Reize naar Surinamen en Guiana/Tweede aanhangzel (1)
| ← VIERDE BRIEF | Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana (1800) , vertaald door Johannes Allart | Tweede aanhangzel II. HOOFTSTUK → |
| Uitgegeven in Amsterdam door Johannes Allart. |
[ 187 ]
TWEEDE
AANHANGZEL,
BEHELZENDE EENE
BESCHRYVING
DER
VOLKPLANTING
VAN
CAYENNE.
BESCHRYVING
DER
VOLKPLANTING
VAN
CAYENNE.
EERSTE HOOFTSTUK.
Aardrykskundige Beschryving van Fransch Guiana.
De Franschen zyn langen tyd alleen bezitters en meesters van geheel Guiana[1] geweest, van de Orenoco af tot aan de Rivier der Amazonen; maar de gesteldheid der zaken in Europa, en de onderscheidene oorlogen, waar in Frankryk is ingewikkeld geworden, hebben hen genoodzaakt, om een gedeelte van dit uitgestrekte vaste Land aan de Hollanders en Portugeesen af te staan. Het [ 190 ]gedeelte, het welk zy behouden hebben, heeft derhalven thans tot zyne grenspalen, aan de westzyde, de Rivier Marony, en aan den oostkant strekt het zig uit, volgens het Verdrag van Utrecht, tot aan de Rivier Yapoc, of die van VINCENT PINÇON, gelegen dicht by de Noord-Kaap, en welke men verkeerdelyk heeft verward met de groote Rivier Oyapoc, wier geheele loop aan Frankryk toebehoort, en waar in VINCENT PINÇON nimmer geweest is, zynde derzelver mond meer dan vyftig mylen van gemelde Noord-Kaap af gelegen.
Deeze gelykheid, of liever deeze mistasting in den naam, heeft een verschil met Portugal veroorzaakt. Het Verdrag van Utrecht, wel is waar, noemt eenmaal de Rivier Yapoc, of die van VINCENT PINÇON; maar eene andere keer bedient het zelve zig van de laatstgemelde benaming. Noch de eene, noch de andere van deeze benamingen, is die van de Rivier, waar van in dit Verdrag gesproken wordt. 'Er is tusschen de Landen aan de Noord-Kaap en het vaste Land, een arm van de Zee, die een zoort van Baay vertoont. Men beweert, dat zeker Reiziger, genaamd VINCENT PINÇON, die CHRISTOPHORUS COLOMBUS op zyne laatste reize vergezeld had, in 't jaar 1500, in deeze Baay aankwam, waarom zommige Schry[ 191 ]vers den naam van deezen Reiziger aan dezelve gegeven hebben, een naam ondertusschen, die in het Land niet bekend is.
By dit zelfde Verdrag van Utrecht, staat Frankryk aan Portugal de uitsluitende vaart af op de Rivier der Amazonen, en het bezit van derzelver beide oevers, zoo noordelyken, als zuidelyken, gelyk mede die van den omtrek der Noord-Kaap, uit verdronken landen bestaande, ten noorden van den mond deezer groote Rivier gelegen, en zig tot den tweeden graad noorder breedte uitstrekkende; maar by het Verdrag is in geenen deele bepaald, op welken afstand van den noordelyken oever van deeze zelfde Rivier de Portugeesen recht zouden hebben zig het bezit aan te matigen.
De Fransche Regeering alle onzekerheid ten deezen opzigte willende wegnemen, had aan de Bestuurders van Guiana gelast eene kaart te doen maken, waar op deeze binnenlandsche grensscheidingen bepaald zouden zyn, latende aan Portugal het vrye bezit der Landen langs den oever van de Rivier der Amazonen, op gelyken afstand, namelyk vyftien mylen van den oever, als wy aan den kant van den mond der Rivier, of van den oever der Zee, 'er van waren afgelegen. De Ingenieurs, met dit werk belast, waren echter niet verpligt deeze voorgeschrevene rigting te volgen, wanneer [ 192 ]de ligging der plaatsen merkwaardiger punten, en meer natuurlyke grensscheidingen vorderden.
