In de sneeuw/7

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk VI In de sneeuw van Alexander Lange Kielland

Hoofdstuk VII

Hoofdstuk VIII
(pagina 98 t/m 134)


[ 98 ]

VII.


Van het laatste station hadden zij nog drie uren te rijden door bosschen, waarin de sneeuw hoog lag opgestapeld, over heidevelden en vlakten, waar de wind de sneeuw had weggevaagd en over wegen, bijna onbruikbaar door tal van kuilen, ontstaan door zon en regen, die hier en daar de sneeuw hadden veranderd in eene drabbige brij.

Zij hadden veel pret gehad, en hartelijk gelachen — Johannes en zijne liefste — over al hunne wederwaardigheden.

Na een tijdlang op een voortreffelijken weg, onder het vroolijk klinken der bellen, te zijn voortgereden, waren ze eensklaps genoodzaakt geworden, in een geleende „stoelkar“ zich te laten voorttrekken over een morsigen gelen kleiweg, met diepe gaten.

Maar op de laatste pleisterplaats vonden zij [ 99 ] de slede van den predikant bespannen met twee flinke paarden. Van hier tot aan Grandalen lag de sneeuw nog hoog en het laatste eind ging geheel door bosschen.

Nu zij, na al hunne reisbezwaren, behagelijk naast elkander zaten, onder de beschermende warme beerenhuid, doorstroomde hun een aangenaam gevoel van veiligheid en rust: ze waren vermoeid na al hun gelach en gepraat, en ze verzonken in aangename droomerijen.

De twee vossen draafden onhoorbaar over de losse sneeuw, en de slede gleed licht en snel de pastorie te gemoet.

De zwarte boomstammen, die scherp tegen de blinkende sneeuw afstaken, waren voor Gabrielle allen volkomen aan elkaar gelijk: maar Johannes begroette ze als oude bekenden. Hij kende elke kromming van den weg en gevoelde zich reeds als „tehuis“. Zijne gedachten snelden de vlugge vossen vooruit op den weg, die langs de Elbe, beurtelings stijgende en dalende, naar het dal voerde, waar zijne ouders woonden.

Nooit te voren had hij zulk een sterk verlangen naar huis gevoeld als thans, nu hij eene overwinning had behaald, waarbij een met glans [ 100 ] afgelegd examen niet waard was genoemd te worden. Zij zat immers aan zijne zijde, vertrouwelijk met haar hoofdje leunend tegen zijnen schouder, — zij, eene der eerste dames van het land, gekend en bewonderd, even vurig begeerd door hen, die onder de macht harer schoonheid waren geraakt of door hare geestesgaven bekoord, als door hen, die gretig de hand uitstrekten naar het goud, dat ze lief hadden boven alles — zij, de schoone vrouw, de draagster van fortuin, zat aan zijne zijde, het hoofdje vertrouwelijk leunend tegen zijnen schouder.

De neven en hun kliek — al dat brutaal gebroedsel, dat nu nog fier het hoofd opstak, maar eerlang voor altijd zou worden verslagen — zij allen hadden tot begin een „langen neus" gekregen. En Johannes verheugde zich hierover met een gerust geweten.

Want door zijns vaders brief had hij zijne verloving in een geheel ander licht leeren beschouwen; het was eene gebeurtenis van algemeen belang — eene schakel in de groote keten van feiten, die invloed uitoefenden op de publieke zaak. Hoe vreemd, dat hij hieraan [ 101 ] niet had gedacht, toen hij nog geduldig wachtte en twijfelde, of het hem ooit zou gelukken haar te winnen.

Maar nu begon hij in te zien, dat hij zijn geluk niet egoïstisch en als zuiver persoonlijk moest opnemen. Dat hem zooveel werd toevertrouwd vervulde hem met dankbaarheid jegens God — die hem zoo rijkelijk had gezegend, en een einde had gemaakt aan zijne beproevingen.

Zijne gedachten dwaalden nu af naar zijn toekomstig leven — met haar dicht en vertrouwelijk aan zijne zijde.

Alles kwam hem anders en lichter voor, nu hij door den gezegenden brief zijns vaders ook omtrent een ander punt was gerustgesteld.

Johannes had namelijk nooit den drang kunnen begrijpen, die zijnen zoo door hem bewonderden vader als predikant naar het onbeschaafde Noorden had gedreven en hem daar verre van de hoofdstad had doen leven te midden van eene ruwe visschersbevolking. Hij, een man, van wien het menigmaal was getuigd, dat hij de aangewezen persoon was om Staatsraad te worden, hij vergenoegde zich met de [ 102 ] onderscheiding, die hem ten deel viel als de talentvolle, ontwikkelde D. uit de courant van de hoofdstad.

Nu had hij de verklaring, en tevens de zalige zekerheid, dat zulk een offer van hem niet zou worden gevergd. En ofschoon vol bewondering voor den heldhaftigen strijd door zijnen vader tegen de ijdelheid gestreden, gaf hij zich met meer kalmte en vertrouwen over aan de illusiën, die hij koesterde ten opzichte eener sterke, machtige kerk, — een kerke Gods, zóoals zij in deze tijden moest zijn, — hoog en licht, gesteund door energieke mannen, die eene plaats innamen welke hun veroorloofde het „heilig gezag“ hoog te houden.

De kleine Johannes rekte zich onwillekeurig uit; hij was in werkelijkheid niet groot. Als iemand hem zei, dat hij op zijne moeder geleek, behaagde hem dit geenszins; zijn trots was het, door stem en manieren aan zijnen vader te doen herinneren.

