De hut van Oom Tom/Hoofdstuk 5

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (De hut van Oom Tom/Hoofdstuk 5) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.

Dit is een verkorte uitgave van het beroemde boek van Harriet Beecher Stowe. De bewerker is niet bekend.

UTC000.jpg

Inleiding

Oom Tom en kleine Harry worden verkocht - Eliza loopt weg met kleine Harry - De volgende morgen - De achtervolging - Eliza vindt een schuilplaats - Oom Tom neemt afscheid - Jongeheer George en Oom Tom - Eva - Eliza bij de Quakers - Oom Toms nieuwe huis - De brief van Oom Tom - Tante Chloe gaat naar Louisville - George vecht voor zijn vrijheid - Tante Dinah - Topsy - Eva en Topsy - Eva's laatste afscheid - Oom Toms nieuwe meester - Vrijheid voor George en Eliza - Vrijheid voor Oom Tom - Terug in Kentucky


HOOFDSTUK 5

Eliza vindt een schuilplaats

Een man en een vrouw zaten gezellig bij elkaar in de woonkamer van het witte huis waar Eliza heen gegaan was. Ineens stak hun oude, zwarte klusjesman zijn hoofd door de deur: "Mevrouw Bird, wilt u even in de keuken komen?"

De vrouw ging erheen. Even later riep ze haar man: "Jij zou hier ook even moeten komen."

Hij stond op en ging naar de keuken.

Daar lag Eliza op twee keukenstoelen. Haar voeten waren gewond en bloedden en ze viel bijna flauw. De man hield zijn adem in en bleef stil staan.

Mevrouw Bird en de kokkin probeerden Eliza weer bij te brengen. De oude knecht had Harry op zijn schoot en trok zijn kleren uit om hem in een handdoek warm en droog te wrijven.

"Arm schepsel," zei de vrouw.

Eliza deed haar ogen open. Ze keek vreselijk geschrokken. Ze sprong overeind en zei: "O, mijn Harry, hebben ze hem gepakt?"

Zodra hij haar stem hoorde, sprong Harry van de knieën van de oude man en rende naar zijn moeder, met zijn armpjes omhoog.

"O, hij is hier, hij is hier," zei ze en ze kuste hem. "O, mevrouw," zei ze tegen Mevrouw Bird, "Bescherm ons, pas op dat ze hem niet kunnen krijgen."

"Niemand zal je hier kwaad doen, arme vrouw," was het antwoord. "Je bent hier veilig, wees maar niet bang."

"God zegene u," zei Eliza. Ze bedekte haar gezicht en snikte. Toen Harry haar zag huilen, klom hij bij haar op schoot om haar te troosten.

"Je hoeft nergens bang voor te zijn. Je bent hier bij vrienden, arme vrouw. Vertel ons eens waar je vandaan komt en wat je wilt," zei de vrouw.

"Ik kom van de andere kant van de rivier," zei Eliza.

"Wanneer?" zei Meneer Bird verbaasd.

"Zonet."

"Hoe heb je dat gedaan?"

"Ik ben over het ijs gekomen."

"Over het ijs!" riep iedereen tegelijk.

"Ja," zei Eliza langzaam, "over het ijs. God heeft me geholpen en ik sprong over het ijs. Ze waren vlak achter me en er was geen andere weg."

"Dat kan niet," zei de oude knecht. "Het ijs is gebroken, allemaal losse ijsschotsen die op en neer gaan in het water."

"Ik weet het, ja," zei Eliza wild. "Maar ik heb het toch gedaan. Ik had niet gedacht dat ik dat zou kunnen, dat ik eroverheen zou komen, maar het kon me niet schelen. Ik kon sterven maar ik kwam eroverheen. God heeft me geholpen."

"Was je een slavin?" vroeg Meneer Bird.

"Ja, meneer."

"Was je meester slecht voor je?"

"Nee, meneer."

"Of je meesteres, was die slecht voor je?"

"Nee, o nee. Mijn meesteres was altijd heel goed."

"Waarom zou je dan weglopen uit een goed tehuis en zo'n gevaarlijke tocht ondernemen?"

"Ze wilden mijn zoontje van me afnemen, hem verkopen, naar het zuiden, mevrouw. Helemaal alleen, een kind dat nog nooit bij zijn moeder weg is geweest. Dat kon ik niet verdragen. Ik ben in de nacht weggelopen en ik nam Harry mee. Ze achtervolgden me, ze waren vlak achter me. Ik kon ze horen. En toen ben ik op het ijs gesprongen. Ik weet niet hoe ik aan de overkant kwam. En toen was er een man die me op de oever tilde."

Het was een droevig verhaal. De tranen kwamen in de ogen van allen die het hoorden.

"Waar wil je nu naar toe, arme vrouw?"

"Naar Canada, maar ik weet niet waar dat is. Is Canada ver weg?" Eliza keek in vertrouwen naar het gezicht van de vriendelijke vrouw.

"Arme vrouw," zei ze weer.

"Is het ver weg?" vroeg Eliza.

"Ja," zei Mevrouw Bird droevig, "dat is een lange reis. Maar we willen je wel helpen om er te komen." Eliza wilde naar Canada, omdat dat toen nog Brits grondgebied was. Daar mocht je geen slaven houden. George wilde ook proberen in Canada te komen.

Toen ze weer terug waren in hun eigen woonkamer, zei Meneer Bird tegen zijn vrouw: "We moeten die arme vrouw vannacht nog verder helpen. Ze is hier niet veilig. Ik ken goede mensen, verderop in de streek, die haar kunnen opvangen."

De vriendelijke man liet een wagen inspannen en reed Eliza en haar kind een lange weg verder, door de donkere nacht, naar een huisje in het bos. Daar bracht hij haar bij een echtpaar dat beloofde goed voor haar te zorgen en haar te helpen de weg naar Canada te vinden. Hij gaf de man wat geld om de onkosten te dekken.