De hut van Oom Tom/Hoofdstuk 20

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (De hut van Oom Tom/Hoofdstuk 20) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.

Dit is een verkorte uitgave van het beroemde boek van Harriet Beecher Stowe. De bewerker is niet bekend.

UTC000.jpg

Inleiding

Oom Tom en kleine Harry worden verkocht - Eliza loopt weg met kleine Harry - De volgende morgen - De achtervolging - Eliza vindt een schuilplaats - Oom Tom neemt afscheid - Jongeheer George en Oom Tom - Eva - Eliza bij de Quakers - Oom Toms nieuwe huis - De brief van Oom Tom - Tante Chloe gaat naar Louisville - George vecht voor zijn vrijheid - Tante Dinah - Topsy - Eva en Topsy - Eva's laatste afscheid - Oom Toms nieuwe meester - Vrijheid voor George en Eliza - Vrijheid voor Oom Tom - Terug in Kentucky


HOOFDSTUK 20

Vrijheid voor Oom Tom

De brief die Miss Ophelia aan Mevrouw Shelby stuurde, om te vertellen dat Tom weer verkocht zou worden, was een lange tijd onderweg. Toen hij uiteindelijk aankwam, was Meneer Shelby ernstig ziek en hoewel het Mevrouw Shelby erg speet voor Oom Tom, kon ze niets doen. Spoedig overleed Meneer Shelby. Ondanks haar verdriet vergat ze niet wat ze aan Tante Chloe en Oom Tom had beloofd. Zo gauw ze kon, verkocht ze wat grond en George Shelby ging met het geld op weg om te proberen Oom Tom te kopen en weer terug te brengen.

Maar tegen de tijd dat George Shelby op de plaats kwam waar Meneer St. Clare woonde was Oom Tom al verkocht aan Legree en niemand wist waar dat was.

Na een paar maanden ontdekte George Shelby waar Oom Tom was. Hij ging er meteen heen.

Twee dagen nadat Legree zo wreed was geweest, kwam George Shelby de laan oprijden. Hij stopte bij de deur van het oude huis.

"Ik heb gehoord," zei hij tot Legree, "dat u een slaaf hebt gekocht die Tom heet. Hij was vroeger van mijn vader. Ik ben gekomen om hem terug te kopen."

Legrees gezicht werd rood van woede. "Ja, zo'n vent heb ik gekocht," gromde hij boos. "Een ongelofelijk slechte koop! Een opstandige, brutale kerel. Heeft mijn negers opgezet om weg te lopen. Toen ik hem vroeg waar ze waren, zei hij dat hij het wist, maar hij wou het niet zeggen. Hij bleef zijn mond houden, hoewel ik hem harder heb geslagen dan ooit. Ik denk dat hij nu probeert dood te gaan. Misschien is hij al dood. Dan ben ik daar tenminste goed van afgekomen."

"Waar is hij?" zei George. "Ik wil hem zien." Zijn wangen waren rood en zijn ogen schoten vuur bij de gedachte dat Legree de lieve Oom Tom zo slecht behandeld had.

"Hij is in die schuur," zei een jongetje dat George' paard vasthield.

Legree vloekte, gaf de jongen een schop en liep weg. George zei niets en rende naar de plaats die het jongetje aanwees.

Hij ging de schuur binnen. Zijn hoofd was duizelig en zijn hart ziek.

Daar lag Oom Tom op een hoop stro op de grond, rustig en stil.

"O, Oom Tom," riep George terwijl hij bij hem knielde, "lieve Oom Tom, word wakker – zeg nog eens wat. Hier is je Meester George – je kleine Meester George. Ken je me nog?"

"Jongeheer George!" zei Tom. Hij deed zijn ogen open en sprak zwak. "Jongeheer George? O, dat is, dat is alles wat ik nog wilde. Je hebt mij niet vergeten. Dit verwarmt mijn ziel, dit doet mijn oude hart goed. Ik kan nu tevreden sterven."

"Je gaat niet dood! Dat mag niet, geen kwestie van. Ik ben gekomen om je te kopen en weer thuis te brengen," zei George. De tranen kwamen in zijn ogen terwijl hij zich over Oom Tom boog.

"O, Jongeheer George, je bent te laat. De Heer heeft me gekocht en hij haalt me naar huis."

"Nee, niet doen. Het breekt mijn hart om te denken wat jij geleden hebt. En dan lig je ook nog in deze vieze schuur."

"Vertel maar niet aan mijn lieve Chloe, de arme ziel, hoe je me gevonden hebt," zei Tom, terwijl hij Georges hand vasthield. "Het zou zo erg voor haar zijn. Zeg maar dat ik naar de heerlijkheid ben gereisd en niet langer kon wachten. En o, de arme kinderen en de baby. Breng mijn lieve groeten aan je vader en moeder en aan alle anderen. Ik hou van ze en denk nog vaak aan ze."

Op dit ogenblik kwam Legree naar de deur. Hij keek met een nors gezicht en geveinsde onverschilligheid naar binnen en keerde zich weer om.

"Die oude satan!" zei George verontwaardigd. "Het is een troost, te denken dat de duivel hem eens hiervoor zal laten betalen."

"O nee, dat mag je niet zeggen!" zei Tom. "Hij is een heel ongelukkige kerel. O, als hij maar berouw wilde hebben, zou de Heer hem nog vergeven; maar ik vrees dat hij dat nooit zal hebben."

"Des te beter," zei George. "Ik zou hem nooit in de hemel willen zien."

"Stil, meester George. Zo is het niet. Hij heeft mij geen wezenlijk kwaad gedaan. Hij heeft de poort van het koninkrijk voor mij geopend, anders niet."

Hij sloot zijn ogen en glimlachte, en zei toen niets meer. Oom Tom was vrij.

Legree keek naar binnen.

"Ik wil hem een fatsoenlijke begrafenis geven," zei George met tranen in zijn ogen. "Wat ben ik je voor hem schuldig."

"Ik verkoop geen dooie negers," zei Legree. "Neem hem maar mee."

Met behulp van twee slaven droeg George zijn oude vriend weg.

"Je moet wel gek zijn om zo te huilen om een dooie neger," smaalde Legree.

Dat woord was als een vonk in het kruitvat. Voorzichtigheid is nooit een deugd van een jonge Kentuckiër geweest. George keerde zich om en sloeg de man met een goedgerichte vuistslag tegen de grond.

Buiten de poort van Legrees boerderij vond George een droog, zanderig heuveltje, met bomen ernaast. Daar maakte hij een graf voor Oom Tom. Er ligt geen steen op zijn laatste rustplaats, die heeft hij niet nodig. God weet waar hij ligt.

George knielde en boog zijn hoofd in verdriet. "Hoor mij, lieve God," zei hij, "vanaf vandaag zal ik doen wat ik kan om dit land te bevrijden van de vloek van de slavernij."