Het was een knagende worm aan zijn geluk, de ervaring — de bittere ervaring, dat zijn voorkomen onbeduidend was, zóo zelfs, dat de menschen de oogen optrokken en — „ah!“ [ 103 ] zeiden, als hij hun werd voorgesteld als de zoon van Daniel Jürges, den talentvollen D. uit de courant van de hoofdstad.

Hoe lang had hij niet gewacht, hoe had hij niet den hemel bestormd met gebeden om geduld, méer geduld, ten einde al die krenkingen te verdragen, en te leeren berusten in het feit: over het hoofd te worden gezien. Wat had het hem gepijnigd, zoo onbekend onder al die domme menschen te moeten verkeeren, die geen flauw begrip hadden van wat er in hem omging, en die zelfs zóo ver gingen, van hem — ter wille zijns vaders — in bescherming te nemen — h e m!

Slechts een paar leeraren, en zij die op Johannes hadden acht gegeven wanneer hij in de school zich inspande om No. 1 te worden, of aan de academie zich voorbereidde tot een examen, — slechts zij kenden zijn volhardingsvermogen. En Gabriëlle's neven bezwoeren „kris-en-kras,“ dat zijne hofmakerij gedurende dezen winter een meesterstuk was geweest van berekening en geduld.

Maar Johannes lachte veelbeteekenend, want hij wist, dat God sterk is in de zwakken, — [ 104 ] in de o o g e n s c h i j n l i j k zwakken. Hij was nu eene groote schrede nader tot zijn doel gekomen, hij gevoelde met sidderend welbehagen, hoe zijn kracht m a c h t begon te worden. Maar — zonder overmoed, en zonder den tijd te veel vooruit te loopen, dacht hij nu aan de moeielijkheden, die het meest voor de hand lagen.

Zij hadden over het cardinale punt niet meer gesproken, — dat wil zeggen, niet in ernst. Telkens als Gabriëlle er over wilde beginnen, maakte hij er zich met een paar schertsende woorden van af, of bracht het gesprek op iets anders. Maar dat dit op den duur niet zoo kon gaan, wist hij zeer goed; het was hoog tijd, dat zij thuis kwamen, — bij vader.

En terwijl ze de pastorie naderden, schoof hij nog dichter naar Gabriëlle, en wenschte en bad, dat alles goed mocht gaan; dat vader van haar zou leeren houden, Gabriëlle van hem een machtigen indruk mocht ontvangen, — men kon in sommige opzichten zoo weinig op haar rekenen — en moeder zich niet al te armhartig en onbeteekenend mocht voordoen. O, die arme, lieve mama! — in werkelijkheid koesterde hij ten haren opzichte geen vrees; — zij en [ 105 ] Gabriëlle zouden zeker goede vriendinnen worden. En wat zijn vader betrof — hij wist immers, dat er nooit een gast hun huis was binnen getreden, zonder oogenblikkelijk door hem te worden bekoord. Zóo ook zou het zijn met Gabriëlle: zij zou tot geheel andere gedachten komen, nu zij een predikant leerde kennen als zijn vader.

Inmiddels was ook zij in halfbewuste droomerijen verzonken, en gaf zich over aan het zalig gevoel hem zoo nabij te zijn.

Het was alreede schemerachtig geworden in het woud. De plechtige stilte, door niets afgebroken dan door het vroolijk geklingel der bellen, verfrischte haren geest, en verdreef geheel de verdrietige en onverschillige stemming, waarin zij den winter had doorgebracht.

Nooit was eenig „seizoen“ in de stad zoo afschuwelijk geweest; en het ergste — hetgeen Gabriëlle het meest beangstigde, als zij aan haar toekomstig leven dacht — was, dat er in werkelijkheid nooit zóoveel leven had geheerscht, nooit zulk een opgewektheid en ijver, dan juist toen. En toch was het zoo — zoo — ja, vervelend was eigenlijk het woord niet, maar [ 106 ] zoo onbeteekenend geweest, even zeer als alles wat de vorige winters als vervelend had gekenmerkt.

En zij dacht aan al die eigenaardige emoties van het gezelschapsleven, dat ritselen van couranten, die spiegelgevechten van het vernuft, dat strijden met scherpe, geestige woorden — een spel, dat vrienden van elkaar verwijderde en vijanden arm in arm deed gaan.

De ijver waarmeê zij zich, toen ze pas uit het buitenland huiswaarts was gekeerd, in den strijd had gemengd, was bekoeld, maar niet door eene ondergane nederlaag, nog minder door een behaalden triomf. Gabriëlle had altijd veel vrijheid genoten; zij ging van groep tot groep, van rechts naar links: zij mocht zich haren omgang kiezen naar believen. Hun huis werd in den winter door betrekkelijk weinigen bezocht. De familie Pram „deed — buiten enkele familiepartijen — niet mee." Want Jörgen Pram, die door zijn onbegrijpelijk flegma onverschillig was voor politiek, had in den eersten tijd van zijn huwelijk de dwaasheid begaan, lieden van verschillende richting ten zijnent te noodigen, wat evenwel spoedig een treurig einde nam.

[ 107 ] Toch was hun kring van familie en kennissen nog tamelijk uitgebreid, en daarenboven bezat Gabriëlle vele persoonlijke kennissen onder hen, die zij op hare reizen of door andere toevallige omstandigheden had ontmoet. En als Mevrouw Pram zich soms een weinig ongerust maakte over de gevolgen dier volkomene vrijheid, Gabriëlle verleend, en haar eenigszins daarin zocht te beperken, vond zij altoos steun bij haren vader. Jörgen Pram was van meening, dat enkele vrouwen zonder schade kunnen doen wat zij verkiezen, en dat „zijne Gabriëlle" tot dezulken behoorde.

