Het leven der bloem (1900)/VI

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
V Het leven der bloem van Hugo de Vries

VI

VII


[ 122 ]
 

VI


DE BESTUIVING VAN BLOEMEN DOOR DEN WIND.


Reeds in overoude tijden wist men, dat de bloesem der dadelpalmen van tweeërlei soort is, en dat deze verschillende bloesems steeds op verschillende boomen voorkomen. De eene soort van bloesem leverde de vrucht, de bekende dadels; de andere soort leverde een fijn poeder, dat tijdens den bloei naar de eersten overwoei, en op deze een bevruchtende werking uitoefende. De vruchtdragende boomen noemde men [ 123 ] vrouwelijke, die welke het stuifmeel voortbrachten mannelijke. Men wist, dat het niet voldoende was de eersten te planten, om vruchten te verkrijgen; de aanwezigheid van de laatsten was daarvoor een noodzakelijk vereischte. Gedurende vele eeuwen was de dadelpalm de eenige plant, van welke men deze twee belangrijke eigenschappen kende: de noodzakelijkheid der bestuiving voor de vorming der vruchten, en het overbrengen van het stuifmeel op de vrouwelijke bloemen door den wind.

De kennis van de bevruchting der dadelpalmen was echter niet tot het medegedeelde beperkt. Integendeel, men wist de werking van het stuifmeel nog in meer bizonderheden op prijs te stellen. Men had opgemerkt dat het aantal rijpe dadels, die een vrouwelijke plant opleverde, afhankelijk was van de hoeveelheid stuifmeel die zich op hare bloemen afzette. Van deze ervaring werd algemeen het volgende gebruik gemaakt. Men snijdt de mannelijke bloemtrossen tijdens den bloei of kort voor het ontluiken af, en hangt ze tusschen de trossen der vrouwelijke planten in. Speelt nu de wind in de boomen,zoo neemt hij het stuifmeel uit de eersten op, doch kan het in de onmiddellijke nabijheid op de laatsten weer afzetten. Het is duidelijk dat hierbij een veel geringere hoeveelheid stuifmeel nutteloos zal verloren gaan, dan wanneer dit fijne poeder van boom tot boom, dikwijls over een aanzienlijken afstand door den wind verplaatst moet worden.

Langen tijd bleef de kennis van de bevruchting der planten tot dit eene geval beperkt, en het feit dat de dadels, die in Arabië en Noord-Afrika inheemsch zijn, in Europa niet voorkomen, en waar zij in het zuidelijk deel van Europa gekweekt worden geene rijpe vruchten dragen, was oorzaak, dat aan de Europeesche kruidkundigen de bevruchting der planten tot in de vorige eeuw onbekend bleef. Eerst Camerarius, en na hem Koelreuter, toonden aan, dat werkelijk bij alle planten, die met bloemen bloeien, het stuifmeel op den stempel gebracht moet worden, zal de vrucht zich kunnen ontwikkelen. De eigenschap der dadelpalmen, grootendeels reeds weer vergeten, bleek toen voor het geheele plantenrijk een algemeene [ 124 ] regel te zijn. Thans zijn de dadelpalmen nog een leerrijk voorbeeld voor de bestuiving van bloemen door den wind.

In onze vorige hoofdstukken hebben wij steeds bloemen beschouwd, die, hetzij zonder uitzondering, hetzij ten minste in den regel, door insekten worden bestoven. Thans wenschen wij de aandacht te vestigen op die hoogst eenvoudige, weinig in 't oog loopend versierde bloemen, wier bestuiving hetzij uitsluitend hetzij grootendeels door den wind geschiedt.

Fig 58.


Het leven der bloem (1900) p136 fig58.jpg


Bloemen van den Els (Alnus).
Links: 1, schubje met twee vrouwelijke bloemen; 2, rijp katje.
Rechts: 1, schubje met drie mannelijke bloemen;
2, een afzonderlijke mannelijke bloem.