Dit werk is nimmer uitgevoerd. Eerst in het jaar 1781, plaatste de Fransche Regeering, om de grensscheiding te verzekeren, eenen wachtpost by de Baay van VINCENT PINÇON, in eene landstreek, die volstrekt woest was, en zonder dat eenig Europeaan, van de eene af andere zyde, zig aldaar had nedergezet. Die post is zonder tegenkanting aldaar gebleven. Eene zending, genaamd die van Macary, welke zig in de nabuurschap bevond, benevens zeker Indiaansch volk, meer dan drie honderd persoonen uitmakende, behoorde ontwyffelbaar aan het Fransche grondgebied; maar in 't jaar 1791, kreeg de Gouverneur van Para in den zin, om eenige vorderingen optewerpen, en deed zelfs strooperyen, met oogmerk, om het Portugeesch grondgebied tot aan de Rivier Oyapoc uit te breiden.
Op de hoogte van twaalf mylen ten noord westen van den mond van de Rivier der Amazonen, en op omtrent twee graden noorder-breedte, vindt men de Noord-Kaap, vervolgens het Eiland van de Noord-Kaap, en binnen het zelve de Rivier Carapa-Pouri, uitloopende in den inham der Zee, welken men de Baay van VINCENT PINÇON noemt. Tusschen Terra-Firma en de [ 193 ]Noord-Kaap, is een van tien mylen, vol lage en verdronkene Eilanden, van verschillende grootte, het ééne na by het andere gelegen, die weinig bekend, en geheel en al onbewoond zyn. De schepen behooren 'er byna drie mylen van af te blyven; de zee is aldaar gevaarlyk, vooral in de groote vloeden by volle en nieuwe maan. Men verzekert, dat aldaar zee-golven zyn van twintig voeten hoogte, en dat 'er drie van die zelfde kragt op elkander volgen, tegen welker geweld de schepen niet bestand zouden zyn; zy zouden dezelven op zanden slyk-banken werpen, die zig, naar de breedte van deeze Eilanden, meer dan een groote myl ver uitstrekken; maar de schepen en sloepen, die de Rivier der Amazonen uitloopen, om zig naar Cayenne te begeven, kunnen zig daar voor myden, dewyl deeze banken, weinig water naar zig trekkende, niet verhinderen dicht by het Land te komen, en in kleine Kreeken of Baaijen de wyk te nemen, alwaar zy voor deeze verbaazende zee-branding beveiligd zyn. De Portugeesen van Macapa en de Indianen noemen dit gety Bororoca, de Franschen van Cayenne geven 'er den naam aan van la Barre, of le Mascaret. De beroemde CONDAMINE, zig in eene groote sloep bevindende, onder het geleide van eenige Indiaansche Portugeesen, na de Noord-[ 194 ]Kaap te zyn voorby gezeild, verviel, in 't jaar 1714, op één van deeze banken aan den kant van de kust. De zee liep by laag water zeer verre af, en liet de sloep op een zeer harden slyk grond vast zitten. Dewyl het de dag van het laatste kwartier was, en zeer kleine vloeden plaats hadden, bleef de sloep eene geheele week op het drooge zitten; maar by de volgende maan, maakte het begin van deeze zoo geduchte branding de sloep weder vlot. Dit ging echter met gevaar vergezeld, want de golven namen het vaartuig op, en bragten het met eene vervaarlyke gezwindheid in het slyk in beweging.
Zie hier, wat deeze zelfde geleerde ten dien opzigte verhaalt. — Tusschen Macapa en de Noord-Kaap, op de plaats, alwaar het groote Kanaal van de Rivier der Amazonen door de Eilanden als gesloten is, en voor al tegen over den grooten mond van de Rivier Arouary, die aan de noord zyde in de Amazone uitloopt, levert de vloed der zee een zonderling verschynzel op. Geduurende de drie dagen, die het naast aan de volle en nieuwe maan zyn, en zynde den tyd der hoogste vloeden, verkrygt de zee, in plaats van tot haare reizing zes uuren te besteeden, in één of twee minuten derzelver grootste hoogte. Men begrypt ligtelyk, dat dit niet met stilte gebeurt. Op [ 195 ]eenen afstand van één of twee mylen hoort men een vervaarlyk geraas, het welk de pororoca aankondigt. Naar mate deeze verschrikkelyke vloed nadert, vermeerdert het geraas, en weldra ziet men een berg van water, van twaalf of vyftien voeten hoogte, daar op een tweeden, vervolgens een derden, en zomtyds een vierden, die elkander ylings volgen, en byna de geheele breedte van het Kanaal beslaan. Deeze golven naderen met eene onbegrypelyke schielykheid, en deiningen, en loopen over alles heen, zonder iets te wederstaan. Op zommige plaatsen ziet men groote streeken lands, door de pororoca weggespoeld, zeer dikke boomen worden 'er door uit den grond gerukt; zy veroorzaakt verwoestingen van allerleijen aart. De oever der zee, waar over zy heen gaat, is zoo schoon, als of dezelve met een bezem zindelyk was aangeveegd. De booten, de praauwen, de schepen zelfs hebben geen ander middel, om zig tegen de woede van deeze branding te beveiligen, dan door op een plaats te ankeren, alwaar veel slykgrond is. DE LA CONDAMINE, na op verschillende plaatsen de oorzaken van dit verschynsel onderzogt te hebben, ontvouwt het zelve in deezer voegen, dat hy het niet heeft zien gebeuren, dan wanneer het wassend water, in een naauw kanaal inloopende, een zand-bank of [ 196 ]hoogen grond, die aan het zelve in den weg was, ontmoette; dat aldaar, en ook nergens anders, de geweldige en onregelmatige beweging der wateren begon, en een weinig boven de bank ophield, wanneer het kanaal diep wierd, en zig merkelyk uitbreide.
