Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden/Van God en zijne volmaaktheden

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Naamlijst der inteekenaren Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden

Van God en zijne volmaaktheden

Van de schepping en voorzienigheid


[ 1 ]

EVANGELISCHE GEZANGEN.



Van GOD en ZIJNE VOLMAAKTHEDEN.



I.

AAN GOD.

1.

Halléluja! lof zij den Heer!
Aanbidt den Vader, geeft Hem eer,
 Den Schepper aller dingen!
Den roem van zijn barmhartigheid
Zijn wijsheid, magt en majesteit
 Moet al het schepsel zingen.

2.

Halléluja! lof zij den Zoon!
Gedaald van 's hemels hoogen troon,
 Tot heil van stervelingen:
Hem, die voor onze zonden stierf,
En 't leven door zijn' dood verwierf,
 Moet al het schepsel zingen.

3.

Halléluja! den Geest zij eer!
Als in zijn' tempel daalt Hij neer
 In 't hart van stervelingen:
Hem, die ons troost en leert en leidt,
En voor den hemel toebereidt,
 Moet al het schepsel zingen.

4.

U, Vader, Zoon en Geest zij prijs!
U lof en dank op Englen wijs
 Gebragt door stervelingen:
Heer! driemaal heilig! wees geëerd!
Uw' roem, daar Gij als God regeert,
 Moet al het schepsel zingen.

[ 2 ]

II.

AAN GOD.

1.

Den hoogen God alleen zij eer!
Elk kniel' voor Hem aanbiddend neêr!
 Elk moet Hem dank bewijzen!
Ja Hem, die ons zoo eindloos goed
Verzorgt en in gevaar behoedt,
 Moet al het schepsel prijzen.
Heft aan, heft aan! roemt zijn gena'!
Hij sloeg ons mededoogend ga',
 Hij schonk ons zijn bescherming.
Zingt dan den hoogen God ter eer!
Aanbidt Hem! buigt u dankend neêr!
 Looft God! looft zijn ontferming!

2.

Ja, Vader! ja, ons lied zijt Gij!
Wij eeren uwe heerschappij,
 O Bron van licht en leven!
Uw grenzenlooze magt gebiedt;
Daar rijzen werelden uit niet.
 Van uwen glans omgeven.
't Is wijs en goed al wat Gij werkt,
Gij heerscht alom en onbeperkt,
 U loven alle tongen!
U Vader! wien 't heelal vereert,
U danken wij, dat Gij regeert,
 Nooit wordt uw lof volzongen.

[ 3 ]

3.

Geloofd zij 's Vaders eenge Zoon!
Hij bragt ons van zijns Vaders troon
 De rijkste zegeningen:
Hem, onzen helper in den nood.
Hem, onzen redder van den dood.
 Moet al wat ademt zingen.
Verlosser, Midlaar, Hoofd en Heer!
Voor U knielt uw gemeente neêr,
 Lofzingend in uw wooning.
Eens wordt alom U toegebragt
Lof, eer, en heerschappij en magt;
 Zoo heerscht G' als aller Koning.

4.

Den Heilgen Geest zij eer en prijs!
Hij wil door godlijk onderwijs
 Ons in zijn waarheid leiden.
Hij, van ons erfdeel 't onderpand.
Hij wil ons door zijn eigen hand
 Ten hemel toebereiden.
O Geest van God! bestuur ons hart,
Verbeter ons, troost ons in smart,
 Schenk moed en kracht in lijden!
Zoo zullen wij, door U geleid,
Eens in volmaakte zaligheid
 Ons eindeloos verblijden.

5.

Zingt, aard en hemel! zingt uw' Heer!
Het driemaal heilig meld' zijn eer!
 Zingt Hem op hooge toonen!
De lof van God vervull' 't heelal.
Die is, die was, die komen zal,
 En onder ons wil woonen.

[ 4 ]

III.

AAN GOD.

1.

 Wij loven U, o God! wij prijzen uwen naam!
 U, eeuwig Vader! U verheft al 't schepfel zaam.
Zingt Serafs Englen zingt! heft magten aan en troonen!
Onafgebroken rijz' uw lied op hooge toonen!
Gij, driemaal heilig zijt G', o God der legerscharen l
Dat aard en hemel steeds uw grootheid openbaren.