Talrijke voorbeelden leveren hiervan onze inlandsche boomen, wier bloemen in katjes bij één geplaatst zijn, Iedereen kent die lange, dunne hangende trosjes, van een gele of bruingele kleur, die in het vroege voorjaar aan Elzen en Hazelaars, lang voordat de bladen zich ontplooien, te zien zijn. Deze slappe en tengere trosjes zijn de zoogenoemde katjes, die uit een dunnen steel en een zeer groot aantal kleine bloempjes bestaan. Deze bloempjes zijn hoogst eenvoudig van bouw, en bij de genoemde boomen steeds alleen uit meeldraden gevormd, die door enkele kleine schubjes omgeven worden. Onze figuur 58 stelt bij 2 (rechts) zulk een bloempje van den Els voor; daarnaast ziet men drie bloempjes, die, dicht bijeengedrongen en door een gemeenschappelijk schubje gesteund, te zamen aan den steel [ 125 ] van het katje verbonden zijn. De stampers van deze planten staan in afzonderlijke bloemen. Bij den Hazelaar zit elke vrouwelijke bloem afzonderlijk in een knop aan den tak, en is zij aan hare fraaie roode stempels gemakkelijk te herkennen. Uit deze bloemen ontstaan na de bevruchting de bekende hazelnooten. Bij de elzen zijn de vrouwelijke bloemen (fig. 58 bij 1 rechts) in de oksels van schubjes geplaatst, die tot een klein groen katje verbonden zijn, dat later bij het rijp worden der vruchten hard en houterig wordt.

Fig. 59.


Het leven der bloem (1900) p137 fig59.jpg


Mannelijke bloemkatjes van den Eik.

Wil men zich een duidelijk denkbeeld van den bouw der katjes maken, zoo zijn daartoe die van den eik het meest geschikt. Hier toch vindt men de bloempjes langs de spil niet [ 126 ] dicht opééngehoopt, maar, gelijk de figuren 59 en 60 ons aantoonen, op kleine afstanden van elkander geplaatst, zoodat men elk afzonderlijk gemakkelijk waar kan nemen. In figuur 59 is een takje met alleen mannelijke katjes afgebeeld; fig. 60 daarentegen bezit alleen vrouwelijke bloempjes,' die in twee katjes vereenigd zijn. Deze bloempjes groeien later tot de eikels uit, die dus aan het steeltje blijven zitten, dat tijdens den bloei de spil van het katje was.

Fig. 60.


Het leven der bloem (1900) p138 fig60.jpg


Vrouwelijke bloemkatjes van den Eik.


De fraaiste voorbeelden van bloemkatjes leveren ons de verschillende soorten van Wilgen, die echter niet door den wind, maar voornamelijk door insekten worden bestoven.


Fig. 61.     Fig. 62.
Het leven der bloem (1900) p138 fig61.jpg Het leven der bloem (1900) p138 fig62.jpg
Vrouwelijk bloempje eener Wilg. Mannelijk bloempje eener Wilg.


De geheele inrichting is hier echter nog dezelfde als bij echte windbloemen, alleen met dit onderscheid dat onderaan in elk bloempje een [ 127 ] honigkliertje tot aanlokking der insekten geplaatst is, 't welk bij de windbloemen niet voorkomt. De figuren 61 en 62 leeren ons, hoe ook hier de bloempjes óf alleen meeldraden, óf alleen stampers bezitten. Behalve deze deelen bestaat de bloem slechts uit een klein geelachtig bruin schubje, dat meestal fraai zijdeachtig behaard is Het aantal meeldraden in een mannelijke bloem bedraagt bij de meeste soorten van Wilgen twee; daarentegen bezit de vrouwelijke bloem steeds slechts één stamper, die gewoonlijk op een korter of langer steeltje geplaatst is.

Groot voordeel heeft het voor bloemen, wier bestuiving geheel van den wind afhankelijk is, dat zij in kleine groepen bijeen geplaatst zijn. Hoe dichter toch de wolkjes stuifmeel zijn, des te minder zal er van dit kostbare poeder verloren behoeven te gaan. Doch ook voor de vrouwelijke bloemen is het van belang dicht bijeen op zulke plaatsen te staan, waarlangs de wind het stuifmeel gemakkelijk voert. Het is dan ook een vrij algemeene regel bij planten met windbloemen, dat hare bloemen in groepen bijéén geplaatst zijn. Een paar voorbeelden daarvan mogen hier nog een plaats vinden.

