In de sneeuw/6

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk V In de sneeuw van Alexander Lange Kielland

Hoofdstuk VI

Hoofdstuk VII
(pagina 87 t/m 97)


[ 87 ]

VI.

Grandalen's pastorie, den 5den April 1884.

Mijn eigen beste Johannes!

Opdat gij dezen brief, die misschien lang zal worden, niet zult lezen in spanning en onzekerheid, wil ik beginnen u mijn vaderlijken gelukwensch te zenden met uwe verloving; moge God, de Heer, onder wiens oog gij u — ik ben er zeker van — in deze zaak hebt gevoeld, ook verder zich betoonen als de trouwe Vader, die ons nooit verlaat, indien wij Hem niet verlaten.

Uw brief, den 2den dezer geschreven, ademt een geest, die een zoon tegenover zijnen vader betaamt, en dien ik wist, dat mijn Johannes bezat. Ik wil uwe openhartigheid beloonen, door u een goeden, vertrouwbaren raad te geven, ingegeven niet alleen door mijn vaderlijke liefde, [ 88 ] maar óok door de ervaring van een betrekkelijk niet nutteloos doorgebracht christelijk leven. Allereerst moet ik er u mijne volle goedkeuring over te kennen geven, dat gij u onthouden hebt van overdrevene schilderingen — zoo gewoon bij verliefden, — zoowel wat betreft de sterkte en warmte hunner eigene gevoelens, als de schoonheid en voortreffelijke eigenschappen hunner uit verkorenen. Uw maathouden geeft mij — ervaren man — den zekersten waarborg voor uw geluk, en het is hoofdzakelijk hierop, dat ik mijne hoop bouw betreffende de zegenrijke gevolgen uwer keuze, zoowel voor u als voor haar — ja, voor vele anderen óok. Want het is immers onloochenbaar, dat uwe verbintenis met deze jonge dame van zulk eene groote beteekenis is, dat zij de kalme overweging vereischt, waartoe blinde verliefdheid zelden in staat is. Ik meen niet zoo zeer de uiterlijke omstandigheden. De familie Pram is, ofschoon eenigszins vermengd, zooals gij zelf zegt, met minder goede elementen, toch ook een der eerste koopmansfamiliën der stad. En wat den rijkdom betreft, waarop gij met begrijpelijke tegeningenomenheid zinspeelt, och, laat hij u niet [ 89 ] verontrusten of verwarren. Want gij zult altijd in uw eigen bewustzijn een zeker wapen bezitten tegen kwade tongen, die — gij moet u hierop voorbereiden — u zullen vervolgen met de meest lasterlijke beschuldigingen, zoodra het bekend wordt, dat gij verloofd zijt met eene der rijkste erfdochters van het land. En wat het geld zelf aangaat, — wij weten immers als Christenen, hoe weinig waarde het eigenlijk heeft, en tevens, hoe gevaarlijk het voor ons kan worden.

Maar het is onnoodig iemand van uwen leeftijd en van uwe ideale levensbeschouwing, de verzoekingen en het gevaar dat er in rijkdommen kan gelegen zijn, voor te houden; veeleer moet ik u, als uw meerdere in levenswijsheid, waarschuwen tegen geringschatting van aardsch goed. Er ligt n.l. in het rijkelijk bezitten van Gods tijdelijke gaven, behalve het genot, den hulpbehoevenden te kunnen meêdeelen — nog een andere zegen verborgen, dien God vele malen in den verleden en in den tegenwoordigen tijd heeft uitgestort over hen onder zijne dienaren, die hij had uitverkoren om zijn eeuwige raadsbesluiten onder de menschen te volbrengen, [ 90 ] onder meer omvattende vormen, en op een — menschelijk gesproken — grooter en machtiger wijze. Een rijk en overvloedig bezit van de goederen des levens, in vereeniging met een nederig gemoed en een eenvoudig christelijk, kinderlijk geloof, — dát, mijn dierbare zoon! zijn gaven, die het lot zeer zelden laat vallen in den schoot van één mensch.

Maar wij weten toch, dat zij vereend gevonden worden. — God zij lof!

