Album der Natuur/1853/Natuurlijke Gesteldheid Drenthe, van Hall

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Schets der natuurlijke gesteldheid van een deel van Drenthe (1853) van Herman Christiaan van Hall
'Schets der natuurlijke gesteldheid van een deel van Drenthe' werd gepubliceerd in Album der Natuur (tweede jaargang, 1853), p. 19–30. Dit werk is in het publieke domein.


[ 19 ]

SCHETS

DER

NATUURLIJKE GESTELDHEID

VAN

EEN DEEL VAN DRENTHE.

DOOR

Prof. H. C. VAN HALL.

 

 

De oostelijke zijde van Drenthe is weinig bekend, en levert evenwel, in haren natuurlijken toestand, veel eigenaardigs op. Het kwam mij daarom voor, niet ondoelmatig en met de strekking van dit Werk allezins overeenkomstig te zijn, indien ik van het eigenaardige dier landstreek een beknopt overzigt gaf, ten einde den algemeenen indruk, dien het land op mij maakte, weder te geven; zonder evenwel op volledigheid aanspraak te maken, dat, bij een onderwerp van dezen aard en in een kort bestek, ook wel niet mogelijk zoude zijn.

De aanleiding hiertoe was een klein reisje, onlangs door die streken gedaan, en vroegere aanteekeningen in diezelfde oorden door mij gemaakt. Ik wilde vooral ook hiermede de aandacht der medewerkers in het Album vestigen op de natuurlijke gesteldheid van Nederland, als in vele opzigten zeer geschikte onderwerpen ter behandeling opleverende. Wanneer elk reiziger, die met eenige deelen der Natuurlijke Historie of met aanverwante vakken bekend is, op kleinere of grootere reizen opteekent en later mededeelt, wat hem der aandacht waardig is voorgekomen, zouden hieruit welligt belangrijke bijdragen voor de regte kennis der Natuur kunnen ontstaan; bijdragen, die voor ons, Nederlanders, een dubbeld belang zouden hebben.

De oppervlakte van Drenthe bestaat, behalve daar, waar zij met veen bedekt is, geheel uit gronden der vloedvorming (diluvium), kenbaar onder anderen aan de vele gerolde steenen van verschillende [ 20 ] formatiën, welke hier door elkander geworpen zijn en bijkans alle eene ronde afgesletene gedaante vertoonen. Men vindt deze hier dan ook in eene overgroote hoeveelheid verspreid, vooral graniet en aanverwante steensoorten, vuursteen enz., allerlei kleuren en soorten van steenen in elkanders onmiddellijke nabijheid. Het is uit grootere zoodanige gerolde steenen, dat de Hunebedden op elkander gestapeld zijn, waarvan men er fraaije en groote vindt te Borger, Tinarlo, Sleen, als ook kleinere te Midlaren, te Anne enz.

