Troonrede 1984

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Troonrede van 1984

Auteur Minister-president Ruud Lubbers en ministers
Genre(s) Troonrede
Brontaal Nederlands
Datering 18 september 1984
Bron Troonredes.nl
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Troonrede van 1984 op Wikipedia
Koningin Beatrix leest in de Ridderzaal de troonrede voor, Bestanddeelnr 933-0813.jpg

Op dinsdag 18 september, Prinsjesdag 1984, hoopt Hare Majesteit de Koningin de onderstaande troonrede uit te spreken.

Troonrede[bewerken]

Leden der Staten-Generaal,

In de regeringsverklaring heeft het kabinet twee jaar geleden een beleid uiteengezet om te komen tot behoud van welvaart en tot herstel van werkgelegenheid. Dat beleid is aangeduid als het driesporenbeleid: een overheid die minder schulden maakt: een krachtig bedrijfsleven dat voor meer werk kan gaan zorgen: een samenleving waarin werk zo georganiseerd wordt, dat ieder weer de kans krijgt zich daarin te ontplooien.

Uit de begroting die U vandaag wordt voorgelegd, blijkt dat de offers die worden gebracht, niet voor niets zijn. De werkgelegenheid neemt eindelijk weer toe; het tekort van de overheid daalt. De collectieve uitgaven waren in het verleden veel te sterk gestegen. Dat heeft geleid tot te hoge tekorten en tot te hoge belastingen en sociale premies. Nu loopt, ondanks de nog steeds stijgende rentelasten, het aandeel van de collectieve uitgaven in het nationaal inkomen langzaam maar zeker terug.

Het wordt daardoor mogelijk om — voor het eerst sinds vele jaren af te zien van belastingverhoging. Tevens wordt gewerkt aan een rechtvaardiger verdeling van de belastingdruk. Dat gebeurt door middel van de zogenaamde tweeverdienersmaatregel, die rekening houdt met de feitelijke draagkracht.

Deze maatregel wordt gecombineerd met een verlaging in de loon– en inkomstenbelasting. De sociale premies zullen volgend jaar dalen voor burgers en voor bedrijven. Op die wijze wordt ook een forse lastenverlichting voor het bedrijfsleven bereikt, hetgeen kan leiden tot lagere arbeidskosten en tot meer werk. De ontwikkeling van de arbeidskosten in het bedrijfsleven blijft uiteraard in de eerste plaats de verantwoordeiijkheid van werknemers en werkgevers. Die sluiten immers met elkaar collectieve arbeidsovereenkomsten. Wel maakt de begroting het mogelijk verantwoorde cao’s aan te gaan. Dankzij de zeer geringe prijsstijging kan worden bereikt dat nict de prijscompensatie, maar lagere belastingen en premies, bij gelijkblijvende bruto-salarissen, voor behoud van koopkracht zorgen.

Zo worden voorwaarden geschapen om verder te gaan met versterking van de positie van het bedrijfsleven en inschakeling van meer mensen in het arbeidsproces. Ook de voorwaarden waaronder de zelfstandigen zich een inkomen verwerven, worden stap voor stap verbeterd. De agrarische sector maakt, na jaren van expansie, een moeilijke periode door. Pijnlijke aanpassingen om overproduktie te vermijden zijn nodig.

De aparte plaats die de landbouw in het pakket van de lastenverlichtingen heeft gekregen, is ook bedoeld om de gevolgen van dit aanpassingsproces te verzachten.

De elkaar snel opvolgende technologische vernieuwingen en de veranderingen in de internationale produktiestructuur, vragen –om grote inspanning op het gebied van de ontwikkeling van wetenschap en technologie. Zij stellen ook hoge eisen aan het aanpassingsvermogen van de bedrijven en aan hen die daarin werken.

Zo komt nieuw en ander werk in de plaats van hetgeen verdwijnt, Meer en meer dienen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek dit te ondersteunen; vandaar ook de versterkte inspanning op het gebied van de informatie-technologie. Alleen een op vernieuwing gericht bedrijfsleven met concurrerende arbeidskosten kan het ons mogelijk maken onze welvaart in stand te houden. Daarenboven zijn herverdeling van werk en arbeidsduurverkorting onmisbaar. Dit is een moeilijk proces van passen en meten, dat in de organisatie per bedrijfstak, of zelfs per onderneming, moet gebeuren.

