In de sneeuw/11

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk X In de sneeuw van Alexander Lange Kielland

Hoofdstuk XI

(pagina 213 t/m 228)


[ 213 ]

XI.


De wind was van richting veranderd. De zware sneeuwwolken, die den geheelen dag tusschen de bergen hadden gehangen, verhieven zich nu als lichte sluiers, en vulden de lucht met zulk eene massa sneeuw, dat de kracht van den storm er door scheen te worden gebroken.

Met den laatsten geweldigen windstoot was de oude schuur ingestort. Door het stormgeweld had niemand in de pastorie het gehoord; ook had niemand gezien hoe, nadat het dak was afgeworpen, het daarin geborgen hooi weg vloog als een nevel, die zich oploste en verdween over de velden.

In den tuin warrelde nu de sneeuw dicht in groote vlokken, en het licht uit de vensters der pastorie speelde als gele strepen door de duisternis.

[ 214 ] Toen de jongelieden het huis hadden verlaten, had Daniël zijne zaken bijeengepakt en de lamp uitgedraaid, zonder een enkel woord te zeggen en zonder acht te slaan op zijne vrouw. Mevrouw ging vooruit met de kaars, en de predikant volgde met zijne pijp en de courant. Zij waagde het niet een woord tot hem te richten, — zelfs niet toen ze de logeerkamer voorbijgingen. En zij gevoelde toch zulk eene brandende begeerte, om den knecht met Gabriëlle's nachtgoed naar den Lensmand te zenden. Maar zij wist, hoe slecht zij zou varen, indien ze het waagde, hem met hare huiselijke zorgen lastig te vallen, en hem te ontrukken aan zijne ernstige gedachten.

Daniël ontkleedde zich ijlings en legde zich te bed. Mevrouw Jürges was een en al verwondering. Zoolang zij gehuwd waren geweest, had hij elken avond in bed zijn pijp gerookt en de courant gelezen. Heden had hij wel de pijp en de courant meegebracht, maar zij lagen onaangeroerd op de tafel, en zij merkte zeer goed, dat hij niet sliep.

Zijne gedachten hielden zich natuurlijk met het zelfde onderwerp bezig als de hare — deze vreemde [ 215 ] schoondochter, die zij slechts twee dagen hadden bezeten. Mevrouw Jürges dacht geenszins, dat Johannes haar weer mee zou brengen — dit was niet van Gabriëlle te verwachten, — en eerlijk gesproken, Mevrouw Jürges wenschte het ook niet; — zij was geen vrouw voor Johannes. Maar hoe zouden de dorpelingen „het opnemen", dat het meisje van den kandidaat, den eersten paaschavond, in storm en sneeuw, de pastorie had verlaten en zich naar de woning van den ouden Olsen had begeven? — Als het nog naar den burgemeester was geweest.....!

Mevrouw Jürges had Gabriëlle's ring van onder de lamp weggenomen: zij stond nu, half ontkleed, in beschouwing van dat kleinood verdiept. En zonder het zich recht bewust te zijn, ruischte de muziek van dien middag haar weer door de ziel; de muziek, in hare herinnering zoo onafscheidelijk verbonden aan de jonge vrouw, wie die ring had toebehoord.

Eerst nú — terwijl zij daar zoo stond, — kwam nevelachtig de gedachte in haar op, dat hetgeen zij vandaag had doorleefd, een spiegelbeeld was geweest, — een „zwak afschijnsel" — van „iets," dat diep en vergeten in hare ziel [ 216 ] lag begraven — verschrompeld en onderdrukt. Eerst beschouwde zij den versmaden ring, en toen haar eigen, die, dun en versleten, losjes aan haar bleeken, mageren vinger zat, — een eenvoudige gladde ring, — maar voor háar een lange, zware keten.

Onwillekeurig dacht ze, hoe vol en rond ze waren geweest, deze vingers, en welk een genot het haar had gegeven als ze licht en vroolijk over de toetsen gleden.

En zij kon het niet helpen dat ze met een bitter gevoel den ring uit de hand legde — dien nieuwen, zoo kort gedragen, versmaden ring.

En toch — en toch — wie had gelijk? welke der beide ringen had gelijk?

Ze ging nu voort met zich te ontkleeden. Maar de nieuwe muziek keerde telkens weer, en in den geest werd ze wederom naar het verleden teruggevoerd. 't Was of ze op eens haar geheele leven in een ander licht beschouwde, en het ontbrak haar aan kracht, de gedachten, vroeger door haar altijd met geweld onderdrukt, tot zwijgen te brengen.