2.

 U looft d' Apostelschaar in heerlijkheid, o Heer!
 Profeten, Martelaars vermelden daar uw eer.
Door heel uw Kerk wordt steeds, daar boven, hier beneden,
In strijd en zegepraal, uw groote naam beleden;
Zij looft, o Vader! U, oneindig in vermogen,
Onpeilbaar in verstand, onmeetbaar in meêdoogen.

3.

 U, Vader! U zij lof, op een' verhoogden toon!
 Lof uwen eigenen, uw' eengeboornen Zoon!
Lof uwen Geest, die ons ten Trooster is gegeven,
Ten Leidsman op den weg naar 't eeuwig zalig leven!
U looft uw Kerk alom, waar gij die ook vergaârde,
U loov', wat loven kan, in hemel en op aarde.

4.

 U, Christus onzen Heer, bekleed met majesteit!
 U, 's Vaders eengen Zoon, zij lof in eeuwigheid!
Het menschdom lag in schuld en vloek voor God verloren,
Gij werdt, den mensch tot heil, uit eene maagd geboren;
Gij hebt aan 't kruis voor ons den dood zijn magt ontnomen,
Zoo baandet G' ons den weg om weêr tot God te komen.

[ 5 ]

5.

 Gij zit in heerlijkheid aan ’s Vaders regterhand,
 Tot dat G’ als Regter eens de laatste vierschaar spant:
Laat ons in geenen nood uw’ bijstand ooit ontberen!
Gij kocht ons met uw bloed; blijf, Heiland! ons regeren,
Blijf ons, uw erfenis, door uwe magt bewaren,
Wil, met uw heilgen, ons voor uwen troon vergaâren.

6.

 Wij zegenen, o Heer! uw goedheid al den dag!
 Geef, dat eeuw in eeuw uit ons lied U loven mag,
Geef, dat we bij uw komst onstraflijk wezen mogen!
Ontferm, ontferm U, Heer! toon ons uw mededoogen!
Op U steunt onze hoop, o God van ons vertrouwen!
Zij worden nooit beschaamd, die op uw goedheid bouwen.

IV.

GODS VOLMAAKTHEDEN.

1.

De Heer is God, en niemand meer;
 Verheerlijkt Hem, gij vromen!
Wie is, als aller schepslen Heer,
 Zoo heerlijk, zoo volkomen?
De Heer is groot, zijn naam is groot,
De luister zijner deugden groot,
Oneindig groot zijn wezen.

2.

Hij is, en blijft al wat Hij is,
 Tot in all’ eeuwigheden;
Wie zal zijns naams geheimenis
 Ontdekken, wie ontleden?
Wij menschen zijn van gistren, wij!
Maar, eer het aardrijk was, was Hij,
Ja! eerder, dan de heemlen.

[ 6 ]

3.

Zijn’ troon omringt een glansrijk licht,
 Te schittrend voor onz’ oogen;
Zelfs Englen dekken ’t aangezigt.
 Aanbiddend neêrgebogen:
Der heemlen boog omvat Hem niet,
Hij is onzigtbaar, ’t schepsel ziet
 Hem enkel in zijn werken.

4.

Waar waren wij, had zijne kracht
 Ons niet gevormd ten leven?
Hij kent ons, kent al ’t geen zijn magt
 Ooit aanzijn heeft gegeven:
Bij Hem is wijsheid en verstand,
Bij Hem is sterkte; zijne hand
 Omspant en aard en hemel.

5.

Hij is, hoe ver Hij schijnen moog,
 Nabij, waar w’ ons bewegen;
Geen nacht bedekt ons voor zijn oog,
 Hij ziet al wat wij plegen:
Voor Hem verbergt geen duisternis;
De kiem zelfs der gedachten is
 Niet voor zijn oog verborgen.

6.

Wie, buiten U, zal voor den val
 Deez’ aard, o God! behoeden?
Wie, buiten U, dit gansch heelal
 Altegenwoordig voeden?
Gij slaat de gansche schepping ga’
Gij zijt barmhartig, vol gena’.
 Een vader, een ontfermer.

