In het jaar 2000 (Bellamy 1890)/12

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XI. In het jaar 2000 van Edward Bellamy

XII.

XIII.


[ 97 ]
 

HOOFDSTUK XII.

 

 

De vragen, die ik doen moest, voor ik zelfs maar een oppervlakkige bekendheid met de instellingen van de twintigste eeuw kon krijgen, waren eindeloos, en even onuitputtelijk scheen mij het geduld van Dr. Leete; wij zaten nog verscheidene uren te praten, nadat de dames naar haar kamer waren gegaan. Ik herinnerde mijn gastheer aan het punt waar ons gesprek in den morgen afgebroken was, en vroeg hem mij te vertellen, hoe de organisatie van het arbeidsleger een voldoende prikkel opleverde voor ijver, wanneer geen broodzorg den werkman behoefde bezig te houden.

—"In de eerste plaats moet u weten," antwoordde de dokter, "dat het verschaffen van prikkels maar éen van de bedoelingen was, waarmede het leger is ingericht. [ 98 ] De andere en even belangrijke, is om voor de vleugelmannen en aanvoerders, en de hoogste ambtenaren van de natie, menschen van beproefde bekwaamheid te krijgen, die in hun eigen loopbaan den waarborg gaven, dat zij hunne ondergeschikten zullen aansporen tot de meeste krachtsontwikkeling en geen verslapping zullen dulden. Met het oog op deze beide doeleinden is het leger ingesteld. Eerst heeft men den rang van gewone werklieden, mannen van alles, waartoe alle recruten gedurende de eerste drie jaar behooren. Deze graad is een soort van school, en een zeer strenge, waar de jongelieden leeren gehoorzaamheid, onderwerping aan hoogeren en plichtbesef. Terwijl de uiteenloopende soorten van arbeid, die door deze klasse wordt verricht, de systematische indeeling van de leden belet, die later wordt toegepast, worden toch gedraglijsten van ieder bijgehouden en de goeden ontvangen een belooning terwijl de nalatigen gestraft worden. Het is evenwel onze gewoonte om door jeugdige zorgeloosheid of overmoed, indien niet van schuldigen aard, de verdere loopbaan niet te laten 'bederven, en allen die deze algemeene afdeeling hebben doorloopen, zonder ernstige moeilijkheden, zijn gelijk in hun keus voor de levenstaak, die zij wenschen. Na die keus gedaan te hebben, beginnen zij het vak als leerlingen. De duur van het leerlingschap verschilt natuurlijk in verschillende beroepen. Na afloop daarvan wordt de leerling volle werkman en lid van zijn vakvereeniging of gilde. Nu worden niet alleen de gedraglijsten van de leerlingen stipt bijgehouden en hun bijzondere ijver en bekwaamheid beloond door gepaste onderscheidingen, maar op het resultaat van deze lijsten berust ook de plaats, die de leerling inneemt als volle werkman.

[ 99 ] "De inwendige diensten van de verschillende nijverheden verschilt natuurlijk naar gelang van hun bijzonderen toestand, zij komen hierin overeen, dat al de werklieden verdeeld zijn in werklieden eerste, tweede en derde klasse, naarmate van bekwaamheid, en deze klassen zijn nog somtijds in twee onderafdeelingen gesplitst. Overeenkomstig zijn positie als leerling wordt den jongen een plaats aangewezen in een van de drie klassen. Natuurlijk stappen alleen jongelieden van buitengewone kundigheden de beide eerste klassen over. De meesten komen in een dier twee, naar zij meer ondervinding krijgen klimmen zij op bij de regelmatige verhoogingen. Deze verhoogingen vinden plaats in elk vak met tusschenpoozen die overeenkomen met den duur van het leerlingschap bij dat vak, zoodat verdienste nooit lang behoeft te wachten om te stijgen, of het rusten op vroegere inspanning iemand kan beletten in een lagere klasse terug te vallen. Een van de voornaamste voordeelen van een verhooging, is het recht om te kunnen kiezen welke van de verscheidene takken of methoden in zijn beroep door den werkman zal worden beoefend als zijn specialiteit. Natuurlijk wil men niet dat er één van deze methoden of takken onevenredig bezwaarlijk zal zijn, maar het onderscheid is dikwijls vrij groot, en dus wordt het recht van kiezen op hoogen prijs gesteld. Inderdaad wordt ook bij de minste arbeiders hunne voorkeur geraadpleegd bij het uitdeelen van werk, niet alleen omdat daardoor hun geluk maar ook hunne nuttigheid wordt verhoogd. Maar, terwijl de wenschen van den lageren werkman invloed hebben in zooverre als de belanden van den dienst toelaten, wordt eerst voor de hoogere gezorgd, en dikwijls moet hij tevreden zijn met een tweede of derde keus, of wel met [ 100 ] een willekeurige toewijzing als zijn hulp wordt vereischt. Dit recht van kiezen gaat samen met elke verhooging, en als iemand zijn rang verliest, loopt hij tevens gevaar van den arbeid die hem bevalt te moeten ruilen voor ander werk, minder naar zijn smaak. De uitslag van elke verhooging, die de hoogte van iedereen in zijn vak aanduidt, wordt afgedrukt in de couranten, en zij die bevorderd zijn geworden sedert den laatsten keer, ontvangen den dank van de natie en worden in het openbaar begiftigd met het teeken van hun nieuwen rang."

