Vergif/I

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vergif van Alexander Lange Kielland

I

II
[ 5 ]
 

I

Kleine Marius zat braaf en stil in de bank. De heel groote donkerbruine oogen gaven het bleeke gezichtje een uitdrukking van beschroomdheid; en als hij onverwacht een vraag kreeg, dan werd zijn hoofd vuurrood en begon hij te stamelen.

Kleine Marius zat in op één na de laatste bank en een beetje krom; want er was geen rugleuning en het was streng verboden om achterover te leunen tegen de volgende bank.

Het was het uur van de aardrijkskunde, van elf tot twaalf, op een warmen Augustusdag na de vacantie. De zon scheen in den tuin van den rector en op de vier groote appels aan zijn kleinen appelboom. De blauwe gordijnen voor het verste raam waren dichtgetrokken, maar bij het andere had Abraham zich heel vernuftig met strepen van inkt op de vensterbank een zonnewijzer [ 6 ] gemaakt. Hij seinde juist aan de vragers in de klasse dat het al over half twaalf was.

"Meer steden"—riep de adjunctleeraar van den katheder en hij blies in een veeren pen.—Hij was een specialiteit in het vermaken van veeren pennen en in alle klassen waar hij les gaf, lag een net klein hoopje veeren pennen, die niemand behalve de rector ooit gebruikte.

Maar het kostte adjunct Borring moeite om die goed te houden. Het gebeurde toch heel dikwijls dat een ontaard leerling in het vrije kwartier de pennen bijeen zocht, die in een inktpot stopte of er zóólang mee rondliep tot de punten naar alle kanten uitstaken en de schachten vol inkt zaten.

Als Borring dan den volgenden keer in de klasse kwam en uitriep: "Neen, maar! goede God, wie heeft mijn pennen bedorven?" dan antwoordde de heele klasse vast en éénstemmig: "Aalbom!"

Want het was een bekende zaak dat adjunct Borring en adjunct Aalbom elkaar innig haatten.

De adjunct krabde de penneschachten af en blies de fijne witte en zwarte spiraaltjes over den katheder.

"Meer steden"—daarbij riep hij een kleinen zegenwensch over het hoofd van Aalbom af—"meer steden—meer steden!"

Voor de rest was het doodstil in de klasse; want van daag werd de achterste bank [ 7 ] ondervraagd en die gaf nooit een antwoord. Dat wist iedereen wel, maar ter wille van den vorm werden zij toch eens in de maand overhoord, want zij moesten toch een nummer op hun lijst hebben.

En de vier of vijf jongens die daar zaten, zagen er ook niet naar uit alsof het hun veel kon schelen of er al of niet geantwoord werd en daarom was er ook niemand in de hoogere banken die zich aan gevaar wilde blootstellen door het hun voor te zeggen.

Alleen wie juist ondervraagd werd was onrustig en plukte aan de kaart die gesloten vóór hem op den lessenaar lag; want onder het overhooren moest zoowel hij die een vraag kreeg als hij die naast hem zat, zijn atlas sluiten.

"Op de kaart is er geen kunst aan aardrijkskunde," zei Borring.

Tegen zijn gewoonte had de lange Tolleiv van daag juist een beetje geleerd; het moesten steden in België zijn; hij had die thuis tweemaal en op school nog eens overgelezen.

Maar de stilte telkens wanneer de adjunct zei: "meer steden"—de erg onvaste herinnering aan die steden van België, nu Brussel al genoemd was en het ongewone dat er voor hem in lag om te antwoorden,—dat alles sloot hem den mond hoewel hij minstens nog één stad zeker wist; hij zat den naam stil in zich zelf te prevelen maar [ 8 ] durfde den mond niet open doen; misschien was het wel heel gek en dan zouden ze er allen als gewoonlijk om lachen; het beste was maar om te zwijgen.

De overigen van de achterste bank wachtten met kalme gelatenheid hun lot af. Het waren de grootste en sterkste jongens van de klasse; zij wilden later naar zee en bekommerden zich niet in het minst om een lijst. Er was er maar één bij die het aardrijkskundeboek onder de tafel hield en nog een beetje van de belgische steden en van wat er volgde, trachte te leeren.

Kleine Marius zat braaf in zijn bank en met groote oogen volgde hij oplettend den leeraar, terwijl hij bezig was met iets onder zijn lessenaar—als legde hij ergens knoopen in en als trok hij die met al zijn macht stijf aan.

