Album der Natuur/1855/Stereoskoop, van der Burg

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Stereoskoop (1855) door Pieter van der Burg
De Stereoskoop werd gepubliceerd in Album der Natuur (vierde jaargang (1855), pp. 129–146. Dit werk is in het publieke domein.


[ 129 ]
 

Stereoskoop

 

DE STEREOSKOOP.

DOOR

P. VAN DER BURG.

 

 

Indien sommige der lezers van dit Album niet op plaatsen woonden, waar men noch galanteriewinkels, noch verkoopers van natuurkundige werktuigen vindt, het zou niet noodig geweest zijn, om boven den naam van het werktuigje, waarover ik wenschte te spreken, zijne afbeelding te voegen; want, hoewel het eerst ongeveer 4 jaren oud is, is het thans reeds zoo algemeen verspreid, dat men het onder het kinderspeelgoed in vele winkels ten toon stelt. Duizenden stereoskopen werden reeds uit Frankrijk en Engeland, waar zij het eerst in den vorm, die hier boven is afgebeeld, [1] [ 130 ] werden vervaardigd, naar verschillende oorden der wereld verzonden.

Deze vorm moge voor enkele der lezers nieuw zijn, de naam van het werktuig zeker niet; want men vindt op bladz. 188 en 189 van den 1en jaargang van het Album eene beschrijving van den stereoskoop, zooals hij ongeveer 15 à 16 jaar geleden door wheatstone is ingerigt. De lezer wordt uitgenoodigd, om zich bij vernieuwing bekend te maken met den inhoud van dat stuk, waarin slechts kortelijk de stereoskoop wordt aangehaald, omdat eene uitvoerige beschrijving daarvan toen niet in het plan van den heer logeman konde liggen; het volgende zal daardoor gemakkelijker verstaan kunnen worden.

Uit de afbeelding blijkt voldoende de zamenstelling van het eenvoudige toestelletje. Het is een houten kastje; op het deksel zijn twee korte metalen kokertjes bevestigd, waarin men twee naauwere uit en in kan schuiven. In deze laatste zijn vergrootglazen gezet, van eenen eenigzins afwijkenden vorm. Men heeft namelijk een vergrootglaasje of bolle lens midden door gesneden, van de beide helften de hoeken of horens rond weggeslepen, en in elke buis zulk eene halve lens geplaatst, in dier voege, dat het dikke gedeelte der glazen, dat vroeger in het midden der geheele lens lag, thans bij beiden naar buiten is gekeerd. Het uit- en inschuiven der buizen dient, om de lenzen op eenen afstand van het voorwerp te stellen, die voor het waarnemend oog het meest voldoende is; het is toch bekend, dat niet alle menschen de loupe, waar zij door heen zien, even ver van het te beschouwen voorwerp houden; die afstand wordt door den toestand van het oog bepaald. De twee kokertjes staan op het deksel zoo wijd uit elkander, dat men gelijktijdig door beide glazen zien kan; en omdat bij kinderen en volwassenen de onderlinge afstand der oogen niet gelijk is, zoo kan men bij sommige inrigtingen de buizen ook nog eene geringe zijdelingsche beweging geven.

Onder aan den bodem van het kastje is eene naauwe sleuf afgebeeld; hierdoor kan men een gedrukt plaatje, eene daguerreotype of photographische afbeelding schuiven, zoodat deze, den bodem uitmakende, door de boven beschrevene halve lenzen kan waargenomen worden. Opdat de beelden in het kastje goed licht zouden [ 131 ] ontvangen, is er uit den voorwand een regthoekig vak weggenomen, en daarna voorzien van een deksel, dat aan de binnenzijde met bladtin is beplakt, ten einde dit, bij eene bepaalde stelling, het licht naar de teekening zou kunnen terugkaatsen. Is het deksel gesloten, zoo kan men er doorschijnende photographieën, op glas bewerkt, door waarnemen.

Het zoo eenvoudige werktuig, dat daar beschreven werd, is eene uitvinding van den Engelschen geleerde brewster. De heer logeman noemde dezen ook reeds op bladz. 190 van den 1en jaargang naast dove, als den man, die eene andere inrigting aan den op die plaats beschrevenen spiegel-stereoskoop van wheatstone had gegeven. Deze laatste heeft intusschen iets boven den eersten vooruit, en wel, dat men op de ter wederzijde staande wanden, die men op bladz. 188 in SS en S'S' op den kant ziet, grootere teekeningen of afbeeldingen kan plaatsen dan onder in het kastje van brewster.

Het is waar, de spiegels vergrooten de afbeeldingen niet; maar men kan dit nadeel opheffen, door tusschen OO en SAS', dus dwars voor de verbindingsplaats A der spiegels, een zwart schermpje te zetten, dat van S en S' tot A reikt, en twee openingen heeft, waarin bolle lenzen zijn bevestigd. Door de eenvoudigheid en beknoptheid der inrigting van brewster, die thans voor weinige stuivers is te verkrijgen, zal zij evenwel meer algemeen worden aangewend dan die van wheatstone.

