In het jaar 2000 (Bellamy 1890)/22

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXI. In het jaar 2000 van Edward Bellamy

XXII.

XXIII.


[ 175 ]
 

HOOFDSTUK XXII.

 

 

Wij hadden met de dames afgesproken dat wij haar zouden vinden in de restauratie om te eten, waarna zij ons alleen lieten. Wij bleven aan tafel zitten, bij den wijn en de sigaren, en raakten aan het praten over een menigte zaken.

—"Waarde Dokter," zeide ik, "zedelijk gesproken is uw maatschappelijk stelsel zóo, dat ik niet bij zinnen zou moeten zijn om het niet te bewonderen in vergelijking van elk ander dat op de wereld in zwang is geweest, en vooral van dat van mijn ongelukkigen tijd. Als ik vannacht weer in een hypnotischen slaap zou vallen even langdurig als de andere, en intusschen de wereld achteruit in plaats van vooruit zoude gaan, en ik weer zou ontwaken in de negentiende eeuw, en aan mijn vrienden ging vertellen wat ik gezien had, zou iedereen toestemmen dat uw wereld een paradijs van orde, gelijkheid en geluk was. Maar zij waren erg praktische lieden, die tijdgenooten van mij, en na hunne bewondering voor zedelijke schoonheid en stoffelijke pracht te hebben lucht gegeven, zouden zij spoedig beginnen te rekenen, en te vragen hoe gij aan het geld kwaamt om iedereen gelukkig te maken; want werkelijk, om het geheele volk een zekere mate van gemak en zelfs van weelde te bezorgen als ik hier zie, moet er een oneindig grootere welvaart [ 176 ] zijn dan bij de natie in mijn tijd. Nu, terwijl ik hen vrij duidelijk de andere hoofdzaken van uw stelsel zou kunnen uitleggen, zou ik ten eenenmale in gebreke blijven om deze vraag te beantwoorden, en als ik hierin miste, zouden zij zeggen, want zij konden goed cijferen, dat ik gedroomd had, en zij zouden niemendal gelooven van de rest. Ik weet dat in mijn tijd, als de geheele jaarlijksche productie van het volk in gelijke parten verdeeld zou geworden zijn, niemand meer dan drie of vier honderd dollars per jaar zou gekregen hebben, niet veel meer dan om de noodzakelijke uitgaven te bestrijden, met weinig of geen weelde. Hoe komt het dat gij zoo veel rijker zijt?"

—"Dit is een vraag op den man af, Mijnheer West," sprak Dr. Leete; "en ik zou het uw vrienden niet kwalijk nemen als zij in het door u gestelde geval alles voor malligheid hielden, indien u geen overtuigende antwoordden kondt geven. Het is een quaestie die ik niet kan afdoen ineens, en wat de juiste statistieken betreft van mijne algemeene mededeelingen, zal ik boeken noodig hebben uit mijn bibliotheek, om u naar te verwijzen, maar het zou toch jammer wezen u door uwe vroegere kennissen uit het veld te laten slaan, bij gebreke van eenige algemeene aanduidingen.

"Laat ons beginnen met eenige zaken te noemen die ons helpen sparen, vergeleken bij vroeger. Wij hebben geen nationale, provinciale of stedelijke schulden. Wij hebben geen militaire of maritieme uitgaven. Wij hebben geen belasting-ambtenaren, geen zwerm van ontvangers en inspecteurs. Wat betreft onze rechterlijke macht, politie en gevangen-bewaarders, in éen gewest in uw tijd werd daarvoor meer betaald dan de geheele natie tegenwoordig doet. Wij bezitten geen klasse van misdadigers om te onder[ 177 ] houden zooals gij hadt. Het groote getal personen, min of meer onbruikbaar als productieve kracht door lichamelijke ongeschiktheid, de gebrekkigen, de zieken, de zwakken, die onderhouden moeten worden door de gezonden, nu dat allen leven onder betere voorwaarden van gezondheid en gemak, is tot nauwelijks merkbare afmetingen ingekrompen, en sterft met elk geslacht meer uit.

