van den schrik waartoe zijne beoordeeling aanleiding had gegeven, toen hij inzag, dat het slechts een kwestie van uitdrukken was geweest, die hem op de meeste punten deed verschillen met den "hooggeachten Q." en anderen.

Nadat hij eenige malen mannen had ontmoet, die in nauwe betrekking stonden tot de redactie, was hij volkomen zeker geworden van zichzelven.

Daar was — Gode zij dank! — voor hem geen reden tot droefheid of zelfverwijt Hij kon zich nog meten met de besten — indien hij het maar wilde; — dàt was de zaak: hij kòn - indien hij wilde. Het streelde hem, op te merken, welk een [ 58 ] opzien hij baarde in de hoofdstad. Zoò was nog nooit iemand, na een vierjarig verblijf in het onbeschaafde Noorden, teruggekeerd.

De oude vrienden, die hun leven in de hoofdstad of nabij gelegen plaatsen hadden gesleten, behandelden hem aanvankelijk met eene zekere meerderheid, als iemand, die uit eenzame bergstreken zich waagde in het centrum der beschaving. Maar zij werden spoedig uit hunne dwaling gewekt. Want hij was volkomen op de hoogte van alles; ja, 't kwam hem voor, dat hij aangaande sommige zaken zelfs beter was onderricht dan — "de courant der hoofdstad."

Het eenige wat hem ontbrak, waren eenige geijkte uitdrukkingen — pikante insinuaties — die zelden of nooit worden gedrukt, en den daarbij passenden toon, waardoor de bewoner van de hoofdstad zich ten allen tijde onderscheidt van den dorpeling.

Maar ook dit had hij zich binnen eenige dagen eigen gemaakt, en nu was hij niet enkel meer in alles gelijk als te voren, maar de jaren hadden daarenboven zijn zelfvertrouwen doen toenemen en zijn prestige verhoogd.

In correspondentie-berichten en ingezonden [ 59 ] artikelen werd druk over dominé Jürges gesproken, zoolang deze zich in de hoofdstad bevond. En de redactie der courant stelde alle pogingen in het werk, om dit ongewone talent aan haar blad te verbinden. Want wat in den studententijd van Daniël Jürges bedenkelijk kon zijn geweest, — de eenigszins twijfelachtig democratische zin, waarvan zijne gedichten en gesprekken blijk hadden gedragen — had nu blijkbaar plaats gemaakt voor den positieven geest, dien men huldigde.

Hij weerstond evenwel gedurende geruimen tijd aanzoek en verzoeking, en hij was reeds een paar jaar in zijne nieuwe standplaats gevestigd, voor hij iets anders aan het blad had afgestaan, dan een paar pinksterpsalmen en eenige recensie's over hem toegezonden boeken. Maar langzamerhand gaf de koele en vreemde verhouding, waarin hij tot zijne gemeente stond, hem aanleiding tot schrijven. Toen zijn zoon Johannes student was geworden, en hij van dezen brieven uit Christiania ontving, liet hij zich bewegen, eenige artikelen aan het blad af te staan — en het gevolg was, dat zijn initiaal D. Even geregeld als de bekende Q. voorkwam op de [ 60 ] eerste bladzijde van de courant en als met redacteurs-gezag werd bekleed.

En het was meer dan tijd, dat mannen als hij zich lieten gelden in het belang der goede zaak. Over veel, wat hem in den tijd zijner eenzame studie niet duidelijk was geweest, ging hem nu een helder licht op. Hij leerde inzien, dat vele van de ideeën, die een beslissenden invloed hadden uitgeoefend op zijne levensbeschouwing in de dagen zijner jeugd, gevaarlijk konden worden voor de maatschappij, indien zij niet — zooals bij hèm — werden ontwikkeld in echt christelijken geest.

Het bederf en de teugelloosheid die zich nu in de maatschappij meer en meer lieten gelden, verrieden overal hunnen oorsprong, en wezen op een innig verband met gedachten, door hem in vroegeren tijd begroet als de zaden van ontwikkeling en vooruitgang.