Zonderling, dat de grootste massa's steen zich in Drenthe juist in de hoogste streken geheel aan de oppervlakte vertoonen. Althans op het hooge Ellertsveld, bij Gasselte, Drouwen, Borger, Rolde enz. vindt men de oppervlakte dikwijls met steen als bezaaid. Tusschen Gieten en Gasselte en bij Borger en op meer andere plaatsen waren vele velden thans geheel en al omgewoeld, en zag men de hoopen daaruit opgedolven steenen, in de verte, als digt bij elkander liggende mesthoopen, op het veld liggen. Men doet dit, deels om het land tot kultuur te brengen, deels omdat die steenen vrij goed betaald worden: de groote voor de zeeweringen, de kleinere om die stuk te slaan en voor de macadam-wegen te gebruiken. Met dit stukslaan was men op vele plaatsen bezig en het ware te wenschen, dat de voornemens, die tot dat oogmerk in Drenthe bestaan, spoedig verwezenlijkt werden. Wanneer b.v. de weg, die onlangs door mij bereisd is, van Groningen over Zuidlaren, Gieten, Gasselte, Borger, Odoorn, Sleen en Dalen naar Koevorden, die nu nog slechts van Groningen tot Zuidlaren bestraat is, geheel en al een steenweg was, zoude dit een veelbezochte weg naar Koevorden—welke plaats door kanalen, die zich daar zullen verbinden, eerlang van meer gewigt zal worden—en naar de badplaats Bentheim, en tevens een der fraaiste wegen van ons land kunnen worden; daar men hier meest, althans van het fraaije Zuidlaren over Gieten en Borger tot Odoorn toe, den zoom der hoogere gronden bereist en oostwaarts, over de lagere, door het stroombed der Hunze en van het Exloosche diep doorsnedene streken, heerlijke uitzigten geniet. De genoemde weg is een hooge rug als het ware, meerendeels tusschen de stroompjes de A en de Hunze, aan het noordelijk uit[ 21 ] einde van welken rug, op den Hondsrug, de stad Groningen gelegen is. Men berekent, dat, wanneer Drenthe door kanalen is doorsneden, met welken arbeid men werkelijk aangevangen is, dit gewest vele honderdduizenden lasten steen zoude kunnen opleveren: terwijl hierdoor tevens de toegang zoude geopend worden tot ongeveer 40,000 bunders hoog veen, welke nog vooral in het Zuid-Oosten van dit gewest gevonden worden, en waaruit reeds, meer in het Noorden en midden dezer landstreek, aanzienlijke dorpen, als de Smilde, Zuidlaarderveen, Annerveen, Gieterveen, Gasselternieuwveen, Nieuw-Buinen en vooral Hoogeveen, het laatste met 7,000 inwoners, ontstaan zijn. [1]

Te Sleen, Drouwen en op meer andere plaatsen, ziet men de wallen der akkers van zoodanige steenstukken van 3 tot 6 voeten breedte en hoogte opgezet, even als men b.v. te Bentheim de afscheidingen der velden meest geheel van gehouwen steen gemaakt ziet.

Tusschen die gerolde steenen, hier keijen of flinten geheeten, vindt men zand, veen en leem; het eerste en laatste waarschijnlijk uit de overblijfselen van die en andere steenen gevormd. Niet zelden toch vindt men, zelfs op de oppervlakte van den bodem, steenen, waarvan een gedeelte, dat het overige zamenhield, opgelost en dus de steen geheel en al los en brokkelig geworden is.—Bij het graven van een vijver, voor eenige jaren, in den landhuishoudelijken tuin te Groningen, op de noordelijke afhelling dierzelfde grondvorming gelegen, vond ik eenige gerolde steenen, volkomen hard en in hunnen natuurlijken toestand; andere daarentegen geheel en al als vermolmd, zoodat men ze met de hand fijn konde wrijven en zoo den oorsprong van de aarde uit zoodanige steensoorten aanschouwelijk aanwijzen. De arbeiders, die bij dat werk tegenwoordig waren, verklaarden die zaak op hunne wijze, zeggende, dat dit zeer natuurlijk was: "de eerste toch waren nog levende; de laatste reeds gestorven!"

Bij Frederiksoord en op meer andere plaatsen in Drenthe houdt men het voorkomen van gerolde steenen als een vrij stellig teeken, [ 22 ] dat daar ook leem zal gevonden worden, hetgeen zich dan ook uit de zamenstelling van de meeste dier steensoorten wel laat verklaren. Dat dit leem veel tot verbetering van den grond dient, als ook dat zand- en veengronden hiermede vermengd eene grootere waarde verkrijgen, en dat het met nut tot dorschvloeren dient, is bekend. Minder, dat men er op sommige plaatsen steenen van bakt. Daar men dit leem echter hier zelden in uitgebreide lagen aantreft, raken zulke gronden voor de steenbakkerijen spoedig uitgeput. Zoo bestond er voor eenige jaren eene steenbakkerij bij Weerdinge, welke ik echter niet weet of daar thans nog aanwezig is. Nog dezen zomer werd mij eene voormalige steenbakkerij, waarschijnlijk van gelijksoortig leem uit de vloedvorming, bij Hoog Soeren (Gelderland) aangewezen. Ook in Overijssel, vindt men het leem der vloedvorming doorgaans slechts in kleinere klompen, in tegenstelling der zeer uitgebreide en diepe lagen leem uit de tertiaire vorming.