En als gij — mijn dierbare Johannes, — mocht zijn uitverkoren tot een dier weinigen, dan zou dit voor mij zijn als een helder licht om Gods wonderbare liefde en barmhartigheid te begrijpen. Want mijn eigen leven is — zooals gij weet — doorgebracht in een stil en bescheiden arbeiden in den wijngaard des Heeren; en ofschoon ik nu op betrekkelijk hoogen leeftijd als gedwongen ben geworden, om te staan in de voorste rij dergenen die strijden tegen leugen en ongeloof, dan is dit toch van weinig beteekenis, in vergelijking — ik durf het nú wel zeggen, zonder vrees voor de list van de slang, — neen, dan is het niets, in vergelijking van hetgeen ik zou hebben kunnen zijn voor mijn land en mijn volk, als ik [ 91 ] van der jeugd af gebruik had gemaakt van de middelen en de macht, die het leven mij zoo rijkelijk bood, en die den mensch voeren tot de hoogste rangen in de maatschappij.

Ik wilde den weg niet bewandelen, die mij door mijne vrienden, en — aan u durf ik het wel bekennen — mijne talenten werd aan gewezen; ik gevoelde, hoe gemakkelijk iemand, toegerust als ik, een prooi kon worden der ijdelheid; en ik durf zeggen, dat het mij — met Gods hulp — gelukt is, het gevaar te ontgaan. Nooit heb ik gedacht aan de eischen, die anderen, waren zij in mijne plaats geweest, zouden hebben gesteld, èn aan hun huwelijksleven èn aan hun loopbaan.

Maar als ik nu — zonder zelfverheffing — mijn leven met zijn vele opofferingen voor u bloot leg, toch wil ik, terzelfder tijd, dat ik God den Heer dank, die mij heeft geleid, ook aan u — mijn dierbaren zoon — bekennen, dat het mij niet altijd duidelijk is geweest of ik goed handelde door zoo streng op mijnen post te blijven, ten nadeele van mijzelven.

Het gevoel van eigenwaarde is gerechtvaardigd, en misschien kan men het op den duur [ 92 ] niet ongestraft onderdrukken. Maar juist hierom maakte het bericht uwer verloving zulk een diepen indruk op mij. Want ik zie in het feit, dat het God behaagd heeft, u, mijn zoon, waardiger en geschikter te vinden om de verantwoordelijkheid van een rijk, beteekenisvol leven te dragen, eene belooning voor mijne verzaking. En gij behoort dan ook, in al het aardsche goud dat uwe gelukkige liefde u als toegift meébrengt, een wenk van boven te zien, waarop gij dankbaar en nauwkeurig acht moet geven.

Als gij nu toch door uw jeugdigen leeftijd en geringe ervaring geneigd zijt de waarde van rijkdom te gering te schatten, dan moet ge mij op mijn woord gelooven, als ik u verzeker, dat God zich ten allen tijde, en naar het me voorkomt, vooral in dézen tijd, bedient van materieele middelen in den strijd tegen het meest materieele — het materialisme zelve. En ik, — die nu, om zoo te spreken, midden in den storm sta, die over het land heen giert, zonder dat ik een oogenblik door twijfel of moedeloosheid word overmand, ik zie nú alreede duidelijk, welk een macht en voordeel er voor de goede zaak verborgen en als verscholen ligt in den naam van [ 93 ] uwen aanstaanden schoonvader. Hij zal, in vereeniging met den verbazenden steun, dien men direct en indirect dankt aan een soliden économischen achtergrond, voor de goede zaak van groote — ja, oneindig groote beteekenis zijn.

Mogelijk zijt gij, mijn eigen dierbaar kind, uitverkoren, om ons nieuwe krachten, nieuwen zegen toe te voeren; en misschien zult gij eens, als de zege voor het Christendom en de eenige goede moraal is behaald, de vruchten dier overwinning genieten, door een rijk en gelukkig leven, onder een krachtige christelijke regeering.

