In de sneeuw/10

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk IX In de sneeuw van Alexander Lange Kielland

Hoofdstuk X

Hoofdstuk XI
(pagina 183 t/m 212)


[ 183 ]

X.

Het was reeds geheel donker en de lamp aangestoken, toen de predikant, met een pak couranten in de hand, de huiskamer binnentrad. Johannes had aan Gabriëlle's deur geklopt, maar zij had hem afgescheept door te roepen, dat ze spoedig beneden zou komen.

Mevrouw Jürges liep onophoudelijk de kamer uit en in, tot Johannes haar eindelijk met zachten dwang in het hoekje der sofa deed plaats nemen. En daar bleef zij zitten, van den vader naar den zoon ziende, terwijl deze couranten lazen en af-en-toe een paar woorden wisselden.

Mevrouw Jürges luisterde naar den storm, die nu tot een orkaan was aangewakkerd. Maar aandachtiger nog luisterde zij naar de tonen, die niemand dan zij kon hooren. Het was de muziek, die hare jonge droomen had gewekt. Nog ruischte ze haar door de ziel, maar [ 184 ] nu gaf ze geen gevoel van weelde meer. Een onverklaarbare angst beklemde haar.

„Het is opmerkelijk, welk een invloed het weder heeft op zulke zenuwachtige gestellen, als moeder," — sprak de predikant half fluisterend tot Johannes; „ik voel, hier in mijnen stoel, hoe ze beeft en trilt, als de wind zich verheft. Het is zeer onaangenaam, maar ik weet, dat zij het niet helpen kan."

„Arme mama," zeide Johannes; „gij zijt toch niet bang dat het dak er zal afvliegen? Kom, ga hier naast me zitten, hier is zoo'n gezellig hoekje!"

Mevrouw Jürges voldeed aan het verzoek, en nam zeer dicht bij haren zoon plaats — maar kalm werd ze niet. Want haar fijn gehoor was de gespannen stemming niet ontgaan, waarin „Daniel" verkeerde. De neerdrukkende invloed van het weder liet zich bij hen allen gelden. Er scheen iets in de lucht te zitten, dat elk geluid verscherpte en beteekenis gaf.

Zij luisterden nu allen naar het gekraak, dat het openen van Gabriëlle's kamerdeur veroorzaakte, en naar de voetstappen van Gabriëlle, bij het afdalen van de trap. Terwijl Johannes [ 185 ] zijne courant ter zijde legde, zag de predikant van de zijne op: vader en zoon wisselden een veelbeteekenenden blik, en Mevrouw Jürges leidde hier uit af, dat er iets tusschen hen was afgesproken.


Nadat Gabriëlle zich op haar kamer eenige oogenblikken aan hare droefheid had overgegeven, had ze, een weinig kalmer geworden, voor het venster plaats genomen. Zij wilde eens goed over alles nadenken.

Op den voorgrond stond de oude schuur, die de wind trachtte te doen instorten, op den achtergrond rezen de met bosch begroeide bergen, die naarmate de avond viel, zich somberder afteekenden tegen het jagende zwerk.

Zij dacht aan Mevrouw Jürges; ze begon te beseffen, hoe zeer deze arme vrouw moest zijn gemarteld, als de muziek, zoolang ontbeerd, zulk eenen invloed op haar kon uitoefenen; — aan het leven, dat het goede mensch had geleid in dit huis, in dezen kring, waartoe ook zij eerlang zou behooren; aan den geest die hier heerschte, en die het leven van Mevrouw Jürges had gemaakt tot wat het was.

Gabriëlle wilde zich aan hare liefde voor [ 186 ] Johannes als vastklampen. Zij dacht nu aan hem, aan hunne kennismaking, en hoe zij geleerd had hem naar waarde te schatten, — hij, zoo degelijk en trouw tusschen al de vlinders, die haar steeds omfladderden.

Zij gevoelde grooten lust naar beneden te gaan, naast hem plaats te nemen, en met hem te spreken over alles wat haar gemoed vervulde.

Maar zoodra ze zich herinnerde, dat Johannes zich bij zijnen vader in diens studeerkamer bevond, bleven hare gedachten op den predikant gevestigd, en het werd haar duidelijk, dat zij met hem nimmer op goeden voet zou komen. Zij moest Johannes de oogen openen, hem het dwaze doen inzien van zijne bewondering voor den man, wiens meerderheid slechts schijn was.

Zij stak licht aan, en maakte toilet; toen ging ze neuriënd de trap af, als om zich zelve diets te maken, dat ze zich zeer kalm gevoelde, — niet driftig, — nog minder angstig.