Na de Rivier Carapa-Pouri, vindt men aan de noordzyde de Rivieren Mayacare, Carfuene en Conani, vervolgens de Kaap en Rivier Cassipour, en eindelyk Kaap Orange, op vier graden agt of tien minuten noorder breedte.
De kusten van Terra-Firma, van de Eilanden van de Noord-Kaap tot aan Kaap Cassipour, zyn laag, allen met boomen bewassen, zonder eenig byzonder teeken, waar aan zy te onderkennen zyn, dan den kleinen berg Mayés, gelegen op drie graden, vyftien minuten breedte. Deeze berg is een zoort van terras, op zig zelf staande, en met boomen bewassen. Wanneer men naar Cayenne wil gaan, is het dienstig daar op te letten, om zyne reize zeker te nemen, en zig onder den wind van dit Eiland behoorlyk te houden. Men kan den berg Mayés niet verder zien, dan vyf of zes mylen, en zulks dan nog by helder weder. Maar langs de geheele kust bevindt men het by de peiling vry diep, en men kan dezelve tot op drie of vier mylen, zonder de minste vreeze [ 197 ]naderen. Men vindt op deezen afstand agt, negen en tien vademen water; op tien mylen, twaalf, vyftien en twintig vademen; op vyftien en twintig mylen, vyf- en twintig of dertig vademen, met een slyken fyne zand-grond van verschillende kleuren. Verscheiden zeelieden loopen meer zuidelyk, en peilen op twintig of dertig mylen ten noord-oosten van de Noord-Kaap. Men vindt op deeze plaats veertig en vyftig vademen; vervolgens zeilt men langs de kust van Mayés, op een afstand van drie en vier mylen, de diepten wel in het oog houdende, om niet te digt aan de wal te naderen.
Tot meerder zekerheid is het dienstig, wanneer men in het gezicht van deeze kust vaart, alle avonden voor anker te gaan liggen, om niet door de stroomen naar de kust gedreven te worden, en op ondiepten te vervallen, die zig tot twee mylen verre in zee uitstrekken, en op welken zeer weinig water is. Deeze stroomen loopen naar het noord, noord-westen, tot dat men Kaap Orange voor by is, als dan wenden zy zig naar het west-noord-westen.
De water-getyen op de kust van Mayés geduuren zes uuren. De vloed loopt naar het west-noord-westen omtrent twee mylen in een uur, en de ebbe naar het noord-oosten omtrent ééne myl [ 198 ]in het zelfde tydvak. De zee wast van twaalf tot vyftien voeten. Men moet echter in acht nemen, dat deeze richting der stroomen en der getyen niet altyd even eens is.
De water-getyen zyn in deeze streeken zomtyds uittermaten geweldig. Het advis-jagt de Anemone bevond zig, in 't jaar 1755, in zoodanig geval, dat de golven by tusschenpoozingen vervaarlyke dwarlwinden veroorzaakten; de zee wierd 'er eensklaps door opgezet, en toen was het niet mogelyk het schip te stuuren. Het schip bovendien tusschen twee zeer sterke zee-golven geraakt zynde, waren alle de masten in gevaar van ter neder te storten, uit hoofde van de verbazende schokken. Het is opmerkelyk, dat men dit zoort van vloeden alleenlyk aantreft, wanneer men te digt aan de Rivier der Amazonen nadert, en dat, wanneer men meer noordelyk te land koomt, men daar aan minder is bloot gesteld.