Voor 't overige deelde hij geenszins hare beschouwingen — hoofdzakelijk, wijl hij geen andere beschouwingen had dan in betrekking tot de meest alledaagsche zaken. Maar hij vermaakte zich kostelijk, wanneer zijne dochter met onvergelijkelijke vrijmoedigheid haar oordeel uitsprak over een of ander beroemd initiaal uit de courant der hoofdstad. Ja, het vermaakte hem, en vele anderen ook, en dit juist was het, wat het eerst Gabriëlle's ijver deed verflauwen, tot zij eindelijk al dat gebabbel vervelend en walgelijk begon te vinden. [ 108 ] 't Was haar de moeite niet waard, zich boos te maken.

Want spoedig bemerkte ze, dat hare persoonlijkheid geheel buiten spel werd gelaten. Men lachte over haar scherpe uitvallen, en als zij spotte met de hoogste en meest gevierde autoriteiten, luisterde men naar haar als naar het doorslaan van een blinden vink.

Toen zij zich dus niet meer met dien strijd wilde bemoeien, zocht zij het gezelschap harer neven en hunne geestverwanten, voerde lichtzinnige gesprekken, en bezocht trouw de kleine gezelschappen, — „in politieken zin kleurloos", — waarin men danste en champagne dronk op eene wijze, die de ouderen van dagen het hoofd deed schudden, maar die ze toch niet verhinderden. — In zulke veelbewogen tijden kon men waarlijk niet op alles passen.

Maar gelukkig was Gabriëlle niet; zij gevoelde het niet alleen, maar ze was ook verstandig genoeg om het te begrijpen, dat de strijd waaruit de mannen haar zoo laaghartig hadden verdreven, niet bloot een politieke strijd was — zooals men beweerde — een strijd die de kleine juffrouw Pram niet paste. Het gold haar eigen [ 109 ] levensbeschouwing. Er werd gestreden en geschreven over ideeën waaraan zij gewicht hechtte, en die haar dierbaar waren; — men wierp elkander namen, die haar bijna heilig waren, naar het hoofd — nu eens als bewijzen, dan weer als scheldwoorden.

Maar zij deed niet mee.

Men wilde niet begrijpen, dat zij door hare opvoeding en ontwikkeling de meerdere was van vele mannen, haar gelijken in leeftijd, maar die nooit hadden gereisd, nooit iets anders hadden gelezen dan wetten en couranten, en die slechts de nieuwe, veldwinnende ideeën kenden, voor zoo ver zij er in de hoekjes van den haard over hadden hooren spreken. Zij verviel tot diepe melancholie, en schaamde zich haar — nutteloosheid. De vrijheid die zij had genoten en het vertrouwen haars goeden vaders, alles was verspild; het kapitaal dat aan haar was ten koste gelegd, bracht geen rente op; — en haar kundigheden, zoowel als haar innige overtuiging, — ze waren haar tot niets nut. Want zij was „Juffrouw Pram," en dit zou zij blijven totdat hare onmondigheid zou worden bezegeld door een „christelijk huwelijk."

[ 110 ] Zij wist niet, of ze lachen zou of weenen; haar natuur verkoos het laatste, en zij deed alzoo, — een tijdlang, maar met geen gerust geweten.

Onder allen was er slechts één die haar „au serieux" nam, en dat was hij, die nu aan hare zijde was gezeten.

De kleine, stijve theoloog met zijn heldere, doordringende blauwe oogen, rechte houding, rustige bewegingen en onveranderlijke, vaste stem, — hij, die zij afwisselend beschermde of aan de genade der onbarmhartige neven overgaf, — hij was het, tot wien zij later zich voelde aangetrokken.

Zij stemden bijna over geen enkele zaak onder den hemel overeen, nog veel minder waar het zaken gold — in den hemel. Maar zij leerde waarde hechten aan den ernst, waar mee hij haar weêrsprak, en aan de kalmte en de zelfbeheersching, die hem nooit verlieten, zelfs al zei ze dingen, die hem in hooge mate moesten ergeren.

Daarbij kwam de trouwe hulde, die hij haar onvermoeid bewees, zonder zich door iets te laten afschrikken, — 't zij door spot of koelheid, [ 111 ] luim of vroolijkheid. Hij hield om harentwille stand in eenen kring, waarin hij zich onmogelijk op zijne plaats kon gevoelen, en waar hij in werkelijkheid weinig was gezien. Nooit week hij eene schrede achteruit, maar ook nooit stelde hij zich brutaal op den voorgrond; — hij was er — hij was er altijd.

Nadat Gabriëlle nu eens zóo, dan weer anders, over den candidaat Jürges had gedacht, werd zij hem eindelijk vriendschappelijk gezind — hoewel vrij onverschillig. Inmiddels begon de lente een einde te maken aan de wintervermakelijkheden. Het werd levendig in de straten, tot ver na den middag; het was niet langer aangenaam 's morgens zeer lang in halfwakenden toestand in bed te liggen, en oogjes te wisselen met den rooden gloed van het vuur.

De verandering in levenswijs en gewoonten die de lente met zich bracht, schudde ook Gabriëlle uit de omwindsels wakker, waarin zij zich — tegelijk met haar boos geweten — gedurende den winter had ingewikkeld. Maar toen zij ontdekte, dat al de anderen nog even dom, even pedant, in 't kort, even onmogelijk waren als voorheen, en eigenlijk nog veel slechter, — werd ze [ 112 ] wanhopig; ze kon bijna niet meer verdragen de lieden te hooren spreken; zij zocht de eenzaamheid en ondernam lange wandelingen, — waarop zij, toevallig, Johannes Jürges ontmoette. En zij gevoelde zich verlicht, nu zij tot iemand kon spreken, die evengoed de kunst van te luisteren en te zwijgen verstond, als te antwoorden op eene wijze, die het gesprek tot een genot maakte, zelfs al was men het volkomen oneens over het behandelde onderwerp.