"Een andere besparing is de afschaffing van 't geld en de duizend bedrijven in verband met geldelijke operaties, waardoor een geheel leger van menschen vroeger onttrokken werd aan nuttige bezigheden. Bedenk daarbij dat de verkwisting van de rijken aan overmatige persoonlijke weelde opgehouden heeft, ofschoon deze post gemakkelijk overschat kan worden. Bedenk verder dat er geen doenieten zijn tegenwoordig, arm of rijk, geen parasieten.

"Een zeer belangrijke oorzaak van vroegere armoede was de verkwisting van werkkracht en materiaal in huiselijke bezigheden van wasschen en koken, ieder voor zich, en het afzonderlijk verrichten van ontelbare andere zaken, waarop nu het beginsel van samenwerking wordt toegepast.

"Een grootere bezuiniging dan een van deze, grooter dan alle samen, wordt verkregen door de inrichting van ons distributiestelsel, waardoor het werk dat vroeger verricht werd door de kooplieden, handelaars, winkeliers met de verschillende 'bijvakken van makelaars, kleinhandelaars, agenten, reizigers en tusschenpersonen van allerlei soort, en met een uitgebreid verlies van arbeidsvermogen in overbodig vervoer en onophoudelijk sjouwen met de artikelen, nu gedaan wordt door éen tiende gedeelte van de menschen en zonder het onnoodig draaien van een enkel rad. Dit systeem kent gij eenigszins. Onze statistici berekenen dat een tachtigste gedeelte van deze werklieden [ 178 ] voldoende is voor al de eischen van de verdeeling die in uw tijd een achtste gedeelte bezig hield en hen onttrok aan productieven arbeid."

—"Ik begin nu te merken," zeide ik, "waar gij uwe grootere welvaart vandaan hebt."

—"Met uw verlof," antwoordde Dr. Leete, "dat kunt gij nog nauwelijks. De bezuinigingen die ik nu heb genoemd, zouden misschien door den arbeid dien zij direct, en door het materiaal dat zij indirect uitsparen, de helft van de vroegere jaarlijksche productie vertegenwoordigen. Deze punten zijn evenwel de moeite van het opnoemen bijna niet waard, vergeleken bij andere geweldige verkwistingen die niet meer voorkomen, en die onvermijdelijk volgden uit het overlaten van de nationale voortbrenging in de handen van particulieren. Welke bezuinigingen uwe tijdgenooten ook hadden mogen invoeren in het verbruik van goederen, en hoe wonderbaarlijk de verbeteringen van de werktuigen ook zouden geworden zijn, zij zouden zich nooit uit hunne armoede hebben kunnen opheffen zoolang zij bij dat stelsel bleven volharden.

"Verslindender stelsel van menschelijk arbeidsvermogen had men niet kunnen bedenken, en in het belang van het menschelijk verstand moet men zich herinneren dat het stelsel nooit bedacht is geworden, maar eenvoudig een overblijfsel was uit onbeschaafde tijden, toen de ontstentenis van maatschappelijke organisatie elke soort van samenwerking onmogelijk maakte."

—"Ik geef gaarne toe," zeide ik, "dat ons systeem uit een zedelijk oogpunt zeer verkeerd moest heeten, maar als een zuiver weelde-voortbrengend werktuig, afgescheiden van moreele beoordeeling, scheen het ons toe bewonderenswaardig te zijn."

[ 179 ] —"Wat dat betreft," hervatte de dokter, "is het onderwerp te uitgebreid om nu in zijn geheel besproken te worden, maar als gij werkelijk verlangend zijt te weten welke groote aanmerkingen wij tegenwoordig maken op uw productie-wijze vergeleken bij de onze, kan ik u daarvan wel eenige opnoemen.

"Het verlies dat voortvloeide uit het overlaten van de industrie aan onverantwoordelijke personen, zonder samenwerking of verband, was hoofdzakelijk vierledig. Ten eerste, het verlies door verkeerde ondernemingen; ten tweede, het verlies door den onderlingen strijd van hen die de nijverheid dreven; ten derde, het verlies door tijdelijke crisissen, tengevolge waarvan de arbeid somtijds moest stilstaan; ten vierde, het verlies van dood kapitaal en onnuttigen arbeid. Elk van deze vier groote lekken, al waren al de overige gestopt, zou voldoende zijn om een volk in plaats van rijk, arm te maken.