—"Wat mag dat teeken wel zijn?" vroeg ik.

—"Elk vak," hervatte Dr. Leete, "heeft zijn figuurlijk teeken; en dit teeken, in den vorm van een medaille, zoo klein dat gij haar nauwelijks zoudt zien als gij niet wist waar zij gedragen werd, is het eenige wat de menschen van het leger onderscheidt, behalve in die gevallen als het openbaar belang een afzonderlijke uniform noodig maakt. Dat insigne is gelijk voor alle klassen wat den vorm betreft, maar terwijl de derde graad een medaille van ijzer heeft, is de tweede van zilver en de eerste verguld. Afgescheiden van den krachtigen prikkel gelegen in de omstandigheid dat de hooge rangen in het leger alleen openstaan voor de werklieden van de derde klasse en dat een hooge rang in het leger de eenige gelegenheid om eer te behalen vertegenwoordigt voor die overgroote menigte die geen beoefenaars zijn van kunst, letteren of wetenschappen, zijn vele andere prikkels, geringere maar misschien even doeltreffend, aanwezig in den vorm van bijzondere voorrechten en vrijheden die de hoogere arbeiders genieten. En deze privileges, die zoo onschadelijk mogelijk voor de minder gelukkigen zijn, hebben het nut van steeds voor ieders oogen de begeerlijkheid van een hoogere klasse te houden.

[ 101 ] "Het spreekt van zelf, dat niet enkel de goede maar ook de gewone en de slechte werklieden, de eerzucht van op te klimmen met reden zullen kunnen koesteren. Ja, omdat het aantal van deze laatsten zooveel grooter is, is het zelfs noodiger dat dit klasse-stelsel hen niet ontmoedigt dan dat het de anderen aanspoort. Daarom zijn de klassen nog onder-verdeeld. Afdeelingen en onderafdeeiingen worden bij elke verhooging van gelijke getalsterkte gemaakt, en er is dus nooit meer dan een negende van het geheele leger in de laagste afdeelingen van de laagste klasse, en de meerderheid van dit cijfer zijn gewezen leerlingen, die allen hoopen op bevordering. Zij die gedurende den geheelen dienst in de laagste klassen blijven, zijn maar een geringe fractie van het leger en in den regel even ongevoelig voor hun toestand als onbekwaam om zich te verbeteren.

"Het is zelfs niet noodig dat een arbeider stijgt om althans eenige bevrediging van zijn eerzucht te ondervinden. Terwijl voor bevordering een algemeene uitmuntendheid als werkman onmisbaar is, worden eervolle vermeldingen en verschillende soorten van belooningen toegekend voor verdiensten die geen bevordering medebrengen, en ook voor bijzondere daden en op zich zelf staande verrichtingen in eenig bedrijf. Er zijn ook nog andere onderscheidingen, niet alleen in de klassen maar ook in de onderafdeelingen, die elk prikkelend werken op de handelingen van een groep. De bedoeling is dat geen enkele vorm van verdienste onbeloond zal blijven.

"Verwaarloozing van arbeid, bepaald slecht werk, of andere grove nalatigheid bij menschen met kwade gezindheid,—de tucht in het leger is veel te streng om iets van dit alles toe te staan. Een man die in staat is zijn plicht [ 102 ] te doen en bij voortduring weigert, wordt op water en brood in de cel gezet tot hij zijn werk hervat.