De heer logeman heeft in de door hem gegevene figuur, door afbeelding van den weg, dien de teruggekaatste lichtstralen nemen, duidelijk gemaakt, waarom de beide teekeningen, die in S S en S' S' voor de spiegels worden opgehangen, in het punt L tot één worden, of elkander als het ware bedekken. Iets, dat daarmede geheel overeenkomt, gebeurt bij de lenzen van brewster. Onder elk glas ligt eene teekening, de eene bestemd voor het regter-, de andere voor het linkeroog. Worden zij gelijktijdig waargenomen, zoo bedekken de beide figuren elkander en gaan in één geheel over. Men zie, om zich dit verschijnsel behoorlijk te kunnen verklaren, eerst door de linker- en vervolgens door de regterhelft eener bolle [ 132 ] lens naar het begin der regels van een boek, en men zal gewaar worden, dat in het eerste geval de regels uit en in het laatste inspringen met betrekking tot die, welke men buiten het glas waarneemt. Worden nu, zoo als boven is gezegd, de beide dikste deelen der glazen naar buiten gekeerd, zoo zal de figuur, die voor het regteroog moet dienen, en juist onder het regterglas ligt, een weinig naar de linkerhand verplaatst schijnen; de ter linkerhand liggende figuur gelijkerwijze iets regts, en het over elkander vallen der twee beelden is er het gevolg van. De beide oogen ontvangen daardoor dezelfde indrukken, die zij zouden verkregen hebben van het wezenlijke ligchaam, waarvan de twee figuren voorstellingen zijn, en wel de eene zooals het linker-, de andere zooals het regteroog alleen het ligchaam zou hebben gezien.

Hij, die zich voor de eerste maal met de verschijnselen, die de stereoskoop oplevert, bekend maakt, ondervindt een moeijelijk te beschrijven genoegen; mij is ten minsten het geval meermalen voorgekomen, dat de waarnemer niet gemakkelijk konde besluiten, om zich van het werktuig te verwijderen, en hij zich niet konde verzadigen aan het genot, dat het hem verschafte. De algemeene ingenomenheid met de door den stereoskoop verkregene uitwerkselen heeft mij aangespoord, om, niettegenstaande het door den heer logeman daarover reeds gesprokene, nogmaals de aandacht daarop te vestigen, en eenige oogenblikken aan de overweging van het genoegen en het nut, dat hij oplevert, te wijden. Hetgeen ik daarbij nog betrekkelijk het zien met twee oogen wenschte te vermelden, is mij door het schrijven van "het opmerkelijke in eene alledaagsche zaak" zeer gemakkelijk gemaakt.

Men heeft zich reeds veelvuldige malen beijverd, om te verklaren, wat toch wel de reden zijn mogt van de overtuiging, die wij bij het zien van een voorwerp verkrijgen, dat het verheven is, uit- of inspringende deelen bezit, dat het inderdaad ligchamelijk is. Sommigen noemden dit het werk van het oordeel; het zintuig des gevoels helpt hierin het oordeel, zeide men: anderen meenden de oorzaak te moeten zoeken in den aard of de natuur van het gezigtsorgaan; hoedanig de dieren die overtuiging verkregen, kon [ 133 ] men niet wel bepalen. De stereoskoop heeft het raadsel opgelost, wij ontvangen kennis van het ligchamelijke, het verhevene of verdiepte der voorwerpen, zonder er zelf van bewust te zijn, zonder er aan te denken. Leg in den stereoskoop voor het linker- en regteroog eene afzonderlijke teekening van dezelfde ligchamen, en wel zoo als het eerste of laatste alleen die ligchamen uit eene bepaalde plaats zou zien, zooals zij derhalve voor elk oog op zich zelf hunne deelen zigtbaar laten, elkander bedekken, enz. en de waarnemer ziet, op eene inderdaad tooverachtige wijze, ware ligchamen te voorschijn treden; de teekening is een relief, een beeldhouwwerk geworden.

Maar men heeft tot dit onderzoek niet eens den stereoskoop noodig. Plaats loodregt op het papier, midden tusschen de figuren B en B' (zie 1en Jaarg. bladz. 189) die beide, zoo als daar gezegd is, dezelfde afgeknotte pyramide voorstellen, eene ondoorschijnende plaat, bij voorbeeld een stuk bordpapier van ongeveer 3 palm hoogte, maar zorg daarbij, dat de beide figuren even sterk en goed licht ontvangen; druk nu het voorhoofd en den neus op den rand der plaat, zoodat zij overeind blijft staan; zie nu gelijktijdig naar beide de teekeningen, dan zal het regteroog het beeld der figuur B', het linker dat van B ontvangen, en alzoo spoedig het verschijnsel optreden, dat op bladz. 189 is omschreven: de pyramide verkrijgt hoogte, het vlak BB' verheft zich verre boven het papier en het grondvlak schijnt te wijken. Mogt het den lezer niet aanstonds gelukken, om de figuur als ligchaam waar te kunnen nemen, hij zie dan eerst eenige oogenblikken naar den rug van den neus, dat onder den naam van scheelzien bekend is, en wende daarna de oogen langzaam naar de beide figuren, hij zal dan weldra zijn doel bereiken. Bij het gebruik der spiegels verkrijgt elk waarnemer, zonder uitzondering, al zeer spoedig het relief. Bij den stereoskoop van brewster schijnt de bedekking der beide figuren voor alle individuen niet even gemakkelijk te volgen. Het is mij slechts eenmaal voorgekomen, dat een waarnemer, voor de spiegels van wheatstone geplaatst, zijn geduld vergeefs uitputte, om eenig verschil op te merken tusschen het zien van beide [ 134 ] teekeningen of slechts eene afzonderlijk. De vraag, door hem na eenigen tijd gedaan, of dat mislukken ook kon worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat een zijner oogen een kunstoog was, gaf mij de overtuiging, dat de voorafgegane verklaring niet begrepen was.