Toch bracht zij bij haar binnentreden, als het ware, iets mee van den storm, die buiten loeide. En noch de blijdschap van Johannes, van haar terug te zien — zoo frisch en schoon; nòch de bijna overdreven vriendelijkheid van den predikant, [ 187 ] konden beletten dat Mevrouw Jürges nu en dan een angstigen blik sloeg naar deze wonderbare schoondochter, die haar meer en meer als iets dreigends voorkwam.

De predikant trachtte door kleine opmerkingen over hetgeen hij in de courant las, het gesprek op gang te brengen, — en wel over onder werpen, die hij zich voorgenomen had te behandelen, — maar niemand lette er op. De verloofden spraken zacht met elkaar, — Gabriëlle had haar stoel dicht bij de sofa getrokken — , en Mevrouw Jürges boog zich over eene der couranten, die op tafel lagen, om de jongelieden niet te storen.

Maar na het souper deed Daniël Jürges zich zelf de gelofte, dat hij nú zijnen slag zou slaan; en hij mompelde: „'t is best, de koe maar direct bij de horens te pakken."

„Gij hebt inderdaad gelijk, Johannes! — dat beroep deugt niet voor je. Kapelaan in Christiansand te worden belooft weinig voor de toekomst, en daarenboven vrees ik, dat Gabriëlle het — vooral in den beginne — wel wat heel ver van de hoofdstad zal vinden, — niet waar?"

[ 188 ] Johannes kon eene beweging van schrik niet onderdrukken, en vuurrood stamelde hij:

„Ik heb er ook niet aan gedacht, er naar te solliciteeren, beste vader!"

„Neen, neen, — maar het wordt toch zoo langzaam aan tijd, eens rond te zien. Gij zijt nu, God zij gedankt! zóo ver, dat ge kunt zoeken."

Gabriëlle lachte: „En wanneer een candidaat in de theologie zoekt, weet men wat hij zoekt. Het is natuurlijk in de eerste plaats het Godsrijk, dat hij heeft te zoeken."

„Dàt zijn geen zaken om mee te spotten, Juffrouw Pram!" sprak de predikant kortaf, terwijl hij zich voor 't eerst in al zijne waardigheid tot haar wendde.

Maar Gabriëlle antwoordde zonder blikken of blozen: „Dat was geen scherts; niets dan een ernstig citaat."

„Ik weet zéer goed, van wie gij die manier van spreken hebt geleerd," — hernam de predikant, kalm glimlachend — „ik gis, dat men u door het gebruiken dier ziekelijke paradoxen de minachting voor het predikambt heeft ingeblazen."

„Minachting!" — sprak Johannes, verlegen in [ 189 ] de handen wrijvend: - „ik geloof niet, dat Gabriëlle met hare opmerking bedoeld heeft wat men „minachting" noemt."

„Neen — het is eerder afschuw," — barstte Gabriëlle los; — „maar daarom vind ik het minder geschikt, er hier over te spreken."

„Juist hier — juist hier in dit huis, waar éen dier afschuwelijken woont! — hier zullen wij spreken over den tijdgeest, en zijne opvatting omtrent de dienaren des Heeren."

Daniel Jürges verhief zich in zijn volle lengte, en Gabriëlle voelde haar hart kloppen, terwijl ze van uit haren schommelstoel tot hem opzag. Johannes zou zijnen vader gaarne een wenk hebben gegeven, maar hij waagde het niet; en Mevrouw Jürges beefde zóo, dat de courant in hare hand ritselde.

De predikant liep een paar malen het vertrek op en neder, om zich te kalmeeren, en de gedachten te regelen, die hem — àl te rijkelijk — bestormden. Juist toen hij voor Gabriëlle bleef staan en lucht wilde geven aan zijne verontwaardiging, nam deze het woord:

„Nu Johannes er niet meer aan denkt, predikant te worden — "

[ 190 ] Zij hield een oogenblik op, eenigszins van haar stuk gebracht door de blikken waarmee allen haar aanzagen, — maar vervolgde spoedig:

„Niet waar, Johannes — gij hebt het mij beloofd?"

