Album der Natuur/1854/Woekerplanten, van Eeden

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Woekerplanten (1854) door Frederik Willem van Eeden
'De Woekerplanten' werd gepubliceerd in Album der Natuur (derde jaargang (1854), pp. 291–312. Dit werk is in het publieke domein.


[ 291 ]
 

DE WOEKERPLANTEN.

DOOR

F.W. VAN EEDEN.

 

 

Als wij in huiselijke afzondering den langen winteravond bij den warmen haard en de heldere lamp doorbrengen en ons bezig houden met het beste, dat de menschelijke geest in vroeger of later tijd heeft voortgebragt, of als wij in den zomer eene om haar schoon beroemde landstreek bezoeken en ons verlustigen in den oppervlakkigen aanblik van bloeijende velden en golvende korenakkers, van donkere wouden en blaauwe heuvelen; als onze dagen kalm en zonnig daarheen vlieden, en wij, jaar in jaar uit, overvloedig en zonder veel zweet onzes aanschijns het dagelijksch brood genieten, onafhankelijk van de wereld en hare veranderlijkheid, dan loopen wij gevaar om in onze beschouwing van die wereld eenzijdig te worden, gevaar om ons in te beelden, dat het Paradijs nog niet verloren is.—Ik zeg, wij loopen gevaar; want hoe schoon die inbeelding moge zijn, zij is niet meer dan eene inbeelding, een droom. Vroeg of laat zullen wij gewis uit dien droom ontwaken; vroeg of laat kunnen er winteravonden komen, waarop wij zonder warmen haard, zonder heldere lamp zitten te klappertanden, zomers die wij onder gloeijende zonnehitte in eenzame woeste streken moeten doorbrengen, jaren waarin ons het dagelijksch brood karig wordt toebedeeld, waarin wij zwoegend en hijgend onze afhankelijkheid van de wereld moeten erkennen; kwalen en verliezen kunnen ons teisteren,—en toch, al blijven wij ongedeerd, dan nog zullen gewis onze oogen eenmaal opengaan voor den toestand van zoovele natuurgenooten wien de wereld waarlijk geen Eden is.

Dan erkennen wij de oude waarheid, dat er duisternis bestaat nevens het licht.

[ 292 ] Die waarheid is ook uitgedrukt in de natuur.

Als wij de natuur met ons menschelijk oog beschouwen, zien wij in haar somtijds storingen, even als wij storingen zien in de maatschappij en in den mensch zelven, en deze verkondigen het luid, dat de aarde geen Utopia is, en nimmer eene woonplaats van reine gelukzaligheid worden kan.

Eene der grootste rampen van onze menschelijke zamenleving is, dat daarin wezens gevonden worden, die niet op zichzelven kunnen staan, en naar ziel en ligchaam door de anderen moeten onderhouden worden. Die wezens zijn talrijk en vormen eene soort van ligchaam, dat als een worm aan de welvaart der maatschappij knaagt, dat woekert op den arbeid der zelfstandige menschen en deze dikwijls met dood en vernietiging bedreigt.

Zulke wezens vinden wij ook in het plantenrijk, en niet minder talrijk en onheilbrengend. Wij noemen ze Woekerplanten, Plantplanten of Parasieten. Waarop groeijen de planten? vragen wij aan de kinderen; en deze antwoorden: op den grond.—Voor de meeste der zigtbaarbloeijende planten is dit korte antwoord geldig: zij breiden hare wortels uit in het gruis van verbrijzelde rotsen en de overblijfsels van vergane planten en dieren, waaruit die grond bestaat, en nemen daarin de noodzakelijkste bestanddeelen van haar voedsel op.—Maar er zijn ook planten, die zich aan andere levende planten vasthechten, en op deze groeijen, die haar voedsel niet bereiden uit de vochten van den grond, maar het geheel toebereid aan andere planten ontnemen, en deze dus van hare beste sappen berooven.—Die luijaards en dieven in het plantenrijk noemen wij Parasieten.

De Parasieten groeijen en woekeren dus op andere planten en worden nimmer zelfstandig op de aarde groeijend gevonden. Zij maken geene afzonderlijke familie in het plantenrijk uit; maar worden in verschillende plantenafdeelingen als wonderlijke uitzonderingen aangetroffen.

Er zijn schijnbare en ware Woekerplanten.

Gelijk het pligt is de menschen op het uiterlijk aanzien niet te voorbarig als dieven of luijaards te beschuldigen, zoo moet men [ 293 ] ook niet te ras eene plant als Parasiet beschouwen, wanneer zij er eenigzins den schijn van aanneemt.—Het klimop hecht zich met tallooze worteltjes aan den olm en bedekt hem binnen weinige jaren met zijne taaije stengels en zijn digt gebladerte.—Maar veroordeelen wij het klimop niet: het is onschuldig. Zijne kleine worteltjes dringen niet in den olmboom door, en zuigen uit dezen hoegenaamd geen voedsel. Zij dienen alleen om steun te geven aan de zwakke plant en om haar vast te hechten, terwijl de ware wortel in den grond zit.—Snijden wij slechts het onderste gedeelte van den klimopstengel door, zoodat de gemeenschap tusschen plant en wortel verbroken is, dan zien we weldra, dat de stengworteltjes geen voedsel aan de plant geven en dat het bovenste gedeelte verdort en sterft.