Zij vertelde hem in vertrouwen, hoe smartelijk zij het machtelooze van hare positie gevoelde, en hierdoor ontdekte ze, dat ook hij leed onder het gevoel van onmacht, dat ook hij bezield werd door den drang om zich te doen gelden. Hij gaf hieraan in een onbewaakt oogenblik in zulke heftige bewoordingen lucht, dat Gabriëlle hem verrast en geroerd aanstaarde. Zij beschouwde het als een bewijs van zielenadel, dat hij zoo stil zijn leed droeg, en het gemeenschappelijk gevoel van onvoldaanheid bracht hen nader tot elkaar. Zijne trouwe bewondering, die hem altijd zoo bescheiden gereed deed staan, om haar de hand te reiken zoodra zij hulp behoefde, deed haar hart warmer voor hem kloppen. [ 113 ] Eindelijk leerde ze van hem houden, zoodat zij op zekeren avond „ja" zei, — zij wilde op hem vertrouwen, hem volgen door het leven.

Toch was het voor haar een soort verrassing, toen ze tot het helder besef kwam, zich voor het leven te hebben verbonden; daarenboven maakten hare vriendinnen en teleurgestelde aanbidders het haar met hunne verbazing en wanhoop zoo lastig, dat zij zich van harte verheugde, de stad te kunnen ontvluchten, om haren verloofde te volgen naar zijne familie.

Hare moeder was zeer ingenomen met „de partij", — zij had den theologischen candidaat altoos in bescherming genomen; Jörgen Pram verwonderde zich, maar zei niets.

Maar in de stad was hare verloving eene gebeurtenis van gewicht, die in verband werd gebracht met den strijd die er heerschte, zoodat zij bijna eene politieke beteekenis kreeg: De zoon van den predikant Jürges — den talentvollen D. in de courant der hoofdstad — verloofd met de dochter van een der rijkste mannen van het land! Hij had den papegaai geschoten, maar zij kon ook tevreden zijn.

Alleen de lichtzinnige neven en hun aanhang [ 114 ] zwoeren bij hoog en laag, dat Gabriëlle hem eenvoudig uit   t r o t s   had genomen, — om iets te doen, waardoor zij opzien zou baren, — of omdat zij zich verveelde.

Van dat alles verwijderde zij zich nu, gelukkig het te kunnen ontvlieden in eene verhouding die zij zelve had verkozen; naar eene toekomst, die ze zich in hare gedachten trachtte voor te stellen.

Zij was zich hare liefde op zulk eene wonderbaar kalme wijze bewust geworden. Lang reeds had ze gemerkt, dat Johannes geheel door haar was ingenomen en slechts op eenige aanmoediging van hare zijde wachtte, om zijne liefde te bekennen.

En toen zij eindelijk tot inzicht kwam, dat ze hem dikwijls onrechtvaardig had behandeld, ontkiemde in haar het verlangen, zich geheel en al over te geven aan haar ernstigen, trouwen, aanbidder.

Maar terwijl ze er over peinsde, hoe gelukkig zij samen zouden zijn; — hoe haar leven door hem nu weer rijk en gelukkig was geworden, — plooide toch een glimlach hare lippen bij de gedachte, hoe   v e r s c h i l l e n d   zij waren. [ 115 ] Hoe dikwijls schenen hare beste gevoelens te verkillen onder den invloed zijner harde oordeelvellingen, die als beschermende klippen de zee zijner overtuiging omringden.

In betrekking tot den godsdienst bezat zij zulke gevestigde meeningen, dat zij een woordenwisseling met hem hierover niet vreesde. Maar zij wist, dat er aan gene zijde der klippen — buiten de grenzen, die hij als Christen niet mocht overschrijden — een reeks verschillende vragen van zuiver menschelijken en socialen aard bestonden, waarvan hij het bestaan zelfs niet vermoedde — en dàt vond ze belachelijk; hij   w i s t   zoo weinig, — dat wil zeggen, — hij was zoo eenzijdig ontwikkeld.

Hij had een helder verstand en een vlug begrip — o, daaraan twijfelde Gabriëlle niet; — een uitstekend theoloog was hij ook, en voor het overige, een geleerd jong mensen. Maar terwijl bij hem kennis en geleerdheid, als koopmansgoederen in een pakhuis, netjes waren opgeborgen, om slechts bij gelegenheid te worden gebruikt, bleef Gabriëlles geestelijke rijkdom steeds aangroeien, onder den invloed van het frissche, krachtige leven, bij een [ 116 ] nemen en geven van het vele goede dat zij vond en bezat. —

Evenmin twijfelde zij, of ze een gunstigen invloed zou uitoefenen op zijn hart en geest; en zij verheugde zich in het vooruitzicht, samen het groote, rijke leven te genieten, in het gevoel, een schakel uit te maken van een grootsch geheel. Zij wist bij ervaring, hoe dit aan alles wat men deed beteekenis en doel kon geven.

Het was voor haar, die zelden andere menschen had ontmoet dan die door haar als partie-égale waren beschouwd, eene heerlijke gedachte, zulk een geleerden, weluitgerusten man te volgen in de wereld, met hem te zullen leven onder denkende, arbeidzame menschen, eene gedachte, die eene eigenaardige bekoorlijkheid ontleende aan het vooruitzicht op een gezellig thuis, in de lange, lichte nachten, daar ginds, ver in het gebergte.

Een meer open blik voor alles wat hem om gaf, was, — naar Gabriëlle's meening — het eenige wat haren vriend ontbrak.