Johannes' gelaat betrok, en zijne oogen schenen geen punt te vinden, waarop zij zich konden vestigen, terwijl hij naar woorden zocht. Na eene geweldige inspanning, had hij zijn kalmte teruggekregen en sprak nu met vaste stem:

„Wij hebben, zooals gij weet, Gabriëlle, nooit in vollen ernst over dit onderwerp gesproken. Maar het is waar, het is eene belofte, — ten minste iets dat er op lijkt, — of zoo kan worden opgevat.... — "

„Eenige onbeteekenende woorden," — viel de predikant in, — „waarop het, naar mij voorkomt, zeer ongerijmd is te bouwen, en — "

„Neen, neen, versta mij niet verkeerd," — riep Gabriëlle heftig; — „ik ben niet van zins, hem strikt aan eene belofte te houden; maar ik weet zeker, dat hij nimmer predikant wil worden, — is 't wel, Johannes? Gij wilt nimmer een dienaar worden der staatskerk, niet waar?"

[ 191 ] Zij boog zich met lachend gelaat, waarop toch ook eene uitdrukking van angst niet te miskennen viel, tot hem. Nooit had zij gedacht aan de mogelijkheid van het tegendeel. — Nu hij niet dadelijk ontkennend antwoordde, vervolg de ze op koelen toon:

„Ja, zie, dan is het een andere zaak; nu moet er over worden gesproken, hoe eer hoe beter."

„Gabriëlle! — ik smeek je, beoordeel mij niet te hard, — ja, vader! — vergeef me, maar laat mij uitspreken; — ik zeg: beoordeel mij niet te hard; gij hebt reden, — ik moet dit bekennen — — — "

Gabriëlle viel hem in de rede. „Wat wij samen hebben gesproken, gaat niemand aan dan ons. Maar indien ik u heb misverstaan of, zoo ge tot andere gedachten zijt gekomen, laat ons dan dit punt tot klaarheid brengen. En indien ge vindt, dat het noodzakelijk of aangenaam is, dat uw vader in ons gesprek deelt, dan... "

„Ik zou zoo onuitsprekelijk gaarne zien, dat gij beiden — vader en gij, — elkander leerdet begrijpen," sprak Johannes.

„Uw vader zal mij en mijn begrippen [ 192 ] moeielijk kunnen leeren verstaan," antwoordde Gabriëlle, hare oogen kalm op Johannes vestigende; — „want de jonge dames van den tegenwoordigen tijd zijn zeer verschillend van die, met wie hij in zijne jeugd heeft omgegaan. Zij zijn van geheel anderen aard, met andere levensbeschouwingen, anderen smaak, — ja, ik geloof bijna, met ander gevoel. Ik weet zeer goed, dat al deze veranderingen door lieden van den ouden stempel beschouwd worden als de ondergang der ware vrouwelijkheid, en dit de oorzaak is, dat zij ons ternauwernood kunnen verdragen. Dat mag ons leed doen, te veranderen is het niet, en in werkelijkheid is er ook niemand onder ons, die het zou wenschen te veranderen."

Johannes zou haar gaarne het zwijgen hebben opgelegd, want hij wist, dat hare woorden de zaak slechts erger konden maken. De predikant lachte dan ook zeer gedwongen en stijf, toen Gabriëlle verklaarde: dat de wereld geheel veranderd was, terwijl hij op een uithoek woonde, en geen idee had van hetgeen er omging.

„Vergeef me, schoondochterje!" — aldus hernam hij op een toon, zóo vriendelijk, dat [ 193 ] Mevrouw Jürges er van ijsde; — „vergeef me, dat ik niet kan laten te lachen. Om eens iets te noemen, ik heb twee jonge dames onder mijne oogen zien opgroeien, en nooit moeite gehad haar te begrijpen. Er is iets lachwekkends in de vrijmoedigheid der jeugd, — ik bedoel nu, de onbegrepen jeugd van den tegenwoordigen tijd. Zij verbeeldt zich, dat de gedachten, die haar door het hoofd spoken, spiksplinter nieuw zijn: maar in werkelijkheid zijn ze het gevolg van denzelfden lentewind, die ook over mij en mijne tijdgenooten is henen gegaan. Neen, het nieuwe — het waarachtig nieuwe bestaat alleen in de voorbeeldelooze brutaliteit, waarmee de jeugd ons volwassenen eene slaapmuts over de ooren denkt te trekken, terwijl zij in hemel en op aarde alles onderst-bovenst zullen keeren."

Johannes lachte, en een oogenblik hoopte hij, dat het gesprek eene schertsende wending zou nemen. Maar Gabriëlle hernam op drogen toon:

„Er is echter éen ding, dat deze volwassenen van nu af aan genoodzaakt zullen zijn der vrijmoedige jeugd te laten, en wel het recht er eene zelfstandige overtuiging op na te [ 194 ] houden, en den moed volgens die overtuiging te leven. Laat ons daarom terugkeeren tot het punt in kwestie, — de roeping van Johannes om predikant te worden. Antwoord me eerlijk: „wilt ge predikant worden?"