Alvorens nog het een en ander merkwaardigs aangaande de nuttigheid van den stereoskoop, den aard der figuren, die men er doorgaans mede beschouwt, en de wijze, waarop deze vervaardigd worden, mede te deelen, willen wij nog eene enkele belangrijke bijzonderheid voegen bij hetgeen in den 1en jaargang is gezegd, aangaande de waarneming van een schilderstuk, wanneer dit onder gewone omstandigheden geschiedt.

Ongetwijfeld heeft de lezer op de meermalen aangehaalde plaats met genoegen vernomen, waarom eene schilderij, hoe getrouw de natuur er ook in is gevolgd, bij de beschouwing met twee oogen altijd schilderstuk, altijd een plat doek blijft, en waarom men, door slechts met één oog door de hand of eenen koker te zien, den schilder in het onvolkomene, of liever het onbereikbare in zijn werk te gemoet komt. Het vele wetenswaardige, dat daaromtrent gezegd is, willen wij met de vermelding van een verschijnsel vermeerderen, dat zich bij de waarneming van een portret opdoet; men zal daaruit zien, dat het, hoewel in den grond der zaak overeenkomende met hetgeen men een gebrek bij een ander schilderstuk zou kunnen noemen, juist hier de illusie bevordert, en het portret leven bijzet.

Indien de oogen van een portret den beschouwer aanzien, terwijl hij regt voor de schilderij is geplaatst, schijnen zij hem bij elke stelling, die hij met betrekking tot de beeldtenis aanneemt, te volgen. Dichters en tooneelschrijvers vooral hebben nu en dan op eene geestige wijze van deze omstandigheid partij getrokken. Wat is nu de reden van dit zinsbedrog? Dezelfde, als waarom wij eene schilderij niet in een waar relief zien overgaan. De portretten toch, met oogen bedeeld, die op de meest volkomene wijze ons overal volgen, zijn dezulken, waaraan het aangezigt en de oogen, volmaakt van voren gezien, genomen zijn; het zijn zoogenaamde portretten en face. Eene kleine afwijking van den regten stand doet [ 135 ] het bedrog wel niet geheel verdwijnen; maar het maakt het toch minder sprekend. Zijn echter het aangezigt en de oogen te veel naar de eene of de andere zijde gewend, zoo merkt men het schijnbaar naar alle kanten heenzien van het beeld niet meer op. En dit is ook natuurlijk. Ziet men toch iemand juist van voren in het aangezigt, en is zijn oog tevens op ons gevestigd, zoo maakt de neus het middelste gedeelte van het gelaat uit; voorhoofd en kin worden, bij uitbreiding van het vlak dat men zich kan verbeelden midden door den neus te gaan, in twee gelijke deelen verdeeld; de wangen liggen ter wederzijde van dat vlak op gelijke afstanden er van uitgestrekt; de gekleurde ring of iris van het oog neemt ook het midden van den oogbol in, en laat ter regter- en linkerzijde evenveel van het wit zigtbaar blijven.

Is iemand nu in zulk eene stelling geportretteerd, dan zullen de oogen van het beeld den aanschouwer overal schijnen te volgen. Immers er doet zich bij onze zijwaartsche verplaatsing, met betrekking tot den geportretteerde en zijne beeldtenis, een groot verschil op. Heeft men namelijk den persoon zelven eerst, op boven omschrevene wijze, voor zich gezien, en houdt deze, bij onze plaatsverandering, hetzij links of regts, het oog en het aangezigt onbewegelijk naar denzelfden kant gewend, zoo schijnt het aangezigt smaller te worden; de neus bedekt meer en meer één der wangen; deze verandering van toestand overtuigt ons, dat de persoon ons niet meer aanziet. Bij het portret echter heeft men een plat doek voor zich; door eene aanzienlijke zijdelingsche plaatsverandering zal ook wel de breedte van het gezigt sterk verminderd schijnen, maar die versmalling zal zich over al de deelen van het gelaat gelijkelijk uitstrekken, en de betrekkelijke ligging dier deelen zal niet in het minste veranderd schijnen; bedekking van het eene ligchaamsdeel door het andere kan onmogelijk plaats grijpen; de neus zal nog altijd het juiste midden van het aangezigt uitmaken; de gekleurde ring van het oog zal het wit gelijkelijk blijven verdeelen; het zal derhalve even eens zijn, of het portret het hoofd naar ons heeft omgedraaid; de uitdrukking zal niet in 't minst veranderd wezen. Ziedaar eene, onzes inziens, overtuigende en [ 136 ] duidelijke verklaring van het verschijnsel; zij werd eenmaal op deze wijze gegeven door den Engelschen natuurkundige wollaston, aan wien de wetenschap zeer veel verpligt is. Dat wij thans de beschouwing van den stereoskoop voortzetten.

