In het jaar 2000 (Bellamy 1890)/23

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXII. In het jaar 2000 van Edward Bellamy

XXIII.

XXIV.


[ 192 ]
 

HOOFDSTUK XXIII.

 

 

Dien avond toen ik met Edith in de muziekkamer zat te luisteren naar eenige stukken van het programma die ons interesseerden, maakte ik gebruik van een pauze om te zeggen—"ik moet u iets vragen dat nog al onbescheiden is."

—"Dat zal het wel niet zijn, denk ik," zeide zij vriendelijk.

—"Ik ben in de positie van een luistervink," hernam ik, "die iets gehoord heeft van wat niet voor hem bestemd [ 193 ] was ofschoon het hem schijnbaar aanging en die de onbeschaamdheid heeft naar de rest te informeeren."

—"Een luistervink!" herhaalde zij vragend...

—"Ja," zeide ik, "maar onder verzachtende omstandigheden, wat gij wel zult willen toegeven."

—"Dat is erg geheimzinnig," antwoordde zij.

—"Ja," zeide ik, "zoo geheimzinnig dat ik dikwijls er aan getwijfeld heb of ik het werkelijk hoorde wat ik u ga vragen, of het maar gedroomd heb. Ik wou graag dat u het mij verteldet. De zaak is deze: Toen ik ontwaakte uit mijn langen slaap, was de eerste indruk dien ik gewaar werd, die van pratende stemmen, van stemmen die ik naderhand herkende als van uw vader, van uw moeder en van u zelf. Eerst herinner ik mij uw vader die zeide: hij gaat zijn oogen open doen, het is beter dat hij er maar een ziet, Toen zeidet u, als ik tenminste niet droomde: beloof mij dan dat u het hem niet zult zeggen. Uw vader scheen te aarzelen, maar u hieldt vol en uw moeder sprak u vóór, met dat gevolg dat hij u beloofde te doen wat u vroegt en toen ik mijn oogen opendeed zag ik hem alleen."

Ik meende het in vollen ernst toen ik zeide niet zeker te weten, dat ik het gesprek wat ik afgeluisterd had, niet had gedroomd, zoo onbegrijpelijk scheen het mij dat deze lieden iets konden weten van mij, een tijdgenoot van hun overgrootouders, dat ik zelf niet wist. Maar toen ik de uitwerking van mijn woorden op Edith zag, bemerkte ik dat het geen droom was, maar een ander geheim nog vreemder dan eenig raadsel dat ik te voren had ontmoet. Want van het oogenblik af dat zij de strekking van mijn vraag begreep, gaf zij blijken van de ergste verlegenheid. Hare oogen die altijd zoo vrij en open van [ 194 ] uitdrukking waren, had zij vol angst neergeslagen voor mijn blik en zij bloosde tot in den hals.

—"Ik vraag u wel om verschooning," zeide ik, nadat ik eenigszins bekomen was van mijne ontsteltenis van den buitengewonen indruk van mijn woorden, "ik zie dat ik niet gedroomd heb. Er bestaat een geheim dat mij betreft en dat gij mij verbergt. Vindt u werkelijk niet dat het eenigszins wreed is, iemand in mijn toestand niet alle mogelijke inlichtingen omtrent hem zelf te geven?"

—"Het is iets dat u niet betreft, tenminste, niet direct; het was eigenlijk niet over u," antwoordde zij nauwelijks verstaanbaar.

—"Maar het gaat mij toch wel een beetje aan," hervatte ik, "het moet iets van belang voor mij zijn."

—"Zelfs dat weet ik niet," ging zij voort, terwijl ze mij even vluchtig aanzag, hevig blozende en toch met een zonderlingen glimlach spelend om de lippen, waaruit eenig gevoel sprak voor het humoristische van den toestand ondanks hare verlegenheid.—"Ik weet volstrekt niet zeker of het u zou interesseeren."

—"Uw vader zou het mij wel gezegd hebben," ging ik voort, eenigszins verwijtend; "u hebt hem belet te spreken. Hij vond het noodig dat ik het wist."

Zij antwoordde niet. Zij was zoo uiterst bekoorlijk in hare verwarring, dat ik nu gedreven werd niet alleen door mijn nieuwsgierigheid maar ook door mijn wensch om het onderhoud te verlengen.

