De nieuwe beweging in de schilderkunst/IV

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De nieuwe beweging in de schilderkunst
I - II - III - IV - V - VI - VII - VIII - IX - X - XI - XII - XIII - XIV - XV - XVI - XVII - XVIII - [afbeeldingenkatern]


IV

Schilderen is: gedreven door eene innerlijke waarneming — (ontroering, gevoelen, gedachte), — de verhouding bepalen van kleuren en vormen onderling en van deze te zamen tot het vlak.


[p. 17]

De oplossing van het vlak, — inclusief kleur en vorm, geschiedt dus noodwendig in overeenstemming met de ontroering. De innerlijke waarneming zet zich om in een uiterlijk waarneembaren vorm.
Hoe dieper de waarneming gaat, hoe meer de schilderij van het uiterlijk waarneembare, — de aanleiding, zal verschillen.
Beeldend kunstenaar is slechte hij wiens ontroering een beeldende vorm aanneemt, zooals musicus slechts hij is wiens ontroering een muzikalen vorm aanneemt; zooals dichter slechts hij is wiens ontroering zich in een lied omzet.
Droeg voorheen de ontroering vrucht in het afbeeldsel, in de moderne kunst moet de ontroering vrucht dragen in het middel; dat is in de schilderkunst: de verf.
Alles wat de schilderkunst te zeggen heeft moet tot uiting komen in de constructieve spraak der schilderkunstige middelen; de kompositie.
Wat is kompositie? In de schilderkunst beteekent het de Rangschikking en het samentreffen van vorm en kleurencontrasten en -overeenkomsten volgens het beeldend bewustzijn. Zooals voor een musicus de Stilte, voor den bouwmeester de Ruimte de eerste voorwaarden voor kompositie zijn, zoo is het passende beginsel voor den schilder: het Vlak. De bouwmeester breekt de ruimte door in steen gerealiseerde maatverhoudingen; de musicus breekt de stilte door klankverhoudingen; de schilder breekt het vlak door kleur- en vormverhoudingen.

De geschiedenis der schilderkunst levert ons het bewijs dat de natuurlijke en practische waarden in beeldende en aesthetische waarden werden omgezet. Er zijn in de schilderkunst der traditie komposities waarin figuren van menschen zijn aangebracht om een domineerende lijn of beweging te krijgen. In zekere komposities treffen wij vlakbreking aan door het een of ander object.
Wat voorheen instinctief was het toepassen van natuurlijke voor beeldende waarden: het uitdrukken van een lijn door een figuur, enz., werd in de twintigste eeuw doelbewust.
De eerste die het begrip kompositie in de praktijk herstelde was de fransche schilder Henri Matisse. Hij maakte de natuur tot het beeldend-expressieve en moet als de eerste onder de expressionisten genoemd worden.


[p. 18]

Met Henri Matisse ontstaat het zichtbaar-rythmische in de schilderkunst.
Henri Matisse beteekent voor de schilderkunst: het concentreeren van alle beeldende elementen der traditie. Aan Paul Gauguin ontleende hij de nieuwe aanschouwing en breking van het vlak, aan het luminisme dankte hij de kracht van het kleurmiddel. Matisse bedient zich van de natuur, maar breekt met de natuur-illusie. De natuur-objecten hadden voor hem slechts waarde, voor zooverre zij het vallende, het liggende, het staande, het zwevende, het hangende, het horizontale of het verticale uitdrukten.

Zuiver aesthetisch gesproken hebben de objecten als zoodanig nooit eenige waarde gehad in de schilderkunst. Voor Rembrandt hadden zij slechts waarde als vormen waarin het licht gestalte kreeg. Voor van Gogh hebben zij slechts waarde als symbolen van een of andere ontroering. Voor Matthijs Maris hebben zij slechts waarde als het accent eener geestelijke sfeer.

Voor den modernen kunstenaar hebben de objecten slechts een beeldende waarde.

Wanneer een beeldend kunstenaar iets waarneemt dat hem ontroert, dan zal hij beeldend bewogen worden; zijn ontroering zal gestalte krijgen in een beeldende vorm. Deze gestalte zal door middel eener kompositie zichtbaar worden. Hoe meer deze kompositie geassocieerd is met de waarneming, b.v. de natuur, — hoe geringer het werk zal zijn als beeldende kunst. Tot het organisme der beeldende kunst behooren niet: „boomen”, „huizen”, „menschen” of iets van dien aard, maar het organisme der beeldende kunst is samengesteld uit lijnen, ronde en vierkante vormen, verticale en horizontale vlakken, kleuren van de intensiteit van wit tot de passiviteit van zwart, enz.

Het beeldend middel is onuitputtelijk.
De eerste die zich van dit middel bediende was Henri Matisse. Zijn bedoeling was niet te imiteeren maar te construeeren. Vandaar dat zijn werken een beeldend aspect, niet een natuurlijk aspect vertoonen. Toch komt Matisse niet tot het zuiver beeldende, zijn taal is nog


[p. 19]

niet de rein schilderkundige en het is eigenaardig dat hij spottend spreekt over Dérain, Picasso, Braque en Le Fauconnier, die met het beeldend geschut kwamen aanrijden.

Dit beeldend geschut was het kubisme.