De voeding der planten (1886)/V

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
IV De voeding der planten van Hugo de Vries

V. De beweging van het water.

VI


[ 124 ]
 

DE BEWEGING VAN HET WATER.




In ons eerste hoofdstuk over de voeding der planten hebben wij gezien, dat, onder de stoffen waaruit de planten opgebouwd zijn, aan het water een zoo belangrijke rol moet worden toegeschreven, dat wij, bij de verdeeling dezer stoffen in bepaalde afdeelingen, daaraan naast de overige anorganische en naast de organische bestanddeelen een afzonderlijke plaats hebben ingeruimd. In dit hoofdstuk wenschen wij deze rol van het water te behandelen en gaan daartoe in de eerste plaats na, tot welke doeleinden het in het leven der planten gebruikt wordt. Geen leven laat zich denken zonder water. Waar sommige plantendeelen tijdelijk in drogen toestand verkeeren, is deze toestand tegelijk een periode van rust, gelijk bij rijpe zaden het geval is. Daarenboven zijn deze zaden, hoewel zeer arm aan water, toch niet volkomen droog, doch kunnen bij verwarming in droge lucht nog door verdamping een vermindering van hun gewicht ondergaan, die door de weegschaal gemakkelijk aangetoond kan worden. Trouwens, dit geringe watergehalte heeft ook in zaden nog een rol te vervullen, waarvan men zich vooral bij zulke zaden overtuigen kan, die, na rijp geworden te zijn, eerst nog geruimen tijd moeten liggen, voordat zij kiembaar worden. Hier vinden in het zaad langzamerhand veranderingen plaats, wier resultaat de genoemde eigenschap is, en die slechts onder den invloed van het aanwezige water kunnen volbracht worden. Overal echter, waar de plantencellen de zetel van belangrijker [ 125 ] werkingen zijn, hetzij deze in scheikundige omzettingen van de opgenomen voedingsstoffen, of in den groei der organen, of in de productie van bepaalde voor het leven nuttige stoffen bestaan, of welke andere doeleinden ook hebben mogen, steeds is een aanzienlijke watergehalte een der meest noodzakelijke voorwaarden voor deze processen. Het water maakt zoowel deel uit van den celwand, als van den celinhoud, ja in volwassen cellen is de laatste niet zelden bijna geheel eene waterige oplossing van verschillende stoffen, die slechts door een geleiachtig laagje van den celwand is afgesloten. Vandaar dat overal waar organen of cellen groeien, water tot den opbouw dezer deelen in aanmerkelijke hoeveelheid verbruikt wordt.

Wij herinneren ons, dat in de groene bladeren de organische stof ontstaat uit koolzuur en water, welke lichamen onder den invloed van het licht in zetmeel worden omgezet, dat wij in de bladgroenkorrels als product van deze werkzaamheid hebben leeren kennen. Ook bij deze zoo belangrijke verrichting wordt dus water verbruikt. De hoeveelheid water, die hiervoor, alsmede voor den groei noodig is, wordt echter verre overtroffen door die, welke in de lucht uitgespreide plantendeelen door verdamping verliezen. De opperhuid der bladen laat wel is waar zelf weinig water door, doch zij bezit een groot aantal fijne openingen, de zoogenoemde huidmondjes, die met de tusschencellige ruimten van het bladmoes in gemeenschap staan. Aan deze ruimten grenzen de cellen rechtstreeks, en haar met water doortrokken wand moet dus steeds aan de lucht in deze holten water in dampvorm afstaan, die dan door de huidmondjes ontwijken kan. Dat de hoeveelheid van het op deze wijze verloren water zeer aanzienlijk kan zijn, weet iedereen uit het feit, dat op warme dagen planten die in een drogen bodem wortelen, licht verwelken en eerst door begieten weer frisch kunnen worden. Het is duidelijk, dat deze laatste oorzaak van beweging van het water bij ondergekoken waterplanten niet bestaat.

Door de verdamping of door het verbruik van water bij den groei en de productie van organisch voedsel worden de cellen, waarin deze processen plaats vinden, armer aan vocht dan de naastbijgelegene, in welke zulk een verbruik niet plaats vindt. [ 126 ] Het gevolg hiervan zal zijn, dat de eersten aan de laatsten water ontnemen, ten einde het verbroken evenwicht te herstellen. Terwijl nu deze laatste cellen op hare beurt weer water aan de achter haar gelegenen onttrekken, ontstaat een geregelde beweging van het water naar de plaatsen van verbruik toe, die des te sneller zal zijn, naarmate het verbruik zelf aanzienlijker is. Weldra strekt zich deze beweging over de geheele plant uit, en wordt het water uit de wortels, die het uit den grond opnemen, naar de bovenaardsche plantendeelen in een geregelden stroom toegevoerd. Daar de oorzaak dezer beweging in de plaatsen van verbruik zetelt, kan men haar een zuigende noemen. Tegenover deze staat dan een geheel andere beweging van het water, waarvan de oorzaak in de wortels gezocht moet worden, en die met kracht het water in de wortels en in den stengel omhoog perst. Deze oorzaak wordt met den naam van worteldrukking bestempeld.

Voordat wij de verdamping en de door haar veroorzaakte snelle beweging van het water in de planten uitvoerig bespreken, en daarbij het weinige vermelden, wat er omtrent de zeer langzame strooming van het water voor den groei en de koolzuur-ontleding te zeggen valt, wenschen wij deze worteldrukking in hare werkingen nader te leeren kennen, daar deze kennis ons bij een juiste waardeering van de zuigende kracht der verdampende cellen van groot nut zal zijn.