De geheele familie der Grassen, waartoe, gelijk bekend is, ook de granen behooren, is uitsluitend voor de bestuiving door den wind ingericht. Hare groote, meest pluimvormige stempels, en hare bewegelijke, ver uit de bloemen uitstekende meeldraden met hun stuivend stuifmeel, leeren ons dit ten duidelijkste.

De bloemen der Grassen vormen tweeërlei soort van bloemgroepen, al naar gelang der grassoort tot welke zij behooren. Zij zijn bekend onder den naam van pluim, wanneer zij wijd vertakt zijn en een min of meer pyramidalen vorm bezitten: daarentegen dragen zij den naam van aar, zoo alle bloempjes, tot kleine groepjes vereenigd, ongesteeld aan den algemeenen bloemsteel zitten, en het geheel dus een lang smal voorwerp vormt. Beide soorten van bloemgroepen komen aan de grassen onzer weilanden en gazons algemeen voor: beide zijn ook bij de granen vertegenwoordigd. Onder de granen toch herkent men den haver aan zijn pluim, welks fijne takken aan den top kleine groepjes van hoogst eenvoudig gebouwde, en in groene schutblaadjes weggedoken bloemen dragen. De tarwe, de rogge [ 128 ] en de gerst bezitten daarentegen aren. In de beschrijvende plantkunde heeten deze meer in 't bizonder samengestelde aren, daar bij nader onderzoek blijkt, dat elk der kleine bloemgroepjes in het klein den bouw en de eigenschappen van een aar herhaalt. Het is dus eigenlijk een vereeniging van kleine aartjes tot een groote aar. Onze figuur 63 stelt een tarwe-aar tijdens den bloei voor; men ziet de lange stuifmeelknopjes aan hun dunne helmdraadjes uit de bloemen hangen, en daartusschen op sommige plaatsen de pluimvormige stempels te voorschijn treden. Evenzoo is het bij de gerst en de rogge. Men begrijpt licht, dat als de wind over een bloeiend roggeveld waait, geheele wolken stuifmeel opgenomen en langs de aren voortbewogen zullen worden, en dat het dus van zelf spreekt dat een groot deel dezer korrels op de stempels komen zal. Daar deze kleverig zijn, blijft het fijne poeder er gemakkelijk aan hechten.

Fig. 63.


Het leven der bloem (1900) p140 fig63.jpg


Samengestelde aar van
Tarwe.

Met de grassen nauw verwant is de familie der Cypergrassen of Rietgrassen, die zich wel in menig kenmerk van de grassen onderscheiden, op het eerste gezicht echter gemakkelijk voor grassen kunnen gehouden worden. Hiertoe behoort de Egyptische Papierplant, wier stengels, in dunne reepen gesplitst en gedroogd, in oude tijden als papier gebruikt werden. Verder behoort hiertoe een der belangrijkste planten onzer duinen - de Zegge of het Rietgras, een plantje, welbekend om zijn lange laag kruipende wortelstokken, die in het kale duinzand, soms [ 129 ] over een lengte van verscheidene meters, in een rechte lijn voortkruipen, en daarbij van tijd tot tijd boven den grond kleine bladrozetten zenden. Daar zij rijk met wortelvezels bezet zijn, dragen zij veel tot het bevestigen van het losse zand bij, en verdienen in dit opzicht, na de helmplant, den eersten rang. Hare bloemen zijn tot kleine aartjes in de oksels van schutbladen vereenigd. Bij sommige soorten van Zegge zijn de onderste aartjes vrouwelijk en de bovenste mannelijk, bij andere soorten is daarentegen in elk aartje de bovenste helft mannelijk en de onderste vrouwelijk. In beide gevallen kan het stuifmeel, door den wind uit de meeldraden geschud, gemakkelijk op de stempels komen.