Het was niet omdat ze geloof had geslagen aan de loftuitingen over haar spel. Vóor haar [ 217 ] huwelijk was het nooit in haar opgekomen, dat zij door haar muziekaal talent zich zelve een weg door het leven zou kunnen banen. Daartoe was ze veel te jong geweest, en niemand had haar voor zulk eene mogelijkheid de oogen geopend.

Daarom was het voor haar niet zulk een bittere teleurstelling geweest dat ze de muziek had moeten opgeven — ze kon het immers ook niemand wijten.

Maar wat haar op dezen avond op smartelijke wijze duidelijk werd, was, dat zij niet alleen hare zelfstandigheid had verloren, maar óok een deel van haar ziel had verspeeld — hare vrouwenwaarde had ingeboet. O, — nu leerde zij den druk verstaan, waaronder zij gedurende haar huwelijk altijd had gezucht. Men had haar tot een werktuig verlaagd — men had haar niet vernietigd, maar haar uitgewischt met eene spons — men had niet met kracht op haar getrapt, maar men had haar vertreden — behoedzaam, bijna beleefd.

En terwijl ze haar klein versleten lichaam beschouwde, keerde die bittere klacht - zij kon het onmogelijk helpen! - zich tegen hèm, [ 218 ] die daar breed en sterk in bed lag. — Zelfs dit bed — versleten en geschonden door het verhuizen, het was met haar leven op het innigst verbonden. Hierin had zij al haar kinderen gebaard, en in den loop des tijds hare schoonheid — hare vrouwelijkheid verloren, tot er niets meer restte; — steeds meer vermoeid, — steeds meer opgaande in het zorgen voor anderen — nooit begrepen, altijd gebruikt, en veronachtzaamd. En hare ziel werd vervuld van diep medelijden met zich zelve. Zij was naar den geest te zeer gebroken, dan dat zij nú nog uit deze overleggingen kracht tot weerstand zou hebben kunnen putten. En toen zij het licht had uitgeblazen, overstelpte haar een onuitsprekelijke weemoed.

En zij schreide. —

„Waarom schreit ge, Mina?" vroeg de predikant, zich op de ellebogen half oprichtend.

„Och — het is zoo jammer — zóo jammer — snikte ze.

„Wat is zoo jammer?" vroeg hij een weinig ongeduldig.

„ Alles, — alles is zoo jammer — zoo jammer! — "

[ 219 ] Een oogenblik bleef de predikant in zijne half opgerichte houding; zijn bloed begon te koken, maar er was toch iets in den toon van Mina's stem, dat hem weerhield aan zijnen toorn lucht te geven. Hij legde zich weer neder, en deed alsof hij niet merkte, hoe zij schreide.

En de wind floot zuchtend over de pastorie en wierp de zware, natte sneeuw tegen de ruiten.

Inmiddels was Gabriëlle met moeite door de velden tot aan de kerk genaderd. Zij had den wind op zijde, en de sneeuw, die reeds den smallen kerkweg onzichtbaar begon te maken, vloog haar in het gelaat, zoodat ze moeite had de oogen open te houden.

Maar de frissche koude en de lichamelijke inspanning kwamen haar oproerige ziel ten goede. Haastig liep zij de kerk voorbij, het bosch in.

Toen zij den hoofdweg was ingeslagen en de wind, die in diepe, suizende tonen door de hooge dennen blies, haar niet meer in het gelaat woei, vertraagde ze hare schreden, en ontzonk haar de moed.

Allerlei bezwaren, waarvoor geen plaats was geweest in hare gedachten, zoolang die éene allesbeheerschende — „weg, weg van deze [ 220 ] menschen!" — haar had vervuld, kwamen nu bij haar op, en onrustig vroeg ze zich zelve af: „Of ze het pad zou kunnen vinden? Of het niet onveilig was in het bosch? Of de familie Olsen niet reeds zou zijn ter ruste gegaan? Of er op het erf ook een groote, booze hond rondliep?"

Onder de boomen was het nu bijna windstil geworden; de vallende sneeuw — fijn verdeeld door de dennennaalden — hulde alles als in een sluier, waardoor de weg en de zwarte boomstammen heenschemerden. Een onbehagelijk gevoel, zich zoo geheel alleen in het bosch te bevinden, bekroop Gabriëlle, en in haren angst versnelde ze haren pas.

Maar de losse, natte sneeuw maakte vlug loopen tot eene onmogelijkheid.