Het is een bekend verschijnsel, dat vele boomen bloeden, wanneer zij in het voorjaar, korten tijd voordat de knoppen hunne bladeren beginnen te ontplooien, tot in het hout verwond worden. De eschdoorn levert daarvan in onze parken en tuinen het meest bekende voorbeeld. Al naar gelang der boomsoort stroomt een grootere of geringere hoeveelheid vocht uit de wonde; dit vocht is waterhelder en bij enkele soorten, b.v. den in Noord-Amerika groeienden suiker-ahorn, zoo rijk aan suiker, dat het de moeite loont, het in het groot te verzamelen. Het krachtigst doet zich dit verschijnsel wel voor in den wijnstok. Uit kleine insnijdingen, tijdens het zwellen der knoppen door den bast heen tot in het hout gemaakt, ziet men weldra het vocht druppelsgewijze te voorschijn treden, en gedurende verscheidene [ 127 ] uren voortvloeien. Ja, zoo men de wond zoo maakt, dat zij zich niet spoedig genoeg weer sluiten kan, duurt deze vochtstroom verscheidene dagen voort. Daarbij vloeit het water niet slechts daarom weg, dat het hout er mede overvuld is, en het overtollige vocht dus uit elke wonde ontwijkt; het wordt integendeel met groote kracht door de kunstmatige openingen naar buiten geperst.


Fig.61.

De voeding der planten(1886) p135 afb61.png

Stam van een wijnstok, met
omgebogen glazen buis,
voor het meten van de
drukkracht der wortels.


Om zich hiervan te overtuigen, maakt men gebruik van de in figuur 61 afgebeelde inrichting. Men snijdt een stam van een wijnstok, of wel een dikken tak, glad door, en omgeeft het uiteinde met een nauw aansluitende buis van caoutchouc. In het andere uiteinde van de korte buis wordt een doorboorde kurk bevestigd, waarin een glazen buis nauwkeurig sluit. De caoutchouc-buis wordt èn om de kurk, èn om den stam met touw zoo sterk aangebonden, dat zelfs bij aanzienlijke drukking geen water op deze plaatsen doorsijpelen kan. Het is goed de buis zelf met koperdraad te omwikkelen, ten einde een te sterk opzwellen of wel barsten onder de ontstaande drukking te voorkomen. De in de kurk ingeschoven glazen buis is dubbel omgebogen, op de in de figuur aangegeven wijze. Weldra begint nu het vocht in de buis omhoog te stijgen, en zoodra het de eerste ombuiging bereikt heeft, vloeit het, gelijk van zelf spreekt, naar beneden. Komt het er slechts op aan het uitstroomen van een groote hoeveelheid vocht aan te toonen, zoo kan men de proef op deze wijze laten voortgaan; wenscht men echter zich een voorstelling te maken van [ 128 ] de grootte der kracht, waarmede het wordt omhoog gestuwd, zoo giet men in het open uiteinde van de buis kwik. Daardoor zal de lucht in den afdalenden arm worden samengedrukt, en het kwik in dezen eenigzins omhoog stijgen, terwijl het in den open arm bijna tot boven aan staat. De drukking van deze kwikzuil plant zich door de samengeperste lucht op de vloeistof in den korten arm voort en werkt door deze op de wondvlakte van den stam. Men zou nu allicht vermoeden, dat een eenigzins aanzienlijke drukking, op deze wijze uitgeoefend, terstond het uitvloeien van het water zou doen ophouden. Toch is dit niet het geval. Zelfs wanneer de kwikzuil in den eenen arm een meter hooger staat dan in den anderen, gaat het uitvloeien nog voort en wordt de kwikzuil dus omhoog geschoven. De drukking van zulk een kwikzuil is gelijk aan die van een zuil water van ruim 13 meters hoogte en de wortels blijken dus in staat te zijn het water tot op zulk een aanzienlijke hoogte op te voeren. Daar nu de wijnstokken in den regel deze hoogte op verre na niet bereiken, zal ook in hunne hoogste takken nog de invloed van de worteldrukking bemerkbaar moeten zijn, iets, wat gemakkelijk te bewijzen is, wanneer men deze takken doorsnijdt en er op gelijke wijze, als zooeven voor een stam beschreven werd, een glazen buis aan bevestigt. Het is duidelijk, dat door deze drukking het water naar de aanzwellende knoppen in grootere hoeveelheid wordt toegevoerd, dan dit alleen het geval zou zijn door de zuigende werking, die door den groei en de verdamping veroorzaakt wordt.

Het is bij deze proeven geenszins onverschillig, welke plant men onderzoekt en in welk jaargetijde of onder welke omstandigheden zij genomen worden. Ook de hoogte, waarop de buizen aan de plant bevestigd worden, is op het resultaat van invloed. De oorzaak van dit laatste is gemakkelijk na te gaan. Wij hebben reeds medegedeeld dat de besproken drukkracht haar zetel in de wortels heeft en het zijn juist de fijnste uiteinden der wortelvezels, waarin zij gezocht moet worden. Hoe deze kracht daar ontstaat, kan men tegenwoordig nog niet met volle zekerheid aangeven, doch het is zeker, dat de cellen [ 129 ] der wortels het vocht eenerzijds uit den bodem opzuigen en er zich zoo sterk mede vullen, dat hare wanden er geheel door gespannen zijn. Deze spanning speelt als drukkracht een belangrijke rol bij het opstuwen van het vocht. Daar nu het opgestuwde vocht zich in den wortel moet bewegen en uit dezen door den stam verder worden geleid en het weefsel van wortel en stam aan deze beweging een zekeren weerstand biedt, zal de kracht tengevolge van dezen weerstand naar boven toe steeds afnemen. Daarbij oefent de kolom water in deze organen door haar gewicht een zekere drukking uit, die natuurlijk eveneens nadeelig op de grootte der overblijvende kracht werken zal. Is nl. de kolom in eenigen boom zoo hoog, dat hare drukking aan de kracht der wortels gelijk komt, zoo zal zij niet meer voortbewogen kunnen worden en zal men boven deze hoogte van de werking dier kracht niets meer bespeuren. Hoe lager bij den wortel dus, des te minder is deze kracht door tegendrukking en weerstand verzwakt en des te duidelijker zal zij dus in onze proeven kunnen worden waargenomen. In de kroon van hooge boomen is van den invloed der worteldrukking niets te bespeuren en zelfs in den stam pleegt zich deze invloed niet te doen gelden, daar de worteldrukking bij boomen nooit die grootte bereikt, die wij zooeven voor haar bij den wingerd leerden kennen.