Klei vindt men, zoover ik weet, in Drenthe niet, zoodat de bouwaarde overal zand is, doch veelal vrij vruchtbaar zand, deels door de vermenging met leem, deels door die met veen. Door de laatste vermenging beloonen de meeste heiden zeer wel de moeite der ontginning, wanneer die met kennis van zaken geschied is. De verdeeling der marken (gemeente-gronden), die in vele streken reeds plaats gehad heeft, zal, bij de voortgaande uitbreiding van goede wegen en vaarten, aan het land een geheel ander aanzien geven. Waar die marken echter thans nog bestaan, belet hun gemeenschappelijk bezit alle verbetering. Het zijn of lage graslanden, of, het meest, heidevelden, welke laatste onafzienbare golvend op en neder gaande vlakten uitmaken, van de sporen der dagelijks huiswaarts keerende schapen met bijkans evenwijdige lijnen doorsneden, of dienende tot het heide afmaaijen (voor het maken van bezems, boenders enz., of tot brandstof), of tot het steken van plaggen voor mestvermeerdering. Zoodra er zich eenige teelaarde door den wasdom der heidestruiken en andere planten gevormd heeft, wordt deze weder weggenomen en alle toeneming van vruchtbaarheid alzoo belet. Om eenige, naar evenredigheid weinige, bouwakkers of zoogenaamde essen te bemesten, blijven zeer uitgestrekte [ 23 ] velden hier woest liggen; want het gebruik, dat tot schaapsweide daarvan gemaakt wordt, is, in de hoofdzaak, ook alleen tot mestvermeerdering voor de essen.

Dat plaggen-steken is somtijds ook de oorzaak der zandverstuivingen, die op het uiterlijk aanzien van het landschap eenen hoogst treurigen invloed uitoefenen, doch welke men hier en daar door het planten van drie tot vierjarige dennen (met de kluit) met goed gevolg gestuit, en zoo de goede gronden voor overstuiving en verder bederf bewaard heeft. Er is echter een kleine heester, die in geheel Drenthe van overgroot nut is, om het stuivend zand vast te houden en zoo de verdere uitbreiding dier verstuivingen te beletten. Het is de Besheide (Empetrum nigrum), zoo groot als een kleine heidestruik en ook met een smal blad, maar aan hare blijder groene kleur en hare besachtige vrucht gemakkelijk te onderscheiden. Zij groeit geheel in het beweeglijke zand, en hoe dikwijls ook overstoven, groeit zij telkens weder door het zand heen, zoodat zij dikwijls als het ware ronde kussens van eene levendig groene kleur tusschen het dorre stuivende zand vormt.

Albumdernatuur53 439.png

Zij behoort geheel tot de eigenaardigheden van Drenthe, wijl zij daar bijna overal in het stuivende zand wast en hare nuttige strekking in het oog vallend [ 24 ] is. Waar de zandgrond door verstuiving het meest woeste aanzien verkregen hebben, is men ook bijna zeker dit gewas, in onophoudelijken strijd tegen de zandverstuivingen, aan te treffen.

Eigenlijke duinen zijn minder algemeen. Men ziet ze evenwel bij Havelte (in het Westen van Drenthe), bij Gasselte enz.

Tot het eigenaardige van Drenthe, in verband met het vroeger gezegde, behoort mede de hooge ligging der bouwlanden en de lage ligging van vele wegen, die als zoo vele holle wegen de vruchtbare korenakkers doorsnijden.

Albumdernatuur53 440.png

Deze eigenaardige ongelijkheid is ontstaan: 1° uit de, sedert eeuwen welligt, jaarlijks voortgezette bemesting der essen (roggeakkers) met heideplaggen, waardoor jaarlijks eenige zanddeelen op die bouwlanden gebragt en de heidevelden, al is het dan ook weinig, evenwel jaarlijks iets verlaagd worden; 2° uit het opwaaijen en wegstuiven der in de wegen, door het berijden derzelve, opgewoelde zand. Vandaar de diepte van elk, ook het kleinste, wagenspoor in de heide, en dat men dikwijls kleine zandmuren, door de begroeide bovenkorst bijeen gehouden, ziet—overblijfselen van eenen hoogeren bodem, waar tusschen al het lossere zand is weggewaaid.

