In de sneeuw/8

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk VII In de sneeuw van Alexander Lange Kielland

Hoofdstuk VIII

Hoofdstuk IX
(pagina 135 t/m 151)


[ 135 ]

VIII.

Het was geen blijde Paaschmorgen, die bij het ontwaken werd begroet. De donkere hemel scheen te rusten op de bergen, de wind dreef nog zijn grillig spel; plotselinge rukken en lange zuchtende vlagen wisselden elkander af.

Zij stemde niet — de blijde boodschap der opstanding — met de barensweeën der natuur, die de geboorte aankondigden van de lente. Zonder zich rekenschap te geven van het „waarom," verliet de gemeente zuchtend en bedrukter dan ooit, het kerkgebouw.

Ook Gabriëlle was ongewoon zwaarmoedig gestemd, maar zij meende zeer goed de oorzaak dier stemming te kennen. 't Was de preek.

Haar aanstaande schoonvader had gesproken tot haar; dit was zóo duidelijk geweest, dat het haar tegenover de gemeente had gehinderd.

„Het was" — had hij o.a. gezegd — „ [ 136 ] bovenal het wonder der opstanding, waaraan de Christen den hoogmoed en kwaden wil der ongeloovigen kon toetsen. Zij zochten, gepijnigd door een kwaad geweten, troost bij de menschelijke vindingen, die zij „wetenschap" noemden, zij wilden hunne trotsche hoofden niet buigen; zij sloten moedwillig de oogen voor het licht, dat van uit het graf des Heeren op Paaschmorgen was opgegaan, — om den vrijen teugel te kunnen vieren aan zondige hartstochten, tot een wilde orgie der zinnen.

Gabriëlle wist wel, dat er in sommige kerken aldus gesproken, in sommige boeken aldus geleerd werd, maar het was lang geleden sinds zij zulk eene taal had gehoord, en het ontstemde haar, juist heden er naar te moeten luisteren.

Op déze wijze konden zij niet tot elkander worden gebracht, hetgeen anders zoo gemakkelijk zou zijn geweest door de liefde die zij beiden voor Johannes gevoelden.

Gabriëlle was niet van zins het zich zwijgend te laten aanleunen, dat zij uit hoogmoed en kwaden wil geen geloovige wilde zijn. Niemand had het recht, haar hiervan te beschuldigen; en wanneer de man, tot wien zij in zulk eene [ 137 ] nauwe betrekking zou staan, meende, zóo te moeten beginnen, dan was het haar plicht hem onomwonden te zeggen: dat zij zich zulk een oordeel nimmer zou laten welgevallen.

Des te meer zou zij zich aan Johannes hechten: zij wist immers van hem zelven, dat de jonge theologen lachen om de „donderpreeken" hunner ouders, en het was in een geheel anderen toon en met zeer verschillende middelen, dat Johannes zijne tegenstanders op godsdienstig gebied bestreed. Hij had een veel te rechtschapen karakter, om zich tot zóo iets te vernederen.

Het ontbrak Gabriëlle aan gelegenheid om dadelijk met Johannes te spreken, wijl zij, buiten de kerk gekomen, aan de dames van den burgemeester werd voorgesteld. De predikant moest den volgenden dag, in een plaatsje aan de overzij der Elbe gelegen, een predikbeurt vervullen, hetgeen de vrouw van den burgemeester bewoog, de dames en Johannes uit te noodigen, om morgen bij hen te komen dineeren.

Maar Gabriëlle zag — en dit maakte een zeer pijnlijken indruk op haar, — dat Johannes, schijnbaar, het volkomen met Mevrouw de [ 138 ] burgermeerstersche „eens was," toen deze uitweidde over de heerlijke, krachtige preek, — „een gepast woord op gepasten tijd."

De burgemeester was nu ook het groepje genaderd; hij groette, en feliciteerde de jongelieden op zijne gewone bulderende, luidruchtige manier; en toen zijne vrouw hem wat zocht te temperen, door een gesprek te beginnen over het „trieste weer", verzekerde hij op hoogen toon: dat zijn barometer, — „de duivel hale mij!" — sinds den laatsten Januaristorm, nog niet zóó laag had gestaan.