Niet alleen tijdens het eerste uitloopen der knoppen persen de wortels het water omhoog. Op elken tijd van den zomer, ja, zoolang de planten nog niet in den toestand van winterrust teruggekeerd zijn, kan zij worden waargenomen. Wel is waar bloeden wingerden en andere houtgewassen na het ontplooien hunner bladeren niet meer, zoo men ze verwondt. Dit komt echter daardoor, dat in die periode, behalve de opstuwende kracht der wortels, ook nog de zuigende kracht der bladen werkt, die wij reeds met een enkel woord bespraken. Deze zuiging is zoo sterk, dat zij het uitvloeien van water uit de wonden geheel belet. Men kan echter deze zuiging doen ophouden b.v. door de plant met een dampverzadigde lucht te omgeven, zoodat zij geen vocht meer verdampen kan. Heeft men een wingerd in een pot gekweekt, zoo kan [ 130 ] men hem in een besloten ruimte b.v. een kleine broeikas of een glazen stolp brengen en hierin de lucht geheel met vochtdeelen verzadigen. Veel eenvoudiger bereikt men zijn doel, door de bladeren te verwijderen; het allereenvoudigst door den geheelen stam af te snijden en de proef juist op dezelfde wijze te nemen, als wij zooeven beschreven hebben (fig. 61). In dit geval blijkt de worteldrukking den geheelen zomer werkzaam te zijn, ofschoon zij bij lange na niet krachtig genoeg is om al het water te leveren, dat in de bladeren verdampt en dus tegenover de straks te bespreken zuiging slechts een ondergeschikte rol speelt. Deze hoeveelheid water, die de wortels in een bepaalden tijd omhoog voeren, kan men het best bepalen, wanneer men de in fig. 61 afgebeelde buis in haar middelste deel doorsnijdt en onder de naar beneden gerichte opening een vat ter opvanging van het uitvloeiende water plaatst. Weegt men dit vat van tijd tot tijd, zoo zal men door vergelijking het gewicht van het uitgevloeide water kunnen berekenen. Het blijkt dan, dat deze hoeveelheid vooral door twee voorname oorzaken bepaald wordt; nl. door de temperatuur van den grond, waarin de plant wortelt en door zijne vochtigheid. Hoe warmer en hoe vochtiger deze bodem is, hoe meer water de wortels in hetzelfde tijdsverloop in den stam persen. Verder kan men door zulke proeven de hoeveelheden water vergelijken, die door verschillende planten worden omhoog gestuwd en vindt dan, dat zij al naar gelang der plantensoorten zeer uiteenloopen.

Deze eigenschap der wortels, om het uit den grond opgezogen water met een zekere kracht omhoog te persen, is niet alleen aan boomen en heesters, maar ook aan kruidachtige gewassen eigen en kan bij deze laatsten op dezelfde wijze worden aangetoond. Zelfs bij kleine, tengere, eenjarige gewassen ontbreekt zij niet. Als voorbeeld noem ik de bekende sierplant Coleus Verschaffeltii. Snijdt men haren stam onder de onderste bebladerde takken door, en beschermt men de doorsnede tegen al te sterke verdamping, b.v. door er een omgekeerd glas over heen te plaatsen, zoo ziet men weldra een grooten druppel water uit de wond te voorschijn komen, die na [ 131 ] korten tijd te groot is om op de wondvlakte te blijven rusten, en zijdelings langs den stengel afvloeit. Het is de wortel, die dit vocht omhoog perst.

De drukkracht der wortels is ook de oorzaak van het verschijnsel, dat onder den naam van het tranen van planten bekend is en tot de merkwaardigste zaken behoort, die men bij planten kan waarnemen. Zeer schoon vindt men dit bij sommige Aronskelken, vooral bij de in fig. 62 afgebeelde soort. Uit de toppen van de groote pijlvormige bladen van deze plant komen voortdurend druppels water te voorschijn, die weldra afvallen, en terstond door nieuwe vervangen worden. Telkens, wanneer de omgevende lucht vochtig genoeg is, om een te sterke verdamping te verhinderen, kan men dit tranen waarnemen. Doch het is niet noodig daartoe uitheemsche gewassen te gebruiken: onze inlandsche grassen en talrijke lage, hetzij eenjarige, hetzij overblijvende planten, bezitten, hoewel in mindere mate, dezelfde merkwaardige eigenschap. Bij deze moet echter de verdamping in de bladen bijna geheel belet worden, en tegelijker tijd de werkzaamheid der wortels een zeer krachtige zijn. Vandaar, dat aan de toppen en de randen der bladen bij deze planten waterdruppels te voorschijn komen, wanneer 's avonds bij zons-ondergang de lucht zich sterk afkoelt, en daardoor het dauwpunt, dus de temperatuur waarop de lucht met waterdamp verzadigd is, nadert. Bij overschrijding van dit dauwpunt, d. is bij verder dalen der temperatuur, ontstaat er dauw, daar dan de overvloedige waterdamp in druppels neêrslaat. Doch voordat deze graad van koude bereikt is, kan men aan de planten reeds de vermelde waterdruppels waarnemen. Kunstmatig kan men dit verschijnsel telkens te voorschijn roepen, wanneer men de planten in potten heeft staan, en deze sterk begiet, terwijl de bladen met een glazen klok overdekt zijn. De vochtigheid begunstigt de werking der wortels, de klok vermindert de verdamping, en alle voorwaarden voor het tranen zijn dus gegeven. Aan kiemplanten van granen, stekken van Fuchsia, Tradescantia zebrina, en vele andere gewassen kan men dit verschijnsel, onder de genoemde voorzorgen, steeds gemakkelijk waarnemen.