"De laagste rang van officieren wordt genomen uit de lieden die gedurende twee jaren hun plaats hebben behouden in de eerste afdeeling van de eerste klasse, en als deze keus te ruim is, komt alleen de eerste groep van die afdeeling in aanmerking. Niemand komt op deze wijze tot het bevelen over anderen voor zijn dertigste jaar. Nadat iemand officier wordt, hangt zijn rang niet meer af van de voortreffelijkheid van zijn eigen arbeid, maar van dien van zijn menschen. Bij de benoemingen voor hoogere rangen geldt nog een ander beginsel, dat nu te lang op zou houden om uit te leggen.

"Natuurlijk kon zulk een klassestelsel als ik beschreven heb, niet toegepast worden in de kleine ondernemingen van uw tijd. U moet niet vergeten, dat bij de nationale uitvoering van den arbeid, alle bedrijven een groot getal personen tellen, alsof vele van uwe boerderijen of werkplaatsen tot éen vereenigd waren. Het is ook alleen wegens de reusachtige schaal waarop alle beroepen zijn ingericht, met soortgelijke instellingen in alle deelen van het land, dat wij door ruil en verplaatsing iedereen vrij wel het werk kunnen geven dat hij het beste kan doen.

"En nu, mijnheer West, nu vraag ik u, op grond van de ruwe schets, die ik u van ons systeem gegeven heb, of zij, die bijzondere prikkels behoeven, die zullen ontberen? Schijnt het u niet toe, dat menschen, die gedwongen waren om te werken, of zij wilden of niet, bij zulk een stelsel zich sterk aangespoord zouden voelen om hun best te doen?"

Ik antwoordde dat naar mijne meening de prikkels te sterk waren, als men eenige aanmerking wilde maken; dat de jonge lieden te hard van stal gingen; en, onder [ 103 ] verbetering, houd ik mij hierbij, nu ik door een langer verblijf beter op de hoogte ben van het geheele onderwerp.

Dr. Leete verzocht mij evenwel nog eens na te denken, en ik geef toe dat het mijne opmerking mogelijk voldoende weerlegt, dat het bestaan van den werkman niet van zijn rang afhangt en onrust daarvoor dus nimmer zijn teleurstelling kan verbitteren; dat de werkuren kort zijn, de vacantiën regelmatig, en dat alle wedijver op het vijf en veertigste jaar gestaakt wordt, als de middelbare leeftijd is bereikt.

—"Ik moet nog een paar dingen zeggen," voegde Dr. Leete er bij, "om u geen verkeerden indruk te geven. U moet vooreerst begrijpen, dat het beginsel om de goede werkers vóór te trekken boven de minder goede, in geenen deele ingrijpt in het fundamenteele denkbeeld dat allen die hun best doen dezelfde aanspraken kunnen maken, al is dat best doen veel of weinig. Ik heb u aangetoond, dat het stelsel zoo is ingericht, dat zoowel sterken als zwakken aangespoord worden door uitzicht op bevordering, terwijl de omstandigheid dat de sterken gekozen worden tot leiders niet een kritiek is op de zwakken, maar een maatregel in het algemeen belang.

"Bovendien moet u niet denken dat, omdat wij vrij spel laten aan onderlingen wedijver als een prikkel tot inspanning, wij dat een geschikte beweegreden vinden voor de besten onder ons. Dezulken zoeken hun drijfveeren van binnen, niet van buiten, en meten hunne resultaten met hunne eigen begaafdheden, niet met de resultaten van anderen. Zoolang hunne verrichtingen geëvenredigd blijven aan hun krachten, zouden zij het vreemd vinden geprezen of gelaakt te worden als bij toeval wat zij tot stand brengen weinig of veel is. "Wedijver is onzinnig [ 104 ] voor zulke naturen en uit een zedelijk oogpunt verwerpelijk, omdat daardoor nijd in de plaats van bewondering komt en verheffing op eigen verdienste in de plaats van droefheid over den tegenspoed van anderen.

"Maar niet alle menschen, zelfs in het laatste jaar van de twintigste eeuw, zijn van deze betere soort, en de prikkels tot inspanning, die zij noodig hebben, moeten daarmede rekening houden. Voor de meerderheid is scherpe wedijver de scherpste spoor. Zij die er boven verheven zijn hebben geen aansporing noodig.

"En dan mag ik niet vergelen te zeggen, dat voor hen die te kort schieten in geestelijke of lichamelijke vermogens, wij eene afzonderlijke klasse hebben, niet verbonden met de andere—een soort invaliden-corps—waarvan de leden een lichten arbeid hebben, die met hunne krachten overeenkomt. Al onze zieken naar ziel en lichaam, alle de dooven en stommen, de lammen, de blinden, de kreupelen en zelfs de krankzinnigen, behooren tot dit corps en dragen zijne teekenen. De sterksten doen dikwijls bijna het werk van een man, de zwaksten natuurlijk zoo goed als niets; maar niemand, die iets kan doen, zal gaarne geheel ledig zijn; zelfs de krankzinnigen in hunne heldere oogenblikken doen wat zij kunnen."