Nadat wij nu een der belangrijkste eigenschappen der meeste windbloemen, hare vereeniging tot bloemgroepen, uitvoerig behandeld hebben, wenschen wij nog eenige andere kenmerken na te gaan, waardoor zij zich van insektenbloemen onderscheiden. Wij beschouwen daarbij eerst de eigenschappen dezer bloemen in 't algemeen, om daarna iets langer bij die van het stuifmeel stil te staan.

Fraaie kleuren, sierlijke vormen, aangename geuren en honig, die wij bij zoo vele andere bloemen als lokmiddelen voor de insekten aangetroffen hebben, ontbreken hier ten eenemale. Zij zouden ook volstrekt overbodig zijn, daar de insekten hier bij de bestuiving geen rol te spelen hebben. De bloembekleedselen zijn steeds hoogst eenvoudig van bouw, meest een krans van kleine lichtbruine of groene schubjes, soms zelfs slechts uit een enkel schubje bestaande. Daarentegen zijn de meelknopjes steeds op lange draden geplaatst, zoodat zij ver buiten de bloem, vrij in de lucht staan; hun stuifmeel kan dus gemakkelijk door den wind worden opgenomen en weggevoerd. Tot dit doel zijn de bloemen zelven ook steeds zoo vrij mogelijk geplaatst, en nooit tusschen bladen verscholen. Soms wordt dit doel, gelijk bij de grassen, daardoor bereikt, dat de bloemgroepen op hooge, zeer buigzame stelen geplaatst zijn; soms, zooals bij onze meeste boomen, daardoor, dat de bloemen in het vroege voorjaar bloeien, vóórdat de bladen uit de knoppen te voorschijn komen.

[ 130 ] Aan planten met stuivend stuifmeel vindt men beschuttende omhullingen der meeldraden slechts tot op den tijd dat de laatsten beginnen te bloeien. Dan toch moeten zij vrij aan weer en wind blootgesteld zijn. Dit is een van de oorzaken waarom de bloembekleedselen hier steeds klein en nietig zijn. Vele planten bezitten nog een bizondere eigenschap, wier doel is, de meelknopjes in hun jeugd binnen de beschermende omhulsels te houden, en ze tijdens hun bloei ver boven deze te verheffen. Ik bedoel een plotselingen, aanzienlijken groei der meeldraden, kort voor het openspringen der knopjes. Men kan dit bij onze grassen, bij den hennip, den eik, den iep, en talrijke andere planten zeer duidelijk opmerken. De meeldraden strekken zich snel, en worden tot haardunne draadjes, aan wier top, ver boven de schubachtige bloembekleedselen, de rijpe stuifmeelknopjes los en bewegelijk opgehangen zijn. Het vrij wordende stuifmeel toch moet door de luchtstroomen snel weggevoerd, en door deze naar de stempels overgebracht worden.

De natuur van dit transportmiddel heeft ten gevolge, dat slechts een zeer klein gedeelte van het ontstane stuifmeel werkelijk op de stempels komt, en het is onvermijdelijk, dat verreweg het grootste deel op allerlei andere plaatsen afgezet wordt en dus verloren gaat. Ware de hoeveelheid stuifmeel slechts klein, zoo zou onder deze omstandigheid de bestuiving der stampers zeer twijfelachtig worden, en om deze onzekerheid te voorkomen, bestaat er geen ander middel dan de productie van groote hoeveelheden van het stuivende poeder.