"Neem ten eerste het verlies ontstaan door verkeerde ondernemingen. In uw tijd, omdat de productie en de verdeeling van benoodigdheden zonder gemeenschappelijk overleg plaats vonden, bestond er geen middel om precies te weten te komen welke vraag er was naar eenig artikel en in welke mate het werd aangeboden. Daarom was elke onderneming door een privaat kapitalist een gevaarlijke proef. De ondernemer had geen algemeen overzicht van het veld van voortbrenging en van verbruik zooals onze regeering heeft, en hij kon dus nooit zeker weten wat de menschen noodig hadden of welke plannen andere kapitalisten maakten om hen te voorzien. Met het oog hierop verwondert het ons niet, dat men de kansen van slagen voor een gegeven onderneming altijd twijfelachtig vond, en dat het herhaaldelijk gebeurde dat [ 180 ] personen eindelijk den spijker op den kop sloegen na lang misgetast te hebben. Als een schoenmaker, tegen elk paar laarzen dat hij afkreeg, het leder voor vier of vijf paar bedierf, behalve het tijdverlies, zou hij ongeveer evenveel kans hebben om rijk te worden als uwe tijdgenooten hadden met hun stelsel van persoonlijk kapitaal en de verhouding van vier of vijf mislukkingen tot een succes.

"Dan krijgen wij het verlies wegens de concurrentie. Het veld van productie was zoo groot als de wereld, een slagveld waarop de werklieden, door elkander te bestrijden, zooveel arbeidsvermogen verkwistten als in staat zou geweest zijn om hen allen rijk te maken, indien het tot een gemeenschappelijke inspanning ware aangewend geworden. Er was in 't geheel geen spoor van genade in deze worsteling. In koelen bloede zich op een of ander vak te werpen en de ondernemingen van vroegere houders te vernielen, ten einde op de puinhoopen zijn eigen zaak te vestigen, was een plan waarvan het slagen nooit in gebreke bleef de algemeene bewondering op te wekken. Ook is het geen ongeoorloofde overdrijving dezen strijd te vergelijken bij den werkelijken oorlog, wat betreft de zielsangst en het lichamelijk lijden dat er meê gemoeid was, en de ellende die het deel werd van de overwonnenen en van hunne gezinnen.

"Er is in uw eeuw niets wat op het eerste gezicht iemand van tegenwoordig meer verbaast, dan het feit dat lieden die dezelfde nijverheid beoefenden, in plaats van als kameraden vriendschap te sluiten en elkander te beschouwen als medewerkers tot hetzelfde doel, elkander behandelden als vijanden die overhoop dienden geworpen te worden. Dit schijnt werkelijk pure razernij, een tooneel [ 181 ] uit een gekkenhuis. Maar van nabij gezien is het heel wat anders. Uwe tijdgenooten wisten wel wat zij deden als zij elkaar den hals afsneden. De producenten van de negentiende eeuw werkten niet, zooals de onze, gemeenschappelijk aan het onderhoud van de samenleving, maar elk voor zich voor eigen onderhoud ten koste van de samenleving. Indien iemand zoodoende ook de algemeene welvaart vergrootte, was dat bloot toeval. Het was even doenlijk en even algemeen eigen welzijn te verhoogen door handelingen nadeelig voor de gemeenschap. Iemands ergste vijanden waren noodzakelijk de menschen van zijn vak, want bij uw stelsel om winstbejag tot de beweegreden van den arbeid te doen strekken, was de schaarschheid van eenig artikel datgene wat iedere producent begeerde. Het was in zijn belang dat er niet meer van werd geproduceerd dan hij zelf kon produceeren. Dit te bereiken zooveel de omstandigheden toelieten, door uit te roeien en af te schrikken al degenen die hetzelfde vak hadden, was zijn voortdurend streven. Als hij verdreven had ieder dien hij verdrijven kon, bracht zijn taktiek mede dat hij zich verstond met hen die hij niet kon verjagen, en hun onderlinge strijd werd veranderd in een strijd tegen het publiek in het algemeen door de markt op te zetten zoo hoog als de menschen konden uithouden, voor zij zich het gebruik van het artikel ontzegden. De dagelijksche vreugde van ieder producent was den geheelen voorraad van eenige benoodigdheden in handen te krijgen, zoodat hij de burgerij kon dwingen de noodprijzen te betalen die hij eischte. Dit, Mijnheer West, was wat in de negentiende eeuw een stelsel van voortbrenging werd genoemd. Ik laat aan uw eigen beslissing over, of het in veel opzichten niet meer heeft van een stelsel om voortbrenging te [ 182 ] beletten. Als wij op een keer eens veel tijd hebben, zal ik u vragen mij duidelijk te maken wat mij nooit duidelijk is geworden, schoon ik het onderwerp goed heb bestudeerd, hoe zulke scherpzinnige lieden als uwe tijdgenooten in veel opzichten schijnen geweest te zijn, er ooit toe gekomen zijn om de taak van de gemeenschap te voorzien, toe te vertrouwen aan personen wier belang het was haar te laten verhongeren. Ik verzeker u dat wij er ons over verwonderen, niet dat de wereld niet rijk werd door zulk een stelsel, maar dat zij niet ontvolkte door louter gebrek. Deze verbazing neemt toe wanneer wij de andere groote oorzaken van verlies beschouwen.

