Reize door de majorij van 's Hertogenbosch/Zestiende Brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vijftiende Brief Reize door de majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Zestiende Brief

Zeventiende Brief


[ 111 ]

ZESTIENDE BRIEF.

 Zeer Geachte Vriend!

Ik ben, na eenige dagen omwandelens, eindelijk weêr hier aangekomen. – Zoodra ik mijne Herberg binnen trad, vraagde ik naar eenen brief voor mij, de waard overhandigde mij terstond uwen laatsten. Ik was zeer blijde, dat dezelve mij uwen welstand, als ook die van uwe braave Echtgenoote en lieve Kinderen verzekerde, ik zag 'er uit, dat...... doch eer ik denzelven beantwoord, wil ik eerst U mijne verdere reize, schoon zij niets belangrijks oplevert, vertellen. –

[ 112 ] Van Tilburg ging ik over Goirle, hier gewoonlijk Gool genoemd, naar Hilvarenbeek. Dit Dorp is zeer schoon bebouwd, en gansch niet onaartig, wijl de huizen rondöm een groot vierkant Plein zijn gelegen; het pronkt met eene schoone Kerk en schoonen tooren, welke met een Klokkenspel voorzien is, dit is al iets, waaröp mijne aandacht viel, dewijl ik mij niet kan herïnneren, dat 'er ergens een Dorp is, het geen een Klokkenspel bezit. Te Hilvarenbeek wierd de geleerde J. Goropius geboren. Denklijk ontleend dit Dorp zijnen naam van een aartig beekjen of riviertjen, het welk 'er langs stroomt, en de Hilver of Hulver genoemd word. – Van hier wandelde ik over Laage Mierde naar het schoone Dorp Bladel, niet ver van de Brabandsche grenzen gelegen. Dit Dorp zou, volgends onzen Martinet, het oude Bladelle zijn, het geen door Keizer Karel den Eenvoudigen, in de tiende eeuw aan Dirk, Graaf van Holland, wierd geschonken. – In de Rijmchronijk van Melis Stoke leest men ook:

Ghegeven in ons Heren iaer
Achte hondert en daer naer
Driwerf twinticb en drie mede,
Tote Bladele tere stede,
Dat een Dorp is ende so heet,
Neghen daghe, als ment weet,
Voor midde zomer sinte Jans dach
Als fine gheboernesse lach.

[ 113 ] Doch de kundige Huydecoper wil hier niet het Dorp Bladel in de Majorij, maar eene zekere Bladoldi villa in liet land van Beauvais verstaan hebben, sla mijn Vriend! eens zijne aantekeningen over het eerste boek van Stoke op, en zie dan, wie gelijk heeft, want ik zal dit verschil niet beslisschen. Bladel verlaatende, wandelde ik eenige kleine en ellendige Dorpjens door, waar ik mij, wijl ik 'er niet merkwaardigs aantrof, niet ophield, want deeze streek is de dorste en armste streek, ten minsten zoo kwam het mij voor, van de geheele Majorij; eindelijk, na deeze aklige plaatsjens doorgewandeld te hebben (ik zal U derzelver naamen niet noemen, Gij zoudt 'er toch niets aan hebben), kwam ik te Oorschot. Hier vertoonde zich een geheel ander tooneel. Een prachtig Dorp het welk zeer uitgesrekt is, overäl beplant met allerlei soort van boomen en houtgewas, en dus zeer schoone Wandeldreeven opleverende. Het praalt met eene der schoonste Kerken in de Majorij, en de tooren is de hoogste, schoon hij zonder spits is, die men in de Majorij aantreft, in de schoonheid van bouwörde wijkt hij ook voor weinigen. Het Kasteel van dit Dorp ligt zeer vermaaklijk bij het riviertjen de Beerse. Men vind 'er ook eene Kapel, welke men thands gebruikt, om op de Marktdagen 'er de boter in te weegen. De wandelingen, die ik hier deed, bevielen mij uitmuntend, gaarne zou ik hier langer gebleeven hebben, dan een dag of twee, om eens alles naauwkeurig te beschouwen, doch ik kon niet, deels – wijl de tijd, die ik aan mijne [ 114 ] reize kon besteeden, begint op te korten; deels – wijl mij ook hier de haat, dweepzucht en bijgeloovige grillen, welke ik hier zien en hooren moest, geweldig verveelden. – Ik ging derhalven, na mij hier een dag of twee opgehouden te hebben, over het Dorp Moergestel weêr naar het aanzienlijk Tilburg. De weg, welken ik te wandelen had, was vrij eenzaam; slechts een enkel Man van Oorschot, welke naar Moergestel ging, ging denzelfden weg, dien ik betrad, ik sprak met hem, en wende ons gesprek juist op die zaaken, welke ik gaarne wilde weeten, hij voldeed gedeeltelijk aan mijne nieuwsgierigheid, om naamlijk veele zaaken, het bijgeloof betreffende, mij te zeggen; zommige zaaken kwamen mij zeer bespotlijk, anderen weder zeer ongegrond voor, doch overäl liet hij zijnen haat tegen de Protestanten, als hij maar eenige gelegenheid meende te hebben, doorblinken. Mij ontmoetede derhalven niets op deeze wandeling van Tilburg en te rug, dat veel voor U opleverde, als alleen, dat ik overäl blijken van het domste bijgeloof, en van verfoeiëlijke ontevredenheid, omdat men in zijne meening bedroogen was, aantrof; want had de wensch der Majorijënaars zijne vervulling nu sedert een jaar of drie gekreegen, nergens zou dan de Roomsche Godsdienst met meer pracht uitgeöeffend zijn geworden dan onder hen; ja dan waren reeds alle Protestanten in de Majorij uitgerooid; hun naam was dan reeds lang van de aarde verdelgd, zelfs was 'er dan reeds het ijslijkst anathema uitgesproken over hem, die onderstaan [ 115 ] durfde, om den naam van Geus uit te spreeken. –