In vergelijking met andere planten is hier dan ook de hoeveelheid stuifmeel enorm groot. Door den minsten stoot kan men uit de mannelijke katjes van den Hazelaar, den Els, den Okkernoot en vele anderen groote wolken stuifmeel te voorschijn laten treden; en van de bloeiende takken onzer naaldboomen komt een zoo groote massa van stuifmeel, dat de grond in de omgeving van bloeiende dennebosschen niet zelden als met zwavelbloem bedekt en geheel geel schijnt. In den zomer van het jaar 1872, tijdens den bloeitijd der dennen zag [ 131 ] men de Achersee bij Innsbrück over vele honderden van vierkante meters zóó dicht met het poeder uit de mannelijk bloemen bedekt, dat het schoone blauw van den zeespiegel geheel in geel veranderd was. In de Alpenstreken ziet men, als de dennen en elzen bloeien, niet zelden geheele wolken van stuifmeel opgenomen en langs de bergen hoog opgevoerd worden, tot zij eindelijk op de sneeuwvelden neer vallen, en deze als met een gele oppervlakte bedekken. In de bosschen zelven worden dan, gelijk wel van zelf spreekt, alle deelen der boomen, alle voorwerpen en de geheele grond zoo dicht met stuifmeel bedekt, dat er bijna geen plekje van vrij blijft. Dat onder zulke omstandigheden ook de vrouwelijke bloemen voldoende bestoven worden, behoeft wel niet opgemerkt te worden, vooral zoo men weet dat bij deze planten meest reeds enkele stuifmeelkorrels in staat zijn, om het vruchtbeginsel zich tot vrucht te doen ontwikkelen.

In ons hoofdstuk over het stuifmeel hebben wij reeds er op gewezen, dat de eigenschap van gemakkelijk te verstuiven het gevolg is van een gladde oppervlakte der korrels en van het gemis van eenige kleverige stof daarop, gelijk die steeds tusschen de korrels van het klevend stuifmeel der insektenbloemen wordt aangetroffen. Wij behoeven dus hier niet langer bij dit onderwerp stil te staan, en wenschen nog slechts even de aandacht op het stuifmeel der dennen te vestigen, dat wij ter aangehaalder plaatse afgebeeld en beschreven hebben. Hier toch is elke korrel voorzien van twee luchtblaasjes, die den korrel wel grooter, maar toch soortelijk lichter maken; het is vooral aan deze inrichting dat het stuifmeel der dennen de zooeven besproken eigenschap te danken heeft, van op zoo aanzienlijke afstanden door den wind verplaatst te kunnen worden.

Aan het einde van onze beschrijving van de hoogst eenvoudige inrichting der windbloemen, wensch ik nog enkele opmerkingen omtrent hare betrekking tot de insektenbloemen mede te deelen.

Gelijk iedereen weet, kan men het plantenrijk in twee groote afdeelingen splitsen, waarvan de een de bedektbloeienden, de [ 132 ] ander de zichtbaarbloeienden omvat. Deze beide oude woorden beteekenen eenvoudig dat de planten der eerste afdeeling geen bloemen hebben; hare geslachtswerktuigen zijn van geheel anderen bouw dan meeldraden en stampers. De zichtbaarbloeienden hebben steeds bloemen met meeldraden en stampers, hetzij deze organen in dezelfde bloem vereenigd, of over verschillende bloemen verspreid zijn. Tot de bedektbloeienden behooren de groepen der Varens, Mossen, Wieren en Champignons; deze allen planten zich niet door zaden, maar door sporen voort.

De geologie leert ons, dat er, gedurende lange tijden van het leven op aarde slechts bedektbloeiende planten bestonden; eerst veel later zijn ook de planten met bloemen ontstaan. Van deze ontstonden de laagst ontwikkelde vormen het eerst, en slechts langzamerhand kwamen ook hooger en hooger ontwikkelde soorten te voorschijn. De laagste soorten van planten met bloemen zijn de Naaldboomen en hunne verwanten. Ofschoon hun stam een reusachtige ontwikkeling kan erlangen, zoo leert toch zoowel de eenvoudige bouw van het hout, als vooral de weinig samengestelde bladen en bloemen, maar vooral de eigenschappen van het stuifmeel en den stamper, dat zij op den laagsten trap van ontwikkeling onder de bloemdragende gewassen staan. Overeenkomstig daarmede ziet men ze in de geschiedenis der aarde ook veel vroeger optreden dan de hoogere vormen. In ontwikkeling volgen op hen eenerzijds de Palmen, andererzijds de Grassen met hunne talrijke verwanten, en nog in een derde richting vele katjesdragende boomen, om van de minder bekende plantenfamiliën niet te spreken. In den geologischen tijd komen de Palmen reeds spoedig met de Naaldboomen voor, eerst later de Grassen en de katjesdragende boomen. In elk der bedoelde richtingen komen echter, voor zoo ver men dit met zekerheid kan nagaan, de planten met fraai ontwikkelde bloemen later dan de opgenoemde familiën.