Er werd in den uitgebreiden kring zijner ervaring, in betrekking tot de moderne politiek en literatuur, geen enkel treffend bewijs gevonden, dat iets goeds — iets waarachtig goeds was voortgekomen uit de oogenschijnlijk humane en schoone gedachten, waarop de nieuwere tijd boogde.

[ 61 ] Toen werd het hem duidelijk, dat vele met eerbied genoemde namen zich hadden onteerd: toen begreep hij, dat er "iets" ontbrak bij — allen — mannen zoowel als vrouwen — in wie de nieuwe ideeën hadden wortel geschoten, dat het christendom alleen de hoop der toekomst kon zijn, en dat al het verwarde en tegenstrijdige slechts tot eenheid kon worden gebracht door eene machtige, levende kerk onder de tucht van het kruis.

En de laatste tijd had bewezen, dat, hetgeen men zich vroeger als ver verwijderd dacht, langzaam zich had uitgebreid, en nu plotseling in onbeschaamdheid en hoogmoed, ook in eigen land, het hoofd verhief.

Hij zelf had dit ondervonden in zijne gemeente.

Eenigen tijd, nadat hij er was aangekomen, had men hem gevraagd: of hij lust zou hebben, afgevaardigde te worden naar het Storthing. Hij had voor die eer bedankt: "nog had hij geen lust." En de boeren zeiden "dat het anders zeer gemakkelijk zou zijn, hem af te vaardigen."

Drie jaar later kwam hij tot de overtuiging, dat het zijn plicht was een meer werkzaam aandeel te nemen aan 's lands zaken. — En [ 62 ] hij stelde zich verkiesbaar. Hij dacht niet anders of hij zou met algemeene stemmen worden verkozen. De uitslag was — dat hij drie stemmen kreeg. Zijne verbazing was in den beginne zoo groot, dat hij niet dadelijk kon begrijpen, hoe zoo „iets ongehoords“ kon geschieden, — ja, eigenlijk begreep hij dit nimmer.

Zeer goed herinnerde hij zich de ontstemming der gemeente, naar aanleiding dier oude schuur. — Dat „oude ding“ daar voor zijne studeerkamer zorgde er steeds voor, dat hij ze niet vergat. Maar hij had toch zoo ontelbare malen zijne meerderheid getoond in voordracht en discussie; zoo dikwijls de politici van het dorp in het nauw en tot zwijgen gebracht — dàt erkende dezen zelve. En nu maar drie stemmen! hoe was het mogelijk?

Deze drie stemmen moesten van de meest „getrouwen“ zijn! Maar wie, in 's hemels naam, daarvoor te houden? Hij moest ze te danken hebben aan den burgemeester, den Lensmand [1], en den klokkenist.

[ 63 ] De burgemeester lachte, en zwoer "bij den duivel," dat de boeren de meest valsche schepsels waren, die God ooit had geschapen.

Dominé Jürges voelde zijn bloed koken — en hij werd bezield met vurigen ijver.

Waarlijk, het werd hoog tijd voor den dienaar des Heeren, om waakzaam te zijn. En sedert dien tijd, schreef hij geregeld in de — "courant van de hoofdstad."

Dat de klokkenist éen der drie moest zijn, die hunne stem op hem hadden uitgebracht, was buiten kijf, want deze was — als velen van zijnen stand — onderdanig en vleiend, ging steeds gekleed in een afgedragen jas van dominé, had steeds den mond vol van dominé's afgezaagde uitdrukkingen —, die hij zalvend aan den man bracht, — en zelfs om zijne lippen speelde een glimlach, dien men een zwakke afspiegeling mocht heeten van dominé's stereotypen lach.

Eenigszins twijfelachtiger was het, of de Lensmand zijne stem aan den predikant had gegeven. "Men wist nooit precies wat men aan hem had;" — 't was een "slimmerd" die den burgemeester menigmaal een vloek ontlokte.

[ 64 ] De Lensmand bevond zich dan ook in eene moeielijke positie. Hij was dominé's naaste buur, en van den burgervader slechts gescheiden door de Elbe; beiden hield hij gaarne te vriend, maar ook de voornaamste dorpelingen aan wie hij was vermaagschapt. Daarenboven was hij eigenaar van bosschen en gaarden aan deze en gene zijde van de rivier. Ging hij links, dan kreeg hij het met de ambtenaren te kwaad; ging hij rechts, dan werden de dorpelingen boos en overstelpte zijne eigene familie hem met harde woorden.

