In het jaar 2000 (Bellamy 1890)/27

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXVI. In het jaar 2000 van Edward Bellamy

XXVII.

XXVIII.


[ 234 ]

HOOFDSTUK XXVII.

 

 

Ik kon nooit precies zeggen waarom ik in mijn vroeger leven Zondagsmiddags altijd zoo vatbaar voor neerslachtigheid was, als op eene onverklaarbare manier alle dingen des levens haar kleur verloren en alles roerend eentonig scheen. De uren, die mij in den regel droegen op hare vleugelen, raakten haar vlucht kwijt, en naarmate de dag ten einde liep, vielen zij op de aarde neder en moesten ten slotte zelve worden voortgesleept. Misschien was het gedeeltelijk een gevolg van de oude gewoonte, dat ik, ondanks de uiterste verandering van omstandigheden, in een staat van somberheid verviel in den namiddag van dezen eersten Zondag in de twintigste eeuw.

Nu was het evenwel geen neerslachtigheid zonder bepaalde oorzaak, de enkel vage melancholie die ik bedoelde, maar een gevoel, opgewekt en gerechtvaardigd door mijn tegenwoordigen toestand. De preek van Barton, met de voortdurende herinnering aan de wijde zedelijke klove tusschen de eeuw waartoe ik behoord had en die waarin ik mij bevond, versterkte geweldig mijne aandoening van eenzaamheid. Hoe wijsgeerig en verschoonend zijne woorden ook geweest waren, lieten zij toch bij mij een sterken indruk achter van de gemengde gewaarwordingen van medelijden, nieuwsgierigheid en afschuw, waarmede ik als een vertegenwoordiger van een veracht tijdperk, overal moest worden beschouwd.

De buitengewone vriendelijkheid waarmede Dr Leete en zijn gezin mij hadden behandeld, en vooral de goedheid [ 235 ] van Edith, hadden mij tot heden belet te bedenken dat hunne ware gevoelens te mijnen aanzien, noodzakelijk moesten zijn die van hun geheele geslacht. De erkenning hiervan zou ik hebben kunnen verduren voorzoover Dr. Leete en zijn echtgenoot betreft, hoe pijnlijk het ook ware; maar de overtuiging dat Edith hunne meening deelde, was meer dan ik kon lijden.

De verpletterende indruk dien deze late erkenning van een zoo duidelijk feit op mij maakte, deed mij helder inzien wat de lezer misschien reeds geraden heeft—ik had Edith lief.

Was het vreemd dat ik haar beminde? De roerende omstandigheden waaronder onze kennismaking was begonnen, toen zij mij met hare handen getrokken had uit den draaikolk der krankzinnigheid; de waarheid, dat hare genegenheid mij het nieuwe leven had geschonken en had helpen dragen; mijne gewoonte om tot haar op te zien als de tusschen-persoon met de onbekende wereld zooals zelfs haar vader niet kon wezen;—deze omstandigheden hadden het gevolg gehad, dat reeds had kunnen voortvloeien uit hare treffende schoonheid en geestelijke volmaaktheid. Het was ten eenenmale onvermijdelijk dat zij mij, en anders dan aan gewone minnaars, de eenige vrouw in de wereld zou toeschijnen. Nu dat ik plotseling overtuigd werd van de ijdelheid van de verwachtingen, die ik was begonnen te koesteren, leed ik niet enkel zooals een gewone minnaar, maar behalve eene wanhopige eenzaamheid, ondervond ik eene levensmoeheid die geen andere ongelukkige kon hebben gevoeld.

Mijn gastheer en zijn gezin zagen ongetwijfeld dat ik neerslachtig was en deden hun best om mij op te wekken; [ 236 ] aan Edith vooral kon ik zien dat zij met mij te doen had, maar na de gewone ondeugd van verliefden, na éénmaal zoo krankzinnig te zijn geweest, iets anders van haar te hopen, kon niet, zoodat er voor mij niets gelegen was in eene lieftalligheid die ik wist dat enkel medelijden was.

Tegen den avond, na mij afgezonderd te hebben in mijn kamer gedurende het grootste deel van den middag, ging ik in den tuin. Het weer was betrokken, met een najaarsgeur in de warme, stille lucht. Ik bevond mij dicht bij de opgraving, en ik daalde af in de onderaardsche kamer en ging zitten. "Dit, mompelde ik, is het eenige tehuis dat ik bezit. Laat mij hier blijven en niet weerkeeren." Troost zoekende in de bekende omgeving, trachtte ik een treurige tevredenheid te putten uit een terugblik op het verleden en ik beproefde de aangezichten en de vormen van mijne vroegere vrienden voor mijn geest terug te roepen. Het was tevergeefs. Zij waren dood voor altijd. Bijna honderd jaren hadden de sterren neergezien op het graf van Edith Bartlett en op de graven van mijn geheele geslacht.