—"Dat invaliden-corps is een aardig denkbeeld," zeide ik. "Zelfs een barbaar van de negentiende eeuw zou dat op prijs stellen. Het is een edelmoedige manier om weldadigheid te verbergen, en moet zeer streelend zijn voor het gevoel van de verpleegden."

—"Weldadigheid!" herhaalde Dr. Leete. "Gelooft gij dat wij de onbekwamen, waar wij van spreken, beschouwen als voorwerpen van weldadigheid?"

—"Ja, natuurlijk," antwoordde ik, "voorzoover zij niet [ 105 ] in hun eigen onderhoud kunnen voorzien." Maar hier viel de dokter mij snel in de rede.

—"Wie kan in zijn eigen onderhoud voorzien?" vroeg hij. "Dit bestaat niet in de beschaafde maatschappij. In een staat zoo achterlijk, dat zelfs samenwerking in het huisgezin onbekend is, kan misschien ieder individu zich zelf onderhouden, maar dan zelfs alleen voor een gedeelte van zijn leven, maar van het oogenblik dat de menschen begonnen samen te leven en den ruwsten vorm van maatschappij hadden gesticht, wordt eigen onderhoud onmogelijk. Naar gelang de menschen beschaafder worden, en de verdeeling van beroepen en diensten plaats vindt, wordt de algemeene regel een samengestelde onderlinge afhankelijkheid. Iedereen, hoe op zich zelf staand zijn bezigheid ook moge schijnen, is lid van een uitgebreide compagnieschap, zoo groot als het volk, zoo groot als de menschheid. De noodzakelijkheid van onderlinge afhankelijkheid behoorde mede te brengen den waarborg en de verplichting van onderling hulpbetoon, en dat dit niet het geval was in uw tijd was juist de groote wreedheid en inconsequentie van uw stelsel"

—"Dat kan alles zoo zijn," antwoordde ik, "maar dit raakte niet het geval van hen die buiten staat zijn aan de productie mede te werken."

—"Maar ik heb u toch gezegd," hernam Dr. Leete, "of ik dacht ten minste dat ik u gezegd had van morgen, dat iemands recht om te zitten aan de tafelen der natie, voortkomt uit het feit dat hij een mensch is, en niet op de hoeveelheid kracht en gezondheid die hij toevallig bezit, zoolang als hij doet wat hij kan."

"Dat hebt u gezegd," antwoordde ik, "maar ik dacht dat de regel alleen werklieden van verschillende bekwaamheid [ 106 ] betrof. Geldt de regel ook voor hen die niets kunnen doen?"

—"Zijn dat dan ook geen menschen?"

—"Moet ik dus gelooven dat de lammen, de zieken, de onmachtigen, even goed af zijn als de deugdelijkste arbeiders en hetzelfde inkomen genieten?"

—"Zeker," was het antwoord.

—"Het denkbeeld van liefdadigheid op zulk een schaal," hervatte ik, "zou onze warmste philanthropen uit het veld geslagen hebben."

—"Als gij een zieken broeder thuis hadt," sprak Dr. Leete, "buiten staat om te werken, zoudt gij hem dan grover voedsel geven, hem slechter kleeden en laten wonen, dan gij zelf? Neen, gij zoudt hem het beste geven, en gij zoudt het geen aalmoes noemen. Zou zelfs het woord in dat verband u niet hoogst stuitend wezen?"

—"Natuurlijk," zeide ik, "maar de gevallen zijn niet dezelfde. In zekeren zin zijn de menschen ongetwijfeld broeders, maar deze soort van broederschap kan niet, tenzij met rhetorische bedoelingen, vergeleken worden bij de broederschap van bloed, noch in de gevoelens, noch in de verplichtingen."

—"Daar hoor ik de negentiende eeuw!" riep Dr. Leete.

"O, Mijnheer West, u hebt wel lang geslapen. Als ik u in éen woord een sleutel moest geven op wat u schijnt het raadsel van onze hedendaagsche beschaving te zijn, dan zou ik zeggen dat het de omstandigheid is dat het gevoel van solidariteit van ons ras en de broederschap van de menschen, die bij u slechts groote woorden waren, in onze gedachten en voor ons gevoel, even sterke banden zijn als broederschap naar den vleesche.