Maar de heer Olsen had boven alles den vrede lief, wijl hij — zooals hij zelf zei — steeds veel verdraagzaamheid van zijne vrouw en anderen had ondervonden; want hij was nooit ongevoelig geweest voor wijn en kaartspel, meisjes en vroolijkheid.

Zijne vele afdwalingen en hare gevolgen hadden hem gestemd tot vergevensgezindheid, minnelijke schikkingen, en een gebruik maken van sluipwegen.

Hij had bijna zijn leven lang verkeerd in een soort van onverschillig evenwicht, beurtelings zich neigende tot slechte burgemeesters en stijve [ 65 ] predikanten ter eene — en naar de dorpelingen, wier zwakheden ook de zijne waren, ter andere zijde. Maar eindelijk had hij een schijnbare standvastigheid verkregen, die, nu hij den smaak voor zijne vroegere vermaken begon te verliezen, de troost zijns ouderdoms was.

De predikant geloofde "zeker en vast", dat de derde stem die van den Lensmand was geweest, en de dorpelingen waren er van overtuigd, dat Olsen met hen had gestemd, maar Olsen zelf zat thuis, en verlichtte zich zijn podagra door de gedachte: dat hij hen allen nog om den tuin kon leiden.

De pastorie en de woning van den heer Olsen lagen niet ver van elkaar verwijderd, — maar eigenlijke omgang bestond er tusschen de families niet; Dominé Jürges vond den Lensmand al te onbeschaafd en te onbeteekenend; en "Madam" Olsen en hare dochters waren geen passend gezelschap voor de dames uit de pastorie.

Mevrouw Jürges had het daarenboven veel te druk, om aan bezoek te kunnen denken, en druk had zij het gehad sinds den dag van haar huwelijk. Voor dien tijd leefde ze slechts voor [ 66 ] muziek; maar van het oogenblik af, dat zij kinderen ter wereld begon te brengen, dáar in 't Noorden, had zij geen andere rustdagen gekend, dan de voorgeschreven "negen" na elke bevalling.

Toen zij op hunne reis naar de nieuwe standplaats zich in de hoofdstad ophielden, had zij daarom een pijnlijk opzien gebaard in den kring, waarin zij veertien jaar geleden als de begaafde Wilhelmine Lindeman had geschitterd. Zeker, zij waren allen veertien jaren ouder geworden, maar de hare moesten vreeselijk lang zijn geweest.

Dat zij, na de geboorte van acht kinderen en een afgezonderd leven in een ruw klimaat, hare schoonheid had verloren, — daarover kon men zich niet verwonderen. Maar dat iemand naar den geest zóo geheel kon veranderen, aan die mogelijkheid hadden hare vriendinnen nooit gedacht.

Zij toch was eene kunstenares geweest, — niet zoozeer wat artistieke ontwikkeling betreft, als wel naar aanleg en natuur. "Dwepend," — had men haar toen ter tijde genoemd, en men verstond daaronder iets "lichts en fijns", iets, dat verheven was boven het alledaagsche.

[ 67 ] Zij moest nu zeker erg godsdienstig geworden zijn — "zeer pieus." Dit althans was de eenige verklaring, die hare vriendinnen konden vinden voor Mevrouw Jürges' bedeesde teruggetrokkenheid en den zenuwachtigen angst waarmede zij vermeed muziek te hooren, zoolang zij in de stad vertoefde.

Zoo spoedig Mevrouw Jürges in de nieuwe pastorie was aangekomen, begon zij met rusteloozen ijver alles in orde te brengen, waartoe echter geruime tijd werd vereischt. Later toen het huishouden zijn geregelden gang ging, schudde de predikant meermalen het hoofd, als zijn vrouw zich van de keuken naar de kamer spoedde en van de kamer naar de keuken, en een oogenblik later de trap op ijlende, boven gekomen, zich niet meer kon herinneren waar voor zij dien tocht had gemaakt.

"Kleine Mina, niet zoo haastig!" riep hij somwijlen schertsend. "Het is veel gepaster voor de vrouw van een predikant om in het salon te zitten met een handwerkje."