Het verleden was dood, bedolven onder het gewicht van eene eeuw, en het tegenwoordige was voor mij afgesloten. Nergens was plaats voor mij. Ik was noch dood, noch levend.

—"Vergeef mij dat ik u gevolgd ben."

Ik zag op. Edith stond op den drempel van de kamer, en zag mij glimlachend aan, maar in hare oogen blonk medelijdende droefheid.

—"Stuur mij maar weg als ik u hinder" zeide zij; "maar wij zagen dat u treurig waart, en u weet dat u beloofd hebt mij te zullen waarschuwen. U hebt uw woord niet gehouden."

[ 237 ] Ik stond op en naderde de deur, terwijl ik probeerde te glimlachen, wat mij slecht gelukte, want het gezicht van hare schoonheid herinnerde mij aan de vernietigende oorzaak van mijn ellende.

"Ik voelde mij eenigszins verlaten, dat is alles", zeide ik. "Heeft het u nooit getroffen dat mijn toestand zooveel eenzamer is dan die van eenigen sterveling vóór mij, dat er in werkelijkheid een nieuw woord voor noodig is?"

—"O, zoo moet u niet spreken, zulke gevoelens moet u niet hebben, dat moet u niet!" riep zij uit met tranen in de oogen. "Zijn wij uwe vrienden dan niet? Het is uw eigen schuld als u niet wilt dat wij dat zijn. U behoeft niet eenzaam te wezen."

—"U bent goed voor mij meer dan ik begrijpen kan," zeide ik; "maar gelooft gij niet dat ik weet dat het enkel medelijden is, liefelijk medelijden, maar medelijden alleen? Ik zou dwaas moeten zijn niet te begrijpen dat ik voor u niet kan wezen wat mannen van uw eigen tijdgenooten kunnen zijn, maar een vreemd en huiverig schepsel ben, een aangespoeld mensch uit onbekende streken, wiens ongeluk u roert ondanks de stuitende dwaasheid. Ik ben zoo gek geweest—en u waart zoo goed, bijna te vergeten dat dit zoo moest zijn—mij te verbeelden dat ik mij misschien tehuis zou gaan gevoelen in deze eeuw en u niet anders zou voorkomen dan alle andere mannen, die gij kent. Maar de preek van Barton heeft mij geleerd hoe ijdel die verbeelding is, welke klove er gaapt tusschen u en mij."

—"O, die ellendige preek!" riep zij uit, weenende van aandoenlijk mededoogen. "Ik had gewild dat u er niet naar geluisterd hadt. Wat weet hij van u af? Hij heeft in oude boeken gelezen van uw tijd, maar meer [ 238 ] niet. Wat geeft gij om hem, dat gij u laat ontmoedigen door wat hij zegt? En beteekent het niets dat wij die u kennen, anders voelen? O, Mijnheer West! u weet niet, u begrijpt niet, hoe het mij verdriet als ik u zoo wanhopig zie! Ik kan het niet verdragen. Wat kan ik u zeggen? Hoe kan ik u overtuigen hoe verschillend onze gevoelens zijn van wat gij denkt?"

Zooals te voren, in die andere crisis van mijn lot toen zij bij mij gekomen was, had zij hare handen uitgestrekt met een helpend gebaar, en evenals toen had ik ze aangevat en omklemd gehouden; zij hijgde van sterke aandoening, en de lichte bevingen van hare vingers verrieden de hevigheid van hare ontroering. In haar gelaat streed mededoogen met de bezwaren die het verslonden, een strijd voor engelen. Vrouwelijke ontferming vertoonde nooit een hemelscher gewaad.

Zooveel schoonheid en zooveel goedheid vernietigden mij en het eenige antwoord dat ik geven kon, scheen mij te zijn haar de waarheid te zeggen. Natuurlijk bezat ik geen vonkje hoop, maar ik vreesde evenmin haar toorn. Daarvoor was zij te lieftallig. "Het is zeer ondankbaar," ging ik voort, "niet tevreden te zijn met de vriendelijkheid die gij mij bewezen hebt en nog bewijst. Maar gij zijt niet blind om niet te zien waarom zij onvoldoende is om mij gelukkig te maken. Ziet gij niet dat het is omdat ik zoo krankzinnig ben van u lief te hebben?"

