Noorsche Volksvertellingen/Bertha Tuppenhaug's vertellingen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De vertellingen van den doodgraver Noorsche Volksvertellingen van Peter Christen Asbjørnsen

Bertha Tuppenhaug's vertellingen

Een avond in de keuken van den landheer


[ 84 ]
 

BERTHA TUPPENHAUG'S VERTELLINGEN.

 

 

Reintje was uit zijn hol gejaagd en geschoten; wij dronken bier ter eere van den doode bij den schout en sloten 't rouwmaal met een' vroolijken dans.

Met 't oog op den vermoeienden dag, welken wij achter den rug hadden, den roem, dien wij hadden ingeoogst, en, wat mij betreft, de drie kwartier, welke ik had af te leggen, namen wij kort na elven afscheid. De schout bood aan mij zijn paard te leenen. 'k Was erkentelijk voor deze heuschheid, maar wijl de rijweg dubbel zoo lang was, verkoos ik te gaan, zooals ik was gekomen, langs den kortsten weg en op sneeuwschoenen. Met den vossehuid en 't geweer over den schouder en den staf in de hand, reed ik heen. De weg was uitmuntend: den heelen dag had de zon geschenen en de koude van den avond had de sneeuw met eene harde korst bedekt; de maan stond klaar aan den hemel en de sterren tintelden. Wat kon ik meer verlangen? Vlug gleed ik heen over de heuvels en vlakten en tusschen de ranke berken door, wier kronen als zilveren koepels in de lucht schenen te zweven en waarin de uilen in den stillen nacht [ 85 ] akelige histories zaten te vertellen. De haas klaagde over de koude en 't vervelend gebeuzel der uilen; de vos was op liefdesavonturen uit, zocht zijne medeminnaars 't veld te doen ruimen en stiet een hoonend geschreeuw uit.

Een tijdlang moest ik mij dicht aan den grooten weg houden; hier kwam een man, in een wambuis van berevel gekleed, in zijne slede mij achterop rijden. Toen hij uit mijn geweer en mijn' buit bespeurde, dat ik jager was, knoopte hij een gesprek met mij aan en zeide, dat wanneer ik naar den oever der rivier wilde gaan, ik daar eene kudde wolven zou ontmoeten; toen hij de heuvels bij de baai had bestegen, had hij ze de ijsvlakte zien naderen. Ik dankte hem voor zijne mededeeling en beklom een' heuvel. Van hier strekte zich een dennenboschje naar den stroom uit, zoodat het vrije uitzicht werd belet. De wolven zag ik niet. Wellicht waren ze echter aan genen kant van het boschje, en suizend ging het weer voort in de schaduw van het dennenhout, terwijl de elzenstruiken, waartusschen ik door schoot, mij om de ooren klapperden. Maar in mijne pijlsnelle vaart was 't onmogelijk de voorwerpen te onderscheiden; eer ik 't wist, vloog ik tegen een' struik aan; een mijner sneeuwschoenen brak, en daar lag ik met 't hoofd half onder de sneeuw bedolven. Toen ik trachtte op te staan, voelde ik zulk eene pijn in den eenen voet, dat ik dien nauwelijks kon gebruiken; ik moest eene poos op de knieën rondkruipen en vond zoo eindelijk mijn geweer terug met den loop vol sneeuw. Pas had ik mij aan den oever der rivier in hinderlaag gelegd, of eene kudde wolven kwam langzaam nader; daar waren er in 't geheel vijf. Ik wachtte ze met jagersongeduld af, en toen ze tachtig schreden van mij verwijderd waren, legde ik aan. 't Eerste schot weigerde; bij 't tweede [ 86 ] gaf ik vuur; maar de kogels troffen de dennetoppen aan den overkant der rivier, en de wolven kozen in allerijl het hazenpad.

Vol ergernis stond ik op; de pijn in den voet was nog heviger dan straks en, leunende op mijn geweer, sleepte ik mij een eindweegs op de bevrozen rivier voort om te zien, waar ik eigenlijk was. Tot mijne blijdschap steeg eene rookzuil boven de boomtoppen aan den overkant op; nu wist ik waar ik mij bevond: nabij Tuppenhaug, eene hoeve niet ver van mijne woonplaats. Met veel moeite klauterde ik den steilen, meer dan tweehonderd schreden hoogen heuvel op, maar smaakte toen ook de voldoening het schijnsel van een vroolijk vuur door 't venster der hoeve te zien schitteren. Ik hinkte naar de deur, lichtte de klink op en trad binnen, zoo wit als een molenaar.

»In 's Hemels naam, wie is daar?" riep de oude Bertha, terwijl zij van schrik een gepekeld stuk vleesch liet vallen, dat zij bezig was te snijden.

»Goeden avond; schrik maar niet, gij kent mij toch, Bertha?" zeide ik.

»Hé, is mijnheer de student nog zoo laat buiten; ik schrok werkelijk van u; ge zijt wit van de sneeuw en 't is middernacht," antwoordde Bertha, terwijl zij op stond. Ik vertelde 't ongeval, dat mij was overkomen, en verzocht haar een' der jongens te wekken en dien naar mijn huis te zenden om een paard en eene slede.

»Ja, 't komt wel uit, wat ik altijd zeg: de grauwpooten nemen wraak," mompelde zij bij zich zelven.

»Ze wilden 't niet gelooven, toen ze verleden jaar jacht op hen maakten en Per zijn been brak; nu kan men alweer zien, dat ze zich wreken."

»Ja, zie-je," zei ze, terwijl ze naar de bedstede liep, [ 87 ] waar de familie in koor lag te snorken, »ze hebben den heelen dag voor Nordigaard hout bij de rivier vandaan gehaald. Kleine Ola, sta op en haal een paard voor mijnheer den student! Sta dan op, Ola!"

»Hè..." zeide Ola met een akelig neusgeluid, terwijl hij zich bewoog. De slaap was hem echter een al te groot genot, dan dat hij zich zoo gemakkelijk daarvan liet aftrekken, en er verliep eene eeuwigheid, die hij besteedde met de oogen uit te wrijven, te geeuwen en te gapen, en allerlei zotte vragen te doen, eer hij zich uit den saamgeraapten hoop dekens en vellen in de bedsteê losgewikkeld, buis en broek aangeschoten had en recht begreep, wat hij nu eigenlijk moest doen. De belofte van een' drinkpenning scheen intusschen zijn begrip wat te doen opklaren en verjoeg zelfs alle vrees voor den berk, waarin Ole Askerudsbraaten zich had opgehangen en dien hij voorbij moest. Onder de overleggingen tusschen den witharigen Ola en de oude Bertha had ik gelegenheid den inventaris van 't vertrek op te nemen, die bestond uit een weefgetouw, een spinrokken, stoelen met houten ruggen, bezemstokken, melkemmers en half afgemaakte bijlstelen, eenige kippen op den balk achter de deur, een oud musket aan den zolder, latten, die zuchtten onder een' last van dampende kousen en duizend andere dingen, met wier opsomming ik den lezer niet zal vervelen.

Toen de knaap eindelijk vertrokken was, zette Bertha zich bij den haard neder. Zij was in feestdos, dat wil zeggen, in de gewone dracht der oude vrouwen uit hare geboortestreek Hadeland, vanwaar zij naar Romerike was verhuisd: een blauw jak met geweven band omboord, een zwart schort met plooien en eene huif met strikken, die van achteren over den nek hing. Glinsterende oogen, die onophoudelijk in beweging waren, en eenigszins [ 88 ] scheef in 't hoofd stonden, uitstekende jukbeenderen, een breede neus en eene bruine kleur gaven Bertha's gelaat eene vreemde, oostersche uitdrukking; men kon haar niet zien, zonder aan eene tooverheks te denken, en dat was zij ook: zij was de vermaardste tooveres uit den omtrek.

Ik gaf mijne verwondering te kennen, dat zij nog op was en vroeg, of zij nog vreemden wachtte, daar zij zoo sierlijk was uitgedost.

»Neen, dat nu wel niet," antwoordde zij, »maar mijnheer de student moet weten, dat ik naar 't kerspel van Ullen ben geweest, om eene vrouw te belezen, die de tering heeft; en daarna ben ik gehaald bij een knaapje, dat aan de engelsche ziekte lijdt; toen moest ik nog lood boven 't hoofd van 't kind smelten, en zoo was ik pas tehuis gekomen, schoon men mij met de slede tot aan het posthuis had gebracht."

»Maar, Bertha," zeide ik zoo ernstig mogelijk, »zoudt ge dan ook niets kunnen doen tegen de pijn in mijn' voet?"

»Och ja, daar weet ik wel raad voor; Siri Nordigaards been werd ook niet gezond, eer ik er bijkwam, schoon de dokter zoowel als vrouw Nedigaard er aan hadden gekunsteld," antwoordde ze met een' minachtenden trek om den mond, »en wanneer mijnheer de student er aan gelooft," voer ze voort, terwijl ze een' twijfelenden blik op mij sloeg, »dan kan 't niet schaden een glas brandewijn te belezen en 't vocht op den voet te gieten."

»Welnu doe dat, 't zal stellig helpen," zeide ik, in de hoop wellicht in een of ander geheim der heksen te worden ingewijd. Bertha haalde een klein fleschje en een glas op drie pootjes uit eene beschilderde kist, vulde 't glas met brandewijn, zette het op den haard, knoopte [ 89 ] den sneenwsok los en hielp mij den schoen uittrekken. Nu sloeg zij eenige malen een kruis over den brandewijn en begon tooverspreuken op te zeggen; zij meende ze te fluisteren, maar daar zij tamelijk doof was, kon ik 't gansche formulier van woord tot woord verstaan; zóó luidde het:

Ik wilde eens spoedig aan d' overkant zijn:
Daar hinkte mijn zwarte veulen van pijn;
Toen gaf ik vleesch voor vleesch en bloed voor bloed,
En spoedig liep mijn beest weer goed.

Nu ging hare stem over in een onverstaanbaar gemompel. Aan 't slot der tooverspreuk kwam een herhaald: »Verdwijn, verdwijn," dat uitgezonden werd naar de vier hoeken der wereld.

In 't vuur der bezwering was zij opgesprongen; nu zette zij zich op nieuw aan den rand van den haard neder. Het koude vocht, dat verdampte, naarmate zij 't over mijn' brandenden, opgezwollen voet uitgoot, bracht eene aangename verkoeling te weeg.

»'t Schijnt reeds te helpen, Bertha," zeide ik; »maar zeg mij eens, welke woorden hebt gij toch over den brandewijn uitgesproken?"

»Ik zal wel oppassen, dat ik dit niet vertel;—dan zoudt gij me wellicht verklagen bij den predikant of den dokter," zei ze met een' grijnslach, die moest beteekenen dat zij om den een zooveel gaf als om den ander; »en die mij de kunst leerde," vervolgde zij, » moest ik beloven 't geheim aan geen enkel christenmensch te openbaren, behalve aan mijn eigen vleesch en bloed; en daarop heb ik zoo duur gezworen, dat God mij moge bewaren voor 't schenden van dien eed."

»Dan zal 't mij niet baten, indien ik er naar vraag, [ 90 ] Bertha," zeide ik, »maar vertel mij toch eens: hebt gij die kunst van een' mensch geleerd of van een' geest?"

»Neen, van een' mensch; van een' oom van mij, Mads, in 't Hurdal," antwoordde zij. »Hij kende allerlei tooverspreuken en wist raad voor jicht en andere pijnen; hij kon bloed stelpen en lood koken—ja, 'k geloof zelfs, dat hij iemand kon beheksen en betooveren. Van hem heb ik alles geleerd. Maar hoe knap hij ook was, zich zelven kon hij toch niet voor hekserij behoeden."

»Hoe zoo? Werd hij dan zelf behekst; kostte 't hem misschien 't leven?" vroeg ik.

»Neen, zoover kwam 't niet," antwoordde Bertha. »Maar toch sedert was hij nooit recht in orde; lange jaren was hij »huldrin."[1] Mijnheer de student zal wel denken, dat 't niet waar is," zei ze met een' vorschenden blik, »maar 't was mijn moeders broeder, en men heeft mij gezegd, dat hij 't meer dan honderdmaal heeft verteld en zelfs bezworen.

»Oom Mads woonde op Knae in 't Hurdal. Vaak was hij in 't gebergte om boomen te vellen en hout te hakken, en wanneer hij daar was, placht hij er ook des nachts te blijven; hij bouwde dan eene hut en maakte daarin eene legersteê. Eens bevond hij zich met twee anderen in het woud; juist toen hij een' zwaren boom had geveld en een ommezien zat uit te rusten, kwam een kluwen garen langs de helling vlak voor zijne voeten rollen. Hij begreep er niets van en dorst het kluwen niet opnemen; had hij 't ook later maar niet gedaan, dan ware 't beter voor hem afgeloopen! Intusschen keek hij toch op, want hij wilde weten, waar 't vandaan [ 91 ] kwam. En ja wel, hooger op den berg zat eene jonkvrouw te naaien; zij was zoo schoon en zag er zoo vriendelijk uit, dat hij de oogen niet van haar kon afwenden.

»Neem het kluwen op," zei ze. Hij deed het en bleef als geboeid aan de plek, waar hij stond en werd niet moede haar aan te staren, zoo lief zag zij er uit. Eindelijk moest hij toch den bijl weer opnemen en zijn' arbeid voortzetten; toen hij een oogenblik bezig was geweest en weer opkeek, was zij verdwenen. Den heelen dag kwam zij hem niet uit de gedachte; hij wist niet, wat hij er van denken moest, maar vergeten kon hij haar niet. 's Avonds gingen zijne makkers naar bed; hij volgde hun voorbeeld en legde zich tusschen hen in; maar eer nog de middernacht kwam, verscheen de jonkvrouw en gelastte hem haar te volgen, of hij wilde of niet. Zij voerde hem binnen in den berg, en daar was alles zoo fraai, als hij nog nooit iets had gezien; hij kon zich niet verzadigen aan alle pracht en weelde. Drie etmalen bleef