"Afgescheiden van de verkwisting van arbeid en kapitaal door kwalijk geleide ondernemingen, en door het voortdurend onderling bestrijden, was uw systeem onderhevig aan periodieke schokken, die zoowel de dommen als de slimmen overstelpten, den gelukkigen schurk en zijn slachtoffer. Ik bedoel de handelscrisissen met tusschenpoozen van vijf tot tien jaar, die de inspanning van het volk verloren deden gaan, alle zwakke krachten uitputten en de sterken aan het wankelen brachten, en gevolgd werden door slappe tijden, die somtijds even lang duurden, en die de kapitalisten gebruikten om hunne middelen weer te verzamelen, terwijl de werkende klassen honger leden en oproerig werden. Dan kwam er een kort tijdvak van voorspoed, op zijn beurt door een crisis gevolgd en de noodzakelijke jaren van uitputting. Naarmate de handel zich ontwikkelde, en de landen onderling afhankelijker werden, kregen die crisissen een wereld-beteekenis, terwijl de hardnekkigheid van de jaren van verval toenam met de uitgebreidheid van de grenzen waarbinnen de schok werd gevoeld, en het daaruit volgend ge[ 183 ] brek aan groote middelpunten van herleving. Naarmate de bedrijven samengestelder werden en de hoeveelheid betrokken kapitaal grooter, werden de handelscrisissen veelvuldiger, totdat in het laatste deel van de 19de eeuw, men twee slechte jaren had tegen een goed jaar, en het geheele stelsel van productie, dat nooit te voren zoo omvangrijk en grootsch scheen, dreigde ineen te storten door zijn eigen gewicht. Na eindelooze discussiën, schijnen uwe economisten zich neergelegd te hebben bij de wanhopige verklaring dat zij even weinig te voorkomen en te beteugelen waren als de orkanen. Men moest ze ondergaan als noodzakelijke plagen, en als zij voorbij waren, moest men de overblijfselen van den arbeid verzamelen, zooals bewoners in een aardbeving-streek hunne steden herbouwen op dezelfde plek.

"In het zoeken van de oorzaken van het kwaad in het stelsel zelf, hadden uwe tljdgenooten volkomen gelijk. Het kwaad had de grondslagen aangetast en moest noodzakelijkerwijze verderfelijk worden naar gelang het gebouw uitgebreid werd. Een van de vormen van het kwaad was het gebrek aan eenig gezamenlijk toezicht op de verschillende bedrijven en de noodzakelijke onmogelijkheid van hunne ordelijke ontwikkeling. Het onvermijdelijk gevolg was dat zij steeds uit den pas raakten en alle verband met de behoefte verloren ging.