Van den berg Mayés tot aan Kaap Cassipour, rekent men van agttien tot negentien mylen ten noord-noord-westen, eenige noordelyke graden.
Kaap Cassipour is gelegen op 4 graden 12 minuten noorder breedte, en op 53 graden 35 minuten ten westen van den midden-lyn van Parys. Digt by deeze Kaap is een bank van slyk, die zig vyf of zes mylen ver in zee uitstrekt, waar op [ 199 ]men niet meer dan vier of vyf vademen water by eene lage zee ontmoet. Haare uitgestrektheid, in de dwarste van het noorden naar het zuid-oosten gerekend, is omtrent vier mylen.
Wanneer men aan Kaap Orange nadert, ontdekt men verscheiden bergen boven den uithoek, die aan den ingang der Rivier Oyapoc gelegen is. Deeze Kaap is nog beter kenbaar door eenen uithoek aan den zee-kant, en die veel hooger is, dan het Land aan de zuid-oost zyde. Zy is al mede kenbaar door verscheide uithoeken van zeer hooge bergen, die de een van den ander schynen te zyn afgescheiden, en des te merkwaardiger zyn, om dat ze de eerste hooge landen uitmaken, die men ontdekt, als men van de Noord-Kaap koomt.
De Rivier Oyapoc, welke men met die van VINCENT PINÇON{ niet verwarren moet, zoo als ik reeds heb opgemerkt, is ééne der merkwaardigste in dit Land. Zy is van de Rivier Aprouago omtrent twaalf mylen ten zuid-oosten af gelegen. Derzelver mond is in het midden van een zoort van Baay, die vier mylen breed is, en waar in zig twee andere Rivieren ontlasten, de ééne genaamd Couripi, aan de oost-zyde, en de andere Ouanari, aan de west-zyde. De mond der Rivier Oyapoc is twee mylen breed. Een myl binnen[ 200 ]waarts, is een laag Eiland, het Hinden-Eiland genaamd, en waar over het water by hooge getyen heen stroomt. Wanneer men de Rivier vyf of zes mylen ver is opgevaren, ontmoet men eene diepte, die eene schoone haven oplevert, alwaar men op vier, vyf en zes vademen water ankert, zoo naby het land, als men zelf goedvindt. In 't jaar 1726, bouwde men ter deezer plaats een nieuw Fort en een Dorp. Verscheiden Indiaansche volken kwamen zig in den omtrek nederzetten; en in 't jaar 1735, vestigde men, op den afstand van eenige mylen van het Fort, de Zending van St. Paulus.
Van het Hinden-Eiland tot drie mylen hooger op, zyn verscheiden andere kleine Eilanden, maar die aan de scheepvaart geen hinder toebrengen. Vervolgens wordt de Rivier veel naauwer, en heeft niet meer dan zeven of agt voeten diepte. Vier mylen van het Fort aan de zelfde zyde, vindt men de Kreek, of liever de Rivier Gabaret. Van deeze Kreek tot aan de eerste waterval van de Oyapoc, is een afstand van vyf of zes mylen. Booten van eene middelmatige grootte kunnen 'er naauwlyks voorby komen. Drie mylen verder is eene tweede waterval, die nog veel moeijelyker is. De derde waterval van de Oyapoc is twee en een halve myl van de tweede af gelegen. Aan [ 201 ]de rechte zyde van deeze laatste waterval, ontmoet men den mond der Rivier Aramontabo, die meer dan twintig mylen van daar haar begin neemt.
De Rivier Camopy werpt zig in de Oyapoc, op den afstand van twaalf mylen van de Aramontabo, en aan den zelfden kant. Zy koomt van het westen, en ontspringt in uitgestrekte bosschen, die ontoeganglyk zyn; men is 'er echter zeer diep in doorgedrongen, en men verzekert, dat zy loopt tot op eenen kleinen afstand van eene Rivier, waar van zy alleenlyk is afgescheiden door eene Kreek van omtrent drie mylen, welke verscheide reizigers zeggen, dat in de Amazone uitloopt, zoo dat door dit middel de gemeenschap tusschen deeze Rivier en de Fransche Volkplantingen van Guiana vry gemakkelyk zyn zoude.
