Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch/Vierde brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Derde brief Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Vierde brief

Vijfde brief


[ 14 ]

VIERDE BRIEF.

 Lieve Vriend!

Oosterwijk verliet ik in den vroegen ochtendstond bij den opgang der Zon. – De nijvre Landman begaf zich aan zijn werk, waarschijnlijk nergens anders op denkende, dan op zijnen arbeid, welken hij op dien dag te verrichten had; want een Majorijsche Boer is een der [ 15 ] ongevoeligste schepsels van den geheelen aardbodem, hij is volstrekt niet vatbaar, niet gevoelig voor het groote en schoone in de lieve natuur, en eene opgaande Zon bij eenen schoonen lente- of zomermorgen, roert hem veel minder dan het kraaiën van zijnen haan, die hem 's morgens ten arbeid roept. – Met mij was het geheel anders gelegen. – Ik was (laat mij dit eens zoo uitdrukken) geheel gevoel. – Onder het wandelen herinnerde ik mij deeze uitmuntende woorden uit de Morgengedachten van eenen Landman, welke ik onlangs in een Hoogduitsch werkjen[1] las:

 Schöner morgen! alle kräuter blitzen!
 Morgenroth erhellt der bäume spitzen,
 Ringsum hebet lust und arbeid an:
 Wie die Spinne hier so fleiszig webet,
 Dort die schwalbe flink am dache schwebet.
 Ach ich bin ein hochbeglückter man,
 Dasz ich alles das empfinden kann!

Onder het wandelen nam ik mijn potlood en een stukjen papier in de hand. – Waagde het om deeze verssen in Nederduitsche dichtmaat over te gieten, en zie hier, hoe ik dezelve, schoon mijne vertaaling zeer ver voor het oorspronglijke in schoonheid wijken moet, van verre gevolgd heb: [ 16 ]

 "Schone morgen! daauw bedekt het kruid met droppen,
 "Morgenrood verlicht der boomen hooge toppen,
 "Rondöm vangt reeds elk den lieven arbeid aan –
 "'k Zie thands hier in 't loof de Spinnen vlijtig weeven,
 "'k Zie daar ook de zwaluw langs de daken zweeven –
 "O! – wat ben ik toch een regt gelukkig man,
 "Dat ik dit zoo goed – zoo wel gevoelen kan – !"

Ik verliet Oosterwijk, zeide ik, in den vroegen morgen, en wandelde over Heukelom, waar ik niets aanmerkelijks, als eenen watermolen op het riviertjen de Leije, beschouwde, naar Moergestel, een Dorp aan de Nemer gelegen. – Hier at ik, om, na gehouden middagmaal, mijne reize naar Tilburg voord te zetten.

Te Moergestel is eene fraaië Kerk en tooren. 'Er wierd hier eertijds, en buiten allen twijfel, ook nog tegenwoordig, van de Roomschen een onbekende Heilig of Heilige, welke, volgends het verhaal der Roomschgezinden zelf, in geenen Almanach, Legende of Martelaars-boek gevonden wordt, gediend. Zijn naam is Everlinus of Everlina, want men weet niet, of hij een man of vrouw geweest is, ik zou hem dus liever Sint Onbekend, of in het Latijn S. Ignotus, dit klinkt nog wat heiliger, noemen. Het gaat den Belijders van den Roomschen Godsdienst even als den ouden Atheniënsers, welke ook, om toch niemand te vergeeten, eenen Onbekenden God den wierook toezwaaiden, en hem offeränden slagteden – De Atheners rigteden eenen altaar op voor eene hun onbekende Godheid, en de [ 17 ] Roomschen vieren het feest van alle de Heiligen, dan vergeeten zij ook niemand. – Wat is verstandiger?

Ook moet ik nog dit hier bij voegen, dat Gij het woord Gestel, hetwelk bij meer naamen van, Majorijsche Dorpen gevoegd word, niet moet uitspreeken, gelijk zeker ieder Hollander doen zou; Ge-stel, maar Ges-tel. Dit in het voorbijgaan.