Laat mij nu uwen brief, en de vraagen in denzelven vervat, zoo goed als ik kan, beäntwoorden; ik heb op alle Dorpen, waar ik geweest ben, zoo veel mooglijk, de denk- en levenswijze der Majorijënaars naargespoord. – Over het algemeen is de kost en drank der Inwooners zeer sober, doch niet uit verkiezing maar uit noodzaaklijkheid, want hun ontbreekt en het vermogen en ook de kunde, om hunnen kost wel te bereiden, de gewoone spijze zijn Aardäppelen. Hunne veelvuldige Vastendagen maaken, dat zij weinig vleesch of spek kunnen eeten, en geld om boter te koopen bezitten zij niet, zij eeten dus de Aardäppelen gcwoonlijk met een weinig lampolie; thands echter vergunt de Vicarius aan hun, wijl alles zoo duur is, om in den veertigdaagschen vasten voor Paaschen vleesch en vet te moogen eeten; doch 'er zijn veele sijnen onder dezelve, die van deeze vergunning geen gebruik willen maaken, om den H. Vasten niet te breeken. – Onder de Majorijënaars heeft zeer veel morssigheid plaats, en het verschil is hier, omtrent de zindelijkheid, met Holland grooter dan dag cn nacht; ik ben in veele huizen, vooräl bij boeren, geweest, waar ik op geenen stoel durfde gaan zitten; het is wonder, dat deeze morssige levenswijze niet meer ziektens veröorzaakt; doch de gezonde lucht, en misschien ook de magere doch gezonde spijs, brengen veel toe, om de gezondheid te bewaaren. – Wat zal ik U, mijn Vriend! zeggen omtrent de [ 116 ] Huwelijken, waarömtrent Gij mij eenige vraagen voorstelt? Meestäl gronden zij zich hier op het geld; ieder ziet uit paar eene Vrouw, die iets bezit en die goed werken kan, voor het overige komt deugd en verstand 'er weinig in aanmerking, zoodat men deeze verssen van Pieter Langendyk wel op de Majorijënaars mag toepassen:

"Men mint om 't goud, 't geld is de liefde alleen.
Men acht verstand, noch aangenaame zeden,
Men vraagt naar kunst, noch êelheid van 't gemoed:
Maar naar 't genot van schatten, geld en goed. "

Hier van is het ook, dat men geene waare huwelijks-liefde tusschen Man en Vrouw aantreft; zij beschouwen elkanderen altijd geheel onverschillig, want zoodra het Huwelijk voltrokken is, dan neemt ook de liefde een einde, zoodat men op de Bewooners der Majorij dit volgende wel mag toepassen:

On dit, que l'amour
Ne dure qu'un jour
Dans le mariage.