Even zoo is dit het geval bij de tallooze Lianen in de wouden van de keerkrings-landen, en met de prachtige Bignonia radicans, die ook ons klimaat verdragen kan.—Ook de Paardenbloem, die op onze afgeknotte wilgen, en het groene mos, dat op onze vruchtboomen groeit, moeten wij niet van parasitisme beschuldigen. Als namelijk die wilgen en vruchtboomen oud worden, gaat hunne buitenste schors veelal tot verrotting over en verandert in eene korrelige zelfstandigheid, die met een laagje aarde gelijkstaat. Heeft zich nu in den hollen wilgenstam eene massa van die zelfstandigheid verzameld, en vindt een zwervend zaadje van de paardenbloem daarop rust, dan zal het ontkiemen en groeijen, als op den grond. Het mos, dat zich zoo spoedig vermenigvuldigt en een dun laagje aarde voor lief neemt, breidt zich langs de takken van den ouden appelboom uit, en groeit op zijne vergane schors, zonder evenwel voedsel uit den boom te trekken. Schoon het mos niet tot de parasieten behoort, is het echter op onze vruchtboomen zoo geheel schuldeloos niet, het omknelt de takken en hindert deze in hunnen groei; daarenboven is het eene verzamelplaats van vocht en ongedierte, zoodat een arbeidzaam hovenier het nimmer op zijne boomen duldt, maar met geschikte werktuigen uit den weg ruimt.—Even als het mos, zijn ook vele tropische Orchideën schijnbare, of onechte Parasieten. Wie de warme kassen van de botanische tuinen [ 294 ] te Leiden of Amsterdam bezocht heeft, zal zich wel die dikke bladen en zonderling gevormde welriekende bloemen herinneren, die uit hangende turven of kurken mandjes te voorschijn komen en geen bijzonder treffenden indruk maken: het zijn de Orchideën, de zonderlinge modeplanten van onzen zonderlingen tijd. Daar zien wij ze echter geheel uit haar verband gerukt; maar in haar vaderland, in de wouden van Zuid-Amerika en Oost-Indië bieden zij een prachtig schouwspel aan, wanneer zij daar van de takken en stammen der oude boomen naar beneden hangen. Zij woekeren echter geenszins op die boomen: velen, en daaronder ook de vanille (Vanilla aromatica) vinden even als het mos hare groeiplaats in de spleten van vermolmde stammen en takken en ook wel in de holligheden der rotsen, daar zij slechts een laagje vergane organische stof of humus om zich vast te hechten en veel vochtige lucht om zich te voeden, noodig hebben.

Na dus eenige planten gezuiverd te hebben van den blaam van parasitisme, die op haar schijnt te rusten, zal ik overgaan tot eene beschouwing van de ware Parasieten.

De ware Parasieten dringen met wortelachtige organen of met zuigwratjes in het weefsel van andere planten door, of planten zich ook wel met haar geheele ligchaam op de andere planten in. Zij lijden werkelijk aan een gebrek in hare organisatie, en zijn niet geschikt om zelve de voedingsstoffen uit den grond te putten, maar moeten zich op andere planten inplanten om te leven en zich te ontwikkelen. Levende planten zijn het dus, die haar voedsel en steun moeten geven en dikwijls onder den drukkenden last of de gedurige afpersingen der Parasieten kwijnen en wegsterven.

De Parasieten, die tot de zigtbaarbloeijende planten behooren, vermenigvuldigen zich door zaden, hechten zich dadelijk na de ontkieming aan eene nabijzijnde plant, en komen nooit tot ontwikkeling wanneer er geene planten in de nabijheid zijn, waarop zij kunnen woekeren.

Men heeft zaden van Parasieten met de grootste zorg in den goeden grond gezaaid en verpleegd, maar de plantjes stierven kort na de ontkieming, daar de voorwaarden tot ontwikkeling ontbraken, [ 295 ] en zij niet in de gelegenheid waren om zich op eene andere plant te vestigen. De Parasieten planten zich dus van buiten op eenig ander gewas in, of zij trekken hieruit haar voedsel door middel van zuigwratjes.

Sommige geslachten der Parasieten vestigen zich op de wortels, anderen op de stengels en stammen van andere planten, waarom men ze ook vroeger in stengel- en wortelparasieten plagt te onderscheiden. De meeste zigtbaarbloeijende Parasieten behooren in het zuiden van Europa en in de tropische gewesten te huis, en de Flora van Nederland bevat er slechts weinigen, die echter voldoende zijn om ons eenig denkbeeld van het leven dier zonderlinge wezens te geven.

Onze Hollandsche duinen hebben voor mij iets zeer aantrekkelijks, en in den zomer is mij niets zoo lief, als een togt over die zandige heuvelen, door die groene valleijen waar de bijen gonzen, waar de krekels zingen en de zeewind ons vrijheid tegenwaait. Welligt schijnt het menigeen eene vermoeijende en verhittende inspanning om op een' warmen zomermiddag door die onbeschaduwde wildernissen te dwalen; menigeen zijn de vlakke straatwegen, de regte lanen, de harde keisteenen en de opgeschikte menschen liever, en alles, waarin hij de kunst of den mensch niet erkent, is hem een gruwel.—Voor mij, ik gevoel somwijlen behoefte om de menschen te vergeten, en dank den Hemel, dat er zelfs in mijn prozaïsch vaderland bij al die regte slooten en harde wegen nog een weinig wildernis is overgelaten, waar ik ongestoord zwerven kan en onbeschrijfelijk geniet bij het beklimmen van een nieuwen top, bij het ontdekken van eene nieuwe vallei. Maar ach! dat paradijs mijner jeugd, die glooijende duinen, zij zijn de laatste wijkplaats der natuur tegen den onverbiddelijken tiran: Landbouw! Reeds zie ik hoe die landbouw begeerige blikken slaat op de vrije duinen; ik zie de vierkante aardappel- en erwtenvelden het natuurlijke groen en de wilde bloemen meer en meer verdringen: wel is de strijd nog groot, maar de Landbouw zal overwinnen, want hij is de sterkste; doch eer dit geschiedt, laat ons dan voor het laatst nog eens onze vrijheid en onze jeugd genieten op die bergen van Holland, en voor het laatst nog eens neêrzien op hunne bevallige Flora.