De genoemde essen worden bijkans alleen met rogge (meest winter- doch ten deele ook zomerrogge) beteeld. Men ziet soms vele tientallen [ 25 ] bunders rogge aaneen liggen, in akkers, wel behoorende aan verschillende eigenaars, maar alleenlijk afgescheiden door losse steenen, ter aanwijzing van ieders eigendom. Er bestaan dan ook sommige bepalingen op de behandeling der essen, b.v. omtrent den tijd van het maaijen der rogge enz., ten einde bij dit, eenigzins gemeenschappelijk gebruik dier velden, de een den ander niet zoude hinderen.[2] Zoo ook op hunne bemesting, dat op vele plaatsen geschiedt door kudden schapen, van 200, 400, zelfs tot 1000 stuks toe, op ieders land te perken, dat is in perken of omheiningen van palen met dwars-latten te plaatsen en deze perken telkens te verzetten, zoodat, naarmate van de verschillende in iedere gemeente heerschende bepalingen, de schapen een of meer nachten en een gedeelte van den dag op het veld, dan van den eenen, dan van den anderen boer, tot bemesting van den grond, vertoeven en waaromtrent de volgorde meest door het lot wordt bepaald.

Behalve rogge ziet men op de essen kleine plekken haver, zomergerst, boekweit (veel op rijen), aardappelen, cichorei, kapucijnererwten, de beide laatste b.v. bij Zuidlaren enz.; maar meestal wordt de rogge, zonder noemenswaardige afwisseling, tien en meer jaren achter elkander op dezelfde es gebouwd. Het is waarschijnlijk alleen door de bemesting met plaggen mogelijk geworden, zoovele jaren achtereen hetzelfde gewas op denzelfden akker te teelen. In de tuinen in de dorpen ziet men enkele vruchtboomen, meest appelen, voorts stamboontjes (bonte; bruine of gele), mangelwortelen enz.; al hetwelk echter op het uitwendig aanzien des landschaps weinig invloed heeft.

Meer invloed oefent daarop uit het geboomte, dat zich echter, behalve eenige dennenbosschen, meest bepaalt tot den eik. De toegangen tot bijkans alle dorpen en meest ook de binnenpleinen der dorpen of zoogenaamde brinken, zijn, vaak op eene schilderachtige [ 26 ] wijze, beplant met eiken, welke echter doorgaans niet zeer rijzig van stam zijn, deels omdat zij met hunne wortels in den ondergrond stuiten op steenlagen of oerachtige banken, waardoor zij den regel bevestigen, dat een boom des te rijziger omhoog zal schieten, naarmate zijne wortels dieper in den grond dringen,[3]; deels omdat deze boomen, vooral aan den zoom der heide, veel te lijden hebben van de vaak geweldige kracht der vlakte-winden, waardoor de voorposten, als het ware, dier eiken-aanplantingen dikwijls ook zeer laag en struikachtig zijn. Om de jonge eiken dan ook tegen dien heiwind te beschermen, ziet men ze aan hunnen voet met aarde en zoden 1 of 2 voeten hoog aangeaard, waardoor het zoo schadelijke heen en weder zweepen der stammen en het hierdoor telkens weder losraken der pas gevormde wortelvezels grootendeels belet wordt. Deze ophoogingen strekken zich echter niet verder uit dan ongeveer een voet aan elke zijde van den stam, waardoor de voor de jongste wortelvezels zoo noodige toegang van de lucht tot den grond niet wordt afgesloten.[4] Midden op de heide ziet men zeer dikwijls opslag van eiken, niet meer dan een of twee voeten hoog, door den wind en het vee telkens zoo kort gehouden, doch naar evenredigheid zeer ver over het veld heenkruipende. Voorts ontbreken elzen, berken, waterwilgen, ratel-populieren enz., elk op hunne eigene groeiplaatsen, aan het landschap niet.