De Oyapoc is in haaren geheelen loop, tusschen de Rivieren Aramontabo en Camopy, vol watervallen, die zeer digt by elkander zyn: zeker reiziger heeft 'er negen geteld. Men is deeze Rivier opgevaren tot by de honderd mylen boven de laatstgemelde deezer Rivieren. In dezelve loopen een groot aantal Kreeken uit, en men heeft 'er veele watervallen ontmoet. De Pyrious en Ouayes, zeer talryke Indiaansche volken, woonen aan het boveneinde deezer Rivier. [ 202 ]
De Rivier Couripi ligt ten oosten van de Oyapoc, en is 'er, aan haaren mond, alleenlyk van afgescheiden door een uithoek van laag en verdronken land, aan de noordzyde bestaande uit eene overstroomde zanden slyk-bank van een myl lengte, waar voor men zig wagten moet, wanneer men de Rivier wil inloopen. In deeze Rivier, zes mylen van derzelver mond, ontlast zig de Rivier Ouassa, die van den zuid-oost kant koomt.
Beneden de eerstgemelde zyn de Kreeken Taparibo, Ciparini, en eenige andere, die van weinig uitgestrektheid zyn.
Vyftien mylen meer westwaarts dan de Oyapoc, ontmoet men de Rivier Aprouago, die, tot dertien voeten water diep zynde, voor allerleije schepen bevaarbaar is. Ten oosten ontlasten zig in dezelve de Kreek Koura en de Rivier Couroudi; ten westen de Kreeken Arataye, Ipourin en Ineri. Aan deeze zyde hebben zig verscheiden Indiaansche volken nedergeslagen. Tusschen de Baay van Oyapoc en de Rivier Aprouago, vindt men de Kreek Ouanari, en de Zilverberg.
Voorby de Rivier Kaw zyn twee Eilandjes, die den naam van de groote en kleine Konstapel dragen. De eerste ligt agttien mylen west-noordwest-waarts van de gemelde Kaap, en is een zeer hooge en zeer gezonde rots. De tweede is [ 203 ]een veel kleiner Klip, gelegen ten oost-noord-oosten, en ten west-zuid-westen van de groote, op den afstand van twee derde van een myl. Men vaart tusschen beiden door, op agt en negen vademen water, latende de grootte op den afstand van twee snaphaan-schoten, en de kleine aan bakboord-zyde liggen.
Van den grooten Konstapel zet men zyne koers naar het noord-westen ten westen, om in volle zee de Remire-Eilanden, die 'er omtrent zes mylen van af liggen, voor by te zeilen. De Eilandjes van deezen naam zyn één myl, en ten hoogften anderhalve myl van de kust van Cayenne afgelegen. Hun getal is vyf, te weten de Malingre, of het Kind, de Vader, de Moeder en de twee Dogters, die zommigen de twee Borsten noemen. Deeze twee Eilandjes, die zeer klein zyn, bestaan in twee drooge en dorre Klippen, zeer digt by elkander gelegen. Zy liggen een vierde van een myl ten oost-zuid-oosten van het groote Eilandje, het welk men de Moeder noemt. De Vader; is veel grooter. Het zelve ligt ten oost-noord-oosten van den Berg Joly, op den afstand van één en een vierde myl: ten oost-zuid-oosten, en ten west-noord-westen, kan het een agtste van een myl haalen. De Malingre is van weinig uitgestrektheid, en ten oost-noord-oosten [ 204 ]één myl van den Berg Romontabo, en één en een derde myl van het Eiland, de Vader genaamd, af gelegen.
Men ontmoet vervolgens een ander Eilandje, genaamd de Verloren Zoon, gelegen noord oostwaarts ten westen van het Eiland Malingre, op eenen afstand van drie mylen, en van twee en een halve myl noord-waarts ten noord-westen van Cayenne.
Wanneer men te Cayenne wil binnen loopen, ankert men by het Eilandje Malingre; men wagt aldaar de gunftigste getyen en het hoog water af, om de banken, of hooge slykgronden, waar mede de ingang van Cayenne vervuld is, te kunnen overkomen. 'Er zyn zelfs eenige klippen in de haven, welken men in acht moet nemen. Deeze haven is gelegen ten westen van de Stad, en aan den mond der Rivier. Zy is alleenlyk bevaarbaar voor schepen, die ten hoogsten dertien voeten water diep gaan. Jaarlyks loopen 'er twintig binnen, die uit Frankryk komen, en een gelyk getal kleine vaartuigen van de Antillische Eilanden, of de Verëenigde Staaten van America. Hier toe bepaalt zig de geheele handel der Volkplanting, die zig ook niet verder dan de hoofdplaats uitstrekt.