[ 296 ] Verplaatsen wij ons in den geest in een dier groene dalen, die in de volkstaal pannen worden genoemd.—De grond is min of meer vochtig en bedekt met welige grassen en mossen, waartusschen het welriekende violette standelkruid (Orchis), de rozenroode Gentiaan, de helderwitte Pyrola's en Parnassia's, het gele walstroo (Galium), het vrolijke duinviooltje, de witte duinroos en de rood en wit gestreepte winden (Convolvulus soldanella) eene levendige verscheidenheid vormen. Ginds zien wij eene duinhelling in lichtblaauwen glans gehuld; zij is bedekt met de stekelige kruisdistels (Eryngium); aan de andere zijde zien wij hoe het Galium geheele duinen geel kleurt.—Maar bij al die liefelijke gewaarwordingen, door eene oppervlakkig dor schijnende woestenij in het gemoed des beschouwers opgewekt, mengt zich wel eens iets onaangenaams, een storende indruk, die eveneens den oppervlakkigen beschouwer ontgaat. Wie zijn die vale bleeke schimmen daar, tusschen het heldere geel en het donkere groen? Zijn het verdorde bloemen, die een kind al spelende in 't voorbijgaan heeft in den grond gestoken, of zijn het planten, die door de zonnehitte in het gloeijende zand zijn uitgedroogd? Neen, die wezens leven en groeijen en behooren tot de planten, schoon zij den naam van plant niet verdienen, want zij verdrukken en kwellen de schoone duinplantjes. Zij zijn Parasieten. Reeds van ouds waren zij onder den naam van Bremrapen bekend, omdat zij ook op de wortels der Brem woekeren en vroeger voor eene ontaarding dier plant gehouden werden. Maar de latere wetenschap heeft aangetoond, dat de Parasieten, en dus ook de Bremrapen, geene ontaardingen van andere planten zijn, want zij wijken in den vorm van hare bloemen meestal af van de planten, waarop zij woekeren: daarenboven brengen zij zaden voort, die op eene geheel andere wijze en onder andere voorwaarden ontkiemen, dan de zaden der planten, die zij aantasten.

De Bremraap groeit ook niet alleen op de Brem, maar op een groot aantal andere planten, zoodat men thans hare verschillende soorten onderscheidt naar de planten, waarop zij woekeren. De Bremraap draagt haren wetenschappelijken naam Orobanche even zoo ten onregte. De grieksche wijsgeer theophrastus, die 300 jaren [ 297 ] voor onze tijdrekening eene planten-historie schreef, zag op de wikke (grieksch Orobos) een woekergewas, dat hij den naam van Orobanche gaf, afgeleid van orobos en ancho (ik wurg) omdat het de wikke met lange draden omsloot en verwurgde. Die beschrijving past niet op onze Bremraap, die slechts op de wortels van andere planten woekert. Zij geldt een ander woekerplantje, het zoogenaamde warkruid (Cuscuta) waarop ik straks nader terugkom. De naam Orobanche heeft de Bremraap thans nog behouden, terwijl zij wegens het maaksel van hare bloemen in de uitgebreide groep der Scrophularineën geplaatst is.

De Orobanche vormt bij hare ontkieming eene soort van Orobanche major
orobanche major.
knobbel, die zich dadelijk aan den wortel, waarop zij woekeren zal, vasthecht. De wortelstok, waaruit die knobbel ontspringt, breidt zich uit en geeft het aanzijn aan meerdere spruiten, die even als onze Aspersies uit den grond schieten. De wortels, waarop de Orobanchen woekeren, zijn meestal zeer dun in vergelijking van hare eigene wortels, die, even als de geheele plant, week, dik en sappig zijn. De Orobanche heeft geene bladen, maar bruine schubben, die schaars om de naakte bloemsteng zitten en de [ 298 ] plaats van bladen vervullen. De bloemen zijn vrij groot en vormen eenen tros aan het einde van de bloemsteng; zij hebben even als deze eene vaal gele kleur, gelijk het zand, waarin zij groeijen; somtijds echter is de kleur der bloemen donkerder, en helt meer naar het roode, purpere of bruine over. De planten ontwikkelen een sterken muskusgeur, dien zij, lang nadat zij gedroogd zijn, nog behouden. Van nabij beschouwd hebben de bloemen iets sierlijks; zij zouden tusschen groene bladen geene onaangename vertooning maken; maar hare vale, doffe kleuren en het aanzien der plant, die haar draagt, nemen die enkele schoonheid weg en maken een ongunstigen indruk.—Toen ik voor het eerst de Orobanchen met oplettendheid beschouwde, schenen zij mij daar in de duinen, verworpelingen der schepping, duivelen in het plantenrijk, die boven de aarde eene schoongevormde bloem vertoonen, maar onder dien grond eene arme plant uitzuigen en verstikken: zij waren mij eene donkere bladzijde in het boek der natuur, even als in het boek der menschheid zij, die onder een schoonschijnend aangezigt hunne onteerende handelingen verbergen.

Niet alleen in de duinen vindt men de Orobanchen, maar ook op heidevelden en bouwgronden.—Onder de kultuurplanten rigten zij vaak groote schade aan; vooral op Vlas- en Hennip-akkers vertoonen zij zich dikwerf in grooten getale, en zijn zij hoogstmoeijelijk uit te roeijen, omdat de bloemstengen afbreken, wanneer men de planten poogt uit den grond te trekken; terwijl de oorspronkelijke wortelstok niet kan uitgegraven worden zonder aanmerkelijke schade voor de wortels der kultuurplanten, waaraan hij is vastgehecht.