Behalve de bekende twee soorten van heide (Erica) en de andere gewone planten der heidevelden, vindt men de brem, die in de Koloniën van Weldadigheid tot grondbemesting dient. De daar tusschen en tusschen de eikenstruiken dikwijls voorkomende fraai bloeijende basterdwederik (Epilobium spicatum) versiert het landschap. Ook vindt men de jeneverbes, die onder anderen bij Zuid-laren, Gieten, Borger, Odoorn, Sleen enz. veel voorkomt, de hulst [ 27 ] die door geheel Drenthe, maar meest bij de dorpen, met den sleedoorn enz. in de omheiningen der landerijen, b.v. bij Eelderwolde, Vries, Gieten, Odoorn, Dalen enz., gevonden wordt.

Het kleine Warkruid wast van Harendermolen in de prov. Groningen af door geheel Drenthe. Dit jaar althans zag ik het in menigte bij Gieten, Borger, Odoorn, Noord- en Zuidsleen, Dalen enz. Het vertoont zich als fijne, fraai rozenrood gekleurde draden, welke, als woekerplanten, de heidestruiken omslingeren en daaruit haar voedsel trekken, even als andere soorten van Warkruid (Cuscuta), die daarom ook wel eens duivelsch naaigaren genoemd worden. Ik zag uitgebreide plekken, vele voeten in het vierkant, door deze draden, als met een roodachtig, eenigzins glinsterend spinneweb, overtogen. Het heeft geene bladen, maar fraaije witte, vijfdeelige bloempjes, terwijl het, even als andere soorten van dit geslacht (de bekende Seide b.v. op het vlas), zich uit zaad in de aarde ontwikkelt, maar later alleen zijn voedsel trekt uit de gewassen, aan welke het zich vastgezogen heeft. Ik zag het alleen inwoekeren op de gewone of riegheide (Erica vulgaris) en op de kleine behaarde brem (Genista pilosa), zoodat hare soort-naam in het Latijn (Epithymum) minder gepast is, omdat zij niet voorkomt op de, hier anders mede niet zeldzame thijm. De rolklaver (Lotus corniculatus), alzoo genoemd naar de rolronde gedaante harer peulen, en de witte klaver kunnen, wel is waar, geene eigenlijke heideplanten, dat is voor de heidevelden bijzonder kenmerkende gewassen, genoemd worden; maar het verdient toch opmerking, dat deze beide uitmuntende voederplanten voor het vee zoo algemeen door ons Vaderland verspreid zijn. De eerste toch vindt men op de hoogste heiden, zoo hier als in het Gooiland, bij Zeist en Driebergen enz. maar ook in de lagere, vochtige, ja zelfs moerassige streken, waar zij veel grooter wordt en een geheel ander aanzien verkrijgt, zoodat men haar daar wel eens als eene afzonderlijke soort (Lotus uliginosus) beschreven heeft; terwijl zij een zeer gewoon zamenstellend deel van onze weilanden uitmaakt en aan al de wegen veelvuldig voorkomt. De laatste, de witte klaver, groeit op de heidevelden zoowel als op alle goede graslanden en langs de wegen; maar ook op de buitendijks aan zee [ 28 ] gelegene en van tijd tot tijd door den vloed bedekte weiden, waarvan zij een voortreffelijk zamenstellend deel uitmaakt.

De adelaars-varen (Pteris aquilina) heet alzoo, omdat het onderste bruinachtig deel der steng, daar waar het nog in den grond zit, op de dwarsche doorsnede eenigzins de gedaante van eenen dubbelen adelaar vertoont, gevormd uit de bruinachtig-zwarte vaatbundels die aldaar gevonden worden. Deze varensoort is slechts in enkele streken zeer algemeen. Bij Valte en Weerdinge zag ik haar voor eenige jaren zoo overvloedig en groot, dat het in de verte eiken hakhout geleek. Het werd daar afgesneden en, droog, in groote hoopen bij huis bewaard, om tot onderstrooijing van het vee en alzoo tot mestvermeerdering te dienen. In Gelderland, bij Putten, Ermello en elders, waar het zeer menigvuldig voorkomt, worden de zijblaadjes der bladsteelen afgestroopt, gedroogd en in balen ingepakt verzonden, om tot varen-bedden en kussens te dienen, waarvoor deze soort, wegens het eigenaardig veerkrachtige van haar zamenstel en eenigzins aromatischen geur, beter dan onze andere varensoorten geschikt is.