„Het verwondert mij, dat ge deze vraag op zulk eene wijze doet," merkte de oude heer op, nog voordat Johannes het woord kon nemen. — „Wanneer men zijn lot heeft verbonden, — of tenminste, een ernstigen en verplichtenden stap heeft gedaan tot eene verbintenis met een jong mensch, die zich heeft bekwaamd... "

„Nooit heb ik er in ernst aan gedacht, dat Johannes zou wenschen predikant te worden."

„Maar gij moest toch weten en gevoelen, dat hij een oprecht geloovig Christen is?"

„Ik weet, dat Johannes te oprecht is om een huichelaar te zijn", antwoordde Gabriëlle, hare hand naar hem uitstekend, terwijl zij den predikant bleef aanzien.

„Nu, goed! — en wanneer hij dan in levend en oprecht geloof tot u kwam, en zeide, dat hij geroepen was om te getuigen voor den Heer, die hem kocht — "

„Dan zou hij tot me komen en zeggen: [ 195 ] vaarwel, Gabriëlle! — mijne gedachten over liefde en huiselijk geluk hebben zich gewijzigd. Hij, die het kruis op zich wil nemen en den meester volgen, kent vader noch moeder, — hij verlaat huis en hof."

Johannes trok zijne hand terug, en staarde Gabriëlle ontsteld aan. Maar Daniel Jürges glimlachte nog steeds en zeide:

„O! uw leermeester spreekt uit u! Wij kennen dit eenzijdig en ziekelijk ophemelen van het voorbeeld door Christus gegeven; maar — God zij geloofd! — als Christenen weten wij ook......."

„Indien gij den gewonen goocheltoer wilt uit voeren, waarde heer, door ons het „voorbeeld" te toonen, waaruit „de Verlosser" is verdwenen, moogt gij mijnentwege uwen gang gaan; maar verrassend is het kunstje niet. Ik weet zeer goed, dat het voor Schriftgeleerden eene kleinigheid is om er zoolang omheen te praten, dat er de schoonste overeenstemming bestaat tusschen den aan het kruis genagelden Christus en zijne gedecoreerde navolgers; — het is slechts het kruis dat van plaats verandert."

Mevrouw Jürges maakte onwillekeurig eene [ 196 ] beweging als werd zij door eene speld gestoken en Johannes boog zich over Gabriëlle: „Wees toch niet zoo bitter — Gabriëlle! ik bid je!"

De predikant was gloeiend rood geworden: hem was de blik niet ontgaan, dien Gabriëlle op het portret van zijn gedecoreerden voorvader had geworpen, en zijn lang bedwongen toorn dreigde los te barsten.

Maar Johannes was op hem toegetreden en de hand op zijnen arm leggend, smeekte hij: „Beste vader, laat ons niet driftig worden. Gabriëlle heeft haar eigenaardige manier van de dingen te zeggen, — ik vind die ook niet aangenaam, en ik begrijp, hoe ze u moet irriteeren; maar zij meent het niet zoo kwaad; laat ons hooren wat zij inderdaad tegen den priesterlijken werkkring heeft in te brengen."

„En dat vraagt gij? Ge weet toch zéer goed, dat ik de geheele staatskerk — met eenen koning aan het hoofd, — en al die officieele goddienerij, een allerbespottelijkst schijnbeeld vind van de leer en het leven van Christus! — gij weet dit, Johannes, en ik geloofde oprecht, dat gij dezelfde meening waart toegedaan."

„Neen, neen, Gabriëlle!" — riep Johannes, [ 197 ] vurig; „nù gaat ge al te ver; het kan uw bedoeling niet zijn, te zeggen, dat ik u ooit aanleiding heb gegeven om te vermoeden, dat mijne grondbeginselen — ofschoon lang zoo liberaal niet als de —"

„Gijlieden zijt het dus toch eens geweest?" vroeg de predikant.

„Neen, neen! vader! versta mij toch niet andermaal verkeerd! — maar ge weet zelf zeer goed, dat er — dat er in onze dagen gesproken wordt van zekere — kerkelijke hervormingen, die — ik wil het niet ontkennen — tot op zekere hoogte mijn bijval genieten. Er zijn in de uiterlijke betrekkingen der kerk, zoowel als in het leven der gemeente, vele punten —"

Hier bleef hij steken, en deed een oogenblik later zijn best, om den toon te vinden, hem door den professor geleerd, wanneer het gold, eene brug te bouwen van het oude naar het nieuwe, zonder zelf in den afgrond te storten. Maar er was niemand die naar hem luisterde.