Het is moeilijk omdat arbeidsduurverkorting en herverdeling van werk niet tot minder maar tot meer produktie moeten leiden. Dat kan alleen als het band in hand gaat met andere werkroosters, flexibele werktijden, langere bedrijfstijden. Hier ligt een zware opdracht voor werkgevers en werknemers, en dus evenzeer voor de overheid als grootste werkgever.

Deze inspanning moet samengaan met een forse aanpak van de jeugdwerkloosheid. Het is daarom verheugend dat de centrale organisaties van werknemers en werkgevers, verenigd in de Stichting van de Arbeid, overeenstemming hebben bereikt over aanbevelingen om de jeugdwerkloosheid nu massaal aan te pakken. Evenzo heeft het akkoord tussen kabinet, sociale partners en onderwijsorganisaties over de gezamenlijke verantwoordeiijkheid voor het beroepsgerichte onderwijs, tot een doorbraak geleid.

Het leerlingstelsel ten behoeve van het bedrijfsleven zal met 40.000 plaatsen worden uitgebreid. Zo zullen jongeren, goed opgeleid en vakbekwaam, het bedrijfsleven komen versterken. Ook bij de overheid zullen zij voortaan in zogenaamde groeibanen aangenomen worden. Dat betekent dat volgend jaar 15.000 jongeren meer bij de overheid aan het werk kunnen gaan. Bedrijfsleven en overheid zullen op deze wijze samen zorg dragen voor een aanzieniijke verbetering van de positie van de schoolverlaters.

Daartnaast heeft de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid voor langdurig werklozen. Met name jongeren die reeds meer dan twee jaar werkloos zijn zuiien door middel van het zogenaamde “START”-plan een nieuwe kans krijgen.

1985 is door de Verenigde Naties uitgeroepen tot het jaar voor de jeugd. Waar het vooral om gaat is wat er door de jeugd kan gebeuren. De schoolverlaters van de jaren tachtig; tweeëneenhalf miljoen jongens en meisjes, zullen straks het hart moeten uitmaken van de werkende generatie. Voor die immense opgave staan wij samen.

Ondanks de noodzaak het uitgavenniveau in de sociale zekerheid te beheersen kan de koopkracht van de sociale minima gelukkig gehandhaafd blijven, door de geringe prijsstijging en de verlaging van belastingen en sociale premies. Wel zulen de boven-minimale uitkeringen teruggebracht worden tot 70% van het bruto-loon. Waar van hen die voor lange tijd op een uitkering aangewezen, zijn dit offer gevraagd wordt, is het redelijk ook te komen tot bezuinigingen bij de kort lopende uitkeringen. Daarom worden aanpassingen voorgesteld in de ziektewet. Deze verlagingen zullen niet gelden voor mensen die slechts het minimumloon verdienen en daarvan ook anderen moeten onderhouden. Door deze maatregelen te nemen voor de bovenminimale uitkeringen worden algemene kortingen, die onvermijdelijk ook weer de minimuminkomens zouden treffen, voorkomen. De verantwoordelijkheid voor het eventueel aanvullen van het ziekengeld boven het verlaagd wettelijk niveau, ligt bij de sociale partners, werknemers en werkgevers, zelf.

Toch zal een tijdelijke voorziening voorgesteld worden, die moet voorkomen dat hogere bovenwettelijke lasten automatisch op de werkgevers afgewenteld worden. Deze zal echter slechts gelden wanneer en zolang er na de lopende collectieve arbeidsovereenkomsten nog geen nieuwe overeenkomst is.

De gelijke behandeling van mannen en vrouwen noodzaakt evenzeer tot een ingrijpende aanpassing van onze sociale zekerheid. Dat betekent onder meer dat straks mannen en vrouwen elk een AOW-uitkering ontvangen. Een gezinstoeslagenwet zal worden ingediend om te voorkomen dat gehuwden, of samenwonenden, die van één uitkering moeten leven, onder het voor hen geldende, sociale minimum komen. Op deze wijze word zowel tegemoet gekomen aan de noodzaak van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, als aan eisen van rechtvaardigheid en draagkracht.