Bij mijn laatste woorden bloosde zij hevig en zij sloeg de oogen neer, maar beproefde niet hare handen uit de mijne terug te trekken. Eenige oogenblikken stond zij zoo, zachtkens hijgende. Toen met een nog dieperen blos maar met een verblindend lachje, sprak zij terwijl zij mij aanzag:

[ 239 ] — "Bent u zeker dat u zelf niet blind bent?"

Dit was alles, maar het was genoeg, want het zeide mij dat, onverklaarbaar ongelooflijk, deze schitterende dochter eener gouden eeuw, mij niet alleen haar medelijden, maar hare liefde had geschonken. Toch geloofde ik aan een hemelsch bedrog, zelfs toen ik haar in mijne armen omvat hield. "Als ik buiten mij zelven ben," riep ik uit, "laat mij dan zoo blijven!"

—"Van mij moet gij denken dat ik buiten mij zelf ben," fluisterde zij, uit mijne armen vluchtend toen ik nauwelijks de zoetheid van haren kus had gesmaakt.—"Wat moet u wel van mij denken dat ik mij in de armen werp van iemand dien ik maar een week ken? Ik dacht niet dat gij het zoo gauw zoudt raden, maar ik had zoo erg met u te doen dat ik niet meer wist wat ik zeide. Neen, neen, u moet mij niet weer naderen tot dat u weet wie ik ben. Daarna, Mijnheer, zult gij mij uwe nederige verontschuldigingen aanbieden wegens uw gevoel, want ik ben zeker dat gij denkt, dat ik te snel op u verliefd ben geraakt. Nadat gij weet wie ik ben, zult gij moeten toestemmen dat het niet meer dan mijn plicht was u onmiddellijk te beminnen, en dat geen meisje met een natuurlijk gevoel in mijn plaats anders zou hebben gedaan."

Zooals men denken kan was ik niet verlangend naar nadere uitleggingen, maar Edith had vast besloten dat ik haar niet weder kussen mocht voor zij gezuiverd was van het vermoeden dat zij hare liefde te spoedig had weggeschonken, en gaarne volgde ik de bevallige raadsel-draagster in het huis. Bij haar moeder gekomen, fluisterde zij haar blozende iets in het oor en verliet haastig de kamer, ons alleen latende.

[ 240 ] Toen bleek het dat ik van mijn vreemde ondervinding nog het vreemdste te vernemen had. Van Mevrouw Leete hoorde ik dat Edith de achter-kleindochter was van mijn verloren lief, Edith Bartlett. Na mij veertien jaar betreurd te hebben, had zij een mariage d'estime gesloten en een zoon nagelaten die de vader van Mevrouw Leete werd; deze had hare grootmoeder nooit gezien, maar veel van haar gehoord, en toen hare dochter geboren werd, gaf zij haar den naam van Edith. Deze omstandigheid heeft misschien bijgedragen om de belangstelling voor hare overgrootmoeder naarmate zij opgroeide bij het meisje te versterken, en voornamelijk het verhaal van den onderstelden dood van haren geliefde bij den brand van zijn huis. Dit verhaal was bijzonder geschikt om het medegevoel op te wekken van een romantisch meisje, en het feit dat zij van de ongelukkige heldin afstamde, verhoogde natuurlijk voor haar de aandoenlijkheid van het geval. Een portret van Edith Bartlett en eenige van hare papieren, waarbij een pakje van mijn eigen brieven was, behoorden tot de erfstukken van de familie. Het portret stelde voor een zeer schoon jong meisje van wie het niet moeilijk was allerlei teedere en romantische dingen te fantaseeren. Mijn brieven gaven Edith eenige aanleiding, om zich van mij een flauw denkbeeld te maken en te zamen waren deze voorwerpen voldoende om haar de oude geschiedenis diep te doen gevoelen. Dikwijls had zij half schertsend tot hare ouders gezegd dat zij nooit zou trouwen tot zij een minnaar vond gelijk Julian West, en dat er tegenwoordig zulke niet meer waren.