De naam stereoskoop is van griekschen oorsprong, en bestaat uit twee deelen, van welke het eerste een ligchaam beteekent, of iets, dat hoogte, lengte en breedte heeft, en dus geene teekening is, en het tweede deel zien of aanschouwen uitdrukt. Het werktuig dient ook inderdaad tot het ligchamelijk maken van teekeningen, het geeft ligchamen te zien. Aan dat vermogen moet dan ook de verwondering, de verrassing, het genoegen worden toegeschreven, die men bij het gebruik er van zoo algemeen opmerkt. Ik herhaal het, de indruk is moeijelijk te beschrijven, dien men bij het stereoskopisch zien ontvangt.

Men vrage niet of het dan enkel genoegen is, dat dit werktuig den mensch aanbiedt; of het dan geen nut of voordeel afwerpt? In het stuk getiteld: Wetenschap en Toepassing, dat in den 1en jaargang voorkomt, is die vraag voldoende beantwoord. Laat zelf geheel en al af van het nut en voordeel—het streelt, het verhoogt ons schoonheidsgevoel, het grijpt onzen geest aan. Is u dat niets waard?—Werp dan duizende zaken, die u omgeven, weg, en die slechts dienen kunnen om uwen smaak te streelen of uwe nieuwsgierigheid te bevredigen. Maar neen, de verstandige vraagt niet aanstonds: waartoe nuttig! De stereoskoop is een middel bij uitnemendheid, om te bewijzen, dat de liefdevolle Schepper de wetenschap ook heeft geschikt gemaakt, om tallooze bloemen op onzen weg te strooijen. Het eenvoudige werktuigje leert ons, dat God ons twee oogen heeft gegeven, om de geheele natuur te beschouwen, zooals zij is; om afstanden te kunnen schatten, en de deelen, die den uitwendigen vorm der ligchamen bepalen, als ook hunne betrekkelijke ligging te overzien. Wij weten niet, welke nuttigheid de stereoskoop nog eenmaal zal verkrijgen.—Zooveel is zeker, dat die uitvinding reeds duizenden handen werk verschaft, tot het maken van de daartoe benoodigde photographische platen. Ook zijn er reeds beelden gebeiteld naar de buste, die, uit de dubbele [ 137 ] photographische teekening van een' persoon, door den stereoskoop voor des beeldhouwers oog werd getooverd. Ingenieurs, soms verre van kolossale werken verwijderd zijnde, met welker toezigt zij waren belast, hebben zich op bepaalde tijden stereoskopische daguerreotypen doen vervaardigen, om de vordering en den toestand van het werk, als op de plaats zelve, te kunnen opnemen. Door dat werktuig vereeuwigt men de vormen der fraaiste modellen, de meest verhevene en der waarheid getrouwe standen der eerste tooneelspelers, de beelden van weldoeners, van dierbare betrekkingen, van helden, van de grondvormen (typen) der verschillende menschenrassen. Men daguerreotypere of photographere tweemalen, uit onderscheidene punten, den Nieuw-Zeelander, den Poolmensch, den Neger, den Boschjesman, en hij staat in den stereoskoop in zijnen juisten, geheel onverminkten vorm voor u. Hoor, wat brewster van die uitvinding zegt.

"Zouden wij niet verrukt zijn, wanneer wij merkwaardige beelden, door de daguerreotypie of photographie voortgebragt, ziel en leven zagen verkrijgen; wanneer wij demosthenes den bliksem zijner welsprekendheid tegen den koning van Macedonië zagen werpen; brutus, aan de voeten van het standbeeld van Pompejus, caesar dooden; den apostel paulus aan de Atheniënsers het Evangelie prediken, of Hem, wiens naam men niet behoeft te noemen, in Zijne liefdevolle en hemelsche houding het menschelijk geslacht de verlossing zagen aankondigen?

Met welk eene vervoering zouden wij deze bezielde voorstellingen, waaruit zoo luide de begeerte, om het heil der menschheid te bevorderen zou spreken, aanschouwen. De helden en wijzen der oudheid zouden door den stereoskoop beter gebalsemd, en meer volkomen der vergetelheid ontrukt zijn, dan door de balseming der Egyptenaren; zij zouden den vorm van het leven, al de eigenaardige aantrekkelijkheden van hun verheven, verstandelijk voorkomen behouden hebben, en door den stereoskoop oneindig veel getrouwer in hun stoffelijk omhulsel voor ons opstaan, dan in de afschuwelijke mummiën, die te naauwernood, en nog wel zeer onvolkomen, de overblijfselen der vorsten voor de algemeene sloping konden bewaren."

[ 138 ] En welk een rijkdom van genot brengt de stereoskoop niet aan, wanneer hij als middel wordt aangewend, tot het vereeuwigen der voortbrengselen van menschelijk vernuft of smaak.