Zoodra ik gegeeten had, verliet ik de Verëerers van St. Everlijn; ik spande mijne Apostel-paarden in, om op dezelve naar Tilburg te rijden. Ik was nog niet ver voordgespoed, of ik wierd door een rijdtuig, met twee paarden bespannen, ingehaald. 'Er zat een Heer in hetzelve, die mij, zoodra wij elkanderen gegroet hadden, vraagde, of hij mij ook met een plaatsjen kon dienen, wijl hij toch ruimte genoeg had. ik nam dit vriendlijk aanbod gereed aan, en plaatste mij nevens hem. – Eerst spraken wij over onverschillige zaaken, vervolgends verhaalde ik hem het oogmerk mijner reize; eindelijk wende ik het gesprek op de Roomsche Majorijënaars, en 'er viel de volgende woordenwisseling hoofdzaaklijk tusschen ons beiden voor:

De Onbekende. Gij kunt niet gelooven, welke bijgeloovigheid, en haat, en dweepzucht, en domheid 'er onder de Roomschen plaats heeft. – Ik belijde den Hervormden Godsdienst, doch schoon mij die Godsdienst liefde jegens allen leert, zoo kan ik nogthands, hoe gaarne ik ook wil, geen vriend van eenen Roomschgezinden meer weezen, – Mijn geheel hart komt hier [ 18 ] tegen op. Als Mensch moet ik hem wegens zijn gedrag haaten, als Christen hem beklaagen.

Ik. Dit is zeer wel mooglijk; want Gij zult, 'er zekerlijk voldoende redenen voor hebben.

De Onbekende. Zeer zeker! – Doch geen eigenbelang, geene bijzondere inzigten haalden mij hier toe over. – Ik leef ambtloos, en begeer geene bediening; ik kan, zo ik niet kwistig ben, van het mijne leeven, en waaröm zou ik dan iets begeeren, het geen niet alleen met zorg en moeite verzeld gaat; maar het geen mij nog daar te boven tegen de borst stoot, is, dat, een Hervormde, al was hij zoo deugdzaam als een Engel, en zoo verstandig als een Salomo, thands in de Majorij geen ambt kan krijgen, of hij moet zeer laag kruipen, en dit doe ik nimmer.

Ik. Dit prijs ik in U. – Een laagkruipend charakter is bij mij iets afschuwlijks.

De Onbekende. Ik wil dit niet verder ontwikkelen. Ik zal U nu eenige bijgeloovige daad, zaaken verhaalen, welke ik U kan verzekeren, dat echte waarheid zijn.

Ik. Ik vertrouw, dat Gij mij niets dan waarheid verhaalt; ja! ik weet bij ondervinding, dat alles zoo is, als Gij mij vertelt.

De Onbekende. Ik haat de leugen, en welke redenen kan ik toch hebben, om U te misleiden? doch laat mij mijn gezegde met eenige bijgeloovige staaltjens bevestigen. – Geen Roomsche zal op eenen dag, die den eerdienst van Maria, of van een' anderen zoogenoemden Heiligen gewijd is, werken; zijn hooi of graanen [ 19 ] binnen rijden enz. maar wel op eenen zondag, hierin vind hij geen been.

Ik. Dit is geheel verkeerd; want welk een onderscheid is 'er niet tusschen eenen dag aan het Opperwezen geheiligd, of aan eenen zoogenoemden Sanct of Sanctinne, die misschien nooit geleefd, nooit bestaan heeft, dan in het domme brein van eenen Monnik, die deszelfs leven heeft samengelapt.

De Onbekende. Dit is zoo! – Verder. – Ieder Dorp heeft eenen Beschermheilig. – Op ieder Dorp geschied jaarlijks eene Bedevaart, want hier eert men een' Heiligen tegen de kwaade hoofden; daar tegen de tandpijn; gindsch tegen zeere beenen, weder op eene andere plaats tegen den rooden-loop, de runderziekte enz. enz., men gaat dus van andere Dorpen derwaards naar zulk eenen Heiligen, als men denkt noodig te hebben. Op de Bedevaarten geschieden dikwijls Wonder-werken, welke ook niets anders dan loutere bedriegerijën der Priesters zijn.

Ik. Dit heb ik ook meer dan eens gehoord, en ik weet ook, dat dit waar is.