Nu was dit alles natuurlijk maar het droomen van een maagd die zelf nog niet verliefd was geweest, maar de ontdekking van bet begraven gewelf in den tuin en de [ 241 ] openbaring van mijn naam maakten dat er thans ernstige gevolgen uit voortvloeiden. Want toen de schijnbaar levenlooze gestalte in het huis gedragen was, werd het gelaat in het medaillon op de borst onmiddellijk herkend als dat van Edith Bartlett, en daardoor, in verband met de andere omstandigheden, wisten zij dat ik niemand anders was dan Julian West. Zelfs al was er geen gedachte geweest, zooals er aanvankelijk niet was, van mijn herstel, zeide Mevrouw Leete dat zij geloofde dat deze gebeurtenis hare dochter voor altijd op een gevaarlijke manier zoude bijgebleven zijn. Eene geheimzinnige beschikking van het lot, dat haar leven met het mijne verbond zou onder alle omstandigheden bijna elke vrouw onweerstaanbaar hebben bekoord. Of zij, nu ik werkelijk na eenige uren in het leven teruggekeerd was, en onmiddellijk blijk gaf van eene groote aanhankelijkheid en een bijzonderen troost te vinden in haar gezelschap, haar liefde inderdaad te spoedig had bekend, zoodra ik de mijne beleden had, kon ik thans, zeide haar moeder, zelf beoordeelen. Als ik zoo dacht, moest ik onthouden dat de twintigste eeuw de negentiende niet was, en de liefde waarschijnlijk tegenwoordig sneller opkwam en zich vrijer uitte dan vroeger.

Van Mevrouw Leete ging ik naar Edith. Toen ik haar vond, vatte ik hare handen en stond langen tijd in stille bewondering van haar gelaat. Al starende herleefde de herinnering aan de andere Edith, die als verdoofd was geweest door de ontzaglijke gebeurtenissen die ons hadden gescheiden en mijn hart smolt in teedere en droevige, maar zalige aandoeningen. Want zij die mij zoo treffend herinnerde aan mijn verlies, zou dat verlies goedmaken. Het was alsof uit hare oogen Edith Bartlett [ 242 ] mij aanzag en mij troostvol tegenlachte. Mijn lot was niet alleen het wonderbaarlijkste, maar tevens het begunstigdste van alle menschen. Een dubbel wonder was aan mij gewrocht. Niet verlaten was ik geworpen op dit onbekende strand. Mijne beminde die ik verloren had gewaand, was tot mijne vreugde herboren. En toen ik eindelijk, overvloeiende van dankbaarheid en liefde, het aanvallige meisje in mijne armen sloot, werden de twee Ediths in mijne gedachten tot één en zijn nooit weer gescheiden geworden. Spoedig ontdekte ik dat bij Edith een overeenkomstige persoonsverwarring bestond. Nooit hebben twee pas vereenigde verliefden een zonderlinger gesprek gevoerd dan wij dien middag. Zij scheen er nog meer op gesteld dat ik over Edith Bartlett zou spreken dan over haar-zelf, hoe ik haar had bemind en zij beloonde mijne teedere woorden over eene andere vrouw met tranen, lachjes en zachte handdrukjes.

—"Gij moet mij niet te zeer om mij-zelf liefhebben," zeide zij. "Ik zal jaloersch zijn voor haar. Ik zal niet toestaan dat gij haar vergeet. Ik zal u iets zeggen dat gij vreemd zult vinden. Gelooft gij niet dat geesten somtijds naar de aarde terugkeeren om dingen te doen die hun na aan het hart lagen? Wat zoudt gij zeggen als ik meende dat haar geest in mij woont—dat ik niet Edith Leete, maar Edith Bartlett heet. Ik kan het niet weten, niemand kan weten wie wij zijn, maar ik voel het. Gij vindt het niet vreemd dat ik dat gevoel heb, want mijn leven was reeds betrokken bij het hare en het uwe, nog voor gij gekomen waart. Zoo ziet gij dat gij geen moeite hoeft te doen om mij te beminnen, als gij haar maar trouw blijft. Ik zal in het geheel niet jaloersch zijn."

[ 243 ] Dr. Leete was dien middag uitgegaan en ik sprak hem eerst later. Hij was blijkbaar niet geheel onvoorbereid op de mededeelingen die ik hem deed, en hij schudde mij hartelijk de hand.

—"In gewone omstandigheden, Mijnheer West, zou ik zeggen dat deze stap wel wat onbesuisd gedaan was, maar dit zijn zeker geen gewone omstandigheden. Bovendien, openhartig gesproken," voegde hij er glimlachende bij, "moet ik u zeggen dat als ik u gaarne mijn toestemming geef, u niet te dankbaar moet zijn, aangezien ik vind dat mijn toestemming een bloote formaliteit is. Van het oogenblik dat het geheim van het medaillon ontdekt was, moest het wel zoo gebeuren. En ik geloof dat als Edith er niet geweest was om het gegeven woord van haar overgrootmoeder in te lossen, zelfs mijn vrouw niet veilig zou geweest zijn."