Zij verwonderde zich niet over dit gebrek. Alles toch wat hij van schoolknaap tot kandidaat had moeten leeren, waren zaken geweest [ 117 ] vaststaande als muren; niet enkel feiten, maar, wat meer zegt — in betrekking tot vastheid en beteekenis, — zaken, die eigenlijk bestonden uit meeningen van leeraren en professoren.

En al dat „vaststaande" was in hem opgestapeld als domino-steenen, vierkant, rechthoekig, tot een geheel gevormd, zonder eenige ronding.

En om al het geleerde samenhang te verleenen, hadden zij dezen volwassen mensch niets meegegeven dan — de onfeilbaarheid der kleine Luthersche secte.

Zij kende nauwkeurig de lengte der teugels, waaraan hij den tocht begon, die hem — den jongen theoloog — moest voeren ter overwinning van het overal heerschende ongeloof; — teugels, welker einden in handen werden gehouden door de professoren.

Zij wilde hem volgen — niet alleen naar déze of géne plaats, gelijk de vrouw den man volgt dien ze huwt, maar ze wilde hem stap voor stap gadeslaan op den weg der ontwikkeling, ze wilde zien, of hij dezelfde stadia zou moeten doorloopen als zij. Want Gabriëlle was er van overtuigd, dat de ware wijsheid [ 118 ] niet wordt geput uit boeken, dat zij niet ligt in kennis en geleerdheid, maar ontspruit uit een medeleven met de menschheid. Niet een medeleven evenwel, dat ons aan de menschen bindt door een kleingeestig opgaan in hunne meest alledaagsche belangen, wat dikwijls de voedende wortels van het gevoel doet verdorren.

Aan dit alles dacht Gabriëlle, terwijl zij vertrouwelijk leunend aan zijne zijde zat. O, zij zou de muren zien vallen, die de geleerdheid hoog had opgetrokken om zijn innerlijk wezen, en zij zou juichen als eindelijk de stroomingen van het rijke, volle leven, doorgedrongen tot zijne ziel, al het puin en de zware hoekige bouwstoffen der zelfgenoegzame tevredenheid zouden wegvoeren van haar dierbaren theoloog. Hij mocht, wat haar betrof, zijn geloof behouden, als hij maar in andere dingen niet „hoekig" bleef. En wijl oprechtheid de deugd was, die zij het meest in hem waardeerde, voelde zij zich overtuigd, dat, wanneer maar eerst de ketenen, waarin hij lag geklonken, zouden zijn verbroken, hij er vanzelf toe zou worden gebracht, om ook anderen te bevrijden uit de boeien van onkunde en slavernij.

[ 119 ] Maar niet als predikant! Zij kon zich Johannes, zelfs zooals hij tegenwoordig was, niet als predikant voorstellen. Want hij was in haar oog al te eenzijdig ontwikkeld, om een goed zieleherder te kunnen zijn. En een kerkelijk staatsambt vervullen — neen, dat kòn hij niet begeeren.

Gabriëlle dacht hierbij weinig aan de door hem gedane belofte; dikwijls echter hadden zij samen over de staatskerk en officieele goddienerij gesproken, — en dan was hij het altijd met haar eens geweest, — zoo niet in woorden dan toch in meening.

En ofschoon zij niet zulke bijzonder hooge verwachtingen van hem koesterde, — of liever, van hunne vereeniging, — was het haar toch een aangename droom, dat zij vrij en zonder eenige huichelarij samen zouden leven; — hun huis zou een tehuis zijn voor lichter vreugde en grooter mannenmoed, dan ooit mogelijk zou wezen indien hij gevangen bleef in de afgebakende, vierkante zelfgenoegzaamheid.

En terwijl zij nog droomde over dat heerlijk "tehuis", zag ze een licht schemeren tusschen de stammen. — In het half donker ontdekte zij [ 120 ] een wit gebouw, omgeven door eenen tuin; het lag daar zoo warm en uitnoodigend in de sneeuw.

"Zie — zie! dat is zeker de pastorie — o, wat ziet ze er gezellig uit!"

"Neen, neen, lieve Gabriëlle! De pastorie? Herinnert ge u niet, dat ik u verteld heb, dat de pastorie links van den weg lag? Dit is het huis van den "Lensmand".

"Ach! ik dacht zóo zeker, dat dit uw thuis was," — antwoordde Gabriëlle een weinig teleurgesteld — "het ziet er zoo door-en-door gezellig uit!"

"Neen, lieve! Bij dag zult ge zien, dat het een oud nest is. De pastorie is betrekkelijk nieuw — bijkans modern; gij moet haar maar eens zien: wij zijn er meteen; — zie, dat is de kerk."

Gabriëlle veranderde van houding; ze begon een weinig op te zien tegen de ontmoeting met zijne familie. Die vreeselijke "D" uit de courant van de hoofdstad was voor haar het "zwarte punt" in hare verloving. Zij wist niet hoe zij het dezen verstaanbaar zou maken, dat zij bijna over alles met hem in meening verschilde, en [ 121 ] hoe zij tegelijkertijd een plaats zou veroveren in zijn hart, die zij toch zoozeer begeerde terwille van Johannes. Zij nam zich voor, zoo beminnelijk mogelijk te zijn; maar indien het mocht blijken, dat hij ook in den omgang zich als autoriteit liet gelden, dàn zou zij zonder omwegen hem hare meening zeggen en hem duidelijk maken, welk standpunt zij innam.

Daarom was zij niet vrij van hartkloppingen, toen Johannes haar den hoogen, witten gevel der pastorie wees, die nu door de boomen zichtbaar werd.