Dit jaar zullen ook voorstellen ingediend worden om ons stelsel van ziektekostenverzekering te vereenvoudigen en daarbinnen de solidariteit tussen groepen met een verschillend ziekterisico beter te regelen. Zo worden de contouren zichtbaar van een sociaal verzekeringsstelsel dat weer houdbaar zal zijn.

Terwille van de beteugeling van de overheidsuitgaven en het op peil houden van de werkgelegenheid, zal ook volgend jaar van hen die werkzaam zijn in de collectieve sector, een bijdrage moeten worden gevraagd. Daarbij wordt er naar gestreefd nieuwe bruto-kortingen op de salarissen te voorkomen. Met de centrales van overheidspersoneel kon overeenstemming worden bereikt over een geschillenregeling.

Ook worden voorstellen tot herziening van het overlegstelsel voorbereid. De regering hoopt U binnenkort een wetsvoorstel tot regeling van het stakingsrecht van ambtenaren voor te leggen.

De overheid heeft de plicht zorgvuldig om te gaan met de haar toevertrouwde middelen. Ook is kritische toetsing van omvang en werking van het overheidsapparaat nodig. Het komt er daarbij op aan, dat regering en volksvertegenwoordiging taken en verantwoordelijkheden aan lagere overheden overdragen, dan wel deze aan de samenleving overlaten en eigen nieuwe taken slechts in zelfbeperking aanvaarden.

Omvangrijke programma’s van nieuwbouw, woningverbetering en stadsvernieuwing worden, ondanks de zware budgettaire lasten, tot stand gebracht. Deze programma’s profiteren weliswaar van een gunstiger ontwikkeling van de bouwkosten, maar helaas raakt de hoge rentestand het nog niet mogelijk over te schakelen naar minder huurverhoging. Zelfs bij stijgende huren nemen de overheidsuitgaven voor de volkshuisvesting nog steeds aanzienlijk toe. Ook bij de bescherming en de verbetering van ons milieu gaat de overheid tot de grens van haar financiële kunnen.

Dat is noodzakelijk opdat meer mensen ook in de toekomst in een schoner milieu kunnen leven.

De verantwoordelijkheid van de overheid voor welzijn en volksgezondheid wordt deze jaren herijkt. Het kabinet is bezig met een herwaarderen van onze verzorgingsstaat. Bij de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening gaat het er allereerst om deze zo in te richten dat er minder druk ontstaat op ziekenhuizen, verpleeghuizen en bejaardenoorden.

De zorg op maat, dicht bij huis, moet daarom voorrang krijgen: dan zal er ook minder behoefte zijn aan steeds meer en kostbaarder medische voorzieningen. Burger en samenleving zullen meer ruimte krijgen om — ook via hun gemeente en provincie — invloed uit te oefenen op de aangeboden welzijnsvoorzieningen en weer zelf een grotere eigen verantwoordelijkheid te dragen. Daarop zijn de te behandelen wetsontwerpen gericht.

De laatste jaren zijn met betrekking tot andere overheidstaken grote zorgen naar voren gekomen.

Het gaat daarbij met name om de veiligheid van de burger en het functioneren van de rechtsstaat. De criminaliteit moet worden teruggedrongen. Daarvoor zijn nodig een goed toegeruste politie en rechterlijke macht, en voldoende mogelijkheden om straffen ten uitvoer te leggen. De capaciteit van het gevangeniswezen zal worden uitgebreid.

Bij alles wat de overheid doet om de veiligheid van de burger te vergroten en diens vertrouwen in de rechtsorde te behouden, ontkomt zij niet aan het stellen van prioriteiten.

Het behoud en de verbetering van de rechtsstaat vergen, naast duidelijker en scherper optreden tegen criminaliteit en vandalisme, goede wetgeving. De ware vrijheid luistert naar wetten. Maar dan moeten die wetten wel van wezeniijk belang zijn, niet onnodig ingewikkeld en in de praktijk te handhaven. In feite komt het er dus op neer, dat wij tegeiijk ons stelsel van wetten moeten toetsen op wat overbodig is — de zogenaamde deregulering — en, daar waar nodig, nieuwe wetten maken.

Tevens dienen wij de naleving van de wet weer cen groter gewicht toe te kennen.