[ 132 ]

Fig. 62.

De voeding der planten(1886) p140 afb62.png

Colocasia esculenta.

[ 133 ] Wij hebben in ons hoofdstuk over den bouw en de verrichtingen der bladen reeds met enkele woorden over de verdamping gesproken en ook een der voornaamste proeven medegedeeld, door welke de hoeveelheid van het verdampende water bepaald kan worden. Een andere wijze om deze bepaling uit te voeren, wordt door fig. 63 duidelijk gemaakt.


Fig. 63.

De voeding der planten(1886) p141 afb63.png

Inrichting om de verdamping in de bladeren aan te toonen.


Men brengt den tak, dien men onderzoeken wil, in een glazen ballon en sluit de opening om den tak door een in tweeën gespleten, doorboorde kurk. Aan de ballon is een fijne buis met opening, die in een flesch gevoerd wordt. Het verdampende water slaat tegen de wanden van den ballon neder en druppelt uit de fijne opening in de flesch, waarin het van tijd tot tijd gewogen kan worden. Het is duidelijk, dat dit waterverlies in de bladen voortdurend hersteld moet worden, zullen de [ 134 ] bladen daardoor niet verwelken en uitdrogen.


Fig. 64.

De voeding der planten(1886) p142 afb64.png

Opzuiging van water door een bebladerden tak.


Dit herstel heeft, gelijk wij in het begin reeds uitééngezet hebben, een [ 135 ] zuiging van water uit andere deelen der plant ten gevolge, welke het weder aan andere organen en ten laatste aan de wortels ontleenen. Dat deze zuiging werkelijk de oorzaak is, dat het water in de takken zich naar de bladen beweegt, bewijst ons elke afgesneden tak, waarvan het ondereinde in water geplaatst is en die daarbij frisch blijft. De werking van de wortels is dan klaarblijkelijk buitengesloten en slechts door zuiging kan de tak het noodige water opnemen. En dat deze zuiging met zeer groote kracht geschiedt, leert ons de volgende proef. Aan het onderste uiteinde van een afgesneden bebladerden tak bevestigen wij een lange glazen buis, door middel van een caoutschoucbuisje, dat wij èn om den tak èn om de buis sterk aanbinden. Dan vullen wij de buis geheel met water en keeren haar om terwijl wij het open einde onder water houden en zorgen dat geen lucht in haar omhoog kan stijgen. Staat de buis dan rechtop, zoo kan men haar op de in fig. 64 aangegeven wijze bevestigen. Is de buis niet al te lang, zoo blijft de tak langen tijd frisch en ziet men het water in het glazen bakje dalen, waardoor een opzuigen van water door den tak, en dus tegelijk de verdamping in de bladen, aangetoond wordt. Hoe hooger de buis is, hoe ongunstiger de omstandigheden voor het opnemen van water zijn en men kan zich dus eenigzins een denkbeeld maken van de zuigkracht, die hier in het spel is, zoo men weet hoe lang de buis zijn kan, terwijl de tak nog voortgaat het water omhoog te bewegen.

Deze proef levert ons tegelijk een zeer eenvoudig middel om de grootte der verdamping van afgesneden bladen en bebladerde takken onder verschillende omstandigheden na te gaan. Het dalen van het water in het glas toch (zie fig. 64), zal de juiste maat van het verdampte water zijn. Hoe smaller het glas is, hoe nauwkeuriger wij aan dit dalen een geringe vermindering van het water zullen kunnen waarnemen. Nog nauwkeuriger wordt dit, wanneer wij niet een rechte glazen buis gebruiken, maar een U-vormig omgebogene, waarvan het been, waaraan de tak bevestigd is, korter kan zijn dan het andere. Vullen wij zulk een buis met water, zoo zal het [ 136 ] dalen van het water in den open arm een maat zijn voor de verdamping. Daar op deze wijze de verdamping onder zeer gunstige omstandigheden reeds gedurende weinige minuten duidelijk kan waargenomen worden, zoo ziet men, dat deze methode veel geschikter is dan een der beide rechtstreeksche bepalingen, die wij vroeger beschreven en afgebeeld hebben. Een blad of tak in de U-vormige buis kan in korte tijdruimten achter elkander onder verschillende omstandigheden gebracht worden en ons zoo den invloed van deze door de verschillende snelheid van het dalen van het water in den open arm onmiddellijk doen waarnemen. Welke resultaten men door deze methode kan verkrijgen, willen wij nu kortelijk uiteenzetten.

Vooreerst hangt de verdamping af van de vochtigheid der lucht. Hoe meer waterdamp deze bevat, hoe geringer de verdamping zijn zal, een betrekking die trouwens niet alleen voor bladen maar ook voor alle andere vochtige lichamen en voor vloeistoffen geldt. Evenzoo heeft de temperatuur op de verdamping bij levende en levenlooze voorwerpen een invloed, die grootendeels daaraan toe te schrijven is, dat warmere lucht een grootere hoeveelheid waterdamp bevatten kan dan koude. Ook het licht werkt, ten minste bij vele planten, gunstig op de verdamping, daar het bewegingen veroorzaakt in de sluitcellen der huidmondjes. Deze toch kunnen de tusschen haar gelegene opening sluiten en weer openen en worden daartoe door verschillende omstandigheden genoopt, welker werking echter niet bij alle plantensoorten dezelfde is, daar nu eens alleen de sluitcellen werkzaam zijn, dan weer ook de omliggende cellen der opperhuid aan deze verrichtingen deelnemen. Bij de meeste planten echter heeft men waargenomen, dat het licht de huidmondjes zich doet openen, terwijl de duisternis weer aanleiding tot het sluiten geeft. Het nut van deze inrichting moet dadelijk in het oog springen, wanneer men zich herinnert, dat in groene plantendeelen onder den invloed van het licht de ontleding van koolzuur plaats vindt, bij welke groote hoeveelheden van dit gas worden opgeslorpt, waartegen weer zuurstofgas wordt uitgestooten. Tijdens deze werking kan [ 137 ] dus een ongestoorde gemeenschap van de tusschencellige luchtruimten met de buitenlucht slechts voordeelig zijn. Doch deze gemeenschap is ook de oorzaak, dat de waterdamp uit de tusschencellige ruimten gemakkelijk in de omgevende lucht kan ontwijken, en daar de vochtige cellen aan de genoemde ruimten steeds zoolang waterdamp afgeven, totdat deze daarmede verzadigd zijn, zal de verdamping bij geopende huidmondjes steeds aanzienlijk zijn. Hierdoor verklaart zich, ten minste ten deele, de invloed van het licht op de verdamping. Dat de verdamping daarenboven van het gebruikte plantendeel afhankelijk en o.a. door den aard der opperhuid en het aantal der huidmondjes bepaald wordt, behoeft wel niet afzonderlijk opgemerkt te worden.