Eene andere inlandsche Parasiet is de Lathraea, die tot de familie der Orobanchen behoort, doch in hare wijze van woekeren eenigzins van deze verschilt. De Orobanche vormt eene soort van wortelstok, waaruit worteltjes ontspringen, die gedeeltelijk zich aan de voedende plant hechten, gedeeltelijk in den grond schieten. De Lathraea vormt geen wortelstok maar eene menigte zeer vertakte worteltjes, die door zuigwratjes aan de aangetaste plant verbonden zijn. Zij is hier minder overvloedig dan de Orobanche, en heeft ha[ 299 ] ren naam van het grieksche Lathraios (bedekt), aangezien zij veelal op verborgene plaatsen gevonden wordt[1]. Minder overeenkomst met

Lathraea squamaria en Monotropa hypophegea
lathraea squamaria.   monotropa hypophegea.

de Orobanche heeft het Stofzaad of de Monotropa, die op de wortels van Dennen en Beuken woekert, en tot de familie der Ericinëen behoort. De Monotropa (dus genoemd omdat de bloemtros naar ééne zijde van den stengel overhelt) omwikkelt met hare worteltjes de wortels der voedende plant en groeit met deze ineen tot een vezelig kluwen.

Orobanche, Lathraea en Monotropa hebben dit met elkander gemeen, dat zij op de wortels van andere planten woekeren, eene doodsche vale kleur bezitten, en in plaats van bladen slechts armoedige schubjes aan de naakte steng ontwikkelen.

[ 300 ] Eene zonderlinge vertooning maakt een vierde inlandsche Parasiet, het zoogenoemde Warkruid (Cuscuta) dat niet op de wortels, maar

Cuscuta europaea
cuscuta europaea.

op de stengels van andere planten woekert en soms in groote hoeveelheid op het vlas en de hop wordt aangetroffen.—De zaden van het warkruid ontkiemen op den grond, en de eerste ontwikkeling der jonge plantjes is gelijk aan die der zelfstandige. Maar zoodra het uiterst fijne draadvormige stengeltje in zijn groei eene andere plant ontmoet, hecht het zich met kleine zuigertjes aan deze vast, en slingert weldra om haar heen.—Nu vangt het warkruid zijn parasietenleven aan; en trekt zijn voedsel niet meer alleen uit [ 301 ] den grond, want de eerste wortel sterft meestal af, terwijl de stengeltjes door hunne zuigwratjes voedsel opnemen ten koste van de hop of het vlas, waarom zij zich geslingerd hebben. Het warkruid windt zich voort van plant tot plant en breidt zich over den akker uit.—Even als de vroeger genoemde woekerplanten heeft het geen bladen; de stengeltjes hangen als een bundel zijden draden om de moederplant, en dragen kleine trosjes van witachtige bloemen, die op heidebloempjes gelijken.—Het warkruid vormt door zijn groei een overgang van de halfzelfstandige tot de onzelfstandige planten, van de slingerplanten tot de Parasieten.

De meest volkomene ontwikkeling in alle deelen en den duidelijksten vorm van parasitisme zien wij bij de Vogellijm of Marentakken (Viscum), die in ons vaderland, vooral in de omstreken van Maastricht en nog menigvuldiger in midden-Europa, op de vrucht- en woudboomen woekert.

Wanneer des winters de meeste boomen van hunne bladen beroofd zijn, en zooals zekere oppervlakkige menschen beweren, op omgekeerde bezems gelijken, dan treft ons hier en daar het zonderlinge schouwspel van een groenenden tak aan een overigens dorren boom.—Veelal is het een appel- of peerenboom, waarop Viscum album
viscum album.
die vertooning plaats heeft, en van verre zou de oppervlakkige denken, dat die bladrijke tak een voortbrengsel van den boom zelf was. Beschouwt men het verschijnsel echter van nabij, dan ziet men spoedig, dat de kleine geelgroene lederachtige blaadjes niets op de gewone bladen van den boom gelijken, en wanneer men den tak af[ 302 ] scheurt, blijkt het, dat hij geen tak, maar eene geheel afzonderlijke plant is, die hare wortels langs en in den stam des booms heeft gevestigd, en uit dezen haar voedsel trekt. Die plant is boomachtig; zij vormt hout, en is daarom van de andere woekerplanten onderscheiden, die slechts een- of tweejarig zijn. Wij kunnen dus de Vogellijm een woekerboompje noemen, het eenige woekerboompje, dat in ons vaderland voorkomt. De Vogellijm brengt kleine bloempjes en witte kleverige bessen voort, in welke laatsten de zaden bevat zijn. Een houtachtige stam, altijd groene bladen en besachtige vruchten, ziedaar eigenschappen, die in het plantenrijk eene vrij hooge ontwikkeling aanduiden; maar die de Vogellijm nog onnatuurlijker in onze oogen doen zijn dan de Orobanche of het Warkruid. Want deze roepen ons reeds van verre toe, dat zij iets doen 't geen niet behoorlijk is; hun vale kleur en hunne bladerloosheid kenmerken hen als verworpelingen van hoog ontwikkelde plantenfamiliën; maar de Vogellijm heeft iets innemends en bezit in groote mate de gaaf om zich goed voor te doen: ja voor den oppervlakkigen beschouwer is zij in den winter een wonder der natuur en speelt zij de rol van een alleraardigsten inval van den vruchtboom die haar draagt. Het is echter maar al te waar dat zij zulk een beschouwer bedriegt, den armen vruchtboom uitmergelt, en voor boomgaarden, waar zij zich in een groote hoeveelheid nestelt, eene plaag kan genoemd worden. En ook wanneer wij hare deelen in 't bijzonder gadeslaan, dan zien we de wonderlijkste en onnatuurlijkste afwijkingen van den gewonen plantengroei. Het zaad van de meeste andere planten ontkiemt natuurlijk met eene enkele kiem; maar de Vogellijm overtreedt die zeer algemeene wet, en doet twee, drie, ja soms vele kiemworteltjes uit een enkel zaadje te voorschijn komen. De kleur, die de kiem in de zaden van alle andere planten bezit, is nooit groen; bij de Vogellijm is zij juist groen. Ook zijn de wortels of wortelachtige organen, waarmede de Vogellijm woekert, groen, iets dat bijna nergens anders in het plantenrijk wordt aangetroffen. Bij de meeste planten is het uiteinde van het worteltje bij het ontkiemen naar beneden en dus naar den grond gerigt, zoodat, al keert men het plantje om, de wortel toch [ 303 ] altijd naar den grond streeft. De Vogellijm groeit nooit op den grond, maar alleen op een boom, en de ontkiemende worteltjes streven niet alleen naar beneden, maar ook zijdelings en naar boven, daar zij, slechts de duisternis zoekende, deze vinden in het weefsel van den stam waarop zij woekeren.