"Er bestond geen controle van de behoefte zooals een goed ingerichte verdeeling geven kan, en het eerste teeken dat de productie haar in eenig vak had overtroffen, was een daling van prijzen, het failleeren van producenten, stilstand in de productie, verlaging van loonen, ontslag van werklieden. Deze gang van zaken werd voortdurend gevolgd in vele bedrijven, zelfs in wat goede tijden genoemd [ 184 ] werden, maar een crisis vond alleen plaats als de betrokken bedrijven belangrijk waren. De markten waren dan overladen met goederen, die niemand boven zijn behoeften verlangde tegen welken prijs ook. De loonen en winsten van hen die de over-geproduceerde artikelen maakten, werden zeer verlaagd of geheel opgeheven, hun koopvermogen tegenover andere goederen verdween, en tengevolge daarvan, kwam ook in zulke andere goederen een kunstmatige overproductie, totdat hunne prijzen ook kelderden en de betrokken menschen werkloos en zonder verdienste raakten. Nu was de crisis op komst en zij kon alleen worden bezworen ten koste van onnoemelijke schatten. Een andere oorzaak die uit uw stelsel voortvloeide, die dikwijls crisissen voortbracht en ze altijd schrikkelijk verergerde, was het geld- en kredietwezen. Geld was onmisbaar toen de productie in vele particuliere handen was en men koopen en verkoopen moest om te krijgen wat men noodig had. De aanmerking lag evenwel voor de hand dat men voor voedsel, kleeding, en andere dingen een bloot afgesproken teeken in de plaats gaf. Dit veroorzaakte een verwarring van gedachten, tusschen goederen en hunnen waardemeter, en een stelsel van krediet met reusachtige misleidingen. Gewend geld aan te nemen voor benoodigdheden, stelden de menschen zich vervolgens tevreden met beloften in de plaats van geld, en hielden op met achter het teeken te kijken naar de zaak die het voorstelde. Geld was een teeken voor goederen, maar krediet was enkel het teeken van een teeken. Er was een natuurlijke grens aan de hoeveelheid goud en zilver, dat wil zeggen aan het werkelijke geld, maar het krediet had geen grens, en daaruit volgde dat de afmeting van het krediet, namelijk de belofte van geld, ophield eenig berekenbaar verband [ 185 ] te bezitten met het geld en nog minder met de hoeveelheid goederen die inderdaad bestonden. Onder zulke omstandigheden, werden herhaalde en regelmatig terugkeerende crisissen even onvermijdelijk, als het ineenstorten van een gebouw waarvan het zwaartepunt te hoog gelegen is. Een van uwe vergissingen bestond hierin dat alleen de regeering en de aangewezen bankinstellingen geacht werden geld in omloop te brengen; maar dit deed werkelijk iedereen, die voor een dollar krediet verleende, en met dit geld werd de circulatie weer gaande gehouden tot de volgende crisis. De groote uitbreiding van het krediet-stelsel was een kenmerk van de laatste helft der negentiende eeuw en een der voornaamste oorzaken van de veelvuldige handelscrisissen. Het krediet was gevaarlijk, maar toch kondt gij er niet buiten want bij gebreke van een nationale of andere openbare organisatie van het kapitaal, was het uw eenige middel om kapitaal voor industrieele doeleinden beschikbaar te maken. Op deze wijze werkte het als een zeer krachtige versterking van het hoofd-euvel van de particuliere ondernemingen, door zulke ondernemingen in staat te stellen onevenredige bedragen van het kapitaal van het land tot zich te trekken en zoodoende kwaad te stichten. Handel en nijverheid waren altijd grootelijks in de schuld wegens verleend krediet bij elkander en bij de banken en kapitalisten, en de onmiddellijke intrekking van het krediet op het eerste teeken van een naderende crisis, verhaastte in den regel de nadeelige gevolgen.

"Het was een ongeluk voor uwe tijdgenooten dat zij zich bij hun arbeid moesten bedienen van een hulpmiddel, waarmede zij zich elk oogenblik kwaad konden doen. Zij verkeerden in den wanhopigen toestand van iemand die [ 186 ] een huis moet bouwen met dynamiet in plaats van met kalk, want krediet kan nergens anders bij vergeleken worden.