De Onbekende. Gewis is het waarheid. – Ik wil U een geval verhaalen, het geen ik zelf gezien heb: Op een zeker Dorp was het Bedevaart, ik moest gevallig op dien dag door dat Dorp naar eene andere plaats. Ik reed 'er naar toe, en, eer ik aan de Bedevaart-plaats kwam, achterhaalde ik eenen man, die een paar krukken op zijnen schouder droeg, schoon hij zeer wel gaan [ 20 ] kon; ik hield hem in het oog, reed zachter, en zag, toen hij digter bij dat Dorp kwam, dat hij zijne krukken onder de armen zettede, en zoo jammerlijk ging, dat men 'er medelijden mede hebben moest. Ik zweeg hiervan met opzet in dat Dorp, reed verder en kwam den volgenden dag weêr te rug; toen wierd mij verhaald, dat 'er daags te vooren een wonder gebeurd was, wijl een man, die ellendig kreupel ging en op krukken sprong, zeer schielijk door den Priester was geneezen. Ik antwoorde, dat dit enkel bedrog was, en dat die man gewis was omgekocht, wijl ik dat en dat (hier verhaalde ik alles) gezien had. – Men wierd boos op mij, hield mij voor eenen kwaadäartigen leugenaar, en schold mij voor eenen ongeloovigen ketter. – Ik zweeg, want men wilde verder niets hooren, en reed weg.

Ik. Welk een godloos bedrog! welk eene snoodheid!!...

De Onbekende. Jazeker! – Doch het is te verwonderen, dat de Priesters, die zulke aaperijën verrichten, nogthands voor bijzondere Heiligen worden gehouden, alschoon elk een, die de zaak naauwkeurig onderzocht, zeer ligtlijk het bedrog zou ontdekken; maar 'er heerscht een dwaaze waan onder het dom gemeen, naamlijk: dat een Priester niet kan of niet, zal bedriegen. Elke Priester is in het oog der meesten een Heilig, schoon er veele Priesters zijn, die dolle liefhebbers ('er zijn nogthands ook braaven [ 21 ] onder dezelve) zijn van Kaartspelen, van Bacchus en Venus, hierdoor word dit onderzoek nimmer te werk gesteld.

Ik. Dit is verwonderlijk. – Hoe kan een volk zoo dom, zoo dwaas, zoo blind weezen. Ik twijfel geenzints, of 'er zijn (de goeden niet te na gesproken) onder de Priesters veele liefhebbers van Wijntjen en Trijntjen. – Het zou een wonder weezen, dat allen, die reeds in hunne vroege jeugd tot Priesters worden opgeleid, juist zulke luiden zijn, die geene menschlijke aandoeningen bezitten. Is dit zoo niet?

De Onbekende. Twijfel hier maar geen oogenblik aan! Ik verhaal U niets dan waarheid, welke ik voor de geheele waereld altijd kan en wil staande houden.

Onder deeze gesprekken waren wij eer te Tilburg, dan wij zelfs wisten. De vriendijke Onbekende reed, na dat wij met elkanderen een glas wijn genuttigd hadden, naar Breda; ik bedankte hem alvoorens voor zijne goedheid, hij mij voor mijn gezelschap, mij tevens eene aangenaame reize en gelukkige wandeling toewenschende. Ik bleef hier, en denk mij hier eenige dagen op te houden, eer ik verder wandel. Nu mag ik deezen brief wel sluiten, want hij is, dunkt mij, groot en ook belangrijk genoeg; Gij hebt immers wel brieven reeds van mij gekreegen, en zult 'er ook nog wel ontvangen, die in ver na niet zoo gewigtig waren of zijn zullen als deeze is, ik heb mij dus genoeg afgesloofd, om U alles zoo op het papier te brengen. Hier leg ik dan de pen neder, [ 22 ] om dezelve bij de eerste gelegenheid weêr op te vatten, doch eerst schrijf ik hier nog onder, dat ik altijd ben geheel de

 Uwe.

  1. G. W. C. Starke, Gemälde aus dem hauslichen leben und Erzählungen, III, Sammlung, Seite 108.