Er was dus weinig leven in de klasse op dat warme middaguur; ieder was bezig op zijn manier. Sommigen deden niets en zaten met de handen in de zakken in de lucht te gapen; een schreef er latijnsche aanteekeningen achter een berg boeken; een ander had zijn hoofd op zijn armen gelegd en sliep kalm; bij het raam zat er een te staren naar de vier appels van den rector en fantaseerde er over hoeveel er wel aan den anderen kant van den boom zouden zitten, dien hij niet kon zien en in hoe verre het wel mogelijk zou [ 9 ] zijn om 's avonds, als het donker was, over den muur te klimmen.

Twee hadden er een compagnieschap aangegaan over een groote kaart van Europa, waarop zij zeilden met scheepjes van splinters, die zij onder van de bank trokken. Er stond een drommelsche Zuidwester in het Kanaal zoodat beiden—de "Freia" en de "Hoop van het Huisgezin"—boven Schotland moesten gaan. Maar beneden bij Gibraltar lag er een ander op den loer met een lang gehalveerd potlood dat hij in den inktkoker gedoopt had; dat moest een Algerijnsch zeeroover voorstellen.

"Meer steden—meer steden!"

"Nàmur", zei Tolleiv plotseling.

De halve klasse keek verbaasd om en één jongen van op een na de achterste bank was zelfs zóó indelikaat, dat hij zijn hoofd heelemaal onder den lessenaar van Tolleiv stak om te zien of hij een aardrijkskundeboek op zijn knieën had.

"Namùr—niet Nàmur," zei de adjunct kort en keek in het boek vóór zich; "neen, dat komt nog niet. Er zijn—laat eens kijken—er zijn nog drie steden vóór dat die komt die je daar noemde; welke drie steden zijn dat? nu!—welke drie steden zijn dat?"

Maar Tolleiv was nu aan het eind van zijn weten; hij verzonk in een stompe [ 10 ] hoofdigheid en nam er niet de minste notitie van, hoe dikwijls ook nog de adjunct in een penneschacht blies en zei: "welke drie steden zijn dat?"

Kleine Marius was zeker gereed met zijn geheimzinnig werk onder den lessenaar; want op eens wierp hij zijn buurman iets toe en verstopte daarop zijn gezicht zóó in zijn handen dat alleen zijn oogen van den een naar den ander gingen.

De buurman stuurde wat hij gekregen had naar wie naast hem zat en zoo ging het de heele klasse door; sommigen lachten, anderen namen het kalm op als waren ze er aan gewend, stuurden het verder en gingen dan voort met hun bezigheid, wàt die ook wezen mocht.

Maar Abraham was bezig met het verbeteren van zijn zonnewijzer in de vensterbank en toen zijn buurman hem een blauw bundeltje toewierp, werd hij boos. Hij kende die ratten van Marius, van een blauwen zakdoek gemaakt, zoo heel goed en die verveelden hem zóó dat hij eenvoudig de rat greep en die zonder zich om te keeren over de heele klasse gooide.

Maar nu trof het dat die zakdoek van Marius juist in het hartje van Spanje neerkwam en zeeroover en koopvaardijschepen naar den grond veegde, terwijl de twee die juist midden in een spannend gevecht voor Gibraltar waren, in hun bank opsprongen.

[ 11 ] Dat stoorde den adjunct: „Wat was dat?"

„Een rat", werd er dadelijk geantwoord. Maar toen nu de welbekende rat van Marius van den grond werd opgenomen, barstte de heele klasse in lachen uit; want Marius was een erkend meester in het maken van ratten;—vooral van een soort met ooren.

Maar de adjunct werd boos: „foei, Marius!—ben je daar weer aan den gang met die malle ratten; ik dacht dat je nu toch welhaast dergelijke kinderstreken ontwassen waart."

Marius kreeg zijn zakdoek terug en begon flauwtjes de knoopen los te maken; maar toch moest hij meer dan eens een lach smoren; hij had het zoo heel mal gevonden toen Abraham de rat gooide.

De adjunct zag naar de klok; het uur spoedde ten einde; hij legde zijn geliefde veeren pennen weg, blies den katheder schoon, knipte het mes dicht en greep het boek.

„Nu, Tolleiv! je weet niets, je weet nooit iets.—Jij dan maar, Reinert! Kun je me steden in België opnoemen, behalve Brussel?—Namur is ook genoemd—nu, meer steden,—meer steden! Jij ook niet?—Neen, natuurlijk; jelui bent allemaal van 't zelfde allooi daar achteraan. Jij dan Sörensen! meer steden in België behalve Brussel—nu?—zoo!"

[ 12 ] "Het uur is om," riep de pedel aan de deur.