"Als gij zoudt willen zien hoe onnoodig die schokken in zaken waren en dat zij enkel voortkwamen uit het overlaten van den arbeid aan particuliere en niet ten algemeenen nutte ingerichte ondernemingen, beschouw dan even de werking van ons stelsel. Overproductie in bepaalde takken van nijverheid, het groote schrikbeeld van uw tijd, is nu onmogelijk, want door het verband tusschen voortbrenging en verdeeling wordt het aanbod naar de vraag geregeld, zooals een machine door den manometer die de drukking aanwijst. Stel u zelfs voor dat tengevolge van een vergissing in het beheer, een of andere benoodigdheid in te groote hoeveelheid werd aangemaakt. De noodzakelijke inkrimping of staking van de fabrikatie maakt niemand werkloos. De ontslagen arbeiders vinden onmiddellijk bezigheid in een andere afdeeling van de groote werkplaats en verliezen alleen den tijd die met den overgang gemoeid is, terwijl, wat de opkooping van goederen betreft, de omzet in de natie groot genoeg is om elke overproductie te verteren totdat de voorraad opgeruimd is. In zulk een geval als ik onderstel, hebben wij niet, zooals bij u, een samengestelde inrichting waardoor de oorspronkelijke fout duizendmaal verergerd wordt. Zonder geld zijn wij natuurlijk ook onbekend met krediet. Alle begrootingen hebben onmiddellijk betrekking op de werkelijke dingen: het graan, het ijzer, het hout, de wol, den arbeid, waarvan in uw dagen geld en krediet misleidende symbolen waren. In onze berekeningen van kosten kunnen geen abuizen zijn. Uit de jaarlijksche productie wordt genomen het gevorderde bedrag voor het [ 187 ] onderhoud van het volk, en de noodige arbeid om het verbruik aan te vullen wordt beschikbaar gesteld. Wat aan goederen en werkkrachten overblijft, kan veilig besteed worden aan verbeteringen. Als de oogsten slecht zijn, wordt deze winst kleiner dan gewoonlijk, dat is alles. Behalve door zulke voorbijgaande gevolgen van natuurlijke oorzaken, is er geen fluctuatie in zaken, de stoffelijke welvaart van het volk vloeit onverstoorbaar voort van geslacht tot geslacht als een steeds breeder en dieper wordende rivier.