De innige zamenhang van de Vogellijm met den boom, waarop zij woekert, heeft eenige overeenkomst, met die, welke wij kunstmatig in het werk stellen bij het enten der vruchtboomen. Bij het enten toch wordt een takje van den eenen boom met den stam van een' anderen in zulk eene naauwe verbinding gebragt, dat de cellen van het eerste ineengroeijen met die van den laatsten, en dat daardoor de ent haar voedsel uit den vreemden stam ontvangt, en op dezen groeit even als een natuurlijke tak.—Maar om het enten te doen slagen is er eene gelijksoortigheid of ten minste eene groote overeenkomst noodig tusschen de ent en den stam, waarop het geplaatst wordt; de Vogellijm daarentegen wijkt in haar wezen doorgaans geheel af van de boomen waarop zij woekert.

Het is waarschijnlijk, dat de zaden der Vogellijm door de vogels worden verspreid en in hunne uitwerpsels onverteerd op de boomen vallen. De ouden hebben dit ten minste verzekerd, en de ouden sloegen den bal niet in alles zoo geheel mis.—Van de Syringenboomen, die op de tinnen van oude burgten en vervallene kerken groeijen, is het bekend, dat zij ontstaan zijn uit zaden, die reeds een togt gemaakt hebben door de magen der katuilen, en juist door dien togt geschikt zijn geworden ter ontkieming.

De Vogellijm is eene klassieke plant: zij heeft hare legenden en overleveringen, en speelt zelfs eene rol in de Scandinavische Mythologie, eene eer, die weinig planten is te beurt gevallen. In de mythe van Baldur is zij de Misteltein, die, door eene onvoorzigtigheid van Freya, den blinkenden god doodelijk gewond doet vallen. De Scandinaviërs zagen dus in haar een werktuig des ongeluks.

De oude Germanen, Britten en Galliërs hielden de Vogellijm in hooge achting, en beschouwden haar niet als eene schadelijke woekerplant, maar als eene gave des hemels en als een geneesmiddel tegen vele kwalen. Vooral wanneer zij in de heilige eikenbosschen [ 304 ] groeide, was zij eene bron van vreugde en een gunstig teeken; want men dacht dat de goden haar uit de bovenwereld op die eiken hadden gezonden.

Bij de Galliërs werden de Marentakken met groote plegtigheid in de heilige eikenbosschen geplukt. Op den zesden dag na de eerste nieuwe maan des jaars, zegt Plinius, werden twee witte ossen, die voor 't eerst waren aangespannen, onder den boom gebragt. In lange witte kleederen gehuld, steeg de Druïde op hen en sneed met een gouden offermes den Marentak af, die in een wit laken opgevangen en onder de omstanders verdeeld werd. Daarna offerde men de beide ossen onder gebeden voor de gelukkige werking der heilige plant, uit welke een drank bereid werd, die het groote wondermiddel, de revalenta van dien tijd was.

Ook de oude Nederlanders bewezen dezelfde eer aan onzen Parasiet; maar vooral in Engeland heeft zij zelfs in lateren tijd onder den naam van Mistletoe hare beteekenis in het volksleven behouden. Na de invoering van het christendom is daar behalve de Hulst en het Klimop ook de Vogellijm tot een attribuut van het kersfeest gemaakt. De "kiss under the Mistletoe" behoorde tot de eigenaardigheden op dat feest, die haren oorsprong hadden in het verdwenen heidendom. De Bergschotten gingen bij de volle maan, in Maart, de Vogellijm plukken en vlochten daaruit kransen, die hen van teringen en andere ziekten moesten vrijwaren.

De naam Marentakken of geesten-takken, doet genoeg blijken, welke geestelijke en etherische beteekenis onze voorvaderen aan die plant hebben verbonden. Bij de Galliërs heette zij de Boom der Bovenlucht (Pren Awijr) of de Boom van den hoogen top (Pren Uchelvar).

Maar het geloof aan hare geneeskracht berustte bij de ouden niet op ondervinding. Zij zeiden alleen: Die plant komt uit den hemel, dus is zij overal goed voor.

De ondervinding heeft later geleerd, dat het goede geloof en niet de Marentakken de genezing kan hebben bewerkt: daar deze plant eer schadelijke dan goede eigenschappen voor het dierlijke leven bezit.

Zoo lieten zich dus onze voorvaderen door hun vooroordeel mede[ 305 ] slepen, dat zij hulde bewezen aan een verachtelijk onkruid, aan eenen Parasiet.

Hoogst merkwaardig is het, dat dezelfde eerbewijzingen, die voor 2000 jaren door de Germanen en Kelten aan de Vogellijm bewezen werden, thans nog bij een geheel verschillenden volksstam plaats hebben ten opzigte van Parasieten, die met deze plant de grootste overeenkomst hebben. De Vogellijm behoort tot de familie der Loranthaceën, die in de tropische gewesten, en ook op ons heerlijke Java, hare schitterende vertegenwoordigers heeft. Op dat klassieke en plantrijke eiland hangen de Loranthaceën met hare gloeijend roode bloemen aan de heilige vijgenboomen (Ficus religiosa) die de pagoden en tempels beschaduwen, en de Javanen beschouwen ze met eerbied en welgevallen, want zij gelooven dat de schimmen van hunne vaderen, die nog rondom die tempels zweven, zich in den aanblik dier woekerplanten verlustigen, en ze bewonen als een verblijf van vrede en rust.