Thans reeds doet hij de voornaamste gebouwen en gedenkteekenen, benevens de fraaiste gezigten uit Parijs, Londen en Rome, de bevalligste grotten met hunne waterwerken enz. voor onze oogen verrijzen. Er bevinden zich in eerstgenoemde steden reeds eene menigte werkplaatsen, waar men zich uitsluitend bezig houdt, om, door middel der chambre obscure, photographische teekeningen te vervaardigen, op zilveren platen, op papier, of wel op collodion of eiwit (albumine), dat op glazen platen, in zeer dunne lagen verspreid is. In verschillende oorden van Europa hebben deze fabrijken hunne photographen, om door het licht afdrukken te doen maken van het meest merkwaardige, dat in hunne nabijheid gevonden wordt. Bezit men slechts een enkel stel dezer afdrukken, dan vermenigvuldigt het licht deze op papier of glas honderden malen. Geschiedt dit op glas, of liever op de laag collodion of eiwit die, met eene zilveroplossing gedrenkt, er over verspreid ligt, dan zijn de beelden doorschijnend, en worden in den stereoskoop bij doorvallend licht beschouwd. Sommige photographische werkplaatsen leggen er zich alleen op toe, om de gipsen modellen van de vermaardste beeldhouwwerken stereoskopisch af te beelden. Alzoo is die kunst reeds een belangrijke tak van industrie geworden, en is de verspreiding dier kunstprodukten nog niet zeer algemeen, zij zal het zeker worden, indien de prijs er van zoo laag kan worden gesteld, dat ook onbemiddelden er zich van kunnen voorzien. Intusschen is dit niet spoedig te verwachten, daar elk exemplaar reeds tegen betaling van slechts twee tot vier gulden afgeleverd wordt.

Het is inderdaad opmerkelijk en verwonderlijk, dat de stereoskoop, gedurende 15 jaren, die er na zijne ontdekking verliepen, van de hulp der photographie verstoken bleef. Zonder die hulp zou men nooit die naauwkeurigheid in de dubbele teekeningen, nooit dat verrassend effect verkregen hebben, waarin men zich thans kan verheugen. Hij, die weet, dat de daguerreotypie slechts aan [ 139 ] de werking van licht en schaduw, of liever aan de meerdere of mindere kracht van het licht haar aanwezen te danken heeft, en dat de kleuren er geene andere rol in spelen, dan dat zij de werking van het licht op de zilveren plaat versnellen of vertragen, moet het ongelooflijk voorkomen te vernemen, dat de lichtbeelden, door den stereoskoop beschouwd, de stof en de kleur der ligchamen kenbaar maken, waarnaar de teekeningen genomen zijn. En toch kan dit zonder overdrijving beweerd worden. Om mij slechts te bepalen bij die teekeningen, die ik zelf voor den stereoskoop door het licht heb doen scheppen, kan ik verklaren, dat brons, zilver, goud, glas, porcelein, schildpad, marmer, gips, enz. dadelijk van elkander zijn te onderscheiden. Een zeer merkwaardig effect leveren glazen voorwerpen op, waar men door heen ziet. Het porcelein en schildpad, het goud en brons schitteren ieder met hunnen eigenaardigen glans. Het beeld van den spiegel, voor welken men voorwerpen heeft geplaatst, kaatst in den stereoskoop met zulk eene getrouwheid de beelden dezer voorwerpen terug, en doet dit zoo geheel overeenkomstig met hetgeen er in de werkelijkheid ten dezen aanzien geschiedt, dat men zich geweld moet aandoen, om de overtuiging te behouden, dat het slechts twee platte figuren zijn, die ons ter beschouwing zijn voorgelegd.

Indien men de voorwerpen, welke men stereoskopisch, uit twee verschillende oogpunten, wil projecteren, in grooten getale door elkander legt, en ze daartoe natuurlijk niet te uitgebreid neemt, zoo kan men zich een dubbel genot bereiden. Het is natuurlijk bij het zien van elke teekening afzonderlijk hoogst moeijelijk, om de afgebeelde voorwerpen van elkander te onderscheiden; de lichtschakering, de wederzijdsche bedekking, de kleine afmetingen dragen ieder het hare bij, om een zeker verward voorkomen aan de figuren te geven. Naauwelijks heeft men echter de platen door de lenzen van den stereoskoop beschouwd, of als door een tooverslag ontstaat het relief, en de modellen der ligchamen komen onverwijld in het oog.

Wij gebruikten daar het woord modellen, en hebben dit overgenomen van den beroemdsten der photographen, den ijverigen claudet te Londen, die misschien het uitgebreidste [ 140 ] photographische établissement der wereld bezit. Inderdaad, de naam model is de meest gepaste, die men aan de reliëfs, door den stereoskoop verkregen, geven kan. Immers de verkleinde schaal, volgens welke de grootste gebouwen, en vrij uitgebreide stads- of landgezigten op het vlak der platen geprojecteerd zijn, staat toe, dat wij het geheel met een oogopslag, en zeer van nabij, kunnen overzien, eveneens als of er een model van de natuurlijke ligchamen in onze nabijheid was geplaatst.