"Uwe handelscrisissen, Mijnheer West," ging de dokter voort, "evenals de andere groote verspillingen die ik noemde, zouden voldoende geweest zijn om u steeds over den arbeid gebogen te houden, maar ik moet nog spreken over een andere oorzaak van uwe armoede, en dat was de doelloosheid van een groot gedeelte van uw kapitaal en van uv/ arbeidskrachten. Bij ons is het de taak van het bestuur om in voortdurende bezigheid te houden elk onderdeel van de beschikbare vermogens van het land. In uw dagen bestond er geen algemeen beheer van kapitaal of van arbeid, en van beide bleef een belangrijke hoeveelheid zonder nut. Het kapitaal, was uw spreuk, is huiverig, en inderdaad zou het roekeloos geweest zijn, indien het niet huiverig ware in een tijd, toen er een groote mate van waarschijnlijkheid bestond dat elke particuliere onderneming op niets uit zou loopen. Steeds, wanneer zekerheid kon worden verleend, ging het bedrag van kapitaal geplaatst in productieve ondernemingen, aanmerkelijk stijgen. De verhouding van het op deze wijze geplaatste geld onderging voortdurend de grootste daling en rijzing, naar gelang van het vertrouwen in de vastheid van den industrieelen toestand, zoo[ 188 ] dat de belegging in de industrie in verschillende jaren sterk afwisselend was. Maar wegens dezelfde reden waarom het kapitaal dat in tijden van bijzondere onveiligheid beschikbaar was, zooveel kleiner was dan in tijden van eenige meerdere veiligheid, werd een zeer groot gedeelte in het geheel niet gebruikt, namelijk wegens de groote onzekerheid die steeds in de beste tijden alle zaken beheerschte. Ook moet men bedenken dat het groote bedrag aan kapitaal waarvoor belegging werd gezocht, overal waar een tamelijke zekerheid kon worden verkregen, de concurrentie tusschen de kapitalisten geweldig verbitterde als er zich een goede gelegenheid voordeed. De ledigheid van het kapitaal, als gevolg van de vrees der bezitters, beteekende natuurlijk werkloosheid voor de arbeiders in overeenkomstige mate. Bovendien maakte elke verandering in de inrichting der zaken, de geringste wijziging in den toestand van handel of nijverheid, om van de ontelbare bankroeten niet te spreken die zelfs in de beste tijden elk jaar voorkwamen, dat een menigte menschen gedurende weken en maanden, of zelfs jaren, buiten werk raakten. Een groot getal van zulke werkzoekers bereisden onophoudelijk het land om eindelijk vagabonden van beroep en vervolgens misdadigers te worden.—Geef ons arbeid! was de kreet van werkloozen in bijna elk jaargetijde, en in stille tijden groeide dit leger aan tot een schare zoo groot en tot zulke uitersten gedreven, dat de vastigheid van de regeering er door gevaar liep. Zou men zich een afdoender bewijs van de ongerijmdheid van het stelsel van particuliere ondernemingen kunnen denken, beschouwd als een middel om het volk welvarend te maken, dan het feit dat in een eeuw van zulke algemeene armoede en gebrek aan [ 189 ] het noodigste, de bezitters elkander moesten ombrengen om een veilige belegging voor hun kapitaal te krijgen en de arbeiders oproerig werden en brand stichtten omdat zij geen bezigheid konden vinden? "En nu, Mijnheer West," vervolgde Dr. Leete, "moet ik u doen opmerken dat de punten die ik nu besproken heb, alleen op negatieve wijze de voordeelen van de nationalisatie van den arbeid aantoonen, door zekere doodelijke fouten en verbazende domheden in het stelsel van particuliere ondernemingen te vertegenwoordigen die bij haar worden gemist. Deze alleen, zult gij toegeven, zouden vrij wel verklaren waarom het volk thans zoo veel rijker is dan in uw tijd. Maar over de andere helft van ons voordeel boven u, over de positieve deugden van ons systeem, heb ik nog nauwelijks gesproken. Stel dat uw systeem niet de groote ondeugden bezat die ik noemde; dat er geen verlies ontstond uit verkeerd aangewende inspanning door vergissingen in de taxatie van de behoefte en gemis aan overzicht van het arbeidsveld. Stel verder, dat er geen verlamming en overbodige krachtsinspanning voortvloeide uit de concurrentie. Stel bovendien, dat de handelscrisissen en panieken door faillissementen en lange onderbrekingen van den arbeid geen schade deden, evenmin als het ongebruikt laten van kapitaal en van werkkrachten. Stel dat die gebreken die onvermijdelijk verbonden waren aan het overlaten van de industrie in private handen, alle wonderdadiglijk voorkomen konden worden en het stelsel toch behouden bleef; zelfs dan zou de voortreffelijkheid van de resultaten door het hedendaagsche stelsel van nationaal beheer verkregen, verpletterend schijnen.

"Gij bezat bij voorbeeld eenige vrij uitgebreide inrichtin[ 190 ] gen van textiel-nijverheid, die evenwel niet te vergelijken zijn bij de onze. U hebt zeker die groote fabrieken wel eens gezien, die zich uitstrekten over bunders, duizenden werklieden bezigheid gaven en onder éen dak en onder éen beheer samenbrachten de honderd verschillende bewerkingen om van een baal katoen een baal manufacturen te maken. U hebt de groote besparing van arbeid bewonderd, verkregen door de volmaakte samenwerking tusschen elk rad en elke hand. Zonder twijfel hebt u bedacht hoeveel minder dezelfde personen zouden vermogen als zij verspreid waren geweest en ieder man op zichzelf had gestaan. Zoudt gij het overdreven achten, te zeggen dat de uiterste inspanning van die menschen, ieder voor zich werkende, hoe vriendschappelijk ook hunne verhouding zou zijn, niet alleen procentsgewijze maar eenige malen zou toenemen als hunne krachten tot éen doel vereenigd werden?