—"Mag ik het nooit weten? Zult u het mij nooit zeggen?"

—"Dat hangt er van af," antwoordde zij na een lange pauze.

—"Waarvan?" vroeg ik verder.

[ 195 ] —"O, u vraagt te veel," hernam zij. Toen, naar mij opziende, betooverend door haar onderzoekenden blik, gloeiende wangen en lachende lippen, voegde zij er bij:—"wat zoudt u zeggen als ik zeide dat dit afhangt van—u zelf?"

—"Van mij zelf," herhaalde ik; "hoe kan dat?"

—"Mijnheer West, wij verzuimen mooie muziek," was haar eenig antwoord, en naar de telephoon gaande, deed zij door een druk van haar vinger in de kamer de maten van een adagio klinken. Daarna paste zij op dat de muziek ons geen gelegenheid voor praten liet. Zij hield haar gelaat van mij afgewend en deed alsof zij in het geluid verdiept was, maar dat dit een voorwendsel was werd door de hoogroode kleur van hare wangen voldoende bewezen.

Toen zij eindelijk te kennen gaf dat ik misschien genoeg geluisterd had, en wij opstonden om uit de kamer te gaan, kwam zij recht op mij af en zeide zonder de oogen op te slaan:

—"Mijnheer West, u zegt dat ik goed voor u geweest ben. Ik ben dat niet zoo bijzonder geweest, maar als gij denkt van wel, moet u mij beloven dat gij niet weer probeeren zult mij te doen zeggen waar gij van avond naar gevraagd hebt, en dat gij ook niet zult trachten het van iemand anders te weten te komen—van mijn vader of moeder, bij voorbeeld."

Zulk een verzoek kon maar op éene manier worden beantwoord. "Vergeef mij dat ik u leed gedaan heb. Natuurlijk beloof ik het u," zeide ik. "Ik zou u niets gevraagd hebben, als ik geweten had dat het u verdriet zou doen. Maar bent u boos dat ik nieuwsgierig was?"

—"Ik ben in het geheel niet boos."

[ 196 ] —"En misschien," ging ik voort, "als ik u niet lastig val, zult gij het mij uit eigen beweging vertellen. Mag ik dat hopen?"

—"Misschien," fluisterde zij.

—"Alleen misschien?"

Opziende zag zij mij aan met een snellen, doordringenden blik.—"Ja," zeide zij, "ik denk wel dat ik het u zal zeggen—mettertijd." En hier hield ons gesprek op, want zij stelde mij niet in de gelegenheid om meer te vragen.

Dien nacht geloof ik niet dat zelfs Dr. Pillsbury mij in slaap had kunnen maken, althans niet voor het aanbreken van den ochtend. Raadselen waren sedert verscheidene dagen mijn dagelijksch brood geweest, maar geen had mij toegeschenen zoo vreemd en tegelijkertijd zoo bekorend als dit, naar de oplossing waarvan Edith Leete mij verboden had te zoeken. Het was een dubbel raadsel. Hoe kon het denkbaar zijn, in de eerste plaats, dat zij eenig geheim van mij zou weten, een vreemdeling uit een andere eeuw? In de tweede plaats, zelfs als zij zulk een geheim wist, hoe was dan de onrustbarende invloed te verklaren dien de wetenschap er van op haar maakte? Er zijn vraagstukken zoo ingewikkeld dat men niet eens gissen kan naar de oplossing, en dat scheen er zoo een te wezen. Ik ben in den regel te praktisch om tijd te verspillen aan zulke mysteries, maar de moeilijkheid van een raadsel, belichaamd in een schoon jong meisje, vermindert niet de genoegens van het bekoorlijke. In het algemeen kan men zeggen dat het blozen van een maagd hetzelfde te beduiden heeft voor de jonge mannen van alle eeuwen en landen, maar die uitlegging te geven aan Ediths purpere wangen, zou, wegens mijn positie en, den korten tijd dat ik haar kende, het toppunt van ijdelheid [ 197 ] zijn geweest; nog erger door de omstandigheid dat het geheim dateerde van voor onze kennismaking. En toch was zij zoo beminnelijk en ik zou geen jongmensch met gezond verstand zijn geweest, als ik in staat geweest ware dien nacht mijne droomen te ontdoen van een rooskleurig waas.