De veenen zijn in Drenthe of hooge veenen, zoo straks reeds vermeld, of het zijn lagere veenachtige of uit zand en veen vermengde gronden, zooals in den omtrek van Meppel en Koevorden. De eerste worden afgegraven en de daaronder overblijvende gronden zijn de zoogenaamde dallen of veenondergronden, meest bestaande uit zand en veen en soms ook opzettelijk met leem vermengd, waardoor een zeer geschikte grond voor de beteeling ontstaat. Voor dat zij echter afgegraven zijn, wordt de oppervlakte dikwijls, na voorafgaande branding (waardoor, vooral in Mei, de veendamp of heirook ontstaat), met boekweit bezaaid. Zulke boekweit is echter altoos veel minder dan zandboekweit, ja levert soms een armzalig gewas op, wanneer de grond door deze teelt reeds eenigermate uitgeput raakt. Immers de ondervinding heeft geleerd, dat het hooge veen, als het nog nooit met boekweit is beteeld, tien jaren achtereen kan beboekweit worden, dat het dan echter hiervoor uitgeput raakt, en weder 10—15 jaren rust behoeft, om dan nog weder eenige jaren, steeds alleen met boekweit, bezaaid te kunnen worden; terwijl de [ 29 ] tusschentijden van rust hoe langer hoe grooter moeten worden. Dit is alzoo eene niet veel opbrengende teelt, doch de duizenden bunders, die jaarlijks in Drenthe en de aangrenzende deelen van Overijssel, Friesland, Groningen en Oost-Friesland op deze wijze met boekweit worden bezet, maken dat deze teelt grooten invloed op de natuurlijke gesteldheid van de genoemde streken uitoefent. De veenboekweit wordt later gezaaid en later ingeöogst dan de meer gewone zand-boekweit. Bij invallende regens in het najaar zijn deze veenen dan ook zoo week, dat men met paard en wagen er niet door kan; waarom men den oogst vaak inzamelt op eene soort van sleden, terwijl den paarden houten klompen of schoeisels van stroo gevlochten (zoogenaamde stroomutsen) aan de pooten worden gedaan, om zoo, door de meerdere breedte der ondervlakte van den voet, het inzakken in dien sponsachtigen grond te beletten.

Boven op den nog onontgonnen veengrond vindt men de beide heidestruiken, berken, eene soort van kruiskruid (Senecio sylvaticus), russchen of biezen, slechte grassoorten enz., welke gewassen hun gebied dadelijk weder innemen, zoodra de grond voor de boekweitteelt minder geschikt wordt. In de veenen zelve vindt men vele overblijfselen van boomen: eiken, berken, aan hunne witte schors duidelijk te onderscheiden, hazelaren met hunne noten enz.; doch, wat inzonderheid voor Drenthe en aangrenzende streken kenmerkend is, eene overgroote menigte dennenhout, hetwelk geheel week en hierdoor vaak platgedrukt uit den grond komt, roodachtig van kleur is, en, onder den naam van kienhout, niet alleen om te branden, maar ook als eene soort van fakkels gebruikt wordt, zoodat de Drenthsche vrouwen dikwijls in de winteravonden bij eene in den wand gestoken spaan kienhout, zitten te spinnen. Men vindt dit in menigte in de veenen bij Roswinkel, Weerdinge, Valte, Gasselte, Gieten, Drouwen enz.; als ook, in het Zuid-oosten van Groningen, in het Westerwoldsche, bij Oostwedde, Vlagtwedde enz.