Het voorgaande bevat eenige van de gedachten die mij, bij het lezen van uwen brief, bestormden; maar zooals ik boven zei, en gij zelf ook reeds hebt opgemerkt, — de uiterlijke levensomstandigheden waarin uw meisje verkeert, zijn niet het meest gewichtig, nòch voor u, nòch voor mij. Van veel meer belang is het, in welk eene verhouding zij staat tot God, welk een gemoedsbestaan zij heeft. Het heeft me geroerd te vernemen, hoe ernstig gij den kleinen strijd met Gabriëlle hebt opgevat over de vraag: "predikant? of geen predikant?" Maar vergeef me, beste jongen, dat uw vader ter nauwernood [ 94 ] een flauwen glimlach heeft kunnen onderdrukken over de ernstige wijs, waarop gij alles behandelt. Het is wel niet veel, wat ge mij over Gabriëlle verteld hebt, maar, — niet ieder behoeft evenveel te worden gezegd om een zaak te begrijpen. En ik, ziet ge, begrijp spoedig. Ik geloof nu reeds, uw meisje vrij goed te kennen, — op sommige punten ken ik haar misschien zelfs beter dan gij. Zij is vrijzinnig en vrij van vooroordeelen, — inzonderheid ten opzichte van den godsdienst; zij waant, dat de predikanten de duisternis en de slavernij beminnen; zij gevoelt diep medelijden met de armen en onderdrukten, en kan geen onrecht of zwakheid verdragen. Zij heeft veel gereisd en veel gelezen, en zij is altijd rijk genoeg geweest om nooit op onoverwinnelijken tegenstand te stuiten. Nu bemint zij een jongen man, en deze wil predikant worden? — onmogelijk! — totaal ondenkbaar !

Wat zullen wij nu doen — gij en ik — Johannes? Wij zullen deze beminnelijke jonge dame leeren, niet alleen, het wèl als mogelijk te beschouwen, maar wij zullen haar zoo ver brengen, dat zij God en haar predikant zal danken, [ 95 ] wijl zij leerde zich te buigen — niet alleen voor een aardsche, maar ook voor Gods oneindige liefde.

En mijn raad aan u is in 't kort deze: laat haar hier komen: laat haar de Paaschdagen in Grandalen's pastorie doorbrengen, en ik wil met u wedden, om eene lekkere sigaar, dat zij met Pinksteren niets vurigers wenscht, dan de vrouw van een predikant te zijn.

Erger u niet aan mijn schertsenden toon. Ik verheug me werkelijk over den ernst, dien gij in deze zaak aan den dag legt, en ik kan uwe wijze van handelen volkomen goedkeuren. Het is niet verstandig, neen, wij hebben er zelfs geen recht toe, om door onverzoenlijke woorden te verspelen, wat ons tot zulk een grooten zegen kan zijn. Gij zult zien, dat God alles wèl zal maken. En ik zal u bijstaan, daarvan kunt ge zeker zijn; gij weet, dat ik een bijzonder talent heb om met menschen om te gaan. Groet haar nu voorloopig zéer hartelijk van „den ouden predikant“, en zeg haar, dat ik haar niet schrijf, wijl ik de hoop koester, haar binnen eenige dagen als dochter welkom te heeten. Ook van mama moet gij haar groeten; zij was natuurlijk [ 96 ] zeer blij, maar toch een weinig ontsteld — de stakkerd! — bij de gedachte eene beschaafde jonge dame geen mooie logeerkamer te kunnen aanbieden.

Nu gaat ge natuurlijk oogenblikkelijk naar de familie Pram, om u van hunne toestemming te verzekeren. Mevrouw is — zooals gij weet — eene dochter van den burgemeester Bennechen. Ik herinner me nog, welk een opzien het baarde, toen zij zich met den drogen, eenigszins vervelenden Pram verloofde. Hij heeft altijd eene eenigszins weifelende houding aangenomen, of schoon hij, in den grond, tot onze partij behoort. Als men hem kon bewegen, feitelijk meer deel te nemen aan het openbare leven, dan zou dit èn voor de zaak èn voor hem zelven zeer gelukkig zijn. Deze geldmannen beseffen veelal weinig, hoe hunne eigene belangen samenhangen met de brandende vragen op godsdienstig en politiek gebied. Ze zijn in den regel niet genoeg veelzijdig ontwikkeld,om den samenhang te vatten tusschen de oogenschijnlijke onschadelijkheid van holle phrases, en de onderaardsche mijnen, die onder hunne eigene kantoren worden aangelegd.

Hier is dus werk voor u — werk, gericht op de [ 97 ] goede kansen en het blijde uitzicht op rijke vruchten, die een uitgebreiden kring ten goede zullen komen. En daar ik weet, dat mijn Johannes zijnen God meeneemt, waar hij ook gaat, zoo beveel ik hem vol vertrouwen in de handen van Hem, die het lot der volkeren bestuurt, en de voetstappen van elk in het bijzonder leidt op den weg naar de eeuwige woningen.

Uw toegenegen vader.
D. J.