„Welk een gek ding staat daar in den tuin?" — vroeg Gabriëlle, toen zij de oprijlaan inreden; — „'t lijkt wel een zieke olifant met sneeuw op den rug."

„Och, dat is een oude schuur, die de gemeente maar niet voor vader wil laten herstellen," antwoordde Johannes eenigszins bits; want hij hoorde, dat de jongen, achter op de slee lachte.

„Dan zou ik zelf haar in orde laten brengen," sprak Gabriëlle, terwijl zij het oude gebouwtje voorbijreden, dat onder het gewicht der sneeuw scheen te zullen bezwijken.

Johannes fluisterde: „Gij moet dat punt bij [ 122 ] vader niet aanroeren; dat oude gebouw heeft hem reeds veel ergernis gegeven. — Maar, zie nu hier" — en in de vreugde, thuis te zijn, stond hij halverwege op, — „zie eens, welk een tuin — en dáár, licht in de woonkamer en licht boven op de logeerkamer, — uwe kamer; — ziet het er in de woonkamer niet behaaglijk uit? — zie, dáar is vader!"

Boven op het bordes werd in de open deur, een hooge gestalte zichtbaar, en nadat Johannes Gabriëlle uit al het pelswerk, waarin ze was gehuld, had losgewikkeld, leidde hij haar de stoep op, en riep op overgelukkigen toon: „Vader, — hier is zij!"

De predikant nam haar in zijne armen, en sprak met zijne welluidende stem, waarvan de overeenkomst met die van Johannes haar trof:

„God zegene uwen ingang en uwen uitgang!"

Men bracht haar nu in de ruime gang, die door een hanglamp werd verlicht. Hier stelde Johannes, stralende van geluk, Gabriëlle aan zijne moeder voor, die haar een klein, bedeesd kusje op den mond gaf, waarna zij zich beijverde haar te helpen bij het ontdoen van mantel en hoed. De verlegenheid, die deze twee elkaar [ 123 ] geheel vreemde wezens, — plotseling in zulk een nauwe betrekking tot elkaar gebracht, — gevoelden, uitte zich in tal van vriendelijke woordjes, en in pogingen om elkaar te gemoet te komen. Alleen Johannes, die allen kende, voelde zich volkomen gelukkig en op zijn gemak, en begon, tot Gabriëlle's onuitsprekelijke verbazing, te lachen en in 't rond te springen als een schooljongen.

Zij zelve bleef — als naar gewoonte, onder ongewone omstandigheden — een weinig stijf en koel; tòch deed zij haar best, om de zenuwachtige verlegenheid der kleine predikantsvrouw, die haar „hare kamer" wees, te doen wijken.

Maar Mevrouw Jürges draaide verlegen om haar heen, en mompelde verontschuldiging op verontschuldiging. Het hielp niet, of Gabriëlle haar verzekerde: dat „dit logeerkamertje het gezelligste was, dat ze nog ooit had gezien;" Mevrouw Jürges bleef bij hare meening — en toen zij eensklaps zich verontschuldigde, omdat zij in de keuken iets had te verrichten, liet Gabriëlle zich lachende in een stoel vallen.

Het werd haar op eens duidelijk, hoe zeer zij van deze menschen verschilde. Zij zag nog in hare verbeelding de breede, hooge gestalte van [ 124 ] den predikant, — voor haar onafscheidelijk van de geduchte D. uit de courant der hoofdstad; — die tengere vrouwengestalte, waarin enkel beminnelijkheid scheen te wonen; en dan, de kleine, vierkante figuur van haar lieven theoloog, die plotseling was beginnen te dansen en met de beenen te slaan, — neen — neen — het was een onbetaalbaar tooneeltje geweest voor hare ondeugende neven. Maar zij zou geen aanleiding tot lachen geven. Zij wilde zich in dezen kring leeren thuis gevoelen, haar best doen, hen allen te begrijpen. Had zij niet ook Johannes lang gekend vóor zij wist, wàt er eigenlijk in hem stak; en toch was hij haar nu zoo dierbaar geworden; zijne ouders zouden het haar ook zijn. En Gabriëlle haastte zich toilet te maken, om weer naar beneden te kunnen gaan. Toen zij de breede trap afdaalde, ademde ze met welbehagen den landelijken geur van een zindelijk, welgelucht huis in, dat flink verwarmd werd, gezellig, zonder weelde en praal was ingericht, en waar men zeker goed dineerde, — geur van kalfsgebraad kwam haar, toen ze voorbij de keuken ging, te gemoet.

Zij vond de beide heeren in het hoekje van [ 125 ] den haard, aan de rooktafel; hoorde hen dampen, en het gesprek afbreken toen zij binnentrad. Johannes liep haar tegemoet, en de predikant trok galant een schommelstoel bij den haard, waarin Gabriëlle plaats nam. Spoedig was men in een ongedwongen, vroolijk gesprek gewikkeld, zoodat geen van allen eenigen dwang of eenige verlegenheid gevoelde.

De predikant zelf had het hoogste woord.

En Johannes verheugde zich, toen hij meende te bemerken, dat Gabriëlle — als allen — onder de bekoring der wegsleepende beminnelijkheid zijns vaders was geraakt.

Ze spraken over de hoofdstad, over kennissen en boeken — over alles wat hen in den zin kwam, en Gabriëlle liet zich glimlachend de zijdelingsche wenken welgevallen, waarmeê de predikant, met een vriendelijk neerbuigende meerderheid, het gesprek over punten, waar over zij misschien meende met hem te mogen verschillen, verdaagde tot een tijd, dien hij — als passend — zou aanwijzen.