Zij zag nu in hare verbeelding achter elken boom iemand, die haar wilde vervolgen; ze luisterde naar het melancholieke gesuis van den wind; diep in het bosch kraakte en knapte het zoo vreemd in de takken, dat zij bijna waanzinnig werd van angst.

Daar zag ze door den sluier van sneeuw een licht tusschen het geboomte schemeren, — het licht van een venster. En plotseling was alles [ 221 ] veranderd. Dat licht brandde bij den „ouden zondaar", die haar vader kende — haar goeden, besten vader, — en allen daar thuis bij wie zij behoorde, — zij, meestal zoo zelfstandig en verstandig! —

Gabriëlle kwam tot zich zelve, en bleef een oogenblik staan; zij lachte om haren angst, en maakte haren mantel een weinig los.

Zij zag kalm om zich heen, en luisterde nú met een soort van welgevallen naar het suizen van den wind. Nu ook herinnerde ze zich den heftigen strijd, dien ze was ontvlucht, — en het verlies van den man, op wien ze zoo zeker had vertrouwd, van den vriend, dien ze zoo gaarne door het leven ware gevolgd.

Want het was niet waar, dat Johannes zoo godsdienstig was; zijn geloof was in zooverre oprecht en vast, dat hij gemakkelijk elken opkomenden twijfel kon bezweren door hetgeen men hem had geleerd. Maar in den grond was hij niet godsdienstig. En wanneer hij nu toch een man als Daniël Jürges kon volgen, dan bestond er tusschen hem en haar eene onverkomelijke klove, en hoe luide haar hart nog voor hem sprak, zij moesten scheiden.

[ 222 ] Zij zag in — hoe bitter zij haar verlies in dit oogenblik ook gevoelde, — dat het gelukkig voor haar was, de liefde te hebben leeren kennen zonder maneschijn en sentimentaliteit. En toch had haar vroeger dikwijls een gevoel van leegte — van gemis — overweldigd, wanneer zij een verliefd paartje gadesloeg. Zij begreep dan, dat hare beredeneerdheid voor haar de liefde van haar poëtisch waas had beroofd.

Ondanks alles bezielde haar een vroolijk, dankbaar gevoel bij de gedachte, dat ze „vrij" was, vrij en frank, te midden van het suizende woud. De pijnlijke oogenblikken die ze had doorleefd, de hartstochtelijke bitterheid waaraan ze ten prooi was geweest — de kwetsende woorden die zij elkander naar het hoofd hadden geworpen — alles — alles zag zij nú in een ander licht.

Eindelijk was zij eens in ernst midden in den strijd geweest, zij had iets uitgericht. Dit was geen doelloos dispuut geweest, waarbij „Juffrouw Pram" vrijheid had te zeggen, wat ze verkoos, omdat niemand er zich om bekommerde wat ze sprak. Haar persoonlijkheid was er nu wel degelijk mee gemoeid.

[ 223 ] Zij had den strijd verloren, o, zeker, en ruimde nu het slagveld: maar zij lachte vergenoegd, haalde den mantel dichter om zich heen, en vervolgde welgemoed haren weg.

Het klagende bosch, de vallende sneeuw, de zwarte stammen langs den weg, — alles werd haar lief; zij gevoelde zich als verwant met de gansche natuur; en ofschoon het verlichte venster weer aan haar oog was onttrokken, ging zij moedig verder, en geen twijfel aangaande den juisten weg kwam in haar op.

Gabriëlle keerde zich geen enkele maal om, en werd dus ook de gestalte niet gewaar, die haar op een afstand volgde.

Johannes was haar tot aan de kerk hard loopend gevolgd; hij zag haar den weg naar het bosch inslaan, en juist toen hij wilde roepen, verhaastte zij hare schreden.

Johannes ijlde haar achterna: maar toen hij zag, dat zij stilstond, bleef ook hij staan. — Zoolang hij haar niet kon naderen, haastte hij zich. Maar nu zij onder het bereik zijner stem was, — bleef hij als in vertwijfeling staan: hij durfde niet verder gaan, en kon zich niet vermannen haar te roepen.

[ 224 ] Hij bleef haar volgen — vast besloten, haar bij het tuinhek van den Lensmand stand te doen houden; dáar gekomen, was het hem te laat — te dicht bij het huis. Achter den laatsten boom, aan den zoom van het woud, bleef hij staan: hij hoorde haar het hek openen en sluiten, en zag eindelijk hare gestalte als een zwarte vlek in de sneeuw, die buiten het bosch dicht neerviel, en haar spoedig aan zijn gezicht ontrok.

