De nieuwe beweging in de schilderkunst/XVIII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De nieuwe beweging in de schilderkunst
I - II - III - IV - V - VI - VII - VIII - IX - X - XI - XII - XIII - XIV - XV - XVI - XVII - XVIII - [afbeeldingenkatern]


XVIII

Daar in den ouden kunstvorm deze universeele schoonheid niet volkomen kon worden uitgesproken, was er een nieuwen vorm noodig en deze nieuwe vorm werd in dezen tijd door de schilders van Europa gevonden. Het spreekt echter vanzelf, dat de nieuwe beginselen in de schilderkunst niet voor altijd geldend zullen blijven. Wanneer op het niveau, waarop de schilderkunst als beeldende kunst thans staat, alles gezegd zal zijn, zal ook hieruit weer een nieuwe aesthetische mogelijkheid voortkomen, die het uitdrukkingsgebied zal vergrooten en de menschelijken geest weder in opwaartsche richting zal verplaatsen. Niet de toegepaste, maar de monumentaal-samenwerkende


[p. 45]

kunst ligt voor ons, waarin de verschillende geestelijke uitingswijzen (bouw- beeldhouw, schilderkunst, muziek en het Woord) harmonisch — d. i. elk afzonderlijk winnende door medewerking eener andere — tot verwezenlijking van eenheid zullen komen. Niet op verbrokkelde toepassing zal de geest van den nieuwen kunstenaar gericht zijn maar op monumentale samenwerking.
Velen zijn het er over eens geworden, dat de kunst van dezen tijd zich „bizonder leent voor toegepaste kunst”. Niets is minder waar, Wie hoorde er ooit van toegepaste dichtkunst, toegepaste literatuur, toegepaste muziek (uitgezonderd de programmamuziek!) In werkelijkheid leent de kunst zich niet voor toepassing of zij houdt op kunst in den besten zin te zijn. De kunst deelt zich mede aan de fijne stof en vindt daarin haar zelfstandigheid. Het geval wil echter (met voorbeelden uit alle groote stijlperioden zou dit te bewijzen zijn) dat de kunstenaar genoodzaakt wordt, datgene wat de menschheid niet in den hoogsten vorm, d. i. tevens in de fijnste stof, aanvaardt, in lageren vorm, d.i. in grovere stof, aan te bieden. Zóó, dus op zeer tragische wijze, omdat de kunstenaar een concessie doet, ontstaan uit de hoogste aesthetische uitingen de toegepaste vormen van kunstnijverheid enz. De practische waarden verstikken in deze uitingen de geestelijke, totdat een practische overwaarde een geestelijke minderwaardigheid doet ontstaan.

Met de monumentale kunst der toekomst, zal het iets geheel anders zijn, daarin zal elke kunstuiting, aanschouwelijk of hoorbaar, in den meest volstrekten vorm tot verwezenlijking en door een harmonische samenwerking van Materie en Geest, tot de hoogste aesthetische oplossing komen.

Mei-Augustus 1916.

——————