Maar wij zullen de Marentakken en de schimmen der Javanen verder met vrede laten en een sprong doen van den meest ontwikkelden tot den laagsten vorm der zigtbaarbloeijende Parasieten.—Wij blijven het oog vestigen op den Indischen Archipel, op de donkere, door Olifanten en Neushoornen bewoonde wouden van Sumatra. Daar groeit op de stammen van eene soort van wilden wijnstok (Cissus) de Rafflesia, de zonderlingste van alle Parasieten, de monsterachtigste verschijning in het plantenrijk.

De Rafflesia heeft geen stengel, geen wortel, geen bladen; de geheele plant is niet meer dan eene bloem; maar eene bloem van drie voet middellijn, de grootste bekende bloem van den aardbol. Onmiddelijk uit den stam van den Cissus ontspruit zijne knop, die in den beginne de grootte en het aanzien eener muskaatnoot heeft, en binnen drie maanden tot geheele ontwikkeling komt. De knop heeft eene donker violette of bruine kleur; de bloem is vuil wit met een rood binnenste bij Rafflesia Patma en bruingeel bij Rafflesia Arnoldi.—De laatstgenoemde is het eerst bekend geworden en in 1818 door Dr. arnold, een engelsch reiziger in Sumatra, in tegenwoordigheid van den beroemden gouverneur stamford raffles gevonden. Zij [ 306 ] Rafflesia arnoldi
rafflesia arnoldi.
groeide in een schaduwrijk woud op eene plaats waar een overvloed van Olifanten-mest bijeen lag. De Rafflesia Arnoldi is de grootste en bereikt bij een omtrek van 10 à 11 voeten een diameter van ongeveer drie voeten; het gewigt van zulk eene bloem is van zeven tot acht Nederl. ponden.

Onze landgenoot blume is de eerste geweest die de andere soort, Rafflesia Patma, op een eilandje nabij Java ontdekt heeft. De Rafflesia's heeten bij de inlanders eenvoudig Krûbbûl (Groote bloem).[2]

Veel overeenkomst met de Rafflesia heeft een andere Javaansche Parasiet, de Brugmansia, die kleiner en sierlijker van vorm is.—Men zou deze Parasieten in zeker opzigt schoon kunnen noemen; maar hunne schoonheid heeft iets grofs, iets walgelijks, iets onnatuurlijks. Eene ontzettend groote en dikke bloem, die zonder stengels of bladen uit den stam van een anderen boom schiet, en een geur van rottend vleesch verspreidt, verdient den naam van bloem noch dien van plant; zij is een beeld van valsch vernuft en doet ons denken aan de verachtelijke paddestoelen. En waarlijk, de plantkundigen hebben in haar weefsel, in hare groeiwijze en voortplanting, in hare chemische bestanddeelen, in het gemis der groene [ 307 ] kleur en in den walgelijken geur, dien zij uitwasemen, eene groote toenadering erkend tot dien lagen trap van ontwikkeling, die de paddestoelen en schimmels kenmerkt.

Ik zou nu nog van vele andere tropische Parasieten kunnen gewagen; doch zij zijn allen meer of min overeenkomstig met die, welke ik heb geschetst. De toenadering van de Rafflesia tot eene plantengroep, die wij zoo goed, dikwijls maar al te goed kennen, brengt mij van zelf tot eene beschouwing van de Parasieten, die tot die groep behooren, van de woekerende schimmels.

Niets heeft in den laatsten tijd de onrust van den landbouwer de aandacht der wetenschap zoo zeer opgewekt, als de ziekten in de kultuurplanten. Als Egyptische plagen zijn zij, de eene na de andere, op onze akkers nedergedaald en hebben daar in weinig tijds de hoop van duizenden den bodem ingeslagen.

Den bijgeloovige schenen zij eene straf des Hemels, een engel des verderfs, de landbouw treurde, en de wetenschap schudde bedenkelijk het hoofd. De geleerden waren het niet eens, zij begonnen te twisten onder elkander en scheidden zich in partijen. Willen wij nu bij die wetenschap ons licht ontsteken, dan zijn wij genoodzaakt, de gevolgtrekkingen van de eene secte met die van de andere te vergelijken. Sommige onderzoekers noemen de gebreken en dwalingen der kultuur de oorzaken van de plantenziekten, andere vinden met meer grond die oorzaken alleen in de woekerende schimmels.

De zwammen of paddestoelen (Fungi) hebben een week en weinig zamenhangend celweefsel, missen de groene kleur en planten zich niet door zaden, maar door bijzondere cellen voort, die kiemkorrels of sporen heeten. De zwammen beminnen duisternis en verrotting: overal waar dierlijke of plantaardige stoffen in staat van ontbinding zijn, vinden hunne kiemkorrels een rijken bodem, en ontwikkelen zich soms binnen een ongeloofelijk korten tijd. De Bovista gigantea bereikt in een enkelen nacht de grootte van een menschenhoofd en vormt in eene minuut 66,000,000 cellen. De Huiszwam (Merulius lacrymans) rigt binnen korten tijd de vreesselijkste verwoestingen aan. Hare fijne poederachtige kiemkorrels ontwikkelen zich [ 308 ] in de vochtige duisternis tot een papierachtig bekleedsel, dat langs de planken en balken heenkruipt, zich door de kleinste gaatjes heenwringt en alles weldra in onzamenhangend poeder verandert, terwijl zij de lucht verpest door haar vuilen stank.

De Hoed- en Buik-paddestoelen, die door hunne meer bepaalde vormen en hoogere ontwikkeling de eer der duistere familie trachten op te houden, maken toch met al hunne verwaandheid eene afzigtelijke vertooning. Reeds in onze jeugd zien wij ze met een oog van afkeer aan en zeggen tot elkaar, dat zij vergiftig zijn. Want al wisten wij niets van de eigenschappen der paddestoelen, dan nog zou hun aanzien alleen voldoende zijn om ons voor immer te waarschuwen tegen eene onnatuurlijke spijs, die meer den dood dan de gezondheid heeft in de hand gewerkt.