De verdamping van water in de bladen is een der voornaamste oorzaken van de vochtigheid van de lucht. Vooral daar, waar de bodem droog is en dus zelf slechts weinig verdampt, en waar niet telkens tusschen elke twee stukken land een sloot of greppel wordt gevonden, waarin het water als zoodanig verdampt, is deze invloed zeer belangrijk te achten. Het is een bekend verschijnsel, dat in bosschen en boven weilanden de lucht vochtig is, en vooral op de laatsten wordt dit aan ons oog zichtbaar gemaakt, wanneer na een warmen dag de avond bij helderen hemel zeer koel is. Dan ontstaat de dauw, veroorzaakt door het overgaan van de waterdamp der lucht in fijne waterdruppeltjes, die langen tijd blijven zweven. De afkoeling der lucht toch heeft ten gevolge, gelijk wij boven reeds bij een andere gelegenheid zagen, dat haar vermogen om waterdamp te bevatten geringer wordt. Weldra is een warmtegraad bereikt, waarbij de lucht nog juist al de in haar bevatte damp kan behouden. Daalt nu de temperatuur nog lager, dan wordt een deel van deze damp afgescheiden, en veroorzaakt den bekenden nevel. Vandaar dat de lucht tijdens dauw steeds geheel met waterdamp verzadigd is, m.a.w. zoo vochtig is, als zij bij die temperatuur slechts zijn kan. Vreest de mensch te recht de nadeelige werking, welke deze door de verdamping der planten en het dalen der temperatuur in den avond vochtig geworden lucht op zijne gezondheid uitoefenen kan, aan de andere zijde gebruikt hij [ 138 ] diezelfde eigenschap der bladen, om lucht vochtig te houden, wanneer zij door andere oorzaken licht een schadelijken graad van droogte zou verkrijgen. Ik bedoel het kweeken van planten des winters in woonkamers. De bij ons gebruikelijke methode van verwarming onzer woonvertrekken toch maakt de lucht in deze steeds zeer droog; de buitenlucht kan, door hare lage temperatuur, slechts weinig waterdamp bevatten, en door de verwarming, die zij in aanraking met of in de nabijheid van den kachel ondergaat, wordt wel haar vermogen om waterdamp te bevatten, doch niet haar werkelijk gehalte daaraan verhoogd. Zonder verdere voorzorgen leven wij dus des winters in veel drogere lucht dan des zomers. Kweekt men nu planten in het vertrek, zoo zullen deze steeds water verdampen en dus een oorzaak van vochtigheid der lucht zijn, die daarenboven de gunstige eigenschap bezit van in haar werking van de temperatuur en van den graad van vochtigheid der lucht beide afhankelijk te zijn, en dus, om de zaak kort uit te drukken, des te krachtiger werkt, naarmate de lucht droger is. Deze beschouwing neemt onder de redenen, waarom het kweeken van planten in kamers gewoonlijk wordt aanbevolen, een eerste plaats in. Het is wellicht niet overbodig hierbij op te merken, dat hier slechts van bebladerde planten sprake is; voor de beoordeeling van het nut of het nadeel van bloeiende planten in kamers toch komen nog andere punten in aanmerking, die vooral dan een groot gewicht in de schaal leggen, als de bloemen sterk rieken, en de prikkelende werking, die deze riekende stoffen op ons zenuwstelsel uitoefenen, als schadelijk moet beschouwd worden, zooals b.v. in slaapkamers het geval is.

Het water, dat de bladen door verdamping aan de omgevende lucht afgeven, wordt onder gewone omstandigheden door de wortels uit den grond opgenomen en door den stengel of stam naar omhoog geleid. Ook wanneer afgesneden takken met hun wondvlakte in water geplaatst zijn, moet de stengel het water geleiden. En evenals wij bij de verplaatsing van het voedsel ons de vraag voorgelegd hebben, in welk gedeelte van den stengel deze geleiding plaats heeft, evenzoo moeten wij ook thans deze vraag voor het water beantwoorden. Wij kunnen daartoe dezelfde [ 139 ] methode gebruiken, n.l. de ringvormige ontschorsingen. Trouwens een eenvoudige beschouwing der daar beschreven proeven zal ons van zelf tot het gewenschte resultaat voeren. De bedoelde proef bestond in het wegnemen van een schorsring rondom den tak, korten tijd vóór het uitloopen der knoppen in het voorjaar. Deze ontschorsing moet aan krachtige takken op een aanzienlijken afstand van den eindknop geschieden, daar voor deze anders, gelijk wij zagen, de toevoer van organisch voedsel door den bast afgesneden wordt. Wil men den schorsring dichter bij den eindknop wegnemen, zoo kan men voor ons tegenwoordig doel ook op deze wijze de proef nemen, wanneer men slechts met de ontschorsing wacht, tot de eindknop uitgeloopen is en de bladen, die uit hem te voorschijn getreden zijn, hun volle ontwikkeling bereikt hebben. In beide proeven nemen wij waar, dat de tak ongestoord voortleeft, en dat het verlies van water door verdamping in zijn bladen door nieuwen toevoer even volledig hersteld wordt, als in alle overige bladen van den boom. Het wegnemen van den schorsring belet dus de beweging van het water niet, waaruit volgt, dat deze in het hout plaats vindt. Men zou kunnen vermoeden, dat het merg aan deze geleiding een werkzaam aandeel nam, doch dit vermoeden vervalt van zelf, wanneer men bedenkt, dat de inhoud der cellen van het merg in tweejarige en oudere takken lucht is, en geenszins een vocht.