Indien men zich bezig houdt met het maken van lichtbeelden voor den stereoskoop, leeren wij, bij eene aandachtige waarneming, al spoedig het belangrijk verschijnsel kennen, dat de beelden, die door een en hetzelfde ligchaam op het netvlies der beide oogen worden geprojecteerd, niet juist even groot behoeven te zijn, zoo wij ons van dat ligchaam een regt begrip zullen vormen. De beide daguerreotypen kunnen vrij wat in grootte verschillen, zonder het zamenvallen der beelden te storen. Dit lokt ongetwijfeld de vraag uit, of zich die omstandigheid ook wel eens in de natuur voordoet. Wij kunnen hierop bevestigend antwoorden. Alleen wanneer wij een voorwerp, dat regt voor ons ligt, bezien, worden de op het netvlies geprojecteerde beelden even groot, maar rigten wij, zonder het hoofd om te draaijen, de oogen op een ligchaam, dat regts of links van ons ligt, dan moet het beeld, dat in het oog ontstaat, hetwelk het verste van het ligchaam is verwijderd, het kleinste zijn. Om hiervan overtuigd te worden, plaatse men zich zoodanig, dat een goed verlicht voorwerp, (het best laat zich hiertoe de stolp aanwenden, die de vlam eener lamp omringt, of ook wel eene schilderij, die aan den wand hangt) ter zijde van ons ligt; indien men nu, zonder het hoofd om te wenden, scheel ziet, zal men twee beelden van de stolp of de schilderij ontdekken, die zeer in grootte verschillen; het kleinste beeld zal in dat oog ontstaan, dat het verste van het voorwerp ligt. Deze bijzonderheid doet, onder meer anderen, de hoop ontstaan, dat de stereoskoop het middel kan worden, om nog meer licht te verspreiden aangaande de wetten van het zien met twee oogen. De bedekking, die verschillende kleuren bij het stereoskopisch zien ondergaan, moge, hopen wij, ook eenmaal [ 141 ] een onderwerp worden, dat meer naauwkeurig zal worden onderzocht.

Hebben de bovenstaande regelen de belangstelling van sommige lezers in deze zeer jeugdige uitvinding opgewekt, dan zou dit ten gevolge kunnen hebben, dat zij zich van stereoskopische teekeningen of photographien wenschten te voorzien. Mogt zulks het geval zijn, dan kunnen misschien de volgende weinige aanmerkingen nuttig zijn.

Onder de gedrukte beelden zijn er bijna geene, die gewenschte uitkomsten opleveren; alleen dezulken, die met witte lijnen, op zwarten grond, de omtrekken der afgebeelde ligchamen aangeven, beantwoorden aan het doel, en onder deze soort zijn de afbeeldingen van de ideale vormen der kristallen zeker de fraaiste en nuttigste; daguerreotypen, die naar beelden van marmer en gips genomen zijn, voldoen op eene uitstekende wijze; transparenten op glas zijn, voor zooverre zij naar merkwaardige gebouwen of monumenten genomen werden, van eene buitengewone schoonheid; landschappen moeten in dat soort van photographien minder bevallen, omdat planten en boomen daarop een verdord en doodsch aanzien verkrijgen, terwijl daarentegen de sneeuwgezigten een effect veroorzaken, dat volmaakt de natuur evenaart; de lichtbeelden op papier beantwoorden volstrekt niet aan de verwachting, omdat het vezelachtige van het papier, bij de vergrooting, al het natuurlijke wegneemt; de modellen, naar het naakte menschbeeld genomen, moet men gekleurd wenschen, omdat de huid, zoowel op zilveren platen als op glas, eene lijkkleur verkrijgt; daarom worden ook altijd de portretten gekleurd, wanneer men die stereoskopisch verlangt voortgebragt te zien. Wat het menschelijk beeld betreft, men zij vooral bij het ontbieden van dit genre bedacht, dat hier de edele kunst weder is verlaagd geworden tot het voortbrengen van de meest onkiesche en walgelijkste voorstellingen; velen zijn in dat opzigt reeds bedrogen geworden. Deze korte aanwijzingen zullen waarschijnlijk voldoende zijn, om de keuze der belangstellenden in deze eenigzins te leiden.

Het kan niet onbelangrijk geacht worden, om ten slotte den lezer bekend te maken met de wijze, waarop men, door middel [ 142 ] van de photographie, de platen voor den stereoskoop voort brengt. Zeker zou, zonder de hulp dezer kunst, die van jaar tot jaar belangrijker wordt, de uitvinding van het laatstgenoemde werktuig niet die algemeene belangstelling hebben opgewekt; dit getuigt de sluimer, waarin zij verkeerd heeft, zoo lang zij van de vermelde hulp verstoken was. De schilderkunst toch kon en zal het wel nimmer zoover brengen, om met zooveel juistheid, zoo geheel overeenkomstig de wetten van het twee-oogig zien, de stereoskopische teekeningen te scheppen, als het licht zulks doet. Het vervaardigen van stereoskopische figuren berust, zooals wij uit den eersten jaargang vernomen hebben, op de omstandigheid, dat er, zoo wij met twee oogen naar een ligchaam zien, geene beelden op het netvlies der beide oogen worden geprojecteerd, die in alle opzigten gelijk zijn. Sluiten wij namelijk het regteroog, dan kunnen wij meer deelen van de linkerzijde des ligchaams waarnemen, dan wanneer wij het linkeroog sluiten en met het regter zien; in het laatste geval bespeuren wij meer van de deelen die regts liggen. Het verschil in de beide bovengenoemde beelden, die in het linker en regteroog ontstaan van een ligchaam, waarnaar wij het aangezigt hebben gewend, zal des te grooter zijn, naar mate wij er ons digter bij bevinden, en dat verschil valt schier geheel en al weg, indien wij ons op een' grooten afstand er van plaatsen. In het eerste geval zullen de vooruitspringende of verdiepte deelen, met andere woorden, zal het relief des ligchaams meer sprekend zijn dan in het laatste; het relief zou zelfs op korten afstand onnatuurlijk groot worden, zoo wij het geheele ligchaam op eenmaal konden overzien; maar dit gebeurt niet, omdat wij doorgaans de oogen slechts naar die punten rigten, waarop onze aandacht bijzonder gevestigd is. Op verren afstand daarentegen treedt het relief bijna in het geheel niet op; wij zien het ligchaam bijna plat. Men bedenke intusschen wel, dat wij hier over een enkel ligchaam of over niet zeer groote uitgebreidheden spreken; bij het beschouwen van een meer uitgestrekt landschap of stadsgezigt bij voorbeeld verhoudt zich de zaak anders.