Dien avond baadde de tuin in maanlicht, en Edith en ik wandelden tot middernacht heen en weer en trachtten ons te wennen aan ons geluk.

"Wat zou ik gedaan hebben als gij niet om mij gegeven hadt!" zeide zij. "Ik vreesde er voor. En ik voelde dat ik voor u was bestemd. Dadelijk toen gij het leven terug hadt gekregen, was ik er zeker van dat zij mij bevolen had voor u te wezen wat zij niet kon zijn, maar dat kon enkel gebeuren als gij het zoudt willen. O, hoe graag had ik het u dien morgen gezegd, toen gij zoo vreeselijk vreemd waart bij ons, wie ik was, maar ik durfde er niet over spreken, noch door vader of moeder..."

—"Was dat het dus dat ik niet van uw vader hooren mocht!" riep ik uit, het gesprek bedoelende dat ik had gehoord toen ik voor het eerst wakker werd.

—"Natuurlijk," antwoordde zij lachende. "Hadt gij dat [ 244 ] ook maar eenigszins kunnen raden? Vader is een man en dacht daarom dat het u op uw gemak zoude zetten als gij wist wie wij waren, aan mij dacht hij in 't geheel niet. Maar moeder begreep mij en daardoor kreeg ik mijn zin. Ik zou u nooit hebben kunnen aanzien als gij dat geweten hadt. Dat zou wel wat erg opdringerig zijn geweest. Ik ben toch al bang dat gij dat van mij denkt. Ik weet zeker dat het mijn plan niet was, want in uw tijd moesten de meisjes hare gevoelens verbergen en ik was vreeselijk angstig u onaangenaam aan te doen. O, hoe naar moet het voor haar zijn geweest als zij altijd haar liefde moesten bedekken alsof het zonde was. Waarom vonden zij het een schande van iemand te houden voordat zij verlof gekregen hadden? Het is zoo mal op permissie te wachten om verliefd te worden. Waren de mannen dan boos als meisjes van hen hielden? Zoo zouden vrouwen het niet opnemen, en de mannen ook niet, denk ik, tegenwoordig. Ik begrijp er niets van, Dat is een van de vreemde dingen over de vrouwen van die dagen die ge mij nog zult moeten uitleggen. Ik geloof niet dat Edith Bartlett zoo dwaas was als de anderen." Na verscheidene vergeefsche pogingen om te scheiden, wilde zij onherroepelijk afscheid nemen. Ik stond gereed, haar den allerlaatsten kus te geven, toen zij zeide, met een onbeschrijfelijke schalkschheid:

—"Eén ding hindert mij. Weet gij wel zeker dat gij Edith Bartlett vergeven hebt dat zij met iemand anders getrouwd is? De boeken die uit uw tijd overgebleven zijn, stellen de minnaars voor meer jaloersch dan liefhebbend, daarom vraag ik het u. Het zou mij rust geven als ik wist dat ge in het geheel niet jaloersch op mijn overgrootvader waart, omdat hij uw meisje genomen [ 245 ] heeft. Kan ik het portret van mijn overgrootmoeder zeggen als ik naar mijn kamer ga, dat ge haar volkomen vergeeft dat zij u ontrouw geworden is?"

Wil de lezer wel gelooven dat dit coquette grapje, of de spreekster er besef van had of niet, mij wezenlijk trof en daardoor een eind maakte aan een vaag gevoel van jaloezie dat bij mij gerezen was, toen Mevrouw Leete mij verteld had van het huwelijk van Edith Bartlett; zelfs terwijl ik Edith Bartletts achterkleindochter in de armen hield, had ik niet, tot op dit oogenblik, goed bedacht dat ik dit niet had kunnen doen als zij niet getrouwd was, zoo onlogisch zijn soms onze gevoelens. Zoo zonderling als deze gemoedstoestand was, zoo plotseling werd hij verdreven door Ediths boosaardige vraag, die mij tot een beter en helder inzicht bracht.

—"Verzeker haar van mijn oprechte vergiffenis," zeide ik lachende; "ofschoon, als zij iemand anders dan uw overgrootvader genomen had, het een geheel ander geval zou geweest zijn."

Dien nacht liet ik de muziek-telephoon met rust; voor den eersten keer maakten mijne gedachten een fraaiere muziek dan zelfs twintigste-eeuwsche orkesten kunnen voortbrengen, en ik sliep in, omstuwd door hare zoete melodieën.