Toen ze van den burgemeester en zijne familie afscheid hadden genomen, gingen Gabriëlle en Johannes eene visite maken bij den Lensmand Olsen. Maar ook op weg daarheen, vond Gabriëlle geen gelegenheid om met Johannes te spreken, wijl zij vergezeld werden door twee dochters van den heer Olsen. — De oude heer zelf zat thuis in zijnen leunstoel: „hij verliet het huis niet meer, zoo lang er sneeuw lag."

Johannes voerde een druk gesprek met de beide meisjes, en Gabriëlle verbaasde zich, hoe vervelend dat gesprek was. Daarbij klonk er iets vreemds in den toon waarop Johannes [ 139 ] sprak — een koele, neerbuigende meerderheid; — en de meisjes, die minstens even oud waren als zij, mompelden eenige korte, van eerbied getuigende antwoorden, zonder de oogen van den grond tot den vrager op te heffen.

Gabriëlle's ontstemming werd hoe langer hoe erger. En toen zij het einde van den kleinen boschweg hadden bereikt, maakte de gaard van den Lensmand, zich leunende tegen den berg, door welks bosschen zwaar zuchtend de wind floot, op haar zulk een somberen indruk, dat ze gaarne in schreien ware uitgebarsten.

Terwijl ze den tuin doorgingen, die vol sneeuw en dorre takken lag, fluisterde Johannes: "Ziet ge nu wel het verschil tusschen hier en thuis? Komt het je hier nòg zoo gezellig voor?"

In de stemming waarin zij zich bevond, verbitterde haar zelfs deze opmerking; zijne tevredenheid met alles wat zijn thuis en hemzelven betrof, deed haar onaangenaam aan; en toen zij de huiskamer van de familie Olsen binnentrad, was zij in eene echte oorlogzuchtige stemming. Maar de oude man in zijnen leunstoel ontwapende haar spoedig.

Zoodra hij begreep wie zij was, legde hij [ 140 ] zijne groote handen op de armen van den stoel, en vóor iemand er aan dacht, stond hij op zijne gebrekkige beenen, en maakte eene eerbiedige buiging voor Gabriëlle.

„Gezegend wordt mijn huis," — begon de oude cavalier, — „wanneer jeugd en schoonheid zich verwaardigen den ouderdom te bezoeken, en — en — die drommelsche podagra!" vervolgde hij lachend: „het past aan oude sukkels niet, zoo hoogdravend te zijn. Wees zoo goed, plaats te nemen, — juffrouw! — ik ben er trotsch op, eene dochter van Jürgen Pram welkom te heeten in mijn huis."

„Kent gij vader?" riep Gabriëlle, plotseling als ontdooid.

„Ah, ja! — wij hebben samen hout verhandeld - - uw vader niet alleen, maar ook reeds uw grootvader. — Marie! geef me dat kistje, — nu zult ge eens zien — juffrouw!" En na den kandidaat, vluchtig eene hand te hebben gereikt, zetten zij beiden — Gabriëlle en de Lensmand — zich neder, om oude koop contracten te bestudeeren, en brieven van het huis Pram te lezen. En Gabriëlle vergat bij dezen ouden man, die zoo vele geschiedenissen [ 141 ] wist te vertellen waarin hare familie was betrokken, en die zoo zichtbaar blij was, haar een oogenblik aan zijn ziekenstoel te kluisteren, geheel hare ontstemming. De oude Olsen was zeer in zijn „nopjes." Hij genoot, terwijl zijn kennersblik op Gabriëlle rustte, wier schoonheid, zoo geheel anders was, zooveel fijner, dan die der dames, met wie hij in zijnen tijd had omgegaan. En dat zij eene dochter was van een geldman, wiens naam „klonk als een klok," maakte zijne verrukking volkomen.