[ 7 ]

7.

Gij zijt regtvaardig, heilig, goed,
 Bij reinen wilt Gij woonen;
Hem, die uw’ wil met vreugde doet,
 Zult G’ ook met vreugde kroonen:
Gij hebt d’onsterflijkheid alleen.
Hoogst zalig zijt G’ in eeuwigheên,
 O rijke Bron van vreugde!

8.

Of, zou de gloed dier majesteit
 Mij zondaar ook verteren?
Neen! nu ’t geloof uw heerlijkheid
 In Christus mag vereeren,
Nu klimt mijn lied: de Heer is groot!
De Heer is onuitspreeklijk groot!
 Oneindig groot in liefde!

V.

GODS GROOTHEID.

1.

Oneindig, onbegrijplijk Wezen!
 ’t Heelal gehoorzaamt uw gebied;
Maar d’uiterst’ einden van uw schepping
 Omschrijven uwe grootheid niet.
Gij leeft en heerscht, waar stofjes zweven,
 Waar geesten denken, grenzenloos:
Maar ’t heerlijk licht van uwe wooning
 Bedekt voor ’t schepsel U altoos.

[ 8 ]

2.

Zelfs gij kunt onzen God niet kennen,
 Gij Geesten van het hemelhof!
Gij zijne grootheid niet bevatten,
 En wat zou dan de zoon van stof?
Vrijmagtig, eeuwig, onbeschrijflijk
 Voor menschentong en Englenstem,
Bestaat Hij enkel door zich zelven,
 En al, wat is, bestaat door Hem.

3.

Hij wenkt; en millioenen wezens
 En werelden, als ’t zand der zee,
Zijn door dien wenk aan ’t niet onttogen,
 En Hij deelt zich aan allen meê:
En zulk een God gedenkt ook mijner!
 Hij schiep het stof, Hij schiep ook mij.
Dacht Gij ook aan een’ worm, een made?
 Oneindig God! dacht Gij aan mij?

4.

Maar, toen die God voor mij, godloozen,
 Zijn’ Zoon ter kruisstraf overliet,
Zoo groot, zoo godlijk, zoo oneindig
 Zie ik Hem in de schepping niet.
’k Aanbid U, nooit begrepen Liefde!
 Ik zink, mijn Vader, God en Heer!
Voor U, in sprakelooz’ aanbidding,
 Bedwelmd door uwe grootheid, neêr.

[ 9 ]

VI.

GODS EEUWIGHEID.

1.

Oneindig Wezen! door geen’ tijd
 Beperkt, of ooit bewogen,
Het denkbeeld, dat Gij eeuwig zijt,
 Verzwelgt mijn denkvermogen.
Al peinz’ ik eeuwen zonder tal,
Ik weet niet, hoe ik ’t vatten zal,
 Gij waart en blijft steeds eeuwig.

2.

Geen nieuwe zon schoot nog haar licht
 Op hare wereldbollen.
Men hoorde nog geen lofgedicht
 Van Englentongen rollen;
Het drooge was nog niet, geen meir
Dreef nog op ’t vlakke ginds en weêr,
 En toen reeds waart Gij eeuwig.

3.

Gij zaagt reeds van all’ eeuwigheid,
 ’t Aanstaand heelal yerschijnen;
Maar blijft dezelfde Majesteit,
 Wat word’, of moog verdwijnen.
Van d’Engel tot den worm in ’t zand ,
Bepaalt Gij ieders lot en stand,
 En noemt het al bij name.

4.

Uw wereld duurt reeds eeuwen voort,
 Door U steeds onderhouden;
Haast komt haar einde naar Uw woord,
 Reeds zien wij haar verouden:
Maar nimmer groeit uw jaartal aan,
Gij zult in eeuwigheid bestaan,
 Gij zult dezelfde blijven.

[ 10 ]

5.

Ja, eeuwig blijft Gij ’t geen Gij zijt.
 Wat heb ik dan te vreezen?
Gij zult, in nood en dood, altijd
 Mijn rots, mijn toevlugt wezen,
Uw trouw en uw erbarming is
Zoo eeuwig, als uw wezen is:
 Heil mij! die daar op bouwe!