Men stelle zich thans voor, dat de oogen door twee bolle [ 143 ] lenzen worden vervangen, en de beide netvliezen door platte vlakken, die met daguerreotype platen of lichtgevoelige lagen bedekt zijn; kortom, dat de plaats der oogen door chambres obscures worden ingenomen, waarmede men photographien wil maken. Nu kunnen de beide lenzen of objectieven, even als de oogen, naar het vroeger beschouwde ligchaam gewend worden; er zullen zich dan twee beelden op de gevoelige laag afteekenen, die geheel gelijkvormig zijn aan die, welke vroeger uit hetzelfde standpunt op de netvliezen ontstonden; zij mogen, wel is waar, grooter zijn, in vorm verschillen zij niet. Deze photographische beelden zullen nu ook, wat de ligging der deelen van het ligchaam of hunne wederzijdsche bedekking betreft, minder met elkander overeenkomen, naargelang wij de daguerreotype-toestellen nader bij het voorwerp plaatsen. Zijn de beelden op verren afstand genomen, zoo zal men er naauwelijks verschil in kunnen opmerken. Om echter in laatstgenoemd geval dat verschil meer zigtbaar te maken, kan men de lenzen veel verder van elkander zetten, dat is, de beide punten, waaruit men de beelden van hetzelfde ligchaam wil ontwerpen, op aanzienlijk veel grooter afstand van elkander nemen, dan die der beide oogen bedraagt. Brengt men alsdan de alzoo geprojecteerde teekeningen in den stereoskoop, zoo zal men het ligchaam eveneens bezien, als hadde men er nader bij gestaan, dan de plaats er van afligt, waar de teekeningen gemaakt zijn. Geprojecteerde tekening Het ligchaam zal zich nu wel kleiner schijnen voor te doen, dan het geval zou geweest zijn, zoo wij er ons inderdaad zoo digt bij hadden bevonden, maar het zal toch een volmaakt model er van vertoonen, dat wij nu van naderbij kunnen beschouwen; het relief zal niets te wenschen overlaten. Laat ons dit een en ander door eene eenvoudige teekening ophelderen. Nemen wij aan, dat het linkeroog in L, het regter in R ligt, en men een voorwerp in D op den afstand C D, van 3 palm bij voorbeeld, waarneemt; dan is de hoek L D R, dien de beide lichtstralen D L en D R met elkander maken, die, waaronder het ligchaam gezien wordt. [ 144 ] verwijdert de waarnemer zich van D, dan wordt de hoek L D R voortdurend kleiner; komt hij nader bij, dan neemt de hoek in grootte toe. Voor den genoemden afstand bedraagt die hoek ongeveer 9 graden, als wij de oogen op 65 millim. van elkander verwijderd stellen; op 5 maal grooter afstand wordt hij reeds ten naastenbij 145 graad. Verlengt men de lijnen DL en D R naar verkiezing, en wel beiden even ver, en plaatst men nu op de beide uiteinden dier verlengden de chambres obscures, om alzoo twee beelden van het ligchaam, in D liggende, te ontwerpen, zoo zullen deze twee figuren in den stereoskoop een effect op het oog des waarnemers hebben, als of hij het ligchaam op den afstand C D bezag; maar dewijl het oog op den afstand van 3 palm slechts vrij kleine ligchamen beziet, en nimmer dezulken, als welke voor den stereoskoop worden afgebeeld, zoo loopt men gevaar, dat nu het relief zal overdreven zijn; dat, zoo de ontworpene beelden bij voorbeeld een portret of een standbeeld voorstellen, de armen of beenen te ver zullen achteruit wijken of vooruit springen. Dit gebrek kan ontweken worden door de plaatsen L en R, waar men achtereenvolgend de chambres obscures zet, naderbij elkander te nemen. Een bepaalde afstand, op welken dit laatste geschieden moet, kan niet worden voorgeschreven. Immers het staat ons vrij, aan het stereoskopisch model kleinere afmetingen te geven en het op elken afstand te beschouwen.—Men zorge slechts, dat het relief niet overdreven worde. Wij herhalen het, de afstand, dien wij aan de beide objectieven willen geven, is onbepaald, hij hangt geheel af van de afmetingen, die de teekeningen verkrijgen, en van den afstand, waarop wij het model zich willen zien vormen, ten einde eene meerdere of mindere stereoskopische uitwerking te erlangen.

Voor afbeeldingen van personen en derhalve ook van ligchamen, die ongeveer met de grootte van deze overeenkomen, hebben wij de volgende afstanden der objectieven als de meest geschikte leeren kennen:

Zoo de daguerreotype toestellen op 7,5 el afstands van het voorwerp zijn gesteld, neme men de beide standpunten der objectieven 52 duim van elkander.