Mevrouw Olsen trachtte tevergeefs den stroom der herinneringen van den ouden man door gebaren te stuiten, terwijl zij en hare dochters den kandidaat met de meest afgezaagde praatjes en vervelende dorpsnieuwtjes onderhielden. Zij begreep maar al te goed, dat de kandidaat niet gediend kon zijn met dat vroolijke gebabbel van haren man en zijn meisje, en eindelijk riep ze: „Neen — neen, Olsen! gij moest er aan denken, dat ge een oude sukkel zijt; het past niet, dat gij zoo tegen de juffrouw bazelt, en haar alles en nog wat vertelt."

Johannes meende dan ook al spoedig, dat de visite lang genoeg had geduurd, en gaf te [ 142 ] kennen, dat zij dienden te vertrekken. Maar Gabriëlle verzocht, dat de Lensmand het gesprek nog wat zou voortzetten, en vertellen hoe de burgemeester in het dorp genoemd werd.

Mevrouw gaf haar ergernis op tamelijk luiden toon te kennen, terwijl ze eenigszins angstig tot Johannes opzag. Deze keerde zich ongeduldig om en raapte zijnen hoed van den grond, maar Gabriëlle fluisterde den ouden man toe:

„Zeg het me gauw."

„Wij noemen hem: „de duivel hale mij," fluisterde hij; en hij bootste, dit zeggende, zoo precies de stem van den burgervader na, dat Gabriëlle luidkeels moest lachen. Zij scheidden, zeer met elkaar ingenomen, en Gabriëlle beloofde, hem spoedig eens weer te bezoeken.

Mevrouw Olsen was bij het afscheid een weinig verstrooid, zij brandde van verlangen om haren echtgenoot over zijn onbehoorlijk gedrag te onderhouden.

Johannes was koel en stijf.

Op den weg gekomen, nam Gabriëlle zijnen arm, en drukte zich vast tegen hem aan. De wind verhief zich nog steeds; groote klompen sneeuw vielen op de takken tot poeder uiteen [ 143 ] en werden als witte wolkjes meegevoerd, en ritselend tegen de jongelieden, die zich uit het bosch spoedden, aangedreven.

„Welk een vroolijke oude heer — die Olsen!"

„Lieve! — vindt ge hem niet terugstootend?"

„Terugstootend! — verre van dàt, — hoe komt ge er bij?"

„Neen, — ik heb dit trouwens ook wel gemerkt, — tot mijne groote verbazing, — gij, die anders zooveel aan goede manieren hecht....!"

„Nu — ge wilt zeggen, dat hij een weinig ruw is; maar die ruwheid kleedt hem, en in elk geval is hij nog een beschaafd man, bij den burgemeester vergeleken."

„Maar Gabriëlle! het is werkelijk eene zeer slechte gewoonte van je, de menschen te beoordeelen na zulk eene korte kennismaking. De burgemeester is een zéer ontwikkeld man, een degelijk jurist, en — "

„De duivel hale mij," riep Gabriëlle lachend.

„Foei, Gabriëlle, hoe kunt ge zulke woorden in uwen mond nemen?"

„Ach, wees niet bang; het is niet besmettelijk. Ik houd van mijn ouden Lensmand."

„Ook als ik je zeg, dat hij een groote ergernis [ 144 ] der gemeente is geweest, door zijne — zijne, — ja, rechtuit gezegd, door zijn gebrek aan zedelijkheid?"

Gabriëlle lachte: „Gij behoeft dat niet zoo tragisch op te nemen, Johannes! Het is den ouden heer zeer goed aan te zien, dat hij een weinig aan die kwaal heeft geleden."

Johannes bleef staan, wendde zijn gelaat geheel naar Gabriëlle, en zag met zijn heldere oogen vlak en ernstig in de hare.

„Liefste Gabriëlle! laat in 's hemelsnaam dien toon varen, ik smeek het je. Ik weet, dat het niet je natuurlijke toon is; het is je omgang in de stad, — met die kliek — "

„Ik wil oprecht zijn, Johannes! — ik had een weinig behoefte aan dien toon. Ik was zoo oproerig over je vaders preek, zoo triest en ontstemd, en nu heeft deze oude zondaar mij een weinig opgekwikt — niet door zijne zondigheid, maar door mij iets mee te deelen van den humanen, vriendelijken geest, die de genoegens van het leven vliedt noch veroordeelt; — en dàt heeft me goed gedaan, — dat stemde mij verzoenend."