"Ja, daar zie je het nu al, zoo gaat het! hier zitten we nu uur in uur uit en gooien onzen tijd weg voor die luilakken daar achteraan, die niets willen leeren; er is niets wat invloed op jelui heeft, behalve een flink pak ransel en als ik de baas was, dan zou je dat krijgen!"

Daarop gaf hij allen haastig een cijfer en riep te midden van het lawaai dat er nu in de klasse ontstond: "den volgenden keer tot aan de rivieren van Frankrijk."

"Rivieren van Frankrijk" klonk het over de heele klasse. No. 1 maakte met zijn nagel een teeken in zijn boek; Abraham lei een groot ezelsoor; twee broers die samen deden met één boek, liepen onrustig rond om vooral heel precies te weten te komen tot hoever zij moesten gaan.

"Tot aan de rivieren van Frankrijk," riep Reinert en hij liet met opzet een groote inktvlek als merkteken in zijn boek vallen, dat hij daarop dadelijk sloot om de inkt toch goed naar alle kanten te laten plakken.

Kleine Marius keek met schrik en bewondering naar hem.

Van twaalf tot één moest de klasse gesplitst worden. Zij die niet voor de studie bestemd waren en daartoe hoorde natuurlijk heel de achterste bank, bleven daar om engelsche les te [ 13 ] krijgen, terwijl de latinisten hun boeken bijeen zochten en naar een ander schoolgebouw gingen.

De lagere klassen die daar anders huisden, gingen namelijk om twaalf uur weg, zoodat de latinisten voor het laatste uur een van die lokalen konden gebruiken. Met Abraham aan het hoofd baanden zij zich, een stuk of tien in getal, een weg door den hoop van kleintjes die gangen en trappen overstroomden.

"Fidonc!" riep Abraham toen zij eindelijk het lokaal op de tweede verdieping bereikten dat zij hebben moesten; "hier mag wel eens goed gelucht worden na al die stinkdieren!"

Alle ramen werden opengezet en de enkele achtergebleven stinkdieren die nog in hun lessenaars schommelden, onbarmhartig op de gang gegooid. Zoo vaak er een uitgeworpen werd ging er daar buiten onder de kleintjes een wild wraakgehuil op; maar de latinisten gaven daar niet om; zij sloten hun deur en dikke Morten,—die geduldig den bijnaam van "de Reactionnair" droeg—waarom was niet echt duidelijk,—werd op wacht gesteld.

Want de overmoedige stinkdieren die op hun aantal en op de trappen bouwden, wierpen elkaar tegen de deur en rammelden met het slot.

No. 1, die altijd dappere redevoeringen hield, sloeg een uitval voor van het gezamenlijke leger [ 14 ] der latinisten; maar de stemming was niet oorlogszuchtig. Abraham zat in den katheder en morrelde met den sleutel; hij had zich in 't hoofd gehaald om de gedragslijst van de stinkdieren te willen zien.

Maar op eens weerklonken er daar buiten luide triomfkreten. Morten de Reactionnair keek om de deur en riep verschrikt tegen zijn vrienden: "Te hulp! ze hebben de rattekoning gevangen!"

Abraham viel uit den katheder; de anderen volgden; No. 1 het laatst; kleine Marius was in handen van de stinkdieren gevallen.

Kleine Marius was het troetelkind van de latinisten; hij was niet grooter dan een gemiddeld stinkdier en wou maar niet groeien; daarom werd hij altijd in bescherming genomen.

Maar vandaag hadden ze hem vergeten, terwijl hij zijn gewichtige aanteekenboekjes zocht. En toen hij nu kwam om bij zijn kameraden binnen te gaan, werd hij door dertig kleine zwarte handen bij armen en beenen gegrepen en van de deur weggetrokken; en nu tuimelde kleine Marius rond tusschen zijn vijanden, boven wie hij juist zóó ver uitstak dat men de groote vertwijfelde oogen kon zien en een paar dunne armpjes waarmee hij in de lucht schermde.

Maar ze stompten hem op zijn maag en ze trokken hem terug; ze grepen hem in het haar [ 15 ] en in de oogen en gooiden hem zijn eigen boeken naar het hoofd, terwijl zijn dierbare aanteekenboekjes al aan losse bladen door de lucht vlogen.

Dat alles nam een snel en geweldig einde toen de latinisten naar buiten stormden; de kleintjes werden op zij geworpen en verdwenen achter deuren of op trappen, terwijl de bevrijde Marius door zijn vrienden werd meegevoerd. Maar nauwelijks hadden de latinisten de deur gesloten of de gang was op nieuw vol jubelende stinkdieren.

"Wraak!" riep Abraham.