De Stad en het Fort van Cayenne zyn gelegen [ 205 ]aan den noordelyken uithoek van het Eiland, op 4 graden 57 minuten breedte, en 54 graden 37 minuten lengte, ten westen van den Parysschen middenlyn. Het Eiland is omgeven, ten westen door de Rivier van den zelfden naam, ten oosten door de Rivier Mahury, ten zuiden door een arm der Rivier, die de beide Rivieren zamenvoegt, en ten noorden door de zee. Dit Eiland heeft vier of mylen lengte van het noorden naar het zuiden, of naar de Binnen-landen. De kust van het Eiland Cayenne is aan den zee-kant nergens, nog laag, nog door het water overstroomd, maar bestaat uit kleine heuveltjes, die tot het aankweken van de voortbrengzels der Volkplanting zeer geschikt zyn.
De Stad Cayenne maakt een zoort van onregelmatigen zeshoek, door muuren omringd, benevens vyf bolwerken, eenige halve maanen, en een gracht. In deezen omtrek, en op eene hoogte aan den oever der zee, is gelegen een Fort, voorheen genaamd het Fort Louis de Cayenne, het welk de Stad en Haven bestrykt: in het zelve is een kruidmagazijn en een waterput. De meeste huizen zijn van hout; de andere van aarde of klei, volgens de manier van dit Land, en daar over heen wit gemaakt. Alle zijn zij met houten borden overdekt. Voorheen deed men dit met palmboom-bladeren; [ 206 ]maar de verwoestingen, die zeer dikwils door brand aldaar voorvielen, hebben de inwoonders aangezet, om aan de andere manier den voorrang te geven. Men telt 'er niet meer dan twee honderd, waar van zommigen twee verdiepingen hebben.
Men heeft te Cayenne een Gouverneur, benevens eenige hooge Officieren. De bezetting bestond uit twee honderd mannen geregeld krygsvolk, verdeeld in vier Compagniën, die tot het zee-wezen geene betrekking hebben. Zy is met twee andere Compagniën vermeerderd geworden. Op het minst alarm zyn de inwoonders, zoo van de Stad, als van het platte Land, verpligt de wapenen op te vatten.
De Volkplanting heeft eenen Souverainen Raad, waar van de Commissaris-Ordonnateur, by afwezigheid van den Gouverneur. Voorzitter is. Dit Hof vonnist zonder hooger beroep. Het neemt kennis van alle zaaken, die de inwoonders betreffen.
De noodzakelykheid om de landen in waarde te houden verpligt de Franschen, om zelve hunne Plantagiën te blyven bewoonen, waar door de Stad minder bevolkt is, dan zy anders zyn konde.
Dertien mylen van Cayenne, en drie mylen in [ 207 ]zee, gerekend van den mond der Rivier Kourou, die naauwlyks voor de kleinste schepen bevaarbaar is, zyn drie Eilanden, voorheen genoemd de Duivels-Eilanden, tegenwoordig Iles du Salut. Tusschen deeze drie Eilanden, die uit tamelyk hooge heuvels bestaan, heeft de natuur eene haven gevormd, die geschikt is, om door de grootste schepen bevaren te worden: het is de eenige plaats, op de geheele Kust van Guiana, die dit voordeel heeft. De Salut-Eilanden zyn dorre klippen, waar op zeer veele verschillende zoorten van zee-vogelen huisvesten.
Van de Rivier Kourou tot aan de Sinamari is eene Kust van tien of twaalf mylen lengte. Tusschen beiden vindt men verscheiden kleine inhammen, alwaar een zeer groote overvloed van schildpadden gevangen wordt. Dicht by den mond van de eerstgemelde zyn groote platte rotsen, waar op de golven het zee-water spoelen, het welk by groote hette aldaar kristallen schiet, en in zout verandert.
Van de Rivier Sinamari tot de Iracoubo is een tusschenvak van agt mylen. Men vindt tusschen beiden de Rivieren Courassani en Conanama.