„Wat zeg je? verzoenend? — en oproerig? waart ge oproerig door vader's preek?"

[ 145 ] „Ja, en mijne stemming werd er niet beter op, toen ik zag, hoe vriendelijk gij de loftuiting van de burgemeestersvrouw op die preek aannaamt."

„Maar, het was eene uitstekende preek, — ik verzeker je, — eene van vader's allerbeste."

„Meent ge dat, Johannes?"

„Dat wil zeggen, zij was een beetje ouwerwetsch, maar ... — "

„Het was eene zéer s1echte preek, Johannes! eene ellendige, akelige preek! — doch laat er ons niet meer over spreken, — ik word maar driftig —."

„Neen, je moet me duidelijk verklaren, wàt je meent."

Gabriëlle trok haren arm uit den zijnen, en zag hem strak aan.

„Je weet zéer goed, wat ik meen."

„Neen, — ja, dat wil zeggen — ik kan me voorstellen, dat ge denkt, dat vader eenigszins onbillijk en hard uitvoer tegen het modern ongeloof, — en — en."

„ — En tegen mij, beken het maar! neen, Johannes! — dàt had hij niet moeten doen!"

[ 146 ] „Maar, lieve Gabriëlle!" — sprak Johannes op sussenden toon, — „gij maakt u al heel zonderlinge denkbeelden van een predikant; het is duidelijk, dat ge het predikambt slechts kent uit de lasterlijke praatjes, die van hen, in sommige kringen, in omloop zijn. Gij vermoedt weinig, hoezeer een ernstig dienaar des woords, die arbeidt in vreezen en beven — "

„Johannes! durf je mij in de oogen zien, en volhouden, dat je vader niet aan mij heeft gedacht?"

„Ik kan onmogelijk de geheime gedachten...."

„Neen, ik meen: durf je zeggen, dat ge zelf niet gelooft, dat je vader aan mij dacht, dat hij zoo en niet anders heeft gesproken, wijl ik in de kerk was, — durf je dat?"

„Ja, waarlijk! ik durf!" — antwoordde Johannes zonder zijne oogen voor de hare neer te slaan.

„Wil je mij nu inderdaad doen gelooven, dat een predikant, die reeds twintig jaar heeft gepreekt, toevallig, zonder bijbedoeling, zulk een tekst zou kiezen?"

„Ja. En je zult het niet alleen gelooven, maar in je hart vader ook om vergeving vragen, [ 147 ] dat je hem zóo hebt kunnen verdenken. Dat is juist het heerlijke van Gods woord, dat wanneer het met een geestelijk gezag, als waarover vader beschikt, wordt verkondigd, het zijnen weg vindt tot een ieder, als ware het uitsluitend voor hèm gesproken."

„Neen, Johannes! dat is onzin: want onder de gansche gemeente was er zeker niemand, die zich de woorden over „wetenschappelijken twijfel", en over de „nieuwe ideeën", waarop hij wees, kon aantrekken; ik weet niet, of de burgemeester en zijne dames — "

„Ge moet mij toch toestaan," viel Johannes haar in de rede, „dat ik blijf gelooven aan de macht van Gods woord in den mond van een waardig dienaar; en het doet me leed, dat je gelooven kunt, dat vader den preekstoel zou gebruiken voor persoonlijke toespelingen, die je pijnlijk zouden aandoen, — ja, oproerig — zóo noemde je het, geloof ik — zouden kunnen stemmen."

„Nu, als ge er zóo zeker van zijt, Johannes, dan wil ik het gelooven," sprak Gabriëlle; — „misschien heb ik je vader onrecht gedaan, maar eene akelige, stijve preek  w a s  het!"