"Ja, wraak, wraak!" herhaalde No.1 en trok zich een beetje terug.

"Jij moet de vertoornde Achilles zijn!"

"Goed," antwoordde kleine Marius met schitterende oogen.

Als Marius de vertoornde Achilles was, dan zat hij op Abrahams schouders en hieuw van boven af met een lang liniaal onbarmhartig op de hoofden van zijn doodsvijanden.

De latinisten grepen naar de wapenen. De lessenaars werden geplunderd om linialen; de slingeraars en de boogschutters voorzagen zich van stukken krijt uit den bak van het schoolbord: zelfs No. 1 nam een heel klein liniaaltje, dat hij onder heftige aanmoediging rondzwaaide—heel [ 16 ] aan 't andere eind van de kamer en achter den katheder.

Abraham ontwikkelde inderhaast zijn plan. Zoodra de vertoornde Achilles het teeken gaf, zouden zij den oorlogskreet aanheffen, Morten de Reactionnair zou de deur openen, de boogschutters en slingeraars zouden een regen van pijlen en steenen uitzenden, terwijl de ruiterij, gevolgd door de zwaar gewapende voetknechten, zich op den vijand zou werpen om hem van de hoofdtrap af te snijden; daarna zou men rustig en gemakkelijk de uiteengeslagen stinkdieren kunnen vermeesteren en hen een voor een terechtstellen.

Alles was klaar en in den algemeenen ijver lette niemand er op dat het daar buiten in de gang heel stil was geworden. De vertoornde Achilles zette zich te paard en plotseling hieven de latinisten hun vreeselijken strijdkreet aan. Morten de Reactionnair trok de deur open, een regen van projectielen verduisterde de lucht; speerknechten en aanvoerders rukten in looppas uit, maar aan het hoofd van alleen dreef de vertoornde Achilles zijn paard aan en zwaaide zijn zware lans.

Maar een stilte—plotseling, scherp als een bliksemstraal van den hemel,—diep en van onheil zwanger als kwam zij uit de onderwereld—verving het woeste wapengekletter en deed de [ 17 ] aan overwinning gewende scharen der latinisten als vastgenageld staan.

Want midden in de wijd geopende deur stond een klein, dik mannetje in een dichtgeknoopte grijze jas, met een groene muts met kleppen en met een bril op; en midden op zijn borst een groote krijtvlek ten gevolge van een uitstekend gerichten slingerworp.

Sprakeloos keek hij van den een naar den ander. No. 1 zat al lang met zijn rug naar alles gekeerd en zijn neus in de grammatica; de slingeraars lieten hun krijtstukken vallen, de zwaar gewapende voetknechten hielden hun linialen op den rug; maar de vertoornde Achilles trok zijn beentjes op, kromp ineen en gleed als een egel langs Abrahams rug naar beneden.

"Ja, ik zal jelui leeren!" riep de rector eindelijk, toen hij zijn spraak terug had, "ik zal jelui leeren om zooveel lawaai en spektakel te maken en allerlei woestheid uit te halen! Wat was dat nu? Wie heeft er aan meegedaan?—er zal nu eens flink gestraft worden! Jij, Broch, jij hebt toch niet meegedaan?"

"O neen," antwoordde No. 1 met een braaf lachje.

"Maar Marius—Marius, jij waart er bij!?" riep de rector bitter; want kleine Marius was zijn lieveling; "hoe kon je toch tot zoo iets komen? [ 18 ] op Abrahams rug—wat moest je daar?—antwoord!"

"Ik moest den vertoornden Achilles voorstellen," antwoordde kleine Marius met bevenden mond, terwijl hij zijn oogen angstig opsloeg.

"O was het dat!—hm! dus jij zou de vertoornde Achilles zijn? ja, daar zie je me net naar uit! juist zóó heb ik hem mij altijd voorgesteld"—de rector moest naar 't raam gaan om zijn ernst te bewaren, maar de heele klasse begreep best dat het onweer voorbij was.

Intusschen stonden ze allen met deemoedige gezichten te luisteren naar de kleine boetpredikatie die de rector ten beste gaf, voor hij den leeraar die het toezicht moest houden, ging opzoeken. Want het was maar al te duidelijk dat zulke wanordelijkheden alleen dàn plaats konden vinden, wanneer hij die surveillance had, zijn plicht verzuimde.

En dat was het niet een vreugd en een blijdschap des harten voor adjunct Borring om den rector mee te kunnen deelen dat adjunct Aalbom het toezicht had en dat die, voor zoo verre hij wist, naar het Athaneum aan den overkant was gegaan om kranten te lezen.



Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Vergif/I&oldid=49366"