[ 145 ]

voor 6,5 el afstands 39 duim
 ,, 4,5 ,, ,, 36 ,,
 ,, 3 ,, ,, 25 ,,
 ,, 1 ,, ,, 14 ,,

Voor stadsgezigten, landschappen of merkwaardige gebouwen kan de afstand, zoo als gezegd is, veel grooter genomen worden.

Er is voorondersteld, dat men twee objectieven of daguerreotypetoestellen bij het vervaardigen der teekeningen gebruikt. Het valt echter gemakkelijk in te zien, dat men er ook één aanwenden kan. Daartoe heeft men slechts de chambre obscure te verplaatsen, en eerst op de eene, dan op de andere plaat de afbeeldingen te doen ontstaan. Het spreekt van zelf, dat dit eenig tijdverlies veroorzaakt; en kunnen de af te drukken voorwerpen zich verplaatsen, zoo zullen de pogingen om photographiën voort te brengen aan menigvuldige mislukkingen onderworpen zijn. De tijd, die tot deze verandering van standplaats vereischt wordt, is dan ook de oorzaak, dat men op sommige photographiën, voor den stereoskoop bewerkt, aan de eene zijde de afbeeldingen van menschen of rijtuigen ziet, die men op de tweede teekening mist. Intusschen schaadt dit gebrek zeer weinig; zelfs veroorzaakt in de stereoskopische modellen een water, dat zich bewogen heeft, een waterstraal uit eene fontein voortkomende, of de ontsnappende stoom een er stil liggende stoomboot een uitmuntend schoon effect.

Men heeft zich gedurende de laatstverloopene maanden er in 't bijzonder op toegelegd, om de bovenvermelde verplaatsing van den daguerreotypetoestel in eene zeer korte tijdruimte te kunnen bewerkstelligen. Daguerrotypetoestel Zie hier op welke wijze de Fransche photographen in dezen te werk gaan.

A B stelt een regthoekig plankje voor, van ongeveer 40 duim lengte en 30 duim breedte; het rust in het midden op een' drievoet, en, even als het planchet der landmeters, kan het daarop, door eene kegelvormige beweging, in verschillende stellingen gebragt worden. [ 146 ] Boven op deze plank A B rust een tweede, die iets kleiner is, en om eene spil c, die door het midden gaat, schuivende over de eerste, kan worden rondgedraaid. Men plaatst nu eerst de chambre obscure in a, en ziet, of de te projecteeren voorwerpen de gewenschte stelling hebben; daarna zet men de chambre obscure in c, draait de bovenste plank zoover om, totdat de voorrand r's met de lijn m n zamenvalt, die op het onderste vlak is getrokken, en wacht nu totdat het licht genoegzaam op de gevoelige laag heeft ingewerkt; daarna schuift men de chambre obscure in d, en doet den rand der bovenste plank de lijn o p bedekken; dan zal nu de tweede projectie ontstaan. Deze verrigting vereischt weinig tijds; te meer daar de beide lichtbeelden op eene en dezelfde plaat worden voortgebragt, door eerst de eene, dan de andere helft der plaat aan de werking van het licht bloot te stellen.

Het valt gemakkelijk in te zien, dat men bewegende voorwerpen, ook op deze wijze, onmogelijk voor den stereoskoop kan afbeelden. Maakt men de beide beelden tegelijk, dan zal ook dit niet buiten het bereik der photographische kunst blijven, want talbot, de veteraan in de photographie, heeft in 1851 van een gedrukt papier, dat zeer snel in de rondte werd gedraaid, bij eene oogenblikkelijke verlichting door electrisch licht, een volmaakt duidelijk photographisch beeld verkregen; in de Compt. rendus. T. XXXIII p. 623–627, heeft hij de wijze, waarop hij aan de eiwitlaag, over glas verspreid, die ongeloofelijke gevoeligheid wist te geven, blootgelegd. Zulk eene snelle lichtwerking zou de verwachting kunnen doen ontstaan, om nog eenmaal de maan, het digtst bij ons liggende hemelligchaam, met al hare verhevenheden in relief voor ons te zien, wanneer men haar, bij dezelfde schijngestalte, op twee verschillende plaatsen van het aardhalfrond zal hebben gedaguerreotypeerd.

Wij eindigen thans deze beknopte beschrijving, waarmede wij hopen iets te hebben bijgedragen, om de belangstelling in eene uitvinding, die haar ten volle waardig is, meer algemeen te maken, en de overtuiging te hebben versterkt, dat er voor den navorschenden geest geen aantrekkelijker studie is dan die der werking van het gezigtsorgaan.

 

 

  1. Ongeveer in dien vorm althans. De Heer logeman, die mij deze afbeelding voor het Album heeft afgestaan, brengt namelijk aan de door hem vervaardigde stereoskopen eene inrigting aan, die veroorlooft ook het door hem (pag. 190 des 1en jaargangs van dit werk) beschrevene verschijnsel van de schijnbare verandering in den afstand der voorwerpen door eene verandering in den gezigtshoek, daarmede zigtbaar te maken. Daartoe zijn de beide oogbuisjes op het bovenvlak van het kastje verschuifbaar, en zóó aan elkander verbonden, dat als men het eene een weinig naar het midden verplaatst, het andere noodzakelijk evenveel naar het midden verplaatst wordt, en omgekeerd.