[ 148 ] „Lieve Gabriëlle! — je begrijpt vader nog niet; je kent hem nog niet in al zijne grootheid. Het is natuurlijk, dat zijn leven, hier onder de boeren, iemand gemakkelijk op een dwaalspoor brengt, waar het de beoordeeling van zijne talenten geldt; — hij is inderdaad, een der meest begaafde mannen des lands. Telkenmale als ik thuis kom, overweldigt hij mij."

„Ja, dat merk ik," sprak Gabriëlle schertsend, terwijl ze hunne wandeling vervolgden; „je bent niet alleen overweldigd, maar 't komt me voor, dat je, nu je hem zoo nabij bent, aan hem voor je zelf gezag ontleent. Ik vrees, dat ik spoedig zóo onderdanig zal worden als de dames Olsen."

Zij waren beiden blij, dit onderwerp te kunnen laten varen, en toch hadden ze een gevoel, alsof alles nog niet in 't reine was.

De wind was bijna tot een storm aangewakkerd, en, toen ze uit het bosch kwamen, vloog de sneeuw dwarrelend van het dak der kerk over het verlaten kerkhof, waarvan het hek was gesloten, en waarop de sneeuw door paarden en menschen was platgetreden.

Dicht aaneengesloten naderden zij reeds den [ 149 ] kleinen landweg, die naar de pastorie voerde, toen Johannes het als zijn plicht beschouwde, haar te zeggen, wat hij zich had voorgenomen, aangaande het gisteravond gehouden gesprek; — anders zou het alweêr moeten worden uitgesteld.

„Uw, — ja, hoe zal ik me uitdrukken? — uw onjuiste beoordeeling van vader maakt, dat je als 't ware je zelve voorbijpraat in een gesprek met hem, — zooals gisteravond."

„Hoe is 't mogelijk, Johannes! ik was juist zóo lief en meegaande."

„Dan ben je zeker vergeten, hoe je gezegd hebt, dat vader kinderachtige praatjes hield?"

„Miserecordia!" riep Gabriëlle lachend; „heb ik dàt werkelijk gezegd? — maar ik was zoo moe, en — hij prikkelde me een weinig."

„Je gevoeldet zijne meerderheid, niet waar?" — vroeg Johannes lachend.

„Volstrekt niet," — , antwoordde Gabriëlle strijdlustig; „hij herinnerde me sterk aan de priesters, die neef Jürgen, „kerkblazen" noemt."

„Foei, Gabriëlle! hoe kan je zoo'n neef Jürgen citeeren! — maar je moet werkelijk je best doen, in vader je meerdere te zien: reeds zijne [ 150 ] buitengewone, veelomvattende kundigheden. —

„Och, — hij kent slechts de kwade zijde van alles en allen; nog nooit heb ik zóoveel kwaad van de menschen gehoord als gisteravond."

„Omdat vader de innerlijke leegheid kent van veel, wat jij bewondert, en zekere personen in een ander licht ziet — "

„In een zwavelgeel licht — afschuwelijk! — "

De wind blies haar kleedje om zijne beenen, zoodat zij een oogenblik moesten blijven staan, en wederom waren ze beiden verheugd dat het gesprek werd afgebroken.

Er stond hun „iets" in den weg: zij konden heden hun goeden kameraadschappelijken toon niet terugvinden, die hen anders zoo gemakkelijk over een verschil in meening heen hielp.

Johannes was niet tevreden, wijl hij haar niet tot de erkenning kon brengen van de grootheid zijns vaders, en hij verwonderde er zich over, hoe veel grooter de invloed van die „kliek" op haar was geweest, dan hij vroeger meende.

En Gabriëlle van haren kant voelde, dat haar kleine theoloog haar over 't hoofd groeide; en dit gevoel maakte haar dubbel strijdlustig [ 151 ] tegenover den vader, die, als 't ware, de bron was van zijne sterkte.

„Zie die sneeuw eens jagen! — wij krijgen storm," — sprak Johannes.

„Hu! — mij dunkt, we hebben hem reeds," antwoordde Gabriëlle, — „kom, laat ons gauw in huis gaan."