Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden/Van de schepping en voorzienigheid

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Van God en zijne volmaaktheden Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden (1806)

Van de schepping en voorzienigheid

Ellende en verlossing


[ 23 ]

Van de SCHEPPING en VOORZIENIGHEID.




XIV.

LOF DES SCHEPPERS.

1.

O eindelooze Majesteit!
W’aanbidden uwe heerlijkheid,
 Zoo groot, als onbegonnen!
Zijt Gij bedekt voor ’t sterflijk oog,
Uw naam gloeit aan den hemelboog
 In duizend, duizend zonnen.
O hemel, aarde, zee! hoe luid
Roept gij uws Scheppers glorie uit!
 In u zien Hem onz’ oogen:
Gij meldt een wijsheid, die niet feilt,
Een liefde, die geen Engel peilt,
 Een eeuwig alvermogen.

2.

Wie bragt, o licht! op ’t enkel woord,
„Wees!” u uit zijne schatten voort,
 Toen Gij nog waart verborgen?
O zon! wie teekend’ u het spoor
Door d’ongemeten ruimte voor,
 En roept u elken morgen?
[ 24 ] O starren! die den donkren nacht
Verheerlijkt door uw stille pracht,
 Wien volgt gij op zijn wenken,
En loopt en wendt in uwe vaart,
Als benden, die ten strijd geschaard,
 Op ’t woord huns veldheers zwenken?

3.

„God, God!” roept elk, „ons wrocht zijn hand,
„Wij allen zijn van zijn verstand
 „Een enkele gedachte!”
Dus juichen z’allen uwen lof,
En wij, wij voelen ons in ’t stof.
 Oneindig’! uw geslachte.
Wat nacht zich om ons henen stort’.
Een wijz’ en liefdrijk’ oorzaak wordt
 Ook van den mensch geprezen.
O stervling! hoe gij hier ook schreit,
God riep u tot aanwezigheid,
 Het doel moet godlijk wezen!

4.

Ja, groote Schepper van ’t heelal!
W’ ontzonken door den diepsten val
 Aan onzen eersten luister.
De trekken van uw heerlijk beeld.
Ons eens zoo glansrijk meêgedeeld.
 Verzwolg een aaklig duister:
Maar in dien nacht van ’t bangst verdriet
Ontzonken w’aan uw liefde niet;
 Wij durven wederkeeren,
Daar w’U op een’ genadetroon.
Gegrond in ’t bloed van uwen Zoon,
 Ook als Herschepper eeren.

[ 25 ]

5.

Nog spreekt uw almagt: „Er zij licht!"
En nacht en duisternisse zwicht
 In onze donkre harten,
En onder eenen tranenvloed,
Dien ’t waar berouw ons weenen doet,
 Kiemt ons geluk uit smarten.
Dan zien w’ in Jezus, onzen Heer,
In U den lieven Vader weêr,
 Die alles heeft vergeven;
En ons, door U ter deugd bereid,
Door deze zigtbre schepping leidt
 Tot een onsterflijk leven.

6.

Hoe blinkt in bloem, in gras, in kruid,
Dan een weldadig’ almagt uit,
 Waarop wij veilig bouwen!
Hoe blinkt ons dan in zon en maan
En starren loutr’ ontferming aan,
 Die uitlokt tot vertrouwen!
Gij houdt wat G’eenmaal schiept in stand,
En laat de werken uwer hand,
 Oneindige! niet zinken.
Ook wij, een prooi des diepsten noods,
Zien uit het lage stof des doods,
 Een eedler schepping blinken.

7.

Hoe heerlijk zijn uw werken, Heer!
U dank’, U loov’, U prijz’, U eer’,
 Wat is, wat was of worde!
Gij schept uit lijden hemelvreugd,
Uit zond’ een’ hooger’ trap van deugd,
 En uit verwarring orde.
[ 26 ] O zaligheid van ons gedacht!
Hoe zwijmt bij ’t heil ons aangebragt.
 Hier lof en dank te gader!
In Adam door den dood geveld,
In Jezus schooner weêr hersteld!
 Lof, Halleluja, Vader!

XV.

LOF des SCHEPPERS.

1.

Hoe blinkt uw majesteit alom
In ’t onbegrensde heiligdom
 Der schepping, eeuwig’ Koning!
Straalt ons bij nacht de hemel aan,
Dan zien wij maan en sterren staan,
 Als wachters voor uw wooning:
Verlicht de zon ons oog bij dag,
Zij leert ons, vrolijk met ontzag,
 In haar uw licht aanschouwen;
Zij is de spiegel, die ons ’t beeld
Van uwe volheid mededeelt,
 En uitlokt tot vertrouwen.

2.

Bij ’s werelds aanvang sprak uw mond:
„Het licht zij daar!” en ’t was terstond,
 De duisternis werd luister:
Zoo zal eens ’t heil ons toegezeid,
Op uw bevel, met majesteit
 Verrijzen uit het duister.
Laat, Heer! uw licht zijn’ zachten gloed
In ons verkleumd en stug gemoed,
 Door levenswekking, toonen;
Dan zal ons hart, dat U verwacht,
In ’t licht uws aanschijns, ook bij nacht,
 Getroost en zeker woonen.

[ 27 ]

3.

In mensch en dier, in bloem en kruid
Blinkt wijsheid en vermogen uit,
 Uw liefde schept hun leven;
Aan ’t schepfel reikt Gij voedsel toe,
En, nimmer ledig, nimmer moe’,
 Stelt Gij uw eer in ’t geven:
Dit predikt ons het gansch heelal,
En zee, en woud, en berg, en dal;
 De stemmen vloeijen zamen;
Zij roepen luide: wordt verlicht!
En zeg, o mensch! met toeverzigt
 Op Gods beloften, Amen.