Uit deze bekende feiten volgt terstond, dat de windbloemen veel vroeger bestaan hebben dan de insektenbloemen. Er was een tijd toen de eersten algemeen waren, en de laatsten [ 133 ] nog geheel ontbraken. Bestonden er nu in dezen tijd geene insekten, of bezochten zij nog geene bloemen? De geologie leert ons, dat er toen werkelijk reeds insekten rondvlogen, en de ervaring van den tegenwoordigen tijd toont ons aan, dat ook windbloemen wel door insekten bezocht worden. Deze verzamelen daarin wel is waar geen honig, want die wordt er niet in afgezonderd: zij zoeken er het stuifmeel zelf, dat zij als voedsel gebruiken. De meeste insekten toch, onder anderen de bijen en hommels, kunnen van honig alleen niet leven; zij hebben daartoe ook het stuifmeel noodig, dat een stikstofhoudend voedsel is, terwijl de honig geen stikstof bevat. Voor den opbouw van spieren en zenuwen weet men, dat stikstofhoudend voedsel volstrekt noodzakelijk is. In de honigraten onzer gewone bijen vindt men dan ook wel is waar in de meeste cellen honig opgespaard, enkele cellen bevatten echter steeds in plaats van honig een fijn, droog poeder, dat onder den naam van bijenbrood bekend is. Het is niet anders dan stuifmeel uit bloemen, dat, evenals de honig, tot voeding gedurende het ongunstig jaargetijde bewaard wordt. Wij mogen dus met zekerheid zeggen, dat in de besproken geologische periode de windbloemen, om den wille van haar stuifmeel, door insekten bezocht werden Voor de bestuiving waren deze diertjes echter nog niet noodig, en daarenboven ook niet dienstig, daar zij voornamelijk slechts de mannelijke bloemen bezochten. Doch ook het stempelvocht der vrouwelijke bloemen vermocht de gevleugelde bezoekers tot zich te lokken, en deze, door elkander naar bloemen met meeldraden en naar bloemen met stampers vliegende, moesten al licht het stuifmeel op de stempels overbrengen. En daarmede is de oorsprong der bestuiving door insekten gevonden! Hoe klein schijnt ons nu de stap van deze echte windbloemen tot die vormen, die, hoewel in uiterlijk geheel met windbloemen overeenkomende, toch in werkelijkheid steeds door insekten bestoven worden, en deze door niets anders aanlokken dan door haar stuifmeel en den honig uit een paar kleine kliertjes. Hiervan leveren ons de Wilgen, die wij boven beschreven hebben, een uitstekend voorbeeld, dat des te leerrijker is, omdat hare [ 134 ] naaste verwanten, de Populieren, uitsluitend aan den wind de bestuiving harer stempels overlaten, en slechts om het stuifmeel van tijd tot tijd door insekten bezocht worden. De Wilgen vormen; om zoo te zeggen, een eersten overgang tot de echte insektenbloemen, in welke zoo talrijke en geheel verschillende middelen tot aanlokking der insekten tot stand gekomen zijn.

Hoe zich uit zulke allereenvoudigste beginselen langzamerhand die groote verscheidenheid van vormen ontwikkeld heeft, van welke wij in de vorige hoofdstukken getracht hebben onzen lezers eenigszins een denkbeeld te geven, kunnen wij hier niet nagaan. Genoeg zij het op te merken, dat de inrichtingen der bloemen voor de bestuiving door insekten een der belangrijkste sleutels leveren voor de leer van de ontwikkelingsgeschiedenis van het plantenrijk.