De laagste vorm der zwammen zijn de schimmels, die slechts uit weinige los zamenhangende celletjes bestaan. Vocht en duisternis zijn de voornaamste oorzaken, die het ontwikkelen van de schimmel begunstigen; bedorven, gistende en rottende stoffen zijn hare woonplaats. Sommigen verspreiden in het duister een lichtenden glans, andere prijken met schoone kleuren. Oudbakken brood, vochtig papier, stilstaande laarzen, oude kaas, bedorven vleesch, dat alles is spoedig bedekt met eene digte laag van plantjes: het beschimmelt.

Maar duisternis en verrotting zijn niet voor den groei van alle schimmels noodzakelijk, want sommige soorten ontkiemen op de bladen van levende en gezonde planten, waarop nog geen bederf te vinden is. Dit zijn de eigenlijke woekerschimmels, de oorzaken van de meeste ziekten in de kultuurplanten.

Onzigtbaar drijven in den warmen vochtigen zomer wolken van kiemkorrels door de lucht en over onze akkers; een regenbui slaat ze neer op de nog welige en groene bladen en spruiten, en binnen weinige dagen heeft zich de ziekte geopenbaard. De kiemkorrels ontwikkelen zich tot zwamvlokken (Mycelium), die als een digt spinnenweb de oppervlakte der bladen bedekken, de poriën verstoppen, de uitwaseming en dus ook de stofwisseling in de plant belemmeren en spoedig eene massa van kleine schimmelplantjes doen [ 309 ] ontstaan.—Het weefsel der bladen gaat tot verrotting over en de plant is verloren.—Niet altijd echter komen die kiemkorrels van buiten op de kultuurplanten aanwaaijen; somtijds ontwikkelen zij zich in de planten en komen uit de opperhuid te voorschijn, zooals bij den Brand en het Zwart (Uredo) in de Tarwe, en bij het Moederkoorn (Sclerotium Clavus). Men heeft wel eens gemeend, dat de Brand in onze granen en het Moederkoorn, dat hoornvormige uitwas der Rogge-aren, ziekelijke voortbrengsels van de planten zelve waren, en men is met die meening zelfs zoo ver gegaan, dat men alle ziekten der kultuurplanten op eene dergelijke wijze wilde verklaren.

De vooronderstelling was, dat die ziekten haren oorsprong hebben in eene overdrevene voeding; dat de hoeveelheid voedingstoffen, die men met den mest in den grond bragt, in sommige gevallen voor de kultuurplanten te rijk zoude zijn, zoodat deze daardoor gedwongen werden om, behalve hare gewone cellen, ook nog een aantal buitengewone cellen te vormen, die als Brand, Zwart, Moederkoorn of aardappelziekte te voorschijn traden. Men gaf dus aan den landbouw de schuld van de rampen, die in de laatste jaren zoo onophoudelijk op hem zijn nedergedaald.

De ondervinding echter heeft getoond, dat deze redenering slechts toepasselijk is op sommige andere ziekten, die in het plantaardig weefsel ontstaan; maar dat de zoogenaamde epidemiën in de granen, druiven, volgens sommigen ook der aardappelen, enz., die in den jongsten tijd zoo hevig gewoed hebben, de gevolgen zijn van woekerende schimmels.—Immers, proeven hebben aangetoond, dat de zaden van granen, die met de kiemkorrels van den Uredo bestoven waren, wanneer zij later tot plant ontwikkeld zijn, den brand krijgen, en dat bij granen die vóór de zaaijing in eenige bijtende stof waren geweekt geweest, de ziekte zich niet vertoonde; dat dus de schimmel reeds vroeg als kiemkorrel in het plantje dringt om naderhand uit de opperhuid te voorschijn te komen.—Bij de druivenziekte heeft de beroemde hugo von mohl waargenomen, dat zich eerst de schimmel en daarna de verrotting in bladen en vruchten vertoont, en derhalve deze schimmel (Oïdium Tuckerii) de oorzaak der ziekte is. En bovendien, wanneer de overdrevene kultuur oorzaak ware van de zoogenaamde [ 310 ] planten-epidemiën, dan zou immers het middel tegen die ziekten voor de hand liggen, dan zou onze wetenschappelijke eeuw ze reeds lang door eene verbeterde en minder overdrevene wijze van bemesting van den aardbodem verdreven hebben. En juist zien wij, dat geen middel, geene wetenschap op deze wijze iets gebaat heeft. Alleen dan, wanneer men door juist gekozen middelen enkel op het verdelgen van de woekerschimmels gewerkt heeft, zijn de proefnemingen meestal met den besten uitslag bekroond geworden; zoo heeft onder anderen de loog van houtasch, die ook met vrucht tegen onze huiszwam wordt aangewend, in de druivenziekte goede diensten bewezen[3]. Ook indien het middel, dat nu onlangs uit Rusland ons is aanbevolen ter wering van de aardappelziekte, doeltreffend blijkt te zijn, vinden wij daarin een nieuw bewijs, dat de woekerschimmels oorzaak van die ziekte zijn. Dit middel toch bestaat eenvoudig in het verwarmen der aardappelen voor zij gepoot worden. Een zekere graad van drooge warmte moet namelijk de zwamvlokken, die zich reeds in den aardappel bevinden, vernielen, zonder daarom aan den aardappel zelven eenig nadeel te doen.