"Ja, ja, ik kom oogenblikkelijk, Daniël," — was dan haar antwoord, terwijl ze hare bekommerde groote, donkerbruine oogen, wier wit den [ 68 ] blauwachtigen glans van paarlemoer vertoonde, tot hem opsloeg. "Ik kom oogenblikkelijk, — wees niet boos, — zoo aanstonds." — En hiermee verwijderde ze zich, en trok de deur achter zich dicht.

Deze onrust was een ware plaag voor den armen predikant. Dat het bestier der huishouding haar geheel in beslag had genomen, toen de kinderen klein en het inkomen gering was, — dàt was natuurlijk. Maar nú, nu de twee dochters waren gehuwd en Johannes zich in Christiania bevond, was het pijnlijk, zijne vrouw steeds door het huis te zien loopen — bleek en vermoeid — zonder ooit tot rust te komen, in plaats van het "gezellig te maken" als hij zich in de huiskamer ophield.

Hij werd genoodzaakt ernstig met haar te spreken, en haar onder het oog te brengen, dat zij onvergeefiijk handelde, niet zoozeer uit een menschelijk dan wel uit een aesthetisch oogpunt. En ook Gods eigen woorden drukten der vrouwen op het hart, het betere deel te kiezen en niet, als Martha, op te gaan in materieële zorgen.

Zij schreide dikwijls, — maar niet in zijne tegenwoordigheid, en zij trachtte zich in alles [ 69 ] wat ze sprak of deed, naar zijnen wil te voegen. Het was wel waar — zij was geheel vervuld van kleinigheden, en menigmaal — vooral wanneer er gasten waren — kon zij op zijn gelaat lezen, dat wat zij zei onbeteekenend en triviaal was. En wanneer zij zich dwong tot stil zitten en lezen, terwijl hij op de sofa liggend zijne courant genoot, lieten hare huiselijke zorgen haar toch niet met vrede, ofschoon ze zóó moe was, dat het zitten een wezenlijke weldaad voor haar mocht heeten.

Maar tegen haren wil, trots alle goede voornemens, vlogen hare gedachten het huis rond, om met den ijver van een kwaad geweten te zoeken naar een verzuim of naar iets wat noodig gebeuren moest. Soms stelde zij zich voor — met eene levendigheid, die haar het bloed tintelend naar de wangen joeg en hare armen zenuwachtig deed trekken — hoe akelig het was dat Caroline — die op het punt stond van te bevallen — geen donzen kussentje had voor de kleine; zij had het prachtigste eiderdons meêgebracht uit het Noorden, — zij had ook nog een stuk roode stof, juist geschikt voor een overtrek — het lag op zolder in eene kist — ze [ 70 ] zag het alles vóor zich — het zou zoo gemakkelijk zijn het te maken, en Caroline kon het zoo goed gebruiken. Als zij dat dons eens verwarmde en luchtig uitspreidde, dan kon het dienstmeisje inmiddels het kussensloopje naaien op de machine, — als ze slechts even naar den zolder durfde gaan; — het was immers voor Caroline en voor den kleinen stakkerd, — die geen donzen kussentje had. 't Was, of hij hulpeloos en naakt vóor haar lag.

"Mijn God, Mina, wat zijt ge onrustig!" riep de predikant van zijn nieuwsblad opziende; "ik ben er zeker van, dat er weer het een of ander is, waarnaar gij wilt gaan kijken."

"Vergeef me, Daniël, ik wist heusch niet dat ik onrustig was. Het is maar, — ja, het doet me zoo leed, dat ik je stoor — maar het is Caroline — dat wil zeggen, Caroline's kleintje — wanneer dit komt, — begrijpt ge — denk eens, — dan is er géén donzen kussentje!"

"Géén donzen kussentje!" Hij lachte. „Moet ge nu ook al voor de ongeboren kinderen zorgen? Gij onverbeterlijke Martha!"

Bemoedigd door zijn lachen, legde ze het boek ter zij.

[ 71 ] "Ja, gij weet niet, Daniël, — want mannen hebben van zulke dingen geen verstand, — hoe goed — ja, hoe noodzakelijk zulk een kussen is; en als gij mij permissie woudt geven er een te maken."