6.

Mijn ligchaam sterft, maar niet mijn geest,
 Dien zal ik U vertrouwen.
O troost! daar Gij mij zelf op weest,
 Eens zal ik U aanschouwen!
Mijn ligchaam rust slechts voor een poot,
Dan zal ik bij U eindeloos,
 Volmaakt gelukkig leven.

7.

Schoon alles om mij heen vergaat,
 ’k Heb geen vergaan te vreezea;
Voor uwen troon, die eeuwig staat,
 Zal ik ook eeuwig wezen.
Gij hebt de hoogste zaligheid
Uw vrienden eeuwig toegezeid;
 Ook mij, ook mij voor eeuwig!

8.

O God! die mij d’onsterflijkheid
 Daar boven eens zult schenken,
Houd mij voor uwe komst bereid,
 Laat mij daar aan steeds denken:
Die zij mijn troost, mijn dierbaarst goed,
Die sterke mij met kracht en moed,
 Om tot uw eer te leven.

[ 11 ]

VII.

GODS OVERALTEGENWOORDIGHEID.

1.

Op bergen en in dalen,
 En overal is God!
Waar wij ook immer dwalen,
 Of zitten, daar is God;
Waar mijn gedachten zweven,
 Of stijgen, daar is God;
Omlaag en hoog verheven,
 Ja, overal is God!

2.

Zijn trouwe Vaderoogen
 Zien alles van nabij;
Wie steunt op zijn vermogen,
 Dien dekt en zegent Hij:
Hij hoort de jonge raven,
 Bekleedt met gras het dal;
Heeft zelfs voor wormen gaven,
 Ja, zorgt voor ’t gansch heelal.

3.

Gij aardrijks woest gewemel,
 Gij, die in ’t water zweeft,
Of onder zijnen hemel,
 Of in zijn’ hemel leeft.
Gij alle zijne werken
 Ontdekt bij dag en nacht,
In ’t voeden, hoeden, sterken,
 De goedheid zijner magt.

[ 12 ]

4.

Roem, Christen! aan mijn slinke,
 En regter zijd’ is God;
Waar ’k magtloos nederzinke,
 Of bitter lijd’, is God:
Waar trouwe vriendenhanden
 Niet redden, daar is God;
In dood en doodsche banden.
 Ja, overal is God!

VIII.

GODS ONVERANDERLIJKHEID.

1.

O God! eer ’t aardrijk was gegrond,
Eer G’al, wat eenmaal niet bestond,
 Uit niet riept in het wezen;
Eer d’aanvang was van plaats en tijd,
Waart G’alles, wat Gij heden zijt,
 Oneindig, nooit volprezen.

2.

En dan, als van ’t gesloopt heelal
Geen spoor meer over wezen zal,
 Zult Gij dezelfde blijven:
Uw grootheid en uw wonderkracht
Verbergt geen ondoordringbre nacht.
 Zijn in geen perk t’omschrijven.

3.

Gij zijt, en niets bestaat als Gij,
En aard en hemel gaan voorbij
 Als dampen, die verdwenen:
Hun zijn is als d’ontleende glans
Der wolken aan den hemeltrans,
 Van ’t zonnelicht beschenen.

[ 13 ]

4.

Gij zijt al ’t geen Gij eeuwig waart,
Behoeft noch hemelheir noch aard.
 Noch duizend wereldklooten:
Geen schepping, hoe volmaakt z’ook zij,
Voegt iets tot uw volmaaktheid bij,
 Niets kan haar ooit vergrooten.

5.

U zelv’ genoeg, U zelv’ gelijk,
Schoon alles buiten U bezwijk’,
 Schoon werelden verouden,
Gij blijft; uw Evangeliewoord
Zal eeuwig met U ongestoord
 Zijn kracht en stand behouden.

6.

Dat berg en heuvel nederstort’,
Dat klip en rots verbrijzeld word’,
 Dat aard en zee verdwijnen;
O God! uw eeuwig heilverbond
Rust op een’ onverwrikbren grond,
 Dien niets kan ondermijnen.

7.

