Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans/15

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
14 Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans van Gebroeders Grimm

15. De getrouwe Johannes

16

[ 101 ] Er leefde eens een oud koning, die ziek werd. Hij dacht, dat hij nimmer het ziekbedde verlaten zou en ontbood daarom zijnen knecht, welken hij den getrouwen Johannes noemde, en die hem gedurende geheel zijn leven getrouw had gediend. Toen deze voor het bed van den koning kwam, sprak deze tot. hem: getrouwe Johannes, ik voel mijn einde naderen en koester geene andere zorg dan voor mijnen zoon, die zich nog in de lente zijner jeugd bevindt en nog niet inzien kan wat voor hein goed of kwaad is ; indien gij mij niet belooft, dat gij hem in alles wat hein te weten noodig is, uwen raad en hulp verleenen en hem ten leidsman verstrekken wilt, kan ik mijne oogen niet gerust sluiten.” Hierop antwoordde de getrouwe Johannes: „ik beloof u hem niet te zullen verlaten, en dat ik hem, zoolang ik leef, getrouw zal dienen en met raad en daad bijstaan, al zoude het ook mijn leven kosten.” Toen hernam de oude koning: „nu, dan sterf ik met blijdschap en in vrede.” De stervende vorst voegde er bij : „na mijnen dood eisch ik, dat gij hem het geheele paleis met alle kamers en zalen, en alle gewelven met de verborgene schatten zult laten zien; maar ééne kamer moogt gij hem niet wijzen, namelijk die, waarin zich het beeld van de koningsdochter des gouden daks bevindt; want indien hij deze zag, zou hij eene hevige liefde tot haar gevoelen en bewusteloos ter aarde vallen; ook zou hij alsdan vele gevaren moe[ 102 ] ten trotseeren, waartegen het uw plicht is hem te beschermen.” Nadat de getrouwe Johannes den koning dit andermaal plechtig beloofd had, legde deze zijn hoofd zachtkens neder en stierf.

Kort nadat het lijk des overleden konings ter aarde besteld was, verhaalde de getrouwe Johannes aan den jongen koning wat hij aan zijnen vader op diens sterfbed beloofd had, en sprak : „ik wil mijne belofte vervullen, en zal u getrouw dienen, gelijk ik uwen vader deed, al zoude het ook mijn leven kosten.” De jonge koning weende en sprak: „uwe trouw zal ik nimmer vergeten.” Na het eindigen van den rouw zeide de getrouwe Johannes tot hem : „het is thans tijd, dat gij uw erfdeel beziet; ik zal u dus overal in het paleis rondgeleiden.” Toen liet hij den jongen koning alles bezien, ging met hem op en af, en wees hem alle prachtige kamers aan, benevens alle rijkdommen, welke zijn erfdeel uitmaakten; slechts die ééne kamer, waarin het beeld stond, opende hij niet. Dit beeld was dermate geplaatst, dat men, indien de deur openging, er juist tegenaan moest zien, en het was zoo meesterlijk gevormd, dat men meende een levend mensch te zien en bekennen moest nooit iets fraaiers en aanminnigers te hebben aanschouwd. De jonge koning merkte weldra, dat de getrouwe Johannes deze deur ongeopend liet en sprak : „waarom doet gij deze deur niet open?” „Er is iets in deze kamer,” antwoordde hij, „waarvoor gij slechts schrikken zoudt.” Maar de koning hernam: „nu ik het geheele paleis gezien heb, wil ik ook weten wat in deze kamer is”; hij was [ 103 ] voornemens de deur met geweld te openen. Dit liet de getrouwe Johannes echter niet toe en zeide: „ik heb aan uwen vader vóór zijnen dood beloofd, dat ik u niet zoude laten zien hetgeen in deze kamer is, dewijl dit ons beider ongeluk zoude bewerken.” „Neen,” antwoordde de jonge koning, „het zoude mijn ongeluk zijn, zoo ik niet zag wat in deze kamer is; ik zou nacht noch dag kunnen rusten, alvorens het gezien te hebben. Ik ga niet van de plaats, voordat gij de kamer zult opengesloten hebben.”

Toen de getrouwe Johannes zag, dat zijn meester niet van zijn voornemen was af te brengen, haalde hij met een zucht de sleutels te voorschijn. Thans opende hij de deur en trad het eerst in de kamer, meenende dat hij den koning hierdoor beletten zoude, het beeld te zien; maar deze was veel te nieuwsgierig en ging op zijne teenen staan om de kamer overal te kunnen zien. Nauwelijks blonk hem het beeld van de jonkvrouw in de oogen, dat van het vele goud zoo heerlijk schitterde, of hij viel dadelijk in onmacht neder. De getrouwe Johannes nam hem op en droeg hem in zijn bed; geheel met zorg omtrent hem vervuld dacht hij: „lieve hemel! wat is ons overgekomen, en wat zal uit ons worden!” Hij trachtte hem met wijn te versterken, en het gelukte hem den koning op deze wijze wederom tot zichzelven te brengen. Het eerste woord dat hij sprak was: „och! wie is dit schoone beeld?” „Dit is de koningsdochter van het gouden dak,” antwoordde de getrouwe Johannes. Hierop sprak de koning verder: „mijne liefde tot haar is zoo [ 104 ] groot, dat zij door zoo vele tongen, als er bladeren aan alle hoornen zijn, niet kan worden uitgesproken; ik heb mijn leven ten beste om haar te erlangen, en gij, mijn waarde en getrouwe Johannes, zult mij hiertoe uwe hulp niet weigeren.”

De getrouwe dienaar bedacht zich langen tijd hierover, daar het hem reeds gewaagd voorkwam, enkel maar voor het aangezicht der koningsdochter te verschijnen. Eindelijk meende hij een middel gevonden te hebben en zeide tot den koning: „Al wat in hare nabijheid staat, is louter goud; tafels, stoelen, schotels, bekers en al het andere huisraad; onder uwe schatten nu zijn vijf tonnen gouds; laat van ééne door de goudsmeden des rijks allerlei gereedschappen en sieraden, en allerlei vogelen en wonderbaarlijke dieren vervaardigen; met deze geschenken zullen Wij tot haar gaan en ons geluk beproeven.” De koning liet hierop alle goudsmeden bij zich ontbieden en deed hen dag en nacht arbeiden, totdat zij eindelijk de schoonste voorwerpen te voorschijn gebracht hadden. Nu liet de getrouwe Johannes dit alles samen in een schip brengen en hij en de koning trokken koopmanskleederen aan, waardoor zij voor ieder onkenbaar werden. Alzoo zeilden zij over de zee, totdat zij voor de stad kwamen, waar de koningsdochter van het gouden dak woonde.

De getrouwe Johannes ging aan wal en verzocht den koning op het schip zijne terugkomst af te wachten. „Veellicht,” sprak hij, „breng ik de koningsdochter mede; zorg derhalve, dat alles in orde is; laat het goud uitpakken en doe het geheele schip daarmede [ 105 ] versieren.” Hierop nam hij eenige gouden sieraden en ging hiermede regelrecht naar het koninklijk paleis.
Toen hij op den voorhof van het paleis was ingetreden, stond bij de bron een schoon meisje met twee gouden emmers water te scheppen; en toen zij het goudblinkende water wegdragen wilde en zich omkeerde, zag zij den man en vroeg hem, wie hij was. Hierop antwoordde hij: „ik ben een. koopman,” en liet haar zien wat hij bij zich had. Hierover verwonderde zij zich bovenmate en riep: „o! welke schoone dingen!” Zij zette den emmer neder en zeide, het eene na het andere beschouwd hebbende: „dit moet de koningsdochter zien; zij is een groote liefhebster van alles wat van goud is, en koopt u zeker alles af.” Het meisje geleidde hem nu bij den band met zich naar boven, want zij was de kamerjuffer der prinses. Zoodra de koningsdochter de gouden sieraden in het oog kreeg, was zij buitengewoon vergenoegd en sprak: „het is zoo fraai bewerkt, dat ik u wel alles zou willen afkoopen.” Maar de getrouwe Johannes hernam: „Ik ben slechts de dienaar van een rijk koopman; hetgeen ik hier bij mij heb, komt in bet geheel in geene vergelijking met hetgeen mijn meester op zijn schip heeft staan; dit is het kunstigste en kostbaarste wat men ooit uit goud gevormd heeft.” Zij wilde alles bij haar boven gebracht hebben, maar Johannes hernam hierop, dat hiertoe vele dagen zouden noodig zijn, en dat haar paleis te klein zijn zoude om al zijne gouden kunstgewrochten te kunnen bevatten.
Toen steeg hare nieuwsgierigheid nog hooger, zoodat [ 106 ] zij eindelijk zeide: „ik zal dan met u naar het schip gaan, om de schatten van uwen meester aldaar te bezien.”

Thans geleidde de getrouwe Johannes haar met blijdschap naar het schip, en toen de koning haar zag komen, meende hij niet. anders, dan dat hem het hart van vreugde zoude barsten; slechts met groote inspanning kon hij zich bedwingen. De koningsdochter werd bij hare aankomst door den koning naar het binnenste van het schip geleid; maar de getrouwe Johannes bleef boven bij den stuurman en beval het schip zeilreê te maken. „Spant alle zeilen in,” riep hij, „zoodat het voortvliegt als een vogel in de lucht.” De koning toonde haar intusschen beneden in het schip al de gouden sieraden, de schotels, bekers, het wild en de wonderbaarlijke dieren. Aldus verliepen ongemerkt eenige uren met groote vreugde, zonder dat zij bespeurde dat het schip voortzeilde. Nadat zij het laatste stuk gezien had, bedankte zij den koopman en wilde naar huis gaan; maar zoodra zij op het verdek gekomen was, zag zij, dat zij zich verre van het land op de holle zee bevond en snelzeilend voortging.
„Ach,” riep zij met hevige ontroering, „ik ben bedrogen en in de macht eens koopmans geraakt; veel liever wilde ik sterven!” De koning nam haar echter bij Je hand en sprak: „een koopman ben ik niet; ik ben een koning en van geene geringer geboorte dan gij ; maar dat ik u door list heb zoeken in mijne macht te krijgen, is door mijne groote liefde voor u geschied. De eerste maal, toen ik uwe beeldtenis aanschouwde, viel ik onmachtig ter aarde.” Dit verhaal verstrekte [ 107 ] de prinses ten troost en maakte haar tot hem genegen, zoodat zij gaarne inwilligde om zijne gemalin te worden.

Terwijl zij op de holle zee rondzwierven zag de getrouwe Jobannes, terwijl hij vooraan op het schip muziek zat te maken, drie raven in de lucht vliegen; terstond hield hij op met spelen en luisterde wat zij onderling spraken, hetwelk hijzeer wel verstond. Eene raaf riep: „kijk, hij vaart met de koningsdochter van het gouden dak naar huis!” „Ja,” antwoordde de tweede, „maar hij heeft haar nog niet!” Toen riep de derde: „hij heeft haar wel, want zij zit bij hem in het schip.” Nu begon de eerste raaf wederom te zeggen: „wat helpt hem dit, want zoodra zij aan wal stappen zal hem een vosrood paard te gemoet springen, dat hij zal willen bestijgen, en als hij dit doet, zal hij er door in de lucht worden weggevoerd en zijne jonkvrouw nimmer weder te zien krijgen.” Hierop vroeg de tweede: „is er dan geheel geene redding voor hem?” „O, als diegene die op het paard zit, het pistool, dat naast den zadel in een koker is, neemt en het paard daarmede doodschiet, dan is de jonge koning gered; maar wie weet dit? En als iemand dit wist en het aan hem zeide, zoude deze terstond, van de teenen tot aan de knie, in steen veranderen.” Toen sprak de tweede: „ik weet nog meer! Al werd het paard ook doodgeschoten, toch behoudt de jonge koning zijne bruid niet; want zoodra zij in het paleis komen; zal de koning een gemaakt bruidegomskleed op een schotel vinden staan, dat van goud en zilverdraad [ 108 ] schijnt vervaardigd te zijn, doch niets dan pik en zwavel is, en dat hem, zoodra hij het aantrekt, tot asch zal doen verbranden.” Hierop hernam de derde: „is er dan volstrekt geene redding mogelijk?” „O ja,” antwoordde de tweede, „als iemand het kleed slechts met handschoenen aanvat en in het vuur verbrandt, dan is de jonge koning gered. Maar wat helpt dit? Want wie het weet en het aan hem zegt, verandert dadelijk, van de knie tot aan het hart, in steen.” Toen sprak de derde: „ik weet nog meer! Indien het bruidegomskleed ook verbrandt, heeft de jonge koning zijne bruid toch nog niet, want wanneer de bruiloftsdans begint en de jonge koningin mede danst, zal zij plotseling bleek worden en voor dood nedervallen; en bijaldien zij door niemand opgenomen wordt, die haar drie droppelen bloed uit de rechterborst aftapt, sterft zij. Maar indien hij, die dit weet, dit geheim openbaart, zal hij van hoofd tot teenen in steen veranderen.”

Na het houden dezer samenspraak, welke de getrouwe Johannes zeer wel had verstaan, vlogen de raven verder. Van dezen tijd af was Johannes stil en treurig, want indien hij aan zijnen heer verzweeg hetgeen hij gehoord had, zou de koning ongelukkig worden, en indien hij het aan zijnen heer bekend maakte, moest hij zelf het leven verliezen. Eindelijk sprak hij bij zich zelv': mijnen heer wil ik redden, ten koste van mijn leven.

Het geschiedde juist zooals de raven voorspeld hadden. Toen zij aan wal kwamen, liep een vosrood paard [ 109 ] op hem aan. „Ei,” sprak de koning, „dit paard komt als geroepen om mij op het paleis te brengen.” Hij wilde het dadelijk bestijgen, doch de getrouwe Johannes was hem voor; deze beklom het paard en nam oogenblikkelijk het geweer uit den koker, waarmede hij het paard doodschoot. Nu riepen de andere dienaren des konings, die het niet wel met den getrouwen Johannes meenden; „hoe vermetel! Dit schoone dier waarmede de koning naar zijn paleis reizen wilde, zoo maar eensklaps dood te schieten!” Maar de koning sprak: „zwijgt en laat hem begaan ; hij is mijn getrouwe Johannes, wie weet waarvoor dit nog goed is!” Hierna gingen zij in het paleis en zagen in eene groote zaal het gemaakte bruidegomskleed op een schotel liggen ; het scheen hun toe, alsof het niet anders dan van goud en zilver ware. De jonge koning had terstond behagen in het kleed en wilde het aantrekken; maar Johannes drong hem ter zijde; vlug trok hij handschoenen aan en wierp het kleed alzoo in het vuur, waardoor het dan ook spoedig tot asch verteerd werd.

De andere dienaren begonnen wederom te schimpen en zeiden: „ziet eens, nu heeft hij zelfs 's konings bruidegomskleed verbrand!” Maar de jonge koning hernam: „wie weet waarvoor dit goed is? Laat hem slechts begaan, hij is mijn getrouwe Johannes.” Nu ging men tot de viering van de bruiloft over; de dans begon en de bruid trad in de met vorstelijke pracht opgesierde zaal, waarin zich onder anderen ook de getrouwe Johannes bevond, wiens oogen niet van haar, afgewend waren. Eensklaps werd zij bleek en zeeg [ 110 ] voor dood neder; maar hij vloog ijlings haar ter hulpe, nam haar op en droeg haar in eene andere kamer. Hier legde hij haar neder en tapte drie droppelen bloed uit hare rechterborst. Spoedig hierna begon zij wederom adem te halen en lucht te scheppen. De jonge koning, in wiens bijzijn dit alles geschied was en die niet wist wat dit alles beteekenen moest, werd woedend over hetgeen de getrouwe Johannes verricht had en liet hem in de gevangenis werpen. Den volgenden morgen veroordeelde hij den getrouwen Johannes ter dood, en toen deze op het schavot stond, waar het vonnis aan hem voltrokken zoude worden, sprak hij: „ieder die sterven moet, mag vóór zijn einde nog eenmaal spreken; zal mij dit voorrecht ook vergund worden?” „Ja,” antwoordde de koning, „ik sta dit aan u toe.” Nu sprak de getrouwe Johannes: „ik ben ten onrechte veroordeeld en heb u nooit trouweloos behandeld!” Hij verhaalde hierop, dat hij op zee het gesprek der raven gehoord, en daarom besloten had, zijnen heer te redden; om dit doel bereiken was alles wat hij gedaan had, geschied. Toen riep de koning: „o mijn getrouwe Johannes, ik schenk u genade,” en wilde hem nu dadelijk in eigen persoon van het schavot geleiden. Maar de getrouwe Johannes was bij het laatste woord, dat hij gesproken had, levenloos naar beneden gevallen en in steen veranderd.

Dit voorval baarde den koning en de koningin steeds veel kommer, en de koning zeide gedurig: „ach! waarom heb ik zijne groote diensten zoo slecht beloond!” Het steenen beeld liet hij in zijne slaapkamer [ 111 ] brengen en nevens zijn bed plaatsen. Zoo dikwijls hij dit aanzag, weende hij en sprak: „och! konde ik u in het leven terugroepen, mijn getrouwe Johannes!”

Na verloop van eenigen tijd kreeg de koningin twee zoontjes, die tot hare vreugde opwiessen. Op eenen dag, toen de koningin in de kerk was en de beide kinderen zich bij den koning met spelen vermaakten, zag deze het steenen beeld weder met groote droefheid aan en riep zuchtende: „ach, stond het in mijne macht u het leven terug te geven, mijn getrouwe Johannes!” Nu begon de steen te spreken en zeide:
„ja, gij kunt mij wederom levend maken; als gij datgene, wat u het liefste is, daaraan opofferen wilt.”
Hierop hernam de koning: „alles wat ik op de wereld heb, wil ik gaarne daarvoor geven.” De steen sprak nu verder: „wanneer gij, met eigen hand, uwe beide kinderen het hoofd afslaat en mij alsdan met hun bloed bestrijkt, ontvang ik het leven terug.” De koning was hevig ontroerd, toen hij hoorde, dat hij zijne lieve kinderen met eigen hand dooden moest; hij dacht echter aan de groote trouw, en dat Johannes voor hem gestorven was, en trok hierop zijn zwaard, waarmede hij, met eigen hand, zijne kinderen van het leven beroofde, waarna hij met hun bloed den steen bestreek. Nauwelijks was dit verricht, of de getrouwe Johannes stond wederom frisch en gezond voor hem.
Hij sprak thans tot den koning: „uwe trouw zal ik beloonen”; hij nam hierop de hoofden der kinderen, plaatste ze op de rompen en bestreek de wonden met hun bloed. Deze werden hierdoor oogenblikkelijk ge[ 112 ] nezen en de knaapjes huppelden spelende in de kamer rond, alsof er niets met hen gebeurd ware. Nu was des konings vreugde boven alle beschrijving, en toen hij de koningin zag aankomen, verstopte hij den getrouwen Johannes en de beide kinderen in eene groote kast. Toen nu de koningin binnengekomen was, sprak hij tot haar: „hebt gij in de kerk gebeden?” „Ja,” antwoordde zij, „en ik heb daarbij bestendig aan den getrouwen Johannes gedacht, die door ons zoo ongelukkig geworden is.” Nu hernam de koning: „lieve vrouw, wij kunnen hem het leven terugschenken; echter niet anders dan ten koste onzer beide kinderen; deze moeten wij daaraan opofferen.” De koningin werd bleek en was tot in het binnenste van haar hart getroffen; niettemin sprak zij: „voor zijne groote getrouwheid zijn wij dit aan hem verschuldigd.” Nu was de koning verheugd dat zijne gemalin dacht, gelijk hij gedacht had, en ging hierop heen om de kast te openen, waaruit hunne beide kinderen, benevens de getrouwe Johannes, te voorschijn kwamen. Hierna sprak de koning: „God zij geloofd, hij is verlost en wij hebben onze kinderen ook terug,” en vertelde nu aan de koningin hoe dat alles gebeurd was. Na deze gebeurtenissen leefden zij samen in rust en vrede, tot aan hun einde.