"Maar zelfs buiten deze overweging, zie ik niet in [ 107 ] waarom het u zoo verbaast dat zij die niet werken kunnen, het volle recht hebben om te leven van den arbeid van anderen. Ook in uw tijd, toen de militaire dienst, waarmede ons arbeidsleger overeenkomt, verplichtend was voor ieder die in staat was zich er van te kwijten, verloren zij die daartoe niet in staat waren, toch niet hunne rechten als burgers. Zij bleven thuis en werden beschermd door hen die streden, en niemand betwijfelde hun recht op bescherming of rekende hun dit aan. Op dezelfde manier ontneemt de verplichting tot arbeid voor hen die kunnen, de burgerrechten niet aan hen die buiten staat zijn. En die burgerrechten bevatten nu het recht op onderstand. De arbeider is geen burger omdat hij werkt, maar hij werkt omdat hij een burger is. Zooals gij erkent de verplichting van den sterke om voor den zwakke te vechten, zoo erkennen wij zijn plicht, nu het vechten voorbij is, om voor hem te werken.

"Een oplossing die een neerslag overlaat is geen oplossing, en onze oplossing van de sociale quaestie zou er geen geweest zijn, indien we de zieken, de lammen en de blinden hadden gezet bij de dieren, aan hun lot overgelaten. Veel beter om de sterken en gezonden onverzorgd te doen blijven dan de belasten, voor wie ieder het hart voelt kloppen en voor wiens rust naar lichaam en geest dient te worden gewaakt, in de allereerste plaats. Daarom is het, zooals ik u van morgen verhaalde, dat de aanspraak van iederen man, vrouw en kind op het middel van bestaan, berust op den grondslag zoo duidelijk, breed en onwrikbaar als het feit dat zij leden van een en hetzelfde ras zijn—leden van een menschelijk gezin. De eenige gangbare munt is het beeld van God en dit neemt men in betaling voor alles wat er is.

[ 108 ] "Ik geloof dat er geen trek in de beschaving van uw tijd is zoo stuitend voor ons als de verwaarloozing van de afhankelijke klassen. Zelfs als gij geen medelijden, geen broederlijk gevoel hadt, hoe kwam het dat gij niet zaagt dat gij de machtelooze menigte van hun eenvoudigste recht beroofdet door haar onverzorgd te laten?"

—"Dat ben ik niet geheel met u eens," zeide ik. "Ik erken de aanspraken op ons medelijden, maar hoe konden zij die niets voortbrachten, recht hebben op een aandeel in de productie?"

—"Hoe kwam het," vroeg Dr. Leets, "dat uwe producenten meer konden maken dan de wilden? Was dat niet geheel en al het gevolg van de erfenis van kennis en arbeidsproducten, van het samenstel der maatschappij, dat duizende jaren noodig had gehad om te worden, en door u kant en klaar was gevonden op de wereld? Hoe waart gij in het bezit gekomen van deze zaken en van deze kennis, die tienmaal meer waard waren dan wat gij zelf er aan toevoegdet? Gij hadt hen geërfd, niet waar? En waren niet die anderen, die ongelukkige en gebrekkige broeders die gij uitwierpt, uwe mede- erfgenamen? Wat deedt gij met hun aandeel? Was het geen diefstal als gij hen tevreden steldet met een broodkorst, die recht hadden om naast u aan te zitten, en was het geen beleediging voegen bij diefstal, als gij de broodkorst liefdadigheid noemdet?

"O, Mijnheer West." ging Dr. Leete voort, toen ik bleef zwijgen, "wat ik vooral niet begrijp, is, met weglating van alle bedenkingen van recht of van menschenliefde, hoe de werkers van uwe dagen, eenig hart voor hun werk konden hebben, als zij wisten dat hunne kinderen of kindskinderen, als zij tegenspoed zouden ondervinden, [ 109 ] beroofd zouden worden van de gemakken, en zelfs van de nooddruft des levens. Het is een raadsel hoe menschen met kinderen een stelsel konden verdedigen, waarin de sterkeren meer beloond werden dan de zwakken. Want volgens hetzelfde verschilmakend beginsel waar de ouder voordeel bij had, kon de zoon, voor wien hij zijn leven zou gegeven hebben, die mogelijk zwakker was dan anderen, tot den bedelstaf worden gebracht. Hoe menschen kinderen durfden krijgen heb ik nooit kunnen begrijpen."