"Permissie! — natuurlijk hebt ge permissie! wat is dat voor laf gepraat! het is voor je eigen best, dat ik me soms verzet!"

"O, Daniël! ik begrijp je zoo goed, — lieveling!"

"Neen, ge begrijpt me niet; en ge hebt me nooit begrepen," barstte hij los en stond op.

Mevrouw Jürges vluchtte naar de keuken, met ontsteld gelaat; want als hij ongeduldig werd, sprak hij woorden, die — zooals nog onlangs — door hem zelven reeds waren vergeten, als ze háar nog vervolgden en pijnigden.

Ach, zij wist het maar àl te goed; ze was geen vrouw voor een man als hij. En ze luisterde met kloppend hart, hoe hij in de kamer met de voeten op den grond stampte, en pijp en couranten bijeenpakte om ze mee te nemen naar de studeerkamer, ofschoon hij — zij wist het — liever zijn voormiddagen in de huiskamer doorbracht.

Daarom ook vielen er tranen op haar handen, [ 72 ] toen zij den zak met eiderdons te voorschijn haalde.

Maar toen het dons in de ijzeren pan zoo heerlijk begon te zwellen, en eindelijk, later, het kussentje zijn vorm begon te krijgen, werd zij geheel en al door den arbeid ingenomen.

Maar toch verliet haar ook nu het onbestemde gevoel van angst niet, dat haar altijd gedurende haar huwelijksleven had gedrukt. De onbewuste vrees, om hèm te ontstemmen, vervolgde haar als een dreigend "spook," dat haar elk oogenblik kon overvallen. En altijd had ze eene gewaarwording als iemand, die in den droom loopt, en loopt, en toch niet vooruitkomt.

Meestal dacht ze, dat dit gevoel voortsproot uit het bewustzijn, dat zij te onbeteekenend was voor een man als hij, maar somwijlen liet zich eene stem in haar binnenste hooren, die dit weêrsprak.

Dominé Jürges liep een paar maal met veel geweld van en naar zijne studeerkamer. Eindelijk bleef hij voor den spiegel staan, lachte, en streek zich over het gelaat. Waarom zoo driftig? — Lieve hemel, zij is nu eenmaal niet anders. Het was niet zoo beschikt, dat hij in zijne [ 73 ] echtgenoote eene hulpe zou vinden op de wegen, die hij als herder eener gemeente moest bewandelen, en nog minder eene bondgenoote in den strijd, dien hij met de beste mannen van het land voerde tegen "de slechte tijden."

Hij gevoelde dikwijls — hij kon dit niet ontkennen — hoe zijne vrouw, zooals vandaag, hem naar beneden trok, hem afleidde van zijne ernstige, diepe overdenkingen, om hem te plagen en te vervolgen met nietigheden, die háar leven uitmaakten. En dikwijls bepeinsde hij,hoe geheel anders alles zou geweest zijn, indien hij een vrouw had gehuwd, die hem had kunnen volgen, die zijne gedachten had kunnen begrijpen, — en bewonderen, zoo klaar en zeker waar het wereldsche gedachten en zaken betrof; zoo overgevend en ootmoedig in de dingen Gods.

In zulke droomerijen was dominé Jürges, die na zijn huwelijk slechts weinig vrouwen van zijnen stand had ontmoet, in vergelijking met den tijd, toen hij kon kiezen, wie hij wilde, dikwijls verzonken. Maar het was niet eene bepaalde dame uit dien tijd, die hem in zijne gedachten voor den geest zweefde; hij paste de verschillende goede eigenschappen van vele dames bij elkaar, [ 74 ] en schiep zich zóo de vrouw die hem paste.

Wanneer hij uit zijn gepeins ontwaakte, en zijn blik op zijne magere, afgeleefde vrouw viel, bezig met allerlei nietigheden, dan beschuldigde hij zich zelven, dat hij ook ten háren opzichte een slachtoffer was geweest zijner ijdelheid. Hoe trouw en verdraagzaam was hij voor deze vrouw geweest, die hem toch zoo weinig begreep, en ter wier wille hij afstand had gedaan van de verleidelijke vrouwengestalten zijner droomen.

