Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans/16

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
15 Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans van Gebroeders Grimm

16. De twaalf broeders

17

[ 113 ] Er waren eens een koning en eene koningin, die twaalf zonen hadden en steeds vergenoegd met elkander leefden. Op zekeren zomeravond zeide de koning tot zijne gemalin: „indien nu ons dertiende kind een meisje is, moeten de jongens gedood worden, opdat onze dochter zeer rijk worde, en alleen in het bezit des koningrijks gerake.” Hij liet tot dat einde twaalf grafzerken maken, welke reeds met zaagsel gevuld waren, en in iedere zerk lag het doodkistje van een der twaalf broeders, die vervolgens samen in eene kamer geplaatst werden, waarvan de koningin den sleutel ontvangen had, met uitdrukkelijk verbod, dit geheim aan iemand hoegenaamd te mogen openbaren.

De moeder zat nu den geheelen dag te treuren, zoodat haar jongste zoon, die altijd bij haar was en Benjamin heette, aan haar vroeg: „Lieve moeder, waarom zijt gij zoo bedroefd?” „Ach! kind,” antwoordde zij, „ik mag het u niet zeggen.” Maar hij liet haar geene rust voordat zij de kamer opensloot en hem de twaalf grafzerken toonde, die voor hem en zijne elf broeders bestemd waren, indien zij een dochter kreeg. Toen zeide Benjamin : „ween niet, lieve moeder, wij zullen ons wel behelpen en weggaan.” Zij hernam hierop : „ga met uwe elf broederen in het bosch, en laat een van u op den hoogsten boom klimmen, om den toren van het paleis te kunnen zien. Als gij een broertje krijgt, zal ik eene witte vlag uit[ 114 ] steken, en dan kunt gij terugkomen; is het integendeel een zusje, dan zal ik eene roode vlag uitsteken; gaat dan van hier, zoo ver gij maar kunt; dat de goede God u dan op uwe wegen zegene!” Toen zij hare zonen gezegend had, gingen dezen uit in het bosch. Zij hielden beurtelings de wacht op den hoogsten eikeboom, en zagen den geheelen dag naar den toren. Toen elf dagen verstreken waren en de beurt aan Benjamin kwam, zag hij dat er eene vlag uitgestoken werd, maar, tot zijne groote droefheid, de roode of bloedvlag, ten teeken dat zij allen sterven moesten. Toen nu zijne broeders dit hoorden, werden zij allen boos en zeiden: „zouden wij om één meisje allen moeten sterven? Liever zweren wij, dat wij ons daarover op het eerste meisje dat wij ontmoeten zullen wreken.”

Hierop gingen zij dieper in het bosch; in het midden, waar het zeer donker was, vonden zij een klein en onbewoond huisje. „Hier kunnen wij wonen, en gij, Benjamin, gij zijt de jongste en zwakste, gij kunt hier blijven huishouden; wij zullen intusschen in het bosch gaan en eten halen.”

Hierop gingen zij in het bosch en schoten allerlei wild, hetwelk zij aan Benjamin brachten, die het voor hen moest gereedmaken. In dit huisje woonden zij tien jaren met elkander, zonder dat hun de tijd lang viel.

De kleine prinses was gedurende dezen tijd groot, en tevens zeer schoon geworden, en had eene gouden ster op haar voorhoofd. Op eenen dag, toen zij eens toevallig twaalf manshemden zag op de tafel liggen, [ 115 ] vroeg zij aan hare moeder: „van wie zijn deze hemden? Voor vader zijn ze toch veel te klein.” De moeder, zeer bedroefd zijnde op deze vraag, zeide: „lief kind, deze heinden behooren aan uwe twaalf broeders.” De dochter vroeg hierop: „waar zijn mijne twaalf broeders dan? Ik heb immers nooit iets van hen gehoord.”
„God weet het waar zij zijn, zij dwalen in de wereld rond.” De koningin nam hierna het meisje mede in de kamer, en toonde haar de twaalf grafzerken met het zaagsel en de doodkistjes. „Deze,” zeide zij, „waren voor hen bestemd, maar zij zijn in het geheim weggegaan, voordat gij geboren waart.” De koningin vertelde haar tevens, hoe alles verder toegegaan was. Toen zeide het meisje: „lieve moeder, ween niet; ik wil mijne broeders gaan opzoeken.”