4.

Nog heeft de schepping schooner’ glans
Voor ons, nu wij aan ’s hemels trans
 De wooningen aanschouwen
Van Hem, die schuld om niet vergeeft,
En daar als onze Vader leeft,
 Aan wien w’ ons lot betrouwen:
’t Verhelderd oog zoekt nu alom,
Om Jezus in dat heiligdom,
 Door ’t stil geloof, te vinden;
Tot Hij ons zelf in heerlijkheid,
Door ’s hemels ruime velden, leidt
 Als zijn verhoogde vrinden.

5.

De rijke, vrolijke natuur
Doe ons haar schoonheid, uur op uur,
 Vollediger bevatten;
Hoe meer zij ons den Schepper toont,
Hoe meer zij onze vlijt beloont,
 Hoe hooger wij haar schatten.
[ 28 ] Een zoon beschouwt zijns vaders magt,
Zijn’ rijkdom, wijsheid, lield’ en pracht,
 Met oogen nooit verzadigd;
Hoe scherp beluistert hij die stem,
Die van zijn’ vader spreekt tot hem,
 Zijns vaders eer verdadigt.

6.

Als wij in droom of waterval,
In zee, in storm, bij rots of dal
 Gods majesteit bewondren,
Dan zwelt een traan in ’t kinderoog;
Ja, moedig hooren wij omhoog
 Den God der eere dondren.
Is Hij een God, die ons behoedt,
Maar elken vijand vlugten doet
 Als golven voor de winden;
Dan is Hij ’t ook, aan wien w’ in nood,
Ook in den strijd met hel en dood,
 Een rots der eeuwen vinden.

7.

Vertoont ons worm, en rups, en mier,
En vlieg, en mug, ja ’t kleinste dier
 Zijn wijz’ on goede wetten,
Dan stremt ons onze kleinheid niet,
Om ons vertrouwen, bij verdriet
 En leed, op Hem te zetten.
In Jezus Christus zijn wij groot,
Hij Midlaar, ’s Vaders Troongenoot,
 Verhoogd’ ons tot zijn leden:
Zou God, daar Hij zijn’ Zoon bemint,
Aan hun, die Hij in Hem bemint,
 Zijn’ rijkdom niet besteden?

[ 29 ]

8.

Laat eens de glans van zon en maan
Bij ’s werelds avond ondergaan,
 Ons zal geen licht ontbreken,
Als ’t Lam de kaars is daar om hoog:
Daar zal eerst voor ’t verhelderd oog
 De schepping zigtbaar spreken;
Daar zal natuur op ieder blad,
Dat zij op aard verzegeld had,
 Geheimen ons doen lezen.
Hier is de wijsgeer slechts een kind;
Maar die hier Jezus meest bemint,
 Zal daar de wijste wezen.

XVI.

GODS VOORZIENIGHEID.

1.

 God is mijn lied,
 Hij is de God der krachten;
Heer is zijn naam, groot zijn zijn werken t’achten,
 Het gansch heelal is zijn gebied.

2.

 Hij spreekt als Heer,
 En wereldstelsels worden,
Hij spreekt als Heer, en uit zijn’ stand en orden
 Keert alles tot zijn niet straks weêr.

3.

 Zijn kleed is ’t licht,
 En zijne keus de beste;
Hij heerscht als God, en zijnes zetels veste
 Is op de trouw en ’r regt gesticht.

[ 30 ]

4.

 Oneindig rijk,
 Volzalig, nooit volprezen,
Voor d’eeuwen God, om eeuwig God te wezen,
 O Heer! wie is aan U gelijk?

5.

 ’t Zij klein of groot
 Op aard, in zee of hemel,
Hij kent het al, al hun gemengd gewemel,
 Wat is, of was ligt voor Hem bloot.

6.

 Om mij in ’t rond
 Schept Hij mij rust en zegen,
Hij geeft mij kracht en hulp op al mijn wegen,
 En mij, en u kent Hij gegrond.

7.

 Steeds aan mijn zij’,
 Waar ik mij ook begeve,
Waar ik omhoog, waar in de laagte zweve,
 Al waar ik ben, verzelt Hij mij.

8.

 Hij kent ons hart.
 Ons wenschen, bidden, smachten,
Wat kwaad wij doen, wat goed wij ooit betrachten,
 En ijlt ter hulp in onze smart.

9.

 Hij woog mij af.
 Wat mij zijn gunst wou geven,
Schreef in zijn boek, hoe lang ik hier zou leven,
 Lang, eer Hij mij het aanzijn gaf.

[ 31 ]

10.

 Niets, niets is ’t mijn,
 Maar alles Gods geschenken.
Mijn hart, o Heer! zal eeuwig aan U denken,
 Uw lof op mijne lippen zijn.

11.

 Wie kent de pracht,
 Waarmeê uw wondren pronken?
Elk stofje zelfs, dat G’aanzijn hebt geschonken,
 Verkondigt zijnes Scheppers magt.

12.

 In gras en halm
 Zien wij zijn wijsheid pralen;
Gij lucht, gij zee, gij velden, bergen, dalen!
 Gij zijt zijn loflied, gij zijn psalm.

13.

 Gij drenkt het land,
 Schenkt blijdschap allerwegen,
En dag en nacht, en koorn en wijn, en zegen
 Ontvangen wij van uwe hand.

14.

 Valt hier op aard
 Geen musch, dan met uw’ wille,
Heer! dat mijn hart zich met dien troost dan stille,
 Dat d’eigen zorg ook mij bewaart.

15.

 Is God mijn schild,
 Wil God mijn Redder wezen,
Wat heb ik dan met mijnen God te vreezen,
 Wat woede d’ afgrond om mij spilt?