Hij keerde zich, bijna radeloos, om en sloeg den weg naar huis in.

In zijne verbeelding zag hij steeds de neven en hun kliek, lachend, en genietend van hunnen triomf. Hij stond nu stil; hij wilde eens ernstig nadenken over wat er geschied was.

Een oogenblik had hij een gevoel alsof hij krankzinnig zou worden. Het was immers onmogelijk, ondenkbaar, dat zijn geheele leven, zijne liefde, zijne gulden droomen, alles, alles vernietigd kon zijn, — alles als van hem weggeblazen op een stormachtigen avond! En zelf liep hij hier en dwaalde hij als een gek door het bosch. En weer doemden die „neven" op. Hij zag hoe zij hem spottend van de overzij der straat [ 225 ] groetten, en hij balde zijne vuisten, als om deze lachende monden te verbrijzelen.

Eerst toen hij de kerk naderde en de sneeuw hem verkoelend op het gelaat viel, eerst toen werd het hem volkomen duidelijk, wat er was gebeurd, en tevens, dat het gebeurde nimmer zou kunnen worden hersteld.

Maar waardoor? en waarvoor? Het was ontegenzeggelijk de schuld zijns vaders. En de gedachte, die zijne al te groote bewondering tot nu toe had bedwongen, — zij trad met geweld op den voorgrond: „de oude methode was niet langer bruikbaar!" Nu had hij zelf op de bitterste wijs ondervonden, dat de nieuwe tijdgeest niet kon worden onderdrukt. Evenals zijne verloving hem vroeger was voorgekomen in verband te staan met den strijd, die er werd gestreden, beschouwde Johannes nu zijne diepe nederlaag als een gevolg van het verschil in meeningen. Hij was buiten zijn schuld een martelaar geworden, ter wille zijner liefde voor zijnen vader.

In dit oogenblik stierf in hem, onder den pijnigenden invloed van zijn ongeluk, de onbegrensde bewondering, die hij zijnen vader altijd [ 226 ] had toegedragen — en een gevoel van bevrijding en verlichting ging hiermee gepaard. Terwijl hij nog aan het ijzeren hek stond, en tot het kerkje opzag, werd hij met nieuwe hoop vervuld. Alles wat dezen dag had versplitterd en versplinterd, kon weder worden saamgevoegd tot een hoog en schoon gebouw.

Niet zijn eigen persoonlijk geluk — dit had hij voor goed ten offer gebracht. — Maar terwijl hij daar stond en opzag naar het stevige kerkje — herleefden zijne illusiën aangaande eene sterke, zegevierende kerk, waarin geen plaats meer zou zijn voor „donderpreeken" en geestelijken hoogmoed. Gods nieuwe strijders moesten zich vertrouwd maken met de gedachten van den nieuweren tijd, — hoe oproerig deze ook mochten zijn, want de waarheid kon kracht putten ook uit dwaling.

Dan zou de nu kranke kerk met nieuw leven worden bezield, en met het leven zou hare macht terugkeeren. En wederom werd Johannes gevoerd naar de hoogte van waar hij dezen avond was afgetuimeld in de losse sneeuw die den weg door de velden naar de pastorie geheel had bedekt.

[ 227 ]
* *
*

En de sneeuw viel dicht, zwaar, regelmatig, — zooals zij valt na den storm, alle scherpe hoeken rondende, alle holten vullende.

Het werd stil in het woud; alle geluiden werden als in zware gordijnen gesmoord, en het sneeuwtapijt breidde zich steeds dichter uit over de hellingen der bergen.

Maar er was iets in de lucht dat de nadering der lente verkondigde.

Overal begon het te ritselen onder de sneeuw; dropsgewijze werden de stroompjes gevoed die eerlang het sneeuwkleed op de berghellingen zouden doen scheuren en het stuksgewijs medevoeren naar de Elbe in het dal.

En de zon zou haren invloed doen gelden, tot, op een schoonen dag, al de sneeuw, gedragen door krachtige stroomgolven, zou worden weggevoerd naar de diepe, blauwe zee.

En overal waar nu nog het oude hooi uit de [ 228 ] verwoeste schuur der pastorie lag verspreid, zou het frissche groen ontluiken.




Daarom, als geduldig wachtende op dien tijd, rolde de zee kalm hare golven tusschen steenen en groeven, terwijl nog de sneeuw viel — dicht, donzig en zwaar.