Maar God had hem voor al zijne opofferingen beloond door hem zijnen zoon Johannes te laten behouden. Van de acht kinderen waren er, daar in 't Noorden," vijf gestorven. Zijne vrouw was zoo zwak geweest, dat zijn eigen krachtig bloed onvoldoende was gebleken om de kleine schepseltjes de noodige levenskracht meé te deelen. Slechts de drie oudsten waren hen naar het Zuiden gevolgd. De dochters waren reeds gehuwd — juist toen zij het in huis gezellig begonnen te maken — en hierdoor hechtte hij zich zooveel te meer aan zijnen zoon.

De brieven van Johannes, in verband met zijn werken voor de "courant der hoofdstad," boezemden hem veel meer belangstelling in dan [ 75 ] zijn herderlijk ambt. Maar hierover vreesde hij geen verwijt nòch van God, nòch van de menschen.

Want hij kende nu zijne gemeenteleden door en door. Hij wist, dat zij verstokt en zelfgenoegzaam waren, en dat zij om te leeren hongeren naar "het woord", geen behoefte hadden aan een vriendelijken, vergevenden herder, maar aan een krachtigen dienaar des Heeren, die, zoo als hij, hen in den nek kon grijpen en hun stijven hals ter aarde buigen.

Daarom was hij met een gerust geweten zijne innerlijke roeping gevolgd naar het groote strijdperk, ten einde met de hoogstgeplaatsten in den lande, geschaard om de gezalfden des Heeren, den storm het hoofd te bieden.

En hij was zich bewust, dat geen haat — zelfs geene minachting voor de lagere klassen, waaruit de sociale beweging opsteeg, eenigen invloed op zijn doen en laten zou kunnen uitoefenen. Want — hij had zijne deelneming aan de boerenvergoding geenszins vergeten of ontkend. Hij kwam er rond voor uit, en hij verklaarde aan ieder die het hooren wilde, nadrukkelijk: dat hij juist dáarom, — en omdat hij de [ 76 ] geheele beweging had meegemaakt, vóordat zij nog was bedorven door gewetenlooze aanvoerders, — beter dan misschien iemand anders, in staat was, om onderscheid te maken tusschen het goede en verderfelijke in den tijdgeest.

Wanneer eerst het arme, verdwaalde volk maar was gered uit de klauwen der gemeene oproerkraaiers, wanneer maar eerst deze ergerlijke stormloop tegen alles wat hoog en heilig was, zijn hoofd had gestooten tegen den God, die niet met zich laat spotten, — o, dàn zou niemand meer dan hij bereid zijn om de geslagen wonden te heelen, den berouwhebbenden tegemoet te komen, en het kwaad te vergeven en te vergeten.

Maar nòg bevond men zich in vollen strijd; nòg klonken de woorden des Heeren tot zijne strijders: "draagt het zwaard niet te vergeefs!"

En toen hij, opstaande, voor den spiegel zich zelven in de groote donkerblauwe oogen zag, moest hij lachen bij de herinnering aan de kleine scène in de huiskamer. Hoe nietig vond hij dit tooneeltje! — Hij nam zich voor nòg vriendelijker, nòg verdraagzamer jegens haar te zijn; zij kon immers niet weten — de arme Mina! — hoe vèr hij boven haar verheven was. [ 77 ] Hij vlijde zich nu gemakkelijk in den grooten leunstoel voor zijn schrijftafel, en nam andermaal de courant ter hand. Hij vond spoedig wat hij zocht, en zette nu kalm en bevrijd van alle kleingeestige bekommeringen, de lezing van het door hem zelven geschreven artikel voort:....... „het is een strijd tegen God. Maar allen die de verleiders volgen, zullen eenmaal leeren inzien, dat het moeielijk is de verzenen tegen de prikkels te slaan: want God laat niet met zich spotten.

„Wie wind zaait zal storm oogsten.“



  1. Ik heb gemeend het woord Lensmand onvertaald te moeten laten wijl er hier te lande geen enkele betrekking bestaat die met die van Lensmand overeenkomt. 't Is een soort ondercommissaris van politie, die den Fogd in zijne veelvuldige bemoeiingen bijstaat.