Tot de zorgen om de rechtsstaat hoort vandaag helaas ook de zorg om uitingen van discriminatie naar herkomst, huidskleur of ras. Daar moeten wij ons duidelijk tegenover opstellen. Politie en Openbaar Ministerie zullen actief blijven optreden. Het terugdringen van achterstanden van minderheden krijgt het komend jaar een bijzonder accent door de indiening van het wetsontwerp tot het verlenen van kiesrecht aan niet-Nederlandse ingezetenen.

Bij de inspanningen om in ons land inhoud te geven aan cen rechtvaardiger en veiliger wereld, wisselen licht en schaduw elkaar af; maar er is meer om dankbaar voor te zijn. Dat is een stimulans te meer onze internationale verplichtingen — ons samenleven en samenwerken met andere volkeren — goed in het oog te houden. Allereerst geldt dit binnen het Koninkrijk zelf, waar de regering haar volle medewerking zal blijven verlenen aan de uitwerking van de resultaten van de Rondetafelconferentie met de Nederlandse Antillen.

Tezamen met de andere lid-staten van de Europese Gemeenschap werken wij aan een Europa dat geloofwaardig is voor zijn burgers. Aan dit streven zal ook de 40-jarige Benelux-samenwerking bijdragen. Het gaat om een Europa zonder grensbelemmeringen, met een echt vrij verkeer van personen, goederen en diensten; een Europa waarin ook de wil heerst nieuwe technologieën gezamenlijk te ontwikkelen en toe te passen.

Slechts zo zal het kunnen komen tot een krachtige Gemeenschap, straks uitgebreid met Spanje en Portugal.

Onder dreiging van toenemend protectionisme biijft de ontwikkeling van de wereldeconomie grote inspanning vragen. Met name de internationale schuldenproblematiek, verscherpt door de voortdurend hoge rente, is ontwrichtend voor een aantal landen. Hoewel er lichtpunten in de derde wereld te zien zijn, blijven armoede, honger en een groot gebrek aan werkgelegenheid, toch kenmerkend voor de situatie in tal van ontwikkelingslanden, vooral in die met de laagste inkomens.

Wij zullen onze beste krachten en mogelijkheden blijven inzetten voor een duurzame oplossing. Daarom blijft de hulpinspanning anderhalf procent van het netto nationaal inkomen. Dit komt in de allereerste plaats ten goede aan de ontwikkelingslanden, maar levert op langere termijn ook een bijdrage aan onze eigen welvaart.

Om de vrijheid te behouden en de vrede te bewaren blijft een geloofwaardige en samenhangende westelijke defensie onmisbaar. In de Defensienota is uiteengezet hoe onze krijgsmacht hieraan de komende tien jaar zal bijdragen. Tegeiijk dienen de pogingen van ons bondgenootschap om te komen tot wezenlijke ontspanning en beteugeling van de wapenwedloop, te worden voortgezet, zeker nu de verhoudingen tussen Oost en West zo kil zijn en vervuld van wantrouwen.

Naast de wapenbeheersing zullen menselijke, culturele en economische contacten de ontspanning moeten bevorderen.

Met het besluit inzake eventuele plaatsing van kruisvluchtwapens op Nederlands grondgebied, heeft het kabinet een uiterste poging willen doen om wapenbeheersing een kans te geven, zonder de solidariteit met bet bondgenootschap te beschadigen. Helaas zijn er tot nu toe geen aanwijzingen dat de Sovjet-Unie de verdere uitbreiding van haar SS 20-arsenalen zal staken, dan wel bereid is, naar de onderhandelingstafel terug te keren.

Leden der Staten-Generaal,

Langzaam maar zeker geraken wij met economie en werkgelegenheid uit het slop. Dat rechtvaardigt een voortgaan op de ingeslagen weg. De regering is daartoe vastbesloten. Van de kwaliteit van ons leven en werken kunnen wij iets goeds maken. Dat vraagt wel bijzondere inspanningen.

Volgend jaar herdenken wij dat ons land veertig jaar geleden werd bevrijd. Dit is reden tot dankbaarheid, maar dat is niet genoeg.

Laten wij ons vrede en vrijheid waardig tonen. Wij moeten oorlog voorkomen, maar vooral ook vrede inhoud geven in ons land en over de grenzen heen. Bij alle verschillen van inzicht is dit onze gezamenlijke opdracht. Daarbij zijn aan U, volksvertegenwoordigers, veel taken en zorgen toevertrouwd.

Van harte wens ik U toe dat Gods zegen op Uw werk rust.