Huygens - Darwin-Marx (1901)/7

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
VI. Darwin – Marx. Bernstein als bestrijder van eene natuur-philosophische leer van Cornélie Huygens

VII.


[ 135 ]
 

VII.

Zich bewust worden, hoe tot dusverre een metalen ruilmiddel—absoluut noodzakelijk in de huidige maatschappij en met de thans bestaande productievormen in zijn circulatie en als waren-equivalent, de cultuur-menschheid omlaag hield met de kracht van een natuurverschijnsel, omdat zij niet kende het wezen zijner bewegingswetten, beteekent dat voor den mensch van heden aanbreekt het historisch oogenblik om dien druk af te wentelen.

Evenals de rassen der barre woeste poolstreken worden omlaag gehouden door de dreigende natuurkrachten, die zijn arbeidsleven knotten, hem beletten voort te brengen, uit te vinden, om te vormen, te scheppen, die derhalve den hartader van heel hun geestesleven verschrompelen en dientengevolge hun bewustzijn binnen den cirkel van het zuiver dierlijke gevangen houden, evenzoo is het de huidige vorm van voortbrengen, nog altijd knechtend de menschheid, welke haar belette den noodwendigen ontwikkelingsstrijd een hoog-menschelijk karakter te geven. Te gaan doorgronden de stuwingswetten van al het voorheen [ 136 ] onbegrepene wil dus zeggen het voortaan ten eigen bate te gaan exploiteeren. Werd tot nu toe nog altijd een deel der menschheid zelve in slavernij geëxploiteerd, eenmaal zullen alleen de natuurkrachten tot dat doel worden gebezigd. De cultuurmenschheid is als een Delila, die de geheimen der haar overmeesterende wetten steeds meer op het spoor komt, derhalve zich altijd opwerkt. De wilde of lagere rassen kennen die geheimen niet, vandaar hun absolute of dierlijke afhankelijkheid.

En niet slechts aangaande de biologische en historische verschijnselen heeft de wetenschap tallooze sluiers opgelicht, ook over het verre verre verleden van onze planeet zelve heeft zij in deze eeuw een nieuw licht geworpen.

Zoeken wij naar de diepere fundamenten van de wetenschappelijke omwenteling in deze eeuw, naar de basis waarop een Darwin zijn theorie kon grondvesten, dan komen wij tot de nieuwere geologie.[1] Meende men vóór Lyell, dat plotselinge on-oorzakelijke revoluties of cataclysmen in den loop van millioenen jaren de gedaante-verwisseling der aard-oppervlakte veroorzaakten, thans weet men, dat door geleidelijke evolutionaire dus oorzakelijke werkingen: door langzame aanslibbing of afslijting en aard-afschuivingen, rotsen zich gingen vormen waar voorheen zeeën zich uitstrekten en omgekeerd, waardoor de groote geologische tijdperken ontstonden. Derhalve geen onoorzakelijke daad van een macht buiten het natuurverband, viermalen plotseling [ 137 ] omverwerpend haar eigen werk, dat werk als het ware telkens overdoende en geheel nieuwe wezens scheppend, zooals Agassiz in het midden van deze eeuw nog uiteenzette, maar een geleidelijke omvorming, even als thans nog voortdurend geschiedt. Dientengevolge vormt de lange keten der wezens op aarde van het laagste organisme tot aan den mensch een onafgebroken reeks, hetgeen aan de paleontologie[2] na Cuvier een geheel nieuw karakter gaf. En die geleidelijke omvorming behoudt, ondanks de vulcanische uitbarstingen, aardbevingen, rots- en aardstortingen, kortom al de nu en dan voorkomende plaatselijke beroeringen, haar streng oorzakelijk of evolutionair karakter, aangezien plaatselijke omwentelingen of revoluties tot het wezen zelf der geleidelijke ontwikkeling behooren.

Evenmin verliest de historie haar evolutionair karakter, al komen er in sommige landen gewelds-uitbarstingen voor. Dit geschiedt alleen daar, waar de reactie te sterk optreedt en den zich losworstelenden krachten al te hooge dammen opwerpt. Eenmaal rijpgeworden, banen dezen zich een doortocht, desnoods over de puinhoopen van het weerstrevende.

Evenals de sterrekundige, kennend de wetten van het zonnestelsel, vermag te berekenen den loop der planeten; evenals de geoloog, na Lyell, in groote algemeene trekken zich der aarde verdere omvorming kan voorstellen, evenzoo kan de socioloog uit de school [ 138 ] van Darwin en Marx zich beelden de algemeene lijnen, welke de menschelijke cultuur in het thans naderend tijdperk zal volgen.

* *
*

Het loochenen door de het burgergezag dienende en huldigende officiëele wetenschap van de wetten beheerschend de ontwikkelingsgang der menschelijke cultuur, belichaamt in wezen een zelfde verschijnsel als het aanvankelijk loochenen van de wetten van het zonnestelsel door de destijds heerschende Kerk. De wetenschap is te allen tijde als zoodanig geloochend door die groepen welke zij onttroonde, en dit verschijnsel zal, zij het ook in andere vormen, zich herhalen krachtens den dialectischen ontwikkelinsgang in natuur en geschiedenis, die slechts uit de worsteling van tegenstrijdige krachten het hoogere doet geboren worden, die postuleert strijd ter volmaking, tegenstand van het ondergaande ter krachtsvorming van het opkomende. Het logge tegenwicht van het lagere is de hefboom van den drang naar het ideaal, prikkelt onophoudelijk tot die goddelijke ontevredenheid met het bestaande, welke de grootsten van het menschengeslacht doorgloeit, symboliseerend het eeuwige vuur van de wereldziel.

De dialectiek der natuur verloochent zich nimmer. In de ontbinding van het oude ligt de wording van het nieuwe. Alles wekt ten leven zijn eigen negatie, datgene wat bestemd is over den oorsprong van zijn wezen te zegevieren.

Zooals Hegel het formuleert: Het einddoel van al [ 139 ] het eindige is zichzelf op te heffen en in zijn tegendoel over te gaan.

De natuur, in haar weergaloozen scheppingsdrang, vermenigvuldigt hare schepselen dermate dat, zoo er geen vernietiging plaats had, een enkele lagere soort die zich ongehinderd kon vermenigvuldigen, volgens Darwin, in vijfentwintig jaren de geheele oppervlakte der aarde zou innemen. Vandaar de felle bestaansstrijd, die de zwakkeren doet ondergaan en slechts enkelen der allersterksten of meest geschikten zegevieren. De natuur schept dus om te vernietigen, vernietigt om te volmaken. En het zijn de nieuw opgekomen krachtige variëteiten die, overwinnend de oudere soorten, den oorsprong zelf van hun bestaan opheffen.

Bij de geologische verschijnselen dezelfde eenheid van wet. Ook bij de vorming en omvorming van de aarde een dialectische ontwikkeling, een aanhoudende worsteling van tegenstrijdige krachten, een beurtelings opklimmen tot het hoogtepunt, waarna een werken aan eigen opheffing, krachtens de wet welke het beginsel van leven in zich sluit.

De kusten en duinen zwichten langzaam maar zeker voor de overmacht der tegen hun voet kokende golven. Maar de aldus ondermijnde en gepulveriseerde bergreuzen verzamelen in de oceanendiepten weer de kracht om op hun beurt het recht van den sterkste uit te oefenen en naar de wolken to stijgen, verdringend het water, dat dientengevolge weer het graniet der rotsen kan teisteren. Derhalve ook hier een onophoudelijk werken aan eigen opheffing.

[ 140 ] En die dialectische ontwikkeling, zich voor ons kenvermogen openbarend in de geologische en biologische verschijnselen, doet zich in nog scherper afgeteekende vormen voor in de wereld van den arbeid en de wereld der gedachte.

"De kapitalistische productie," zegt Marx, "wekt ten leven haar eigen negatie met die noodwendigheid die de natuuromwentelingen kenmerkt."

Met dezelfde noodwendigheid hebben de in vroegere eeuwen bestaande productievormen hun eigen negatie verwekt. Afgezien nu echter van de materieele of feitelijke wentelingen in de productievoorwaarden, zijn het op 't gebied van het ideëele de misbruiken, de machtsovertredingen, die te allen tijde bij de onderdrukten opstand en verzet deden ontstaan. Zoo verwekt thans het kapitalisme en zijn duldelooze tirannie het verzet tegen het loonstelsel, voedt het dag aan dag dien vrijheidsdorst, dien het proletariaat behoeft, om den huidigen wereldstrijd te voeren. Evenzoo zijn het de uitspattingen van gezag en overheersching, en de jammer en ellende der onderdrukten, die door alle eeuwen heen de groote humanitaire stroomingen verwekten. De Christelijke leer met haar anathema's over de woekeraars en Mammon-dienaren en haar evangelie der armen, is niet anders denkbaar dan als reactie op de tirannie van den individueelen eigendom en het genadeloos vertrappen der economisch onmachtigen.

De ethiek, in den vorm waarin ons cultuurleven die deed opbloeien, verschijnt ons in groote trekken als de terugslag op de uitoefening van het recht van den [ 141 ] sterkste. Darwin legt er nadruk op, hoe het moreel instinct of het zedelijk vermogen, in den meest primitieven vorm bij de lagere diersoorten voorkomend, een der elementen vormt van de natuurlijke teeltkeuze, de ontwikkeling der soort ten goede komend. Die aangegeven lijn naar hooger volgend, behooren alle groote wijsgeeren, humanisten, godsdienststichters, reageerend in schoonheid op de wreedheid der eeuwen, als geestelijk sterksten nieuwe gedachtenstroomingen ontwerpend, en de ethische ontwikkeling van de cultuurmenschheid leidend, tot die grootsche natuuropenbaringen, welke in het zoo ingewikkeld geestelijk proces even onmogelijk zijn weg te denken als de wetenschappelijke ontdekkers in de ontwikkeling van het productieproces.

Al deze steeds op elkaar inwerkende geestelijke elementen, voedend en vormend het menschelijk willen en streven, vertegenwoordigen het sublieme wezen van de wereld-eenheid.

De eerste kiem van het zedelijkheidsinstinct openbaart zich reeds bij alle diersoorten, tot wier instandhouding en ontwikkeling het moet medewerken. Het verschil tusschen de moraal van hoogere sociaal levende dieren en de moraal van de cultuurmenschheid is een verschil van graad, niet van hoedanigheid. Daarvoor geldt dus hetzelfde wat Darwin van alle geestelijke vermogens zegt. Een bijenkoningin bijv., die zelve hare dochters doodt, wanneer dit voor het welzijn van de gemeenschap noodzakelijk is; een mier, die bij een dreigend gevaar met ware doodsverachting tot het laatst hare gemeenschapsplichten vervult, reddend wat [ 142 ] nog te redden is; de sterke trekvogels, die hij de groote jaarlijksche emigratie de jongen en zwakken de beste plaatsen in het midden laten om zelven de zwaarste taak te vervullen, zij allen openbaren de elementaire verschijnselen van helzelfde vermogen, dat zoovelen, waar het de mensch geldt, nog steeds boven of buiten het natuurverband willen plaatsen, in hun dualistisch begrijpen meer ontzag voelend voor een levensmooiheid die niet van de natuur zelve zou wezen.

In de thans nagenoeg doorleefde cultuurfaze neemt het zedelijkheidsgevoel vormen aan, in hun verscheidenheid en nuanceering zich passend aan het leven zelf. Vele dier vormen zullen nog lang blijven nawerken, andere uit den aard der zaak sneller verdwijnen. Zoo kan bijv. philantropie niet anders dan afsterven tegelijk met datgene wat haar ten leven wekte: het economisch recht van den sterkste. Philantropie in den vorm van stoffelijke aalmoezen, of in den vorm van geestelijke aalmoezen, als toynbee-werk enz., verliest alle reden en zelfs alle mogelijkheid van bestaan bij het verdwijnen van de economische overmacht, die thans alleen de bezitters in staat stelt het onderwijs en de opvoeding hunner kinderen in overeenstemming te brengen met gaven, aspiraties en aanleg, doch het geestesleven van ongeveer drie vierden van elke samenleving doet verschrompelen. Al deze en dergelijke zedelijke terugwerkingen op een brute geldheerschappij, al dit ethisch reageeren op de ellende van het thans bestaande sterft af tegelijk met zijn oorsprong.

[ 143 ] Evenzoo wordt ondenkbaar het gansche zedelijkheidsstreven gebaseerd op de prostitutie, wanneer het economisch recht van den sterkste zal hebben opgehouden te bestaan. Prostitutie in elken vorm, d.w.z. het verkoopen, het veil hebben voor geld van lichaam of geest, een verschijnsel zoo sterk karakteriseerend den volbloei van het kapitalistisch tijdperk, dat men eenmaal de negentiende eeuw de eeuw van de prostitutie zal kunnen noemen, zij kan niet voortleven wanneer de hartader van haar bestaan: economische overmacht, haar geen prooi meer verschaft.

De zedelijkheidsbonden en zedelijkheidscongressen, met zoo angstvallige zorg spreidend een dicht weefsel van ideologie over de oorzaken van een kwaad, dat elk jaar honderden slachtoffers meer eischt dan het jaar te voren, vertegenwoordigen mede een dier eigenaardige uitingen van de hedendaagsche moraal, op welke het verre nageslacht zal terugzien, zooals wij thans terugzien op dergelijke pogingen van de eerste Christenen in het oude Rome. De moraal-predikers zijn zoo ijverig bezig met de bestrijding der symptomen, dat de zetel der krankheid zelve voor hen onzichtbaar blijft. Derhalve komen, voor elken van bovenaf geredde, tallooze nieuwe slachtoffers in de plaats. Het is als een voortdurend opborrelen van den wereldmodder in alle cultuurlanden door honger en slavernij en demoralisatie gevormd.

* *
*

Droomen van ziel, geboren uit de onbevredigdheid [ 144 ] met het bestaande, bewogen te allen tijde de denkers en hervormers, wier aanleg en individualiteit hen zoo verre verhief boven de massa, en die bestemd waren het ontzaglijke wereldleed om te zetten in liefde en deernis. Maar al mochten—om met Huxley te spreken—"die hooge Alpen der menschheid" reageeren in mooiheid op het hen folterende wee der eeuwen, zij stuwden niet de wereldkrachten, zij gaven niet aan een nieuwe richting aan het gebeurende in het leven van den arbeid. Zij strengelden slechts passiebloemen om het kruishout der menschheid. Wat zij gaven, was en bleef schoonheid, gelijk aan de schoonheid van een kunstwerk. Wat zij gaven, bleef en blijft zweven in de sferen der illusie, zoolang niet uit de menschelijke verhoudingen zelven oprankt een levende wereldschoonheid, zich voedend dag aan dag met aller zijn en wezen, bezielend niet één enkele, maar de duizenden en tienduizenden. De ethiek is niet de wortel der cultuur, maar het bij elke nieuwe historische lente uitbottende groen aan den wereldboom.

Dit te ontkennen, nog altijd terug te blikken naar de een of andere groote figuur uit het verleden, alsof van daar het ons thans koesterende nieuwe wereldlicht uitstraalt, in plaats van het te bewonderen, en te aanbidden als de heilige strijdvlam opstijgend uit de omwenteling zelve waar wij midden in staan, het kenschetst duidelijker dan alles het nawerken van eeuwenoude tradities, zelfs bij hen, die meenen zich reeds aan hun klasse-moraal te hebben ontworsteld.

De ideologie der burgerklasse betracht als natuur[ 145 ] verschijnsel, vormend het noodzakelijk tegenwicht van het ondergaande, ter krachtsvorming van den hoogeren mensch, verklaart, hoe een klasse, eenmaal vervuld hebbende hare historische taak, zich niet meer kan verjongen, doch wijken moet voor den vollen rijpen drang van het nieuw opkomende. Alleen de enkele geestelijke variëteiten uit die klasse gesproten, welke zich te midden van de oude overleveringen en denkvormen niet meer op hun plaats gevoelen, zij kunnen met volle bewustheid gaan aanschouwen het gebeurende, gaan indrinken met diepe teugen den lenteadem van het nieuw ontluikende. Zij die hongerende zijn naar wat het heden niet geeft, kunnen zich verkwikken aan het jonge goud van het morgenrood, hun ooren kunnen beluisteren de duizenden voetstappen, die doen waggelen de oude vermolmde getimmerten, zij mogen gaan samenwerken, samen strijden met de heldhaftige mannen en vrouwen, die, na eerst hun heerschers te hebben opgebeurd tot de bergtoppen des levens, nu zelven daarheen stijgende zijn, om de eerstvolgende geschiedenis van het menschdom te gaan maken.

De historische noodwendigheid, al heeft zij een klasse en hare traditiën ten doode gestempeld, drukt derhalve niet met de loodzware macht van het fatalisme op de individuen dier klasse. Talloozen kunnen zich verjongen. De historie verbrijzelt slecht den vorm waarin vorige generatiën werden geboetseerd, haar scheppingskunst beproevend op nieuwe geslachten, concipieerend het altijd schoonere en fijner bewerktuigde. En die [ 146 ] conceptie kunnen, opgenomen in de rijen der huidige uitverkorenen, helpen verwezenlijken zij, wier aspiraties door de oude burgerlijke idealen niet meer worden bevredigd, die de zintuigen kregen om te zien het afzichtelijk spooksel van honger en ellende en prostitutie en roofzucht en oorlog, dat de oude, met blindheid geslagen kapitalistische wereld als een walgelijk trophee van haar heerschappij achter zich aan sleept.

In dien opstand van het gansche zijn en wezen, wordt het bewustzijn in den letterlijken zin des woords gerevolutioneerd, verbreekt men alle boeien, zelfs de zoo oppermachtige klasse-boeien en wordt men ontvankelijk voor de beteekenis van een wetenschap, die bij de vertegenwoordigers der bourgeoisie slechts een spotlach verwekt.

En dit verschijnsel, wel verre van de strijders voor hoogere wereldvormen te ontmoedigen, vormt hun kracht, want zij zien daarin een telkens vernieuwd bewijs van de juistheid hunner evolutionaire grondstellingen. En tevens ligt in dit verschil van klasse-bewustzijn, zoo scherp en duidelijk afteekenend het willen en streven der antagonistische groepen, iets wat voor den begrijpende eenigermate wegdoezelt de rauwheid der huidige wereldwonden, dat terugdringt opwellingen van vertwijfeling over een cultuurmenschheid, nog altijd roovend en moordend in naam van Christendom en beschaving, waarbij het klasse-gezag in elk land, blind voor de eigen gepleegde gruwelen, zich verbaast over de verregaande verdorvenheid der andere landen. Alleen dàn wordt er door de elkaar beurtelings ver[ 147 ] achtende gezagslichamen een broederbond gesloten, wanneer er met gezamenlijke krachten een buitengewoon groote buit te veroveren en te verdeelen valt.

Even als door een latere samenleving voor den misdadiger of anti-sociale individu of den abnormaal aangelegde, geen verfijnde straf meer zal worden uitgedacht, maar een behandeling of verpleging, die hem zelf en de gemeenschap ten goede komt, evenzoo zal eenmaal een, krachtens haar natuurbegrip, geestelijk fijner bewerktuigde menschheid, terugblikkend naar het heden, vrijspreken van gewilde bewuste wreedheid de klasse-misdadigers van thans: de kapitalist die al zijn voorrechten geniet ten koste van zijn loonslaven, die in zijn industrieele moordholen lichamelijk en zedelijk vermoordt den man, de vrouw en zelfs het kind; de gewetenlooze beursspeculant, die elk middel om zich te verrijken aangrijpt, mits het hem niet met de justitie in aanraking brengt; de politieke of koloniale zwendelaar, die zijn millioenen dankt aan de exploitatie van weerlooze lagere rassen of een gansch volk laat uitmoorden om zijn eigen brandkast te vullen, de officieele kansel-moralist, die in de verschillende kapitalistische staten, onbewogen, week na week voortgaat de Christelijke beschaving en eigen landsgezag te verheerlijken, die derhalve misbruikt èn zijn invloed op de onontwikkelde massa, èn de moraal zelve, om de onderdrukten en vertrapten nog meer te blinddoeken.

De overtuiging dat al deze en dergelijke daden, beoordeeld volgens den maatstaf van een hoogere bewustheid, eenmaal vrijspraak zullen erlangen, vormt [ 148 ] een der elementen van hoop en vertrouwen op de toekomst, en vormt tevens het wezen van den huidigen strijd, die niet is een strijd tegen vaak niet beter wetende individuen, maar tegen een economisch stelsel, dat die individuen noodwendig omlaag houdt, hen dwingt zichzelven, hun geest, hun woord en de moraal te prostitueeren of hun ontneemt zelfs het vermogen om te begrijpen wat zij doen, en waar de evolutie thans heenwijst.

"Wjj bestrijden," schreef de grijze veteraan der Duitsche beweging nog kort voor zijn heengaan, "wij bestrijden de bourgeoisie en het kapitalisme, maar wij houden in eere wat de bourgeoisie en het kapitalisme voor den vooruitgang hebben gedaan. Wij achten de kunst, de wetenschap, de zeden en gebruiken van een dalend tijdperk, ook al komen zij niet meer overeen met onze inzichten.... uit piëteit voor de historische ontwikkeling."

Piëteit voor de historische ontwikkeling inderdaad, piëteit voor de gedenkpalen, die de groote wereldgebeurtenissen afteekenen en die ook eenmaal zullen afsluiten het tijdperk, dat Marx noemde de "vóórgeschiedenis der menschelijke samenlevingen."

Gedrenkt tot in alle poriën met die piëteit voor het verleden, waarin de bourgeoisie hare groote onafwendbare taak had te volbrengen, zal het proletariaat, eenmaal krachtig genoeg geworden om zijn roeping te vervullen, geen wraak nemen, zooals de bourgeoisie een eeuw geleden deed, maar begrijpend het gebeurende, den ontwikkelingsstrijd vrij maken van bestaansnooden [ 149 ] en dien opheffen tot de sferen van het intellect; aldus voor de eerste maal in volle bewustheid verwezenlijkend de wording van een hoogere menschsoort met eerbiediging van het ondergaande.

Want elk klaarder weten en begrijpen beteekent een toenemenden eerbied tegenover het leven tegenover alles wat is, ook tegenover de tragedie van het mensch-zijn.

Die tragedie te zien in verleden, heden en toekomst bij het licht, dat Darwin en Marx, dank zij de voorgeslachten, dank zij hun tallooze voorgangers en wegbereiders, er over wierpen; zich voor te spiegelen, bij den onmetelijken tijdsafstand door den grooten natuurvorscher verkend, welke hoogten nog door het menschdom kunnen worden bestegen, het geeft den strijders van heden die ontembare geestkracht, die door den geboden tegenstand slechts verdubbeld wordt.

Daar tegenover is het de moreel al dieper en dieper zinkende kapitalistische wereld, in de kindschheid van ouderdom en verval geen waarheid en geen waarachtige schoonheid meer kunnende onderscheiden, voerend hare laatste behoudsworstelingen met de wreede wapenen der ontoerekenbaarheid, die vormt den donkeren achtergrond, eenmaal bestemd in het eindeloos perspectief der tijden des te heerlijker te tinten de glorie van den nieuwen historischen dageraad.

16 December 1900.

 

 
  1. Geologie: leer van de vorming der aard-oppervlakte.
  2. Paleontologie: leer der versteeningen.