Wat klaag ik in ’t verdwaasd gemoed,
Wat zucht ik dan om nietig goed
 Van ’t onbestendig leven!
Wat jaag ik naar een broos genot,
Als of mij van geen duurzaam lot
 Verzeekring waar gegeven!

8.

Wat klaag ik, die uw woord ontving
Van volle schuldvernietiging,
 Door Jezus bloed verkregen,
Van eeuwig erfdeel in het licht
Van uw vertroostend aangezigt,
 Ver boven aardschen zegen!

[ 14 ]

9.

Gewis, mijn misdrijf is geboet,
Gij hebt m’om Jezus dierbaar bloed
 Genadig aangenomen;
Uw liefde leidt mij bij de hand,
En ik, ik heb het onderpand
 Van uw gena’ bekomen.

10.

Ja, U behoor ik, U, mijn God,
Beschikker van geheel mijn lot!
 Van U zal niets mij scheiden
De wereldvreugd vergaat met haar,
Maar Gij zijt onveranderbaar;
 Uw heil wil ik verbeiden.

IX.

GODS ALWETENDHEID.

1.

Waar zijn de wijzen, die mij zeggen
 Al ’t geen de hooge Godheid kent?
Wat stervling weet mij uit te leggen,
 Waar Gods verftand begint en endt?
Hem, in ’t onnaakbaar licht gezeten,
 Heeft nimmer menschenoog gezien,
Hoe is zijn naam? zoudt gij hem weten?
 Wat eindig schepsel noemt mij dien?

2.

Zoo ik d’ontelbre starrenheiren,
 Elk deeltje van het licht der zon,
Elk zandj’ aan d’oevers van de meiren,
 Van hunnen oorsprong, tellen kon;
Zoo zou ik mooglijk wijzer wezen,
 Dan immer mensch of Engel wordt,
Maar ’k schoot bij U, alwetend Wezen!
 Nog onbegrijplijk veel te kort.

[ 15 ]

3.

Uw alziend’ oogen, Heer! doorloopen
 ’t Heelal, hoe groot, hoe uitgebreid:
Voor U ligt ieder schepsel open,
 En ieder punt van d’eeuwigheid.
O Gij, die ’t al weet op te noemen,
 Wat was, wat is, wat worden zal,
Wie kan naar eisch uw kennis roemen?
 God! uw verstand heeft geen getal.

4.

Ja, U bewondren, U vertrouwen
 Is ’t eerst, dat mij mijn hart gebiedt;
Met eerbied mag ik U beschouwen,
 Maar U begrijpen kan ik niet.
Naar ’t heerlijk licht van uwe wooning
 Zoek ik met onverzaadbren lust:
Dat ziet G’ en brengt, tot mijn belooning,
 Verstand en hart in U tot nut.

5.

Uw alziend oog schrikt m’af van ’t kwade,
 Van zelfsbedrog en huichlarij;
Ik denk, Gods oogen slaan mij gade,
 Hoe diep ik ook verborgen zij.
Voor Hem kan mij geen afgrond dekken,
 Geen valsche schijn bedriegt zijn oog,
Dat oog zou mij nog schrik verwekken,
 Waar ’t mooglijk, dat ik d’aard ontvloog.

6.

Wie kan zijn eigen hart vertrouwen,
 Zijn hart, zoo vol arglistigheid?
Gij blijft het, Heer! geheel doorschouwen,
 Daar ’t voor U naakt en open leit.
Treft Gij mij aan op booze wegen,
 Zoo leid mij op de regte baan;
Dan lacht mij in het eind de zegen
 Van ongeveinsde godsvrucht aan.

[ 16 ]

X.

GODS ALMAGT.

1.

Oneindig’ God! het nietig stof
Poogt tot uw’ zetel doortedringen,
 Om staamlend uwe grootheid lof,
Uw almagt glorie toetezingen.
Och! dat ons hart opregt uw eer bedoel’,
 Zijn niet befeff’, zijn onmagt diep gevoel’!

2.

Uw oppertmagt reikt verder. Heer!
Dan aarde, zee, en hemel reiken;
 Uw adem werpt den ceder neêr.
En velt de honderdjarig’ eiken:
Daar siddren wij, en toch vertoont die kracht
 De schaduw slechts van uw geduchte magt.

3.

Natuur voelt op uw enkel woord
Zich tot uw godlijk doel beperken;
 Gij zet uw wijz’ ontwerpen voort,
En ’t gansch heelal moet medewerken :
Gij spreekt, het is; Gij wenkt, het staat reeds daar,
 Wat immer was, en zonder U nooit waar.

4.

Uw wil riep zonnen uit het niet,
Daar dreven z’op uw welbehagen;
 En waar het oog uw’ hemel ziet.
Hij meldt de magt, die hem blijft schragen;
Meldt, dat de wenk, die hem heeft uitgerekt,
 Hem en zijn heir ten eeuwgen pijlaar strekt.

[ 17 ]

5.

 Gij schreeft natuur haar wetten voor.
 En sints kon niets haar’ loop beletten;
 Maar, waar ’t uw wijsheid ooit verkoor,
 Onthief één wenk haar aan die wenen:
Dan staafdet Gij uw eindloos albestuur
Als Opperheer en Schepper der natuur.

6.

 Maar meest in uw genaderijk
 Vertoont uw almagt liefdemerken;
 Uw lokken is geen’ dwang gelijk,
 Gij werkt het willen en het werken:
Uw liefde wekt in ons dien liefdegloed,
Dat ook ons hart U eeuwig lieven moet.

7.

 Zoo vaak dan ’t hart tot Jezus vlugt,
 En zich beveelt aan zijn genade,
 Of op uw woord vertrouwend zucht,
 Dat ons uw bijstand koom te stade ;
Dan breekt uw magt der zonden heerschappij,
En maakt de ziel ten eeuwgen leven vrij.

8.

 Erbarmer! o die liefdemagt
 Verheerlijk’ zich door heel ons leven!
 Gij werkt al ’t goed, en elke kracht
 Ter deugd is ons door U gegeven.
Hij, die ’t getrouwst op aard zijn taak verrigt,
Is ’t meest aan U en uw gena’ verpligt.

[ 18 ]

XI.

GODS HEILIGHEID.

1.

Heilig’ God! voor wien steeds waarheid,
 Reinheid van het harte geldt;
Eeuwig Licht! daar niets dan klaarheid,
 Niets dan vlekloos licht uit welt,
 Laat uw heiligheid, o Heer!
 Onze harten meer en meer
Zoo bestralen, zoo verhoogen,
Dat zij heilig worden mogen.

2.

Heilig is, o God! uw wezen,
 Reiner, dan het zonnelicht:
Englen zelfs, hoe rein in wezen.
 Dekken voor U ’t aangezigt:
 Wij zijn nietig, onrein stof,
 Onbekwaam tot uwen lof,
Vol van zonden, vol van vlekken,
Die ons angst en schrik verwekken.

3.

Nooit kunt G’iets beminnen. Vader!
 Hoe volkomen ’t ons ook schijn’,
Wat uw heiligheid niet nader’,
 U niet poog gelijk te zijn.
 Och! neem U dan onzer aan,
 Die op ’s levens donkre paân
Uit ons zelven niets vermogen,
Niets, dat goed is in uw oogen.

[ 19 ]

4.

Wat uw rein verstand ooit denke,
 Dat is heilig, rein en goed,
Wat uw wil tot aanzijn wenke,
 Dat is heilig, rein en goed:
 Ons verstand is zwak en klein,
 Onze wil is diep onrein;
Ach! dit moet, bij zoo veel vlekken,
Smart en vrees in ons verwekken.

5.

O, verzacht die vrees, die smarten!
 Is hier onze kracht te klein,
Schep Gij zelf ons reine harten,
 Gij zijt rein, maar maakt ook rein:
 Wasch ons diep onrein gemoed,
 Wasch het rein in Jezus bloed,
Heer! uw goede Geest geleide
Ons verstand en harte beide.

6.

Heilig God! doe ons gelijken
 Naar uw godlijk deugdenbeeld:
Heiligst’! alle smet t’ ontwijken
 Zij, wat ons hier ’t meeste streelt,
 Tot wij eens voor uwen troon,
 Gansch verlost door uwen Zoon,
Onder reine Hemellingen,
’t Heilig, Heilig, Heilig zingen.

[ 20 ]

XII.

GODS GOEDHEID.

1.

O goedheid Gods! nooit regt geprezen!
 Heet hij een mensch, dien gij niet treft?
Hoe snood ondankbaar moet hij wezen,
 Die ’t hart niet vrolijk tot u heft!
Neen! alles aan God dank te weten
 Zij steeds mijn pligt, mijn werk, mijn lied!
De Heer heeft nimmer mij vergeten;
 Vergeet, mijn ziel! den Heer ook niet!

2.

Wie wou mij wonderbaar bereiden?
 Die God, die mij niet noodig heeft.
Wie wou mij zoo geduldig leiden?
 Hij, wien mijn hart zoo vaak weerstreeft.
Wie sterkt in mijn gemoed den vrede,
 Wie schoort mijn’ geest met nieuwe kracht,
Wie deelt mij zoo veel zegen mede?
 Is ’t niet zijn arm, zoo sterk van magt?

3.

Sla ’t oog, mijn ziel! op ’t ander leven,
 Uw toegewezen erfenis,
Waar gij, met heerlijkheid omgeven,
 God eeuwig ziet, gelijk Hij is.
Die hoop mag u met regt verblijden,
 ’t Is u ten duren prijs gekocht:
Want daarom moest de Christus lijden,
 Op dat gij zalig worden mogt.

[ 21 ]

4.

En dezen God zou ik niet eeren,
 Ik zou zijn goedheid niet verstaan?
Hij zou mij raden, ik niet leeren?
 Den weg, dien Hij mij wijst, niet gaan?
Zijn wil bestier’ mijn hart en zinnen,
 Zijn woord blijv’ mij bestendig bij!
God moet ik boven alles minnen,
 En mijnen naasten, zoo als mij.

5.

Dit is mijn dank, dit zijn behagen,
 Ik moet volkomen zijn als Hij;
Mag ik mij naar dit doel gedragen,
 Dan prijkt zijn heerlijk beeld in mij:
Leeft zijne liefd’ in mijne ziele,
 Zij leert mij doen, wat Hij gebiedt,
En schoon ik vaak uit zwakheid viele,
 Toch heerscht in mij de zonde niet.

6.

Dat uwe zorg en tfouwe hoede,
 Mijn God! mij steeds voor oogen zij!
Die sterke mij gestaâg in ’t goede,
 Dat ik U heel mijn leven wij’!
Die leide mij in blijde dagen,
 Die trooste mij in tijd van nood,
En leer’ mij zonder schrik verdragen
 Het aaklig denkbeeld van den dood!

[ 22 ]

XIII.

GODS GETROUWHEID.

1.

God sprak (men stell’ op berg en rots
 Zijn woord in eeuwig schrift;
En ieder, die dat schrift aanschouwt,
 Die leze, wat Hij sprak:)

2.

„Eens wordt de sterkste rots vergruisd,
 „En ’t hoogst gebergt stort in;
„Maar mijn genaverbond met u,
 „Opregten! wankelt niet.

3.

„Treedt heen door gloeijend vuur en vlam,
 „Door waterstroom en zee;
„En ’t vuur verzengt u zelfs geen hair,
 „En ’t water schaadt u niet.

4.

„Treedt stout door ’t ijslijk schrikdal heen
 „Der schaduwe des doods;
„Vreest daar geen kwaad, ik ken die paân,
 „Ik zal daar bij u zijn.

5.

„Schoon ’t alles ’t onderst boven raak’,
 „’t Gebergt in zee verzink’,
„En d’aard zich uit haar plaats verzett’,
 „Ik zal uw toevlugt zijn!”

6.

Elk leez’ dit als het woord van God,
 En neem ’t geloovig aan:
Want eeuwig en onwankelbaar
 Is, wat Jehova spreekt.

[ 23 ]

7.

Ja, zijn verbond staat eeuwig vast,
 Zoo staat geen berg, geen rots;
En toeft Hij al, Hij kent zijn’ tijd,
 Hij komt, Hij komt gewis.