De predikant begon te denken, dat het in zekeren zin gelukkig was, dat Gabriëlle de grenzen van het passende en behoorlijke zoo mijlen ver overschreed. Eene neiging van Johannes tot [ 198 ] mogelijken afval kon dan bijtijds worden onderdrukt. En hij zocht den toorn, dien hij tegenover de jonge dame gevoelde, te bezweren, door te bedenken, wie ze was, hoe veel er met haar en haar naam verloren ging, en hoe prettig en goed alles zou worden, indien zij maar eerst haar trotschen nek had gebogen.

Maar dit moest geschieden! — Hij hoopte maar, dat hij niet genoodzaakt zou worden, al te strenge middelen te moeten aanwenden.

Gabriëlle werd door een pijnlijk gevoel overmeesterd, toen zij haar verloofde zóo hoorde spreken. Het werd haar hoe langer hoe duidelijker, dat hij niet dezelfde was, hier en ginds. Wat hen vroeger, trots alle verschil van meening, had verbonden, was verdwenen; hij stond nu véel verder van haar dan voorheen, en een smartelijk gevoel zeide haar: dat Johannes tot de tegenpartij overliep.

Maar haar flink karakter verbood haar, eene poging aan te wenden om hem tot zich te trekken, door hem een weinig te gemoet te komen; zij verhinderde hem integendeel, met het bouwen van de brug voort te gaan, en sprak op mismoedigen toon:

[ 199 ] „Er is geen samenhang in wat ge zegt, Johannes!"

Hij hield op met spreken en keerde zich een weinig ongeduldig tot haar. De predikant, die den tijd gebruikt had om tot bedaren te komen, nam nu het woord — maar op geheel andere wijs dan eenige oogenblikken geleden; hij sprak kalm — bijna toegevend. Het was zijn doel, het gesprek van de meer algemeene onderwerpen, liever te leiden op de speciale strijdvraag, waarbij hij met meer kracht gebruik zou kunnen maken van zijne geleerdheid.

„'t Kan zijn, dat — zoo als Johannes zegt — de kerk behoefte heeft aan zekere hervormingen. De kerk is een oud gebouw, — misschien is zij wel in een eenigszins vervallen staat. Maar zoolang „Gods Woord" zuiver en onvervalscht wordt gepredikt, — en dit heb ik nog nooit hooren ontkennen, — zelfs niet door de meest hoovaardige vijanden van Christus — "

„Zuiver en onvervalscht; dat wil met andere woorden zeggen, dat de schriftgeleerden uit den bijbel halen wat zij noodig hebben, en het andere onder den preekstoel stoppen."

Mevrouw Jürges drong zich angstig in het [ 200 ] hoekje van de sofa, en Johannes zeide een weinig geraakt: „Ge weet niet wat ge zegt, Gabriëlle!"

„Uw meisje maakt anders den indruk, zeer goed te weten wat ze zeggen wil," — merkte de predikant vriendelijk op.

„Natuurlijk," antwoordde Gabriëlle: „ook meen ik, wat ik zeg!"

„Zoudt ge dan nu zoo goed willen zijn, door een voorbeeld te staven, op welke wijze deze „schriftgeleerden" met andere woorden: de dienaren der staatskerk...?"

„Wordt ook in het nieuwe testament onder schriftgeleerden niet den heerschenden priesterstand bedoeld?" vroeg Gabriëlle strijdlustig.

„Nu, daarover wil ik niet twisten —" was het antwoord, — „ofschoon ook tegen wat gij daar zegt, allerlei zou zijn aan te voeren. Maar zeg ons liever, — noem ons een voorbeeld, waardoor duidelijk wordt aangetoond, dat in onze kerk aan sommige woorden een bijzonderen zin wordt gegeven, en andere worden — „weggemoffeld", zooals gij gelieft te beweren."

Gabriëlle schommelde ijverig met haar stoel.

„Voorbeelden zouden me weinig baten [ 201 ] tegenover de finesses uwer schriftgeleerdheid. Wat voor ons, gewone menschen, als een muur is waartegen men het hoofd verbrijzelt, is voor de schriftgeleerden als een geopende poort waardoor zij ongehinderd marcheeren."