Inmiddels dekte het dienstmeisje de tafel, en Mevrouw Jürges liep uit en in, zich beklagende, dat men 's avonds in de huiskamer moest [ 126 ] peeren. Aan tafel werd het gesprek voortgezet, — levendig en tot wederzijdsch genoegen. Men dronk een heerlijk glas rooden wijn, en Mevrouw trakteerde inderdaad op kalfszwezerik, half terwille van het Paaschfeest, half terwille van de jongelieden, die den gansohen dag hadden gereisd.

Eerst na het souper, terwijl zij allen om de ronde tafel voor de sofa waren gezeten, vond Mevrouw Jürges tijd, om zich te verheugen over den goeden indruk, dien de aanstaande schoondochter zichtbaar op "Daniel" maakte, en zij knikte glimlachend haren zoon toe.

Zelve voelde zij zich niet bijzonder aangetrokken door dat jonge meisje met haar rustige, kalme manieren; en terwijl zij het gesprek volgde, — hoewel meer naar den klank dan naar de woorden — voer haar menigmaal een schrik door het hart, als Gabriëlle laohend en vrij "Daniel" tegensprak.

Maar toen zij zag, dat alles goed ging, dat er vrede heerschte, en men elkander scheen te verstaan, begon zij, eenigszins beter op haar gemak, het voorkomen der jonge dame te bestudeeren. Deze zag er naar hare meening [ 127 ] niet uit zooals jonge meisjes er behoorden uit te zien. Hare beide dochters zagen er — ofschoon ze lang niet zoo schoon waren als Gabriëlle — toch veel meer — meer — in elk geval, meer   n a a r   b e h o o r e n   uit. Was dàt een manier om het haar op te maken! — met een paar groote naalden, en geen enkele behoorlijke vlecht; — Mevrouw Jürges' vingers jeukten om die weerbarstige lokken, — die er uitzagen, alsof ze elk oogenblik zouden losgaan — glad te borstelen en te vlechten.

Maar dezen bleven — vreemd genoeg — zitten zooals zij zaten, ofschoon Gabriëlle, achterover in eenen schommelstoel geleund, het hoofdje liet rusten tegen eene sluimerrol en op levendige wijze zich nu eens tot Daniel dan tot Johannes wendde. Eerst toen Mevrouw Jürges een weinig op de hoogte was van den ongewonen snit van Gabriëlle's kleeding, en elke zoom in haar overkleed steek voor steek "had opgenomen", begon ze eenig begrip te krijgen van de onberispelijke elegantie harer schoondochter, wat het gevoel van "vreemdheid" tegenover deze nog scheen te vermeerderen.

Midden op de tafel stond de lamp.

[ 128 ] De predikant zag al sprekende de brieven in, die de post zooeven had gebracht, ontvouwde toen een paar couranten, en las nu en dan eenige regelen.

Johannes zat naast zijne moeder, en rookte. De innig gelukkige stemming waarin hij zich bevond door het besef van „thuis" te zijn — en in zulk gezelschap — gaf zich lucht in een schertsend liefkoozen van zijne moeder, en het werpen van verliefde blikken op Gabriëlle, die nog steeds achterover geleund in den schommelstoel zat.

De vermoeienis van de lange reis begon zich bij deze te doen gelden. Zij vond zelfs het gesprek — hoe goed het ook vlotte — zeer inspannend. Want men kon geen enkel onderwerp aanroeren, waarvan dominé Jürges zich niet oogenblikkelijk meester maakte, en als zij hem wilde tegenspreken — het licht, dat hij op sommige onderwerpen liet vallen, was meestal van dien aard, dat ze dit niet kon laten — scheen het tòch, of hij gelijk had. Ten minste, Gabriëlle bleef telkens eenigszins verlegen zitten, als hij met kalmen lach haar vroeg, of zij „dit of dat had gelezen? of dat dan?" —

[ 129 ] Dikwijls moest zij ontkennend antwoorden; veel had zij ook wel gelezen, maar niet zóo grondig bestudeerd, dat zij er had uitgehaald, wat hij er in scheen te hebben gevonden; hij kende en wist alles. Er leefde niemand van naam, in Denemarken of elders, dien hij niet wist te beoordeelen. En ofschoon hij juist niet minachtend sprak over de namen, die haar dierbaar waren, straalde er toch in alles wat hij zeide eene zekere neerbuigende goedheid door, als van een held die zich verwaardigt een weinig te spelen.

In elk geval, zij werd moe — en trots al hare goede voornemens eindigde zij met ontstemd te worden.

Maar Daniel Jürges, die de nummers der courant van de hoofdstad ordende naar de artikelen die hem bijzonder interesseerden en getuigden van eenen geest waarmeê hij zich op het innigst verwant gevoelde, de groote machtige geest van orde, waarheid en Christendom, — Daniel Jürges werd hoe langer hoe vroolijker als hij dacht aan den ernst, waarmee zijn brave Johannes den tegenzin had opgenomen, dien dit jonge meisje in betrekking tot het predikambt had geopenbaard.

[ 130 ] Hij had haar nu behoorlijk „op den tand gevoeld" en het was uitgekomen, zóoals hij zich had voorgesteld, het waren melktanden.

Zij hadden samen al de gewone strijdvragen behandeld, — de politiek alleen waren ze over gesprongen. — Nu, hare politieke beschouwingen waren natuurlijk van nul en geener waarde; maar literatuur en kunst, de positie der vrouw, en alles wat daarmee in verband stond, al deze punten hadden ze aangeroerd, waarbij, naar hij meende, de zwakheid en het gemis aan levenskracht der „moderne beginselen," met onmiskenbare duidelijkheid waren gebleken. Ja, en het was louter belachelijk, als die geest van ontkenning en ongeloof zich openbaarde bij een zoo jong, schoon, en overigens zoo goed ontwikkeld individu als zijne aanstaande schoondochter Gabriëlle.