Nadat zij de twaalf hemden opgenomen had, sloeg Zij hiermede haren weg naar het groote bosch in. Zij liep den geheelen dag door, en eerst tegen den avond kwam zij aan het huisje. Hier klopte zij aan, en spoedig daarna werd haar door een' jongeling de deur geopend. Hij vroeg haar: „vanwaar komt gij, en waar gaat gij heen?” en was verrukt over hare schoonheid, hare koninklijke kleederen en hare gouden ster. Zij antwoordde: „ik ben eene koningsdochter en ben uitgegaan om mijne twaalf broeders te zoeken; zoo ver de hemel blaauw is, zal ik trachten hen te vinden.” Nu toonde zij hem de twaalf hemden, die voor hen bestemd waren. Uit dit alles ontwaarde Benjamin weldra, dat dit meisje zijne zuster was, en sprak: „ik ben Benjamin, uw jongste broeder!” en hierop begon [ 116 ] zij van blijdschap te weenen, en Benjamin en zij hadden elkander van dit oogenblik afaan hartelijk lief. Hierna sprak hij; „lieve zuster, er doet zich voor mij eene groote zwarigheid omtrent u op; wij hebben besloten en onderling afgesproken, het eerste meisje, hetwelke ons zoude onmoeten, te doen sterven, omdat wij wegens een meisje ons koningrijk hebben moeten verlaten.” „Nu,” hernam zij, „indien ik mijne twaalf broeders hierdoor van den dood verlossen kan, sterf ik gaarne.” „Neen,” antwoordde hij, „gij zult niet sterven; ga zoolang onder deze kuip zitten, totdat onze elf broeders terugkomen, dan hoop ik het wel omtrent u met hen eens te zullen worden.” Alzoo deed zij, en toen de nacht kwam, keerden de broeders van de jacht terug en vonden den maaltijd gereed. Toen zij zich aan tafel zetten en aten, vroegen zij: „wat is er nieuws?” Hierop hernam Benjamin: „weet gij niets?” „Neen,” antwoordde zij. Hij sprak verder: „gij zijt in het bosch geweest en ik ben te huis gebleven, en toch weet ik meer dan gij samen.” „Vertel het ons dan,” riepen zij. „Ja,” antwoordde hij, „indien gij beloven wilt, dat het eerste meisje, hetwelk wij zullen . ontmoeten, niet zal sterven.” „Ja,” riepen zij allen, „haar zij genade geschonken; vertel nu maar.” Nu sprak hij : „onze zuster is hier!” en lichtte hierop de kuip op, van onder welke de koningsdochter met hare koninklijke kleederen en hare gouden ster voor het hoofd in eene bevallige gedaante, te voorschijn kroop. Bij uitstek verblijdde hen haar gezicht; zij allen vielen haar om den hals, kusten haar, en hadden haar van harte lief.

[ 117 ] Nu bleef zij gedurig bij Benjamin te huis, en hielp dezen in de huishoudelijke beûgheden. De overige broeders gingen als naar gewoonte uit om allerlei wild te vangen, en hunne zuster en Benjamin zorgden steeds voor de smakelijke toebereiding. Zij zochten hout om het vuur te onderhouden, en allerlei groenten en kruiden, welke zij bij het vleesch aten, dragende voorts altijd zorg, dat de maaltijd gereed was voordat de broeders naar huis terugkeerden. Dit meisje hield voor het overige alles in orde, waardoor zij dan ook de goedkeuring van hare broeders meer en meer verwierf, die allen in zuivere eendracht met haar leefden.