Een boer in de Majorij heeft in het gemeen meer overig voor zijn Paard dan voor zijne Vrouw: zoo ras het eerste ongesteld is, dan loopt hij te post naar den Paarden-Doctor; doch word zijne Vrouw ziek, die zal van zelfs wel beter worden. Ik vraagde aan eenen boer, wat hij wel het liefst wilde missen zijne Vrouw of zijn Paard, en ik [ 117 ] kreeg ten antwoord: Mijn Heer! een Paard kost zoo veel geld! ik kon dus zijne denkwijze gemaklijk raaden, schoon hij veel werk van zijne Vrouw scheen te maaken. – Ja! het is zoo, als Gij mij vraagt omtrent de Schoolmeesters. Men heeft 'er eenigen afgezet, doch niet omdat zij iets misdreeven hadden, of omdat zij niet kundig genoeg waren, schoon 'er zeker wel onder zijn, die kundiger behoorden te weezen, doch eenig en alleen, om eenen Roomschen te hebben, die de kinderen in Roomsche boeken, gelijk op zommige Dorpen geschied, zoude onderwijzen, en op deeze wijze kunnen de Protestanten hunne kinderen niet wel School zenden. Onder de nieuw aangestelde Roomsche Schoolmeesters zijn ellendige breekebeenen. – Met medelijden moet een Protestant hier zijne Geloofsgenooten, schoon over het algemeen braave luiden, beschouwen. Op veele plaatzen zijn zij hunne Kerken kwijt, en moeten nu hunnen Godsdienst in eene kamer bij hunnen Leeräar verrichten, dus dat Gij hen te recht beklaagt, mijn Beste! en wat zal 'er van die ongelukkige Leeräars der Hervormden in de Majorij worden? Hebben zij geen geld, geloof vinden zij niet, en misschien worden veelen (want men wil hun ook de huizen ontneemen) met Vrouw en Kinderen op straat gezet. Mijn hart krimpt weg van weedom, als ik alles overdenk, wat een Protestant in de Majorij te lijden heeft, en misschien nog zal moeten lijden, en wel van zulken, die zich ook Christenen noemen, dan – laat mij verder voordgaan, en U, terwijl ik met een [ 118 ] bloedend hart een billijken traan aan die arme, vervolgde, gehaatte en gevloekte luiden toewij, verder schrijven, om daardoor mijne treurigheid, die mij op deeze gedachte aangreep, eenigzints te verdrijven. – Gij vraagt mij ook: "Is het een algemeene stelregel der Roomschen in de Majorij: eenen Ketter behoeft men geen geloof te houden, en al doet men eenen valschen eed in betrekking tot eenen Geus, doet dit wel iets af?" Ik antwoord: ja! want dit brengt hunnen Godsdienst mede, ook heeft een Priester de magt, om hen van eenen valschen eed te bevrijden; ik zou ten minsten, in zaaken van gewigt tusschen eenen Roomschen en Hervormden in de Majorij, eenen Roomschen getuigen altijd voor partijdig houden, ja! wanneer het op eenen eed aankomt, dan heeft het een Geus altijd verlooren, als naamlijk de Roomsche zweert. Volgends den kundigen Rabener is een eed bij veelen niets anders, dan een Compliment, dat zij Gode maaken, doch bij eenen Roomschen is een eed een middel, om alles juist naar zijnen zin te kunnen krijgen. – Hier hebt Gij, mijn Vriend! uwe vraagen beäntwoord. Nu zou ik U nog wel het een en ander over eenige gebruiken, en bijgeloovigheden der Majorijënaars kunnen melden, doch dit wil ik liever spaaren voor mijnen volgenden brief, die denklijk de laatste weezen zal, welken Gij van mij uit Tilburg, zelfs uit de Majorij, ontvangen zult, want ik hoop binnen kort dit land, het geen Gij zeer juist noemt: een Baijert van verwarring – een middenpunt aller [ 119 ] vervolgingen, en een warnest van bijgeloovigheden, te verlaaten. – Nog éénen brief behalven deezen zult Gij van mij ontvangen, en dan volg' ik denzelven zeer spoedig, om U en de Uwen weder te omhelzen; ik verheug mij reeds in het voor mij streelend vooruitzigt, dat ik binnen weinige dagen den Vriend van mijn hart zal weder zien, en noem mij in die zekere verwachting uw' bestendigen en onveränderlijken

Vriend.