"Nu, Mijnheer West, de inrichting van alle industrie van het land onder éen bestuur, zoodat alle bewerkingen in elkander grijpen, heeft, ook zonder de vier groote oorzaken van verlies te tellen, in dezelfde verhouding de vroegere opbrengst vermenigvuldigd als de inspanning van die fabrieksarbeiders toenam toen zij zich vereenigden onder één dak. De doelmatigheid van den arbeid van een volk, onder de duizend-voudige aanvoering van het privaat bezit, zelfs als de hoofden geen vijanden van elkaar zouden geweest zijn, vergeleken bij die van de organisatie onder éen opperhoofd, kan vergeleken worden bij de militaire deugdelijkheid van een volksmassa of van een bende wilden onder duizend kleine aanvoerders, ver beneden die van een geordend leger onder een enkelen generaal, zulk een oorlogswapen, bijvoorbeeld, [ 191 ] als het Duitsche leger in den tijd van Von Moltke."

—"Na alles wat gij mij gezegd hebt, zeide ik, is het minder verwonderlijk dat de natie tegenwoordig rijker is dan vroeger, dan dat gij allen geen Croesussen zijt."

—"Nu," antwoordde Dr. Leete, "wij kunnen het vrijwel stellen. Onze levenswijze is zoo weelderig als wij maar konden wenschen. De concurrentie in vertoon van pracht, die in uwe dagen tot een verkwisting leidde welke geenszins bevorderlijk was aan het gemak, vindt natuurlijk niet plaats in een samenleving waarvan alle leden even bemiddeld zijn, en onze eerzucht houdt op bij de benoodigdheden die de genoegens van het leven verhoogen. Wij zouden allen veel grootere inkomens hebben als wij het overschot van onze productie zoo wenschten te besteden, maar wij gebruiken het liever voor openbare werken en genietingen, die wij allen deelen, voor publieke gebouwen, kunstmuseums, bruggen, beelden, vervoermiddelen en stedelijke inrichtingen van algemeen nut, groote muzikale en dramatische uitvoeringen en voor het vermaak van de menschen op groote schaal. Gij hebt nog niets gezien van onze wijze van leven. Mijnheer West. Thuis hebben wij comfort, maar de pracht van het leven zoeken wij in de maatschappij. Als gij daar meer van te weten komt, zult gij zien waar het geld blijft, zooals gij vroeger zeidet, en ik denk dat gij het goed besteed zult vinden."

"Ik geloof," voegde Dr. Leete er bij, toen wij van de eetzaal naar huis wandelden, "dat geen opmerking de lieden van een een geldaanbiddende eeuw scherper zou getroffen hebben dan het verwijt, dat zij niet wisten hoe aan geld te komen. En toch is dat het oordeel dat de geschiedenis over hen heeft uitgesproken. Hun stelsel van ongeregelde en elkander vijandige ondernemingen [ 192 ] was economisch even dwaas als het zedelijk verderfelijk was. Zelfzucht was hun eenige wetenschap en in arbeid is zelfzucht gelijk aan zelfmoord. Concurrentie, die uit zelfzucht voortvloeit, is een ander woord voor verkwisting van werkkracht, terwijl samenwerking het geheim bevat van doelmatige inspanning, en niet voor dat het denkbeeld van het eigen bezit op te stapelen, plaats maakt voor het denkbeeld om den algemeenen voorraad te vergrooten, kan samenwerking worden verkregen en het vergaren van rijkdom inderdaad beginnen. Zelfs indien het beginsel van gelijk deelen voor iedereen, niet de eenige menschelijke en zedeliike grondslag ware voor de maatschappij, zouden wij het toch in praktijk brengen als economisch wenschelijk, aangezien de ware samenwerking niet kan worden bereikt voordat de ontzenuwende invloed van de zelfzucht is opgeheven."