Op eenen tijd hadden Benjamin en zijne zuster eens eenen kostelijken maaltijd gereed gemaakt, welken zij, toen zij allen bij elkander waren, in volle vreugde genoten. Achter het huisje was een kleinen tuin, waarin twaalf leliebloemen tonden; nu wilde de zuster een eene groote vreugde aan hare broeders verschaffen en plukte deze twaalf bloemen af, ten einde na het eten aan elken broeder eene dier bloemen te schenken. Zij had echter nauwelijks hare gedachte ten uitvoer gebracht, of hare twaalf broeders zag zij dadelijk in twaalf raven veranderd, die terstond wegvlogen; het huisje met den tuin waren tegelijkertijd verdwenen. Hier stond het arme meisje nu alleen in het akelige bosch, en toen zij omzag, stond eene oude vrouw nevens haar, die tot haar sprak: „Ei! Ei! Mijn kind, wat hebt gij begonnen? Waarom hebt gij de twaalf witte bloemen niet laten staan? Deze waren uwe broeders, die nu voor altijd in raven veranderd zijn.” Het [ 118 ] meisje weende en vroeg, of er dan geen middel ware om hen te verlossen. „Neen,” hernam de oude, „daartoe is geen middel op de wereld te vinden, behalve éen enkel, dat echter bijkans onuitvoerbaar is; gij moet dan zeven jaren stom zijn en moogt gedurende dien tijd niet spreken en niet lachen; spreekt gij maar een enkel woord, zelfs in het laatste uur der zeven jaren, dan is alles vergeefsch en uwen broederen wordt door dit enkele woord de dood berokkend.”

Toen het meisje dit gehoord had, dacht zij bij zich zelve: ik wil vastelijk besluiten om mijne broeders te redden, en ging dan ook een hoogen boom opzoeken, waar zij in klom en haar spinnewiel met zich nam; zij spon nu steeds vlijtig en sprak en lachte niet.

Het gebeurde nu eens, toen een koning in dit bosch op de jacht was, dat een zijner groote windhonden het meisje in den boom ontwaarde en hierop dadelijk een ontzachlijk geblaf aanhief. Toen trad de koning naderbij, zag de schoone koningsdochter met de gouden ster voor het hoofd, en werd dermate door hare schoonheden betooverd, dat hij naar boven riep, of zij zijne gemalin wilde worden. Zij antwoordde niet, maar knikte slechts een weinig met haar hoofd, waarna de koning zelf op den boom klom, haar naar beneden bracht en op zijn paard zette. Ofschoon de prinses stom was en niet lachte, werd nochtans hunne bruiloft met statige pracht en gulle vroolijkheid gevierd. Nadat zij een paar jaren vergenoegd met elkander geleefd hadden, begon de moeder des konings, welke eene booze vrouw was, de koningin te lasteren en sprak tot [ 119 ] den koning: „uwe gemalin is een gemeen bedelaarsmeisje; wie weet hoeveel kwaad zij heimelijk uitvoert! Indien zij stom is en niet spreken kan, kon zij mijns bedunkens toch wel eens lachen, want die niet lacht heeft een kwaad geweten.” De koning hechtte in het begin geen geloof aan hare praatjes, maar toen zijne moeder niet ophield haar gezegde te herhalen, liet hij zich eindelijk bepraten en veroordeelde zijne gemalin ter dood.

Toen werd in den tuin een groot vuur ontstoken, waarin zij verbrand zoude worden, en de koning stond boven voor zijn venster om de uitvoering van zijn vonnis aan te zien; zijne tranen kon hij echter, wijl hij haar nog altijd zoo vurig beminde, niet weerhouden. Toen zij reeds aan den paal vastgebonden was en de vlammen des vuurs reeds bijna hare kleederen raakten, was juist het laatste oogenblik der zeven jaren gekomen, en nauwelijks was dit tijdstip genaderd, of er deed zich een ontzettend gesuis in de lucht hooren. Twaalf raven kwamen ras benedenwaarts vliegen, welke, zoodra zij op den grond waren gaan zitten, dadelijk in de twaalf broeders van 's konings gemalin veranderden, welke door deze van hunne ravengedaante verlost waren. Terstond bluschten zij het vuur en doofden de vlammen uit, waarin hunne geliefde zuster verbrand zoude worden. Nu mocht zij haren mond openen en spreken, waarom zij dan ook dadelijk aan den koning verhaalde, hoe het gekomen was, dat zij stom geweest was en nooit gelachen had. De koning verheugde zich over hare onschuld, en zij leefden [ 120 ] van dezen tijd afaan met elkander steeds in vreugde en vergenoegdheid, tot aan hunnen dood. De booze moeder werd in een vat geworpen, waarin haar giftige slangen verslonden, tot straf voor hare logens en lasteringen.