Deeze geheele uitgestrektheid Lands, van de Rivier Kourou tot de Iracoubou toe, een streek [ 208 ]van omtrent twintig mylen, eindigt aan den zeekant in een boschjen van Paletuvier-boomen, en byna overal met zandbanken. Binnen in dit boschjen, het welk zomtyds tot een myl uitgestrektheid heeft, zyn natuurlyke vlakke zand-woestynen, die alleenlyk hier en daar, door eenige boomen, rivieren en beeken, op zeer groote afstanden, worden afgebroken. Aan de land-zyde binnenwaarts, op twee of drie mylen, eindigen zy in groote bosschen, waar in men alle zoorten van boomen vindt, die in dit Land overvloedig groeijen.
De Rivier Iracoubo is aan het einde van dat gedeelte, het welk de Fransche Volkplanting uitmaakt. Van daar tot aan de grenzen der Surinaamsche Volkplanting, dat is, tot aan de Rivier Maroni is eene uitgestrektheid van veertien mylen. Tusschen beiden zyn de Rivieren Organabo, Iroucan-Pati, en Mana, of Amanabo, die een uitgebreiden loop heeft.
De mond der Rivier Maroni is gelegen op 5 graden 55 minuten breedte, en 56 graden 30 minuten lengte, ten westen van den Parysschen middenlyn. Deeze mond is omtrent twee mylen breed; maar het inkomen aldaar is moeijelyk; want aan den buiten-kant zyn verscheide zanden slyk-banken, waar op zeer weinig water blyft [ 209 ]staan. De Maroni is eene groote en schoone Rivier. 't Is waar, verscheide Eilandjes vernaauwen derzelver bed, meer dan twaalf mylen verre, maar zonder de scheepvaart te belemmeren, zoodanig dat men met kleine vaartuigen tot aan den eersten waterval, die omtrent twintig mylen van den mond der Rivier af ligt, kan opvaaren. Boven deezen eersten waterval, vindt men verscheide anderen, die de scheepvaart zeer moeijelyk maaken. Men zegt, dat men meer dan veertig dagen noodig heeft, om tot derzelver oorsprong te komen. Anderen beweeren, dat dezelve nog niet bekend is, dat deeze Rivier van zeer wyd af ontspringt, en dat men dezelve meer dan tachtig mylen is opgevaaren, zonder dien oorsprong te ontdekken. Omtrent vyftig mylen van derzelver mond af, ontlast zig eene zeer schoone Rivier in dezelve, komende van den zuid-oost kant, en de Rivier der Arouas genaamd. In 't jaar 1731 en 1732, voer men de laatstgemelde meer dan vyf-en-twintig mylen ver op; vervolgens verliet men haar, om den weg te nemen over de landen naar den zuid-oost kant; en na verloop van agt dagen, geduurende welken men rekende 35 of 40 mylen te hebben afgelegd, begaf men zig naar de Rivier Camopy, die zig in de Oyapoc ontlast. Het [ 210 ]oogmerk van deeze reize was, om het Land te ontdekken, en te zoeken naar een bosch van cacao-boomen, het welk gezegd werd in de nabyheid van den oorsprong deezer Rivier gelegen te zyn.
De omliggende streeken der Rivier Maroni zyn door de Galibis-Indianen vry sterk bevolkt. Wanneer men de oevers deezer Rivier een weinig opwaarts volgt, ziet men niet dan zand-woestynen, die in den winter moerassen, en eerst in het heetste van den zomer droog worden. Langs dien weg kan men te land komen van Kourou af tot Surinamen toe. De Fransche wegloopers, die geene booten hadden, wisten van deezen weg, die aan de Indianen in dien omtrek zeer gemeenzaam is, gebruik te maken. Zy, die langs alle deeze Rivieren woonen, en over 't algemeen vry gedienstig zyn, laten niet na, op het minste teeken, dat men hun geeft, de geenen, die zig aanbieden, met hunne praauwen te komen afhalen. Men maakt doorgaans een neusdoek, of een lap wit linnen, aan een tak van een boom vast, om hun daar mede te kennen te geven, dat 'er iemand is, die den doortocht verzoekt.
In de Rivier Maroni loopen verscheiden andere Rivieren uit, die dezelve aanmerkelyk vergroo[ 211 ]ten, vooral in het regen-saisoen. De landen, waar over zy heen loopt, zyn laag, overstroomd, en met boomen en struiken bewassen. De Franschen en Hollanders hebben aan deeze Rivier een wachtpost tegen over elkander.
- ↑ De groote verwagting, die men van Fransch Guiana had opgevat, deed aan het zelve eenigen tyd den naam geven van Middel-lynig Frankryk, of France Equinoxiale.