Toen Johannes, die zag hoe Gabriëlle door vermoeidheid werd overmand, voorsloeg elkander „goeden nacht" te wenschen, stond de predikant op, en zeide lachend: „ja, ja, mijn lieve Gabriëlle! — wij zullen het wel eens worden met ons beiden, daarvan ben ik overtuigd. Ik ben immers óok jong geweest, en bezield door de ideeën, [ 131 ] waarmee de jeugd zich heden ten dage vermaakt! — want, dit moet de lieve jeugd weten, er is niets nieuws onder de zon. Ik ben altijd — en ik durf zeggen, — ik ben het nòg — een warm vriend geweest van hervorming. Maar — wat ik op de jeugd voor heb, is de kostelijke gave der voorzichtigheid, een gerechtigd wantrouwen in het nieuwe, onbeproefde, dat de jeugd zoo onweerstaanbaar lokt. En wij, die in de gelegenheid zijn geweest, de zaken van twee kanten te bekijken, wij weten, dat eene hervorming slechts dàar eene ware, werkelijke hervorming zijn kan, waar de verhoudingen er rijp voor zijn; wij kennen de gevolgen, die de blinde opruiingswoede na zich moet sleepen, waartoe ijdele en heerschzuchtige menschen, uit lust tot verandering, worden gedreven; — wij weten, hoe gemakkelijk het is, het kind met het waschwater weg te werpen."

„Zou dat inderdaad zoo gemakkelijk zijn?" — vroeg Gabriëlle, op een toon zoo ijzig, dat Johannes verbaasd tot haar opzag. Zij schommelde langzaam met haren stoel heen en weder, en bleef den predikant, die voor haar stond, strak aanzien.

„Wat bedoelt ge? — Wàt zou niet [ 132 ] gemakkelijk zijn?" — luidde zijn wedervraag.

„Een kind met het waschwater weg te werpen?"

„Maar, Gabriëlle! ik geloof, dat ge dat spreekwoord letterlijk opvat," riep Johannes lachend.

„Ja, beste, wil men spreekwoorden als argumenten laten gelden, dan dient men hunne beteekenis te verstaan. Dit oude spreekwoord is het slot eener geschiedenis van een onbetrouwbare, lichtzinnige moeder, en steeds wordt het gebruikt om aan te toonen, dat de grootste gedachteloosheid kan leiden tot de meest ongerijmde daden. Maar het is niet goed om te beweren, dat dit zoo gemakkelijk kan geschieden."

„Maar Gabriëlle! Vader gebruikte dat spreekwoord slechts zooals het gewoonlijk wordt gebruikt, — in de algemeene beteekenis."

„Ja, ja, Johannes! meent ge, dat ik dat niet weet?" sprak Gabriëlle, zonder een oog van haren minnaar af te wenden; „het is een spreekwoord, waartegen alle vrienden van hervorming, sedert Arild's tijden, hebben moeten strijden; het is, naar 't schijnt, onvergankelijk. Er zijn maar zeer weinigen, die willen erkennen, dat zij dwepen voor het behoud van het waschwater, en daarom komen ze met dat [ 133 ] kinderpraatje — vergeef me! — met dat praatje over het kind, dat zoo verbazend gemakkelijk zou zijn......"

„Ei — ei! mijn kleine schoondochter! — gij hebt een scherp tongetje, en gij gebruikt het met groote vrijmoedigheid," sprak de predikant lachend, terwijl hij haar bij de kin pakte.

Onder deze kleine woordenwisseling tusschen Gabriëlle en Johannes, had men eene uitdrukking van groote verbazing op het gelaat van den predikant kunnen waarnemen; hij had haar scherp aangezien, alsof hij nog eens voor de zekerheid goed wilde onderzoeken, wat hij van haar verwachten kon. Maar nu hij schertsend een einde maakte aan het gesprek, en de couranten bijeen pakte, die hij nog in zijn bed zou genieten, merkte niemand dan Mevrouw Jürges eenige verandering bij hem op. Haar gehoor was door een langdurig samenleven zoo gescherpt, dat zij elken zweem van verandering in zijne stem waarnam. Zij schrikte nu, en zag angstig van den een op den ander; — zij had naar het gesprek niet geluisterd...

Johannes was zielsblij, dat ze deze gevaarlijke klip zoo goed waren omgezeild; maar toch besloot [ 134 ] hij, morgen Gabriëlle te verzoeken, een weinig voorzichtiger te zijn.

Allen gingen nu de breede trap op: Mr. en Mevrouw wenschten Johannes „goeden nacht" bij de deur van zijne kamer, Gabriëlle bij de hare; toen begaven de oudjes zich door de lange gang naar hun slaapvertrek, — Mevrouw vóoraan met het licht, terwijl de predikant met zijne pijp en couranten volgde.

Het schijnsel der lamp viel door de ramen en vormde eene wandelende gele vlek op de sneeuw in den tuin, zoo dikwijls zij een venster voorbijgingen.

Het jaargetijde was reeds zóo ver gevorderd, dat de nachten niet langer pikduister waren; maar de maan was nog niet boven de bergen verrezen, en dikke wolken hadden zich in het Oosten opgestapeld, zoodat de sneeuw slechts flauw afstak tegen de groote bosschen, die de pastorielanden omzoomden.

De wind blies koud en vochtig over de besneeuwde heidevelden, gierde langs de muren der pastorie, stierf langzaam weg, verhief zich weer, en deed het stroo in de oude schuur zacht en geheimzinnig ritselen, alsof spoken hun sleepgewaad angstig tot zich trokken langs den grond.