Het is verkeerd, te vooronderstellen, dat de aardappels en druiven door de kultuur vertroeteld en verwend en daardoor vatbaarder voor de ziekten zouden zijn.—Die vooronderstelling ging zoo ver, om de kultuurplanten te vergelijken met den mensch, die zijne maag overladen heeft, en daardoor in guur en vochtig weder of togt eer blootgesteld is aan catarrhale ongesteldheden, dan hij die matig is in eten en drinken; doch iedere vergelijking tusschen den mensch en de geheel anders georganiseerde en geheel anders levende planten is valsch, en niet overeenkomstig met de waarheden, die de physiologie aan het licht brengt. De in het wild groeijende planten toch, die dikwijls den armelijksten bodem tot standplaats hebben, worden evenzeer door woekerschimmels aangetast als de kultuurplanten, maar daar zij van minder belang voor den mensch zijn, wordt dit ook minder opgemerkt. Uredo, Moederkoorn en andere woekerschimmels worden op vele wilde planten aangetroffen; [ 311 ] een bewijs dat de schuld niet aan de kultuur ligt: en wanneer men wilde vooronderstellen, dat de druiven door de kultuur vatbaarder zouden geworden zijn voor de ziekte, dan dringt zich de vraag op, waarom zij dan niet reeds voor honderd jaren zijn aangetast geworden, daar zij toen toch ook vrij algemeen werden aangekweekt.

Het meer dan gewoon woeden van de woekerschimmels, die de aardappelen aantasten, en van die welke op de wijngaarden parasiteren, is dus een verschijnsel, dat, even als het gekomen is, ook wel weêr verdwijnen zal, en waartegen de mensch alleen dit vermag, dat hij die vijandige Parasieten bij hun ontstaan zooveel mogelijk te keer gaat en verdelgt.—In dit opzigt is er van de praktische wetenschap nog wel iets doeltreffends te verwachten.

Woekerschimmels worden in onze dagen op vele verschillende kultuurplanten aangetroffen. Zoo spreekt men van eene ziekte in de kersen, in de erwten en boonen, in de oranjeboomen en meekrap, ja ook het dierlijk ligchaam wordt somtijds door plantaardige Parasieten aangetast. De Muscardine, die zoovele zijdewormen vernielt, is een schimmelsoort (Botrytis parasitica); en ook bij ons ontstaan sommige huidziekten door woekerschimmels.

De zoogenaamde planten-epidemiën van de laatste jaren zijn dus het gevolg van eene bijzondere magt, die gegeven is aan kleine plantjes, die niet in de aarde, maar op andere planten groeijen, die Parasieten zijn even als de Marentakken en de Rafflesia; maar zij doen ons echter geen van allen voor eene geheele uitdelging der kultuurplanten en voor eene vernietiging van die groote bronnen van welvaart vreezen, evenmin als de longziekte of de Cholera ons doen vreezen voor een geheelen ondergang van alle menschen en alle vee. Veeleer zijn ze ons kleine welmeenende waarschuwingen om toch nimmer in het optimistische denkbeeld te vallen, dat de aarde een luilekkerland of een paradijs is. Even als de Marentakken en de Rafflesia, zoo roepen de woekerschimmels ons toe, dat de aarde niet alleen het goede voortbrengt, maar ook het kwade, en dat er ook in de natuur strijd is tusschen licht en duisternis.

En, gelijk wij in een hoogeren zin hier zijn om in het zedelijke [ 312 ] te strijden, zoo is het onze pligt om ook het kwaad, dat ons stoffelijk aanzijn bedreigt, met alle krachten te keer te gaan.

Fantastisch is het denkbeeld door een beroemden Botanist van onze dagen (Dr. unger), aangaande de beteekenis der Parasieten ontwikkeld. Hij brengt hunne verschijning in verband met de verschillende geologische tijdperken. De plantengroei van vroegere voleindigde perioden, zegt hij, was geheel verschillend van die welke tegenwoordig de aarde bedekt, en de plantengroei die na ons in eene nieuwe periode op onze planeet verschijnen zal, moet eveneens wederom eene gansch andere zijn. Maar dit neemt niet weg, dat zich nu en dan reeds eenige plantenvormen vertoonen, die eigenlijk in die na-wereld thuis behooren; en die vormen vinden wij in de Rafflesia, in de Marentakken, in alle Parasieten, en ook in de paddestoelen en schimmels. Deze vooronderstelling vloeit ook ten deele voort uit het geloof van verschillende volksstammen, dat voorbedachtelijk in die Parasieten de beelden zag van een hooger, een ander leven in de toekomst.[4]

Het bewijs op deze redenering kan slechts door een ander menschengeslacht in een volgend geologisch tijdperk worden gegeven, en aangezien wij nu niet tot dat geslacht en tot die periode behooren, bepalen wij ons liever tot het tegenwoordige, en houden met meer grond staande, dat de Parasieten en zwammen, wat ook hunne bestemming in de toekomst zij, thans slechts moeten beschouwd worden als onnatuurlijke en gebrekkige planten, als uitzonderingen op de groote wetten der natuur, als kwelgeesten in het plantenrijk, als vijanden van den mensch en zijn arbeid. [5]

 

 
  1. De Lathraea wordt in Duitschland Drachenwurz genoemd en veroorzaakt daar dikwijls veel schade in de wijnbergen, waar zij op den wijnstok woekert.
  2. De beste afbeeldingen van deze Parasieten vindt men in the Transactions of the Linnean Soc. XIII. p. 107 en in blume. Flora Javae.—In de Bibliotheek van de Horticultural Society te London, bevindt zich een levensgroot model van de R. Arnoldi. Een getrouw namaaksel van dit model heb ik gezien bij de Heeren booth, te Hamburg. De pogingen om de planten levend naar Europa over te brengen zijn nog met geen gunstig gevolg bekroond.
  3. Botanische Zeitung 1853. p. 662.
  4. Dit denkbeeld is uitgedrukt in de Annalen des Wiener Museums voor 1850, p. 47.
  5. De redactie laat deze beschouwing, die overal in dit opstel op den voorgrond treedt, doch naar hare overtuiging onjuist is, geheel voor rekening van den schrijver.