De lagere landen langs de stroompjes, die van uit het midden van Drenthe naar alle zijden, maar inzonderheid naar het Noorden en Zuiden afdalen, vormen in de lagere streken, bij Meppel en Koevorden, wei- en hooilanden van middelmatige hoedanigheid.

[ 30 ] Ten aanzien van het dierenrijk ben ik, wat de in het wild voorkomende dieren betreft, nog weinig in de gelegenheid geweest opmerkingen te doen. Men weet echter, dat de in Nederland anders zoo zeldzame korhoenders in Drenthe en het aangrenzend deel van Groningen gevonden worden.—Onlangs werd uit Gelderland medegedeeld, dat dit gevogelte vooral aast op de vrucht der boschbessen (Vaccinium vitis idaea), niet te verwarren met de blaauwbessen (Vaccinium myrtillus). Beide deze heestertjes worden ook in Drenthe gevonden.

Wat de veeteelt aangaat: het schoone ras der Drenthsche paarden (met de Groningsche veel overeen komende) is wel bekend. Het rundvee munt minder uit. Nog minder de schapen, waarvan er, wel is waar, 103,450 in 1844 in dit gewest aanwezig waren, maar welke kleine dieren zijn, waaronder vele zwarte, en de ooijen dikwijls ook gehorend, met slechte harige wol, die waarschijnlijk door de invoering der betere Geldersche heideschapen te verbeteren zouden zijn.—Het gezigt dier talrijke kudden kleine, zwarte en witte, gehorende heischapen, soms digt opeen gedrongen in een perk opgesloten, behoort voorzeker tot het eigenaardige der landstreek, die wij beschrijven. Dat varkens en tam gevogelte niet ontbreken, begrijpt men. Ganzen en eenden zijn niet talrijk, doch de hoenders schenen in vele streken bijzonder fraai te zijn.

Bijen eindelijk worden er zeer veel in Drenthe gehouden. Ieder voorjaar ziet men honderden zeer lange wagens, met korven volgeladen, van daar naar Groningen vervoeren, tegen dat het aveel- en koolzaad aldaar zal gaan bloeijen. Tusschen beide voert men nog opzetstukken, om de korven te vergrooten, na; en de gansche stoet keert naar Drenthe terug, tegen dat de boekweit en de heide bloeijen; waarbij ik niet mag nalaten de aandacht te vestigen op de fraaije waarneming van den Heer g. a. venema te Winschoten, onlangs medegedeeld in het Tijdschrift van Nijverheid, Deel XV bl. 402, 403, dat namelijk de bijen niet voor ongeveer te 11 uren des voormiddags honig in de heidebloemen vinden, doch dat zij dien vóór dat uur zoeken in de bloem der boekweit, welke bij heet weder juist tegen 10 of 11 uren des morgens krachteloos zamenvalt en ophoudt honig te geven.

 

 

  1. De geheele uitgebreidheid der veenen werd voor eenige jaren in Drenthe berekend op 58,000 bunders, op sommige plaatsen 20 voeten diep; de uitgebreidheid der heidevelden op 118,000 bunders.—Dit laatste cijfer zal thans vrij wat verminderd zijn.
  2. Het woord es wordt door sommigen afgeleid van het Latijnsche esca, voedsel, omdat het de velden zijn, waar het koorn groeit.—Zoo spreekt men in de West-indische plantaadjes van de kostgronden: dat zijn de tot voedsel, der slaven vooral, met bananen (pisang) beteelde velden.—Ik gebruikte ook met opzet het woord maaijen, voor het afsnijden der rogge, omdat dit hier met de zeis, en niet met de zigt, geschiedt.
  3. Virgilius zeide reeds van den eetbaren eik, dat deze even hoog zich in de lucht verheft, als hij diep in den grond dringt; welke uitdrukking men, bij eenen dichter, natuurlijk niet al te letterlijk moet opvatten.
  4. Later zag ik ditzelfde ook bij alle de jonge eik-aanplantingen in het bosch bij het bad te Bentheim, doch hier soms wilde rozen bijgeplant, om ze zoo tevens te beschermen tegen het rundvee, dat daar altoos in het bosch weidt.