Men ziet in onze steden niet zelden boomen, wier stam gedeeltelijk van bast en schors ontbloot is. Zulke boomen blijven doorgroeien, ofschoon niet zelden die takken, welke aan de zijde der verwonding liggen, afsterven. Het water wordt in het hout omhoog geleid, en de voedingsstoffen, die uit de bladen naar de wortels worden gevoerd, vinden haar weg in het overgebleven gedeelte van den bast. Dat het hout, waar het aan weer en wind blootgesteld is, begint te verrotten, behoeft geene vermelding, en evenmin de hieruit voortvloeiende gevolgtrekking, dat de waarde van den boom als werk- of brandhout hierdoor zeer lijdt. Kunnen echter boomen ook dan blijven leven, wanneer zij over een grooter of kleiner deel van den stam aan alle zijden van den bast ontbloot zijn, en dus de toevoer van [ 140 ] voedsel naar de wortels is afgesneden? Deze vraag kan slechts onder zekere beperkingen bevestigend beantwoord worden. Eenige jaren kunnen de wortels op het in hen nog aanwezige reservevoedsel teeren, blijven leven en aan hunne verplichtingen: het opnemen van water en anorganische stoffen uit den grond, voldoen. Zoolang zal dus het leven van den boom ongestoord voortgaan. Doch na korter of langer tijd begint het voedsel aan de wortels te ontbreken, deze sterven en houden dus op te werken, en de takken en bladen ontvangen het voor hunne verdamping noodige water niet meer. Weldra zullen zij dus uitdrogen en sterven, en op het eind heeft dus de ringvormige ontschorsing van den boom den dood ten gevolge. Vandaar dat men in steden en plantsoenen tegen elke ontschorsing moet waken, daar anders licht een ringvormige ongemerkt zou kunnen insluipen, en den boom, dien zij trof, tot een langzamen maar even zekeren dood veroordeelen. Slechts in één geval kan een boom lange jaren zulk een ontschorsing overleven. Dit vindt n.l. dan plaats, wanneer uit het onderste gedeelte van den stam en uit de dikste wortels loten ontspringen, die zich tot krachtige bebladerde takken ontwikkelen, en de voeding van de wortels op zich kunnen nemen, voor welke door de boven de wonde gelegen takken niet meer kan worden gezorgd. Zulke wortelloten komen vooral bij linden voor, en vandaar dat de meeste voorbeelden van boomen, die een ringvormige ontschorsing hunner takken langen tijd overleefden, door linden worden opgeleverd. Een zekere beroemdheid heeft een zware lindenboom met prachtige kroon, in het park van Fontainebleau, door zulk een verwonding verkregen. Deze boom was omstreeks 1780 geplant, en zijn stam werd in 1810 door toevallige omstandigheden door werklieden van het grootste gedeelte van zijn bast beroofd. In het jaar 1854 stierf hij, nadat hij in het vorige jaar nauwkeurig onderzocht geworden was. Op de ontbloote plaats was het hout tot op een aanzienlijke diepte gestorven en ten deele reeds vergaan, en nog slechts een dunne houtcylinder in het midden diende voor de geleiding van het water. Boven de ontschorsing was de diktegroei van den stam regelmatig voortgegaan; daaronder zorgden talrijke kleine takjes en wortelloten voor de [ 141 ] voeding der wortels. Ook van andere boomsoorten worden zulke voorbeelden beschreven.

Leeren nu deze waarnemingen ons zonder eenigen twijfel, dat het water zich in het houtlichaam voortbeweegt, zoo kunnen wij door een meer algemeene beschouwing en vergelijking van de meest uiteenloopende boomsoorten tot dezelfde gevolgtrekking geraken. In de plantkunde neemt men onder de met bloemen bloeiende planten drie typen van boomvormen aan, nl, de loofboomen, de naaldboomen en de palmen met hunne verwanten. De overeenkomst tusschen de beide eerste typen is zoo groot, dat wij deze voor onze beschouwing te samen kunnen vatten en tegenover de geheel anders gevormde palmen plaatsen. Onze loofboomen, die door hunne vlakke, min of meer breede bladeren gekenmerkt zijn en meestal des winters hun loof verloren hebben en de aan hunne naald- of schubvormige bladen herkenbare, in den winter meest groene naaldboomen komen daarin met elkander overeen, dat hunne stammen vertakt zijn en dat de zijtakken van deze takken telken jare in aantal toenemen, als de winterknoppen in het voorjaar beginnen uit te loopen. Met het vermeerderd aantal twijgen gaat natuurlijk een toenemen van het getal der bladen gepaard, hetgeen weer ten gevolge heeft, dat de hoeveelheid water, die door den boom verdampt wordt, met elk jaar aanzienlijker wordt. Al dit water moet door den stam omhoog gevoerd worden en de telken jare grootere hoeveelheid eischt dus telken jare een breedere stroombaan. Het is in volkomen overeenstemming hiermede, dat de stammen van loof- en naaldboomen gedurende hun geheele leven in dikte toenemen en dat deze diktegroei wel is waar ook den bast betreft, doch voor verreweg het grootste deel door een aanzetting van nieuwe houtlagen rondom de bestaande tot stand gebracht wordt. Hoe meer water de stam dus omhoog moet geleiden, hoe dikker zijne houtmassa is.

Geheel anders is het bij de Palmen. Hun stam is niet vertakt en draagt aan den top een kroon van weinige, maar zeer groote bladen. In het midden tusschen deze bladen vinden wij den eindknop, die den eigenlijken top des stams inneemt.

[ 142 ]

De voeding der planten(1886) p150 afb65.png

Fig. 65. Zuid Amerikaansche Palmen (Mauritia flexuosa).

[ 143 ] Uit dezen eindknop ontwikkelen zich voortdurend nieuwe bladen, zoodat de binnenste bladen van de kroon steeds de jongste zijn, hetgeen in den regel aan hun mindere grootte of onvolledige ontplooiing kan worden waargenomen. Naarmate nu hier nieuwe bladen ontplooid worden, sterven de buitenste en worden afgeworpen. Het gevolg is, dat het aantal bladen in de kroon steeds ongeveer hetzelfde blijft. Daarmede in overeenstemming, men zou haast geneigd zijn te zeggen: dien ten gevolge, blijft een palmenstam steeds even dik; de hoeveelheid water die hij moet geleiden is dezelfde of hij hoog is, of nog jong en laag. Een kiemplant van een palm heeft lange jaren noodig voor haar stam de voor hare soort normale dikte bereikt heeft; vóór dit tijdstip echter groeit zij bijna niet in de lengte, en besteedt al hare krachten voor dezen diktegroei. Zoodra echter hare ontwikkeling zoover gevorderd is, houdt deze groei op en maakt plaats voor een langzame verlenging van den stam, die eerst na geruimen tijd aan de palmen die slanke gedaante geeft, door welke zij aan tropische landschappen een zoo eigenaardig karakter verleenen.

Wij zijn over de beweging van het water in de stammen en takken zeer uitvoerig geweest, en willen dus over den weg, dien het verder volgt, eer het in de cellen van het bladmoes in damp kan overgaan, slechts nog het noodigste aanstippen. Deze weg zijn de vaatbundels der bladstelen en die der bladschijven, welke laatste, gelijk bekend is, den naam van nerven en aderen dragen. Dat dit zoo is, kan gemakkelijk aangetoond worden. Het meest sprekende voorbeeld zijn zuiver witte bloembladen, b. v. van een witbloemige Iris of van een Deutzia. Plaatst men afgesneden bloeiende takken van zulke planten met de doorsnede in een donker gekleurde oplossing van aniline in water, zoo stijgt deze kleurstof met het water in de takken op. Na ongeveer een halven dag beginnen de aderen der bloembladen zich blauw te kleuren en worden daardoor duidelijk zichtbaar, terwijl zij tegelijkertijd blijken de weg te zijn, waarlangs de opgezogene kleurstof, en met deze het water, zich beweegt. Ongelukkig kan men de bloemen in dezen toestand niet lang bewaren, daar de aniline [ 144 ] voor het tusschen de aderen gelegen celweefsel vergiftig is, en dit dus doodt zoodra zij van de aderen uit er in dringt. Dan verwelken de bloemen, en het sierlijke voorwerp gaat weldra geheel te niet.

Bij onze beschouwingen hebben wij tot nu toe steeds nagegaan, wat er met het water in de plant geschiedt, terwijl de verdamping in de bladen ongestoord voortgaat, en aan deze dus voortdurend evenveel water wordt toegevoerd, als zij door verdamping verliezen. Onderzoeken wij thans, wat er zal gebeuren, zoo deze gunstige verhouding tusschen aanvoer en verlies niet bestaat, maar het laatste den eersten overtreft. Iedereen weet dat de plant dan zal beginnen te verwelken, en zoo zij niet bijtijds weer water opnemen kan, eindelijk verdrogen en sterven. Wij willen dit verwelken eenigszins uitvoeriger beschrijven, snijden daartoe een nog groeienden bebladerden tak af en plaatsen dezen in een glas, doch zonder water. Eerst beginnen de jonge blaadjes slap te hangen; hunne buigzaamheid neemt sterk toe, hunne frischheid daarentegen af. Weldra wordt ook de nog groeiende stengeltop fletsch en gaat overhangen, en na eenigen tijd vertoont zich hetzelfde verschijnsel, hoewel in mindere mate, in de oudere bladen. Het oudere stengeldeel is reeds houtig en kan dus door verwelken niet slap worden. Gieten wij nu water in het glas, zoo kan de stengel dit door de wondvlakte opzuigen en de verwelkte deelen hernemen allengs hunne frischheid. De stijfheid der bladen en jonge stengeldeelen is dus het gevolg van het watergehalte; zij is des te grooter, naarmate dit watergehalte zelf grooter is. Belet men de verdamping, door b.v. een glazen klok over den tak te plaatsen, terwijl de wondvlakte ongehinderd water op kan nemen, zoo zullen watergehalte en stijfheid hierdoor nog een tijd lang toenemen.

Een merkwaardig gevolg van dit watergehalte is ook de zoogenoemde weefselspanning. Klooft men een krachtigen groeienden top van een stengel of een bloemsteel overlangs in twee ongeveer gelijke helften, zoo blijven deze niet recht, doch krommen zich, zoodat de opperhuid de holle zijde der kromming inneemt. Klooft men het orgaan op gelijke wijze, in [ 145 ] vier deelen, zoo wordt deze kromming nog duidelijker. Daar nu in een gebogen voorwerp de bolle zijde langer is dan de holle, als nl. beiden vóór de buiging even lang waren, zoo moet dit ook hier het geval zijn: bij het splijten is het mergweefsel in lengte toegenomen, de opperhuid echter ingekrompen. In den ongeschonden stengel waren zij even lang en verkeerden dus in een toestand van spanning, welke spanning de oorzaak van de buiging bij het kloven is. Doet men dezelfde proef met een verwelkt stengeldeel, zoo bespeurt men van dit verschijnsel niets. Legt men den gekloofden stengel in water, zoo ziet men de kromming snel toenemen en niet zelden rolt daarbij elk der vier deelen zich tot een spiraal op. Daarbij blijft de opperhuid aan de holle zijde, het mergweefsel aan de bolle zijde, en de verlenging van het laatste ten gevolge der opzuiging van water is de oorzaak van deze oprolling. Holle bloemsteelen van in water geplaatste bouquetten zuigen dit water in het om de holte gelegen weefsel niet zelden met zoo groote kracht op, dat de neiging tot oprolling den stengel doet splijten en de afzonderlijke strooken zich werkelijk aanmerkelijk krommen. Deze opzuiging van water door het merg is een zoo in het oog loopend verschijnsel, dat het de moeite loont, deze proeven eens te nemen, iets, wat met elken groeienden stengeltop zonder eenige moeite geschieden kan en waarvoor die kruidachtige planten de beste voorwerpen leveren, wier stengels het snelste groeien. De bloemsteelen van de gewone paardebloem, van papavers, tulpen, hyacinten en tallooze andere gewassen kunnen hiertoe aanbevolen worden.

Wil men afgesneden en door verdamping verwelkte takken weer frisch maken, zoo is het in vele gevallen voldoende, ze met het onderste uiteinde in water te plaatsen. Niet zelden is echter dit middel niet toereikend, of duurt de herstelling van den normalen toestand op deze wijze zeer lang. Men kan dan de opzuiging van water door den stengel bespoedigen, door het onderste uiteinde af te snijden, even vóór dat men den tak in het water plaatst. Bij het liggen in de lucht toch is de wondvlakte uitgedroogd, en zijn haar buitenste cellen [ 146 ] gestorven, zoodat in haar het water een zekeren weerstand ondervindt, die in levende weefsels niet in die mate voorhanden is. Door het afsnijden dezer cellen verwijdert men dien weerstand. Hoe langer de afgesneden takken in de lucht gelegen hebben, hoe langer het stuk moet zijn, dat men afsnijdt. Er zijn echter een aantal plantensoorten, bij welke ook deze bewerking niet voldoende is om de bladeren frisch te maken, ja bij welke een bebladerde tak ook dan verwelkt, wanneer men hem terstonk na het afsnijden in water plaatst. Een voorbeeld hiervan levert ons de gewone zonnebloem. Hoe grooter het aantal bladen is, hoe sterker dit verwelken zijn zal; door het afplukken van een gedeelte der bladen kan men het voorkomen. Er is echter een ander zeer eenvoudig middel, dat in deze gevallen bijna altijd tot het gewenschte doel voert. Men moet namelijk weer het onderste deel van den tak afsnijden, doch nu onder water, dus zóó, dat de nieuwe snijvlakte terstond met het water in aanraking komt. Draagt men dan zorg, deze snijvlakte steeds onder water te houden, zoo blijft de tak frisch, of, zoo hij reeds begonnen was te verwelken, herstelt hij zich spoedig weer.

Het is hier de plaats, nog even te spreken over het begieten. Dit heeft, zooals iedereen weet, ten doel, hetzij om het fletsch worden van planten te voorkomen, hetzij om verwelkte planten weer frisch te maken. Wanneer het in den zomer in langen tijd niet geregend heeft, en de grond dus nog slechts weinig water bevat, verwelken tuinplanten in den namiddag niet zelden, zoo zij onder fellen zonneschijn groote hoeveelheden water door verdamping hebben verloren. Vooral in potten wortelende tuinplanten, voor welke dus de aarde, waaruit zij haar water kunnen putten, beperkt is, zijn hieraan onderhevig. Door begieten worden zij echter weer frisch. Het begieten is in tuinen, moestuinen en niet zelden ook in parken, een van de voornaamste werkzaamheden, welke in het belang der planten moeten worden vervuld. Het is geenszins onverschillig, welk water men daartoe gebruikt, en in welken toestand het verkeert. Het beste water is regenwater, dat echter door lang in regenbakken bewaard te worden veel van zijn [ 147 ] goede eigenschappen verliezen kan. Deze goede eigenschappen bestaan voornamelijk in de luchtsoorten, die de regendruppels tijdens hun val uit de lucht opnemen, en van welke de zuurstof voor de ademhaling der wortels van het hoogste belang is. Door het staan in een bedekte ruimte en de aanraking met rottende organische lichamen, b.v. afval van bladeren, waarvan regenbakken niet zelden niet volkomen vrij zijn, verliest het regenwater allengs deze zuurstof. Putwater is eveneens arm aan dit gas en het is daarenboven meestal koud, en werkt dus door deze lagere temperatuur vertragend op alle verrichtingen der wortels, en middellijk dus ook op die in de geheele plant. Vandaar, dat in groote tuinen hoe langer hoe meer de gewoonte ingang begint te vinden, nabij de pomp een grooten steenen of metalen bak te bezitten, die van boven geheel open is, en van tijd tot tijd met water uit de pomp gevuld wordt. Hier blijft het water gedurende geruimen tijd staan, en kan daarbij de temperatuur der lucht aannemen, en zuurstof in zich oplossen. Telkens als een gedeelte van dit water voor het begieten gebruikt is, vult men den bak weer aan, om ook den volgenden dag luchtrijk en warm water te zijner beschikking te hebben. Bij deze zeer nuttige inrichting moet één voorzorg steeds in het oog gehouden worden, n.l. dat men den bak zooveel mogelijk van afval van planten rein houde, en de er in vallende bladen er uit verwijdere. Deze toch zouden door hun rotting het water bederven, en bij het vergaan de zuurstof er aan onttrekken en zelf verbruiken. Om dezelfde reden is water met rottende stoffen voor het begieten steeds af te raden, daar deze steeds zuurstof-onttrekkend werken.