„Dewijl gij nu echter" — hernam de predikant — „voor twee van deze schriftgeleerden staat — een ouden en een jongen — die in alle oprechtheid gelooven, dat de leer onzer kerk het ware onvervalschte Christendom bevat, uitgegaan van 's Heeren eigen mond, opgeteekend en bewaard door de heilige mannen der kerk — moest gij, in plaats van den staf over ons te breken, in groote algemeene bewoordingen ons aantoonen — al ware het maar op éen punt — hoe de kerk iets in de leer van Christus vervalscht, verandert, wegmoffelt, — — —"

„Iets wezenlijks" — viel Johannes in; maar de predikant vervolgde, zonder acht te geven op hetgeen Johannes zeide:

„Vindt gij ook niet, — dat het, na alles wat gij hebt durven beweren, eenigermate plicht voor u is, — indien plicht althans een woord is, dat in het woordenboek van den tegenwoordigen tijd is te vinden......"

[ 202 ] „Nu gij het zóo opvat," — antwoordde Gabriëlle — „zal ik u door voorbeelden aantoonen, dat mijne woorden iets anders zijn dan een „los praatje." Maar ik verzeker u, dat ik vooruit weet, dat alles wat ik zal zeggen, geen den minsten indruk op u zal maken, op u, onvatbaar geworden voor overtuiging door den onfeilbaarheidswaan der geleerdheid; het is slechts voor mijzelve, dat deze voorbeelden waarde hebben. Het eerste is de bijbeltekst, waarop gijlieden den kinderdoop hebt gebaseerd."

„Dacht ik het niet?" — riep de predikant, zijnen zoon lachend aanziende: „zij beginnen altijd met hetzelfde."

„Ik weet óok," — hernam Gabriëlle — „dat gij altijd den zak vol verschillende vertalingen hebt; maar ik vind, dat er nog andere middelen gebruikt moesten worden, om van een op zich zelve zoo onbeteekenende ceremonie als het doopen van kinderen een sacrament te maken. — En nu — een woord dat altijd wordt weggegoocheld; ik ken het van buiten:

„Gij zult niet zweren: nòch bij den hemel, want hij is Gods troon; nòch bij de aarde, want zij is de voetbank zijner voeten, nòch bij [ 203 ] Jeruzalem, want zij is de groote Koningsstad: nòch bij uw hoofd, want gij kunt geen haar uws hoofds zwart of wit maken. Maar uw „ja, zij ja," uw „neen, neen" — al wat er boven gaat, is uit den booze." Als men nu ziet, wat gij van dat eenvoudig woord: „laat de kinderkens tot mij komen", gemaakt hebt, dan moet men toch verwachten, — ja, er zeker van kunnen zijn, dat een tekst zóo duidelijk, zóo bepaald, zóo ongemeen krachtig als die van den eed, door uwe kerk getrouw zou zijn bewaard en nageleefd; door uwe kerk, waar het Christendom zoo zuiver en onvervalscht is! Maar ik zal u zeggen, mijne heeren!" — en Gabriëlle stond op; — „ik zal u zeggen, hoe het toegaat in een christelijken staat, — onder de oogen der kerk — ja, in haar. Het wemelt van eeden — ja, het gaat zelfs zoo ver, dat er een eed wordt verlangd van hen, die geroepen worden den staat en de aangelegenheden der staatskerk te besturen.

„De kerk van Christus ontzegt aan elk, die zich aan de duidelijke woorden van Christus houdt, het recht om zich met de aangelegenheden der kerk te bemoeien. Komt er een, die [ 204 ] niet wil zweren, omdat hij niet gelooft — weg met hem! en komt er een die niet wil zweren juist omdat hij gelooft — weg met hem. Slechts zij, die zoo onverschillig zijn, dat ze zich geen rekenschap geven van hunne daden, of zoo huichelachtig, dat zij niet blozen den Meester in het gelaat te spuwen en dat eerbied te noemen — slechts dezulken kunnen in een Christelijken staat worden gebruikt! En de dominés! — zij bedekken en beschermen met al de macht die hun ten dienste staat, deze schending, wijl zij weten, dat de geheele mechaniek der staatskerk berust op verkrachting en leugen. En dit alles geschiedt niet met de bekentenis, dat niet enkel in de kerk maar overal in de maatschappij het bederf is doorgedrongen, neen, brutaal verheft men zich op hetgeen leugen en bedrog is, als op het zuivere onvervalschte Christendom. En gijlieden weet dit, — gij weet dit, Johannes, gij moet de onmetelijke huichelarij van al die Christenen en al dien kerkelijken „humbug" sinds lang hebben opgemerkt — gij kunt me niet zoo gruwelijk teleurstellen. Zeg het! zeg, dat ge niet met hen wilt gaan — dat gij u liever de tong zoudt willen uitrukken!"

[ 205 ] Toen ze zweeg, deed juist de storm het huis schudden. Mevrouw Jürges was op het punt van te bezwijmen. Johannes stond sprakeloos en wanhopig midden in de kamer. Tevergeefs trachtte hij zich te herinneren, wat men hem geleerd had te zeggen in betrekking tot den eed. Het eenige wat hem voor den geest kwam, was de vraag in het Pontoppedan:

„Is het dan niet geoorloofd te zweren?" — en het daarop passend antwoord: „Ja, indien de overheid, op bevel van God, dit verlangt." — Maar hoe luidden de schriftuurplaatsen? Het was hem niet mogelijk, ze zich in dezen oogenblik te herinneren. Er waren er natuurlijk eene massa, en dit wilde hij juist aanvoeren, toen zijn vader zoo hevig losbarstte, dat het geloei van den storm bijna werd overstemd.

Het was beneden zijne waardigheid te antwoorden op zulke „insinuaties". En zijn lang ingehouden drift den teugel vierende, gaf hij in onomwonden taal lucht aan zijn gemoed. Hij toornde over haar in den naam des Heeren, in woorden zoo krachtig en welsprekend, dat zij Johannes herinnerden aan de taal der oude profeten.

[ 206 ] Het was eene uitbarsting van alles, wat zich in hem had opgehoopt, sinds zij de pastorie was binnengetreden, — zij, een bode van den nieuweren tijd, dien hij haatte met gloeienden haat, — een haat, dien hij had gevoed zoo lang hij kampte tegen den tijdgeest, die alles wat hem lief was had besmet, zòo, dat het hem was geworden tot bitterheid. De afgoden zijner jeugd had hij zelf moeten verbrijzelen, — het schoone en het goede — de vrede en harmonie — alles was bezoedeld en verstoord; vermetele handen hadden zich uitgestrekt naar het heilige — vermetele handen — vermetele! — — — —

Toen hij eindelijk zweeg, bracht hij de handen aan het hoofd - hij duizelde een oogenblik. Hij wachtte tot hij een weinig kalmer was geworden, en hernam toen streng en afgemeten: — „Ja, vermetele, schendende handen. In den grond is het ongeloof laag en slecht, laf en hoogmoedig terzelfder tijd. En wanneer men zich in onze dagen den schijn geeft, waarheid en recht te willen voor hoog en laag, dan is dat niet anders, dan de walgelijkste comedie, want zelfs de vijandschap tegen Christus bestaat enkel hierin, dat men het lage wil verheffen [ 207 ] om het hooge te vernederen; zich zelven wenscht te plaatsen op den troon, om alles wat hoog is en heilig in het stof te kunnen treden onder eigen voet. Maar voorwaar, zeg ik u: „God laat niet met zich spotten."

Gabriëlle was opgesprongen als wilde zij hem in de rede vallen. De predikant hield op met spreken, en het werd een oogenblik zóo stil in de kamer, dat men eene speld had kunnen hooren vallen. Gabriëlle vond echter geen woorden.

De stemming, die zich dien morgen onder de preek van haar had meester gemaakt, overviel haar met dubbele kracht, en zij gevoelde dat, zoo zij begon met hem te verklaren, hoe onrechtvaardig en diep hij haar had gekrenkt, ze zou eindigen met haar geheele zieleleven voor dien man bloot te leggen; en dat was hij niet waard, wijl hij niet wilde verstaan.

„Zeg gij het hem, Johannes! zeg hem, dat het niet waar is!"

Gabriëlle strekte de handen als om hulp naar Johannes uit; maar deze vouwde de zijne als tot een gebed. De laatste oogenblikken waren met de snelheid van een stormvlaag voorbijgevlogen, en iets van de wildheid van den storm huisde [ 208 ] in hunne zielen. Johannes gevoelde, dat hier geene verzoening mogelijk was, dat hij moest kiezen; en in zijn radeloosheid begon hij met half luide stem te bidden.

„Antwoord mij, help me!" riep Gabriëlle ongeduldig, terwijl ze op hem toetrad. Maar voor ze hem genaderd was trad dominé Jurges tusschen hen in.

„Stoor hem niet! — laat hem hulp en raad zoeken dàar, waar ze alleen te vinden is. En kies dan, mijn jongen! of ge den Heere wilt verraden, die u kocht door zijn bloed, of de vijandin van het kruis....."

„Neen, neen!" riep Gabriëlle „het is de vraag, of ge eerlijk wilt zijn; of ge bekennen wilt, dat ge er ver van afzijt, een waar navolger van Christus te wezen, en of ge met open oogen een leven wilt aanvaarden vol leugen en bedrog!"

„Johannes — mijn zoon!" — hernam de predikant, en zijne stem was nu even scherp als 's middags in de studeerkamer, — „ik zie, dat gij weifelt — "

Op het hooren dezer woorden ontvouwde Johannes zijne handen en reikte ze zijnen [ 209 ] vader: „Ik zal nimmer den Heer verzaken!"

„Bah!" was alles wat Gabriëlle zeide, en hem eensklaps den rug toekeerend streek, zij haren verlovingsring van den vinger en wierp hem op tafel, waar hij onder den voet der lamp bleef liggen.

Mevrouw Jürges zag hem op de tafel rollen en riep: „Wilt ge bre..."

Wilt gij met hem breken? wilde ze zeggen; maar zij gevoelde nog bijtijds, dat deze woorden niet pasten; en ze bleef daarom zitten, starend naar den voet der lamp.

Gabriëlle stond een paar seconden geheel verslagen; maar plotseling kwam ze weer tot bezinning.

„Goeden nacht!" — sprak ze, naar de deur gaande.

Johannes wilde haar volgen: maar zijn vader hield hem tegen.

„Laat zij er zich op beslapen. Van avond niet meer. Morgen is er — God zij gedankt — ook een dag. Ik zeide reeds, Johannes, dat we krachtige middelen dienden te gebruiken. Laat ons God danken, dat het voorbij is, en dat gij roemrijk de beproeving weerstand hebt geboden. [ 210 ] Morgen zullen wij den indruk van dezen avond trachten te verzachten, en ik — ik zal geen wrok koesteren, — dat beloof ik je. In mijne preek zal ik haar de vertroosting bieden, waaraan ze na deze tuchtiging behoefte zal gevoelen, en later bij den burgemeester — "

Mevrouw Jürges hief eene hand in de hoogte en fluisterde: ze gaat heen — ze gaat heen!

„Dwaasheid, Mina," — sprak de predikant geërgerd, — „waar zou ze kunnen heen gaan?"

Maar Johannes ijlde de kamer door, en rukte de deur open.

In de gang stond Gabriëlle reeds geheel in eenen pelsmantel gehuld, en bezig de met bont gevoerde handschoenen aan te trekken.

„Mijn God! Gabriëlle! — waar wilt ge heen? — je hebt je bezinning verloren," — riep Johannes, terwijl hij nog meer beefde dan zijne moeder — „kom toch hier, en neem de zaak niet zoo hoog op."

Gabrielle bevrijdde zich zachtkens uit zijne handen, en zeide bedroefd:

„Wij hebben elkaar niets meer te zeggen. Gij waart niet wien ik meende dat ge waart Vaarwel! — Laat me gaan."

[ 211 ] Zij had alreede de hand op de kruk der deur gelegd.

„ Juffrouw Pram!" — riep de predikant, geheel buiten zich zelven, „uw gedrag is van zulk een aard....."

Gabriëlle keerde zich om alsof ze iets had vergeten en dit wilde halen, trad toen met eene bedaardheid, die bijna van kalmeerende uitwerking was, op Mevrouw Jürges toe en reikte haar de hand:

„Vergeef me, dat ik u op deze wijze verlaat. Ik ga naar den Lensmand. Het zou mij niet mogelijk zijn, nog een enkelen nacht onder dit dak te vertoeven; en morgen ga ik weer naar huis. Wees niet boos op mij. Vaarwel!"

Eensklaps boog ze zich, en kuste de kleine dame; en voor iemand er aan dacht, was ze reeds buiten. Zij verdween als in eene wolk van sneeuw, terwijl de huisdeur met geweld dicht viel.

Johannes strekte de hand uit naar zijne jas.

„Neen — neen!" sprak de predikant.

„Ik wil!" was zijn antwoord en hij zag zijn vader vastbesloten aan.

Daniël Jürges schrikte terug voor dezen blik, [ 212 ] en eerst nú begreep hij, wat hij had verloren.

En Mevrouw Jürges, in wier hoofd op dezen verschrikkelijken dag, nog meer dan gewoonlijk, het kleine en het groote dooreenwoelde, riep angstig, dat Johannes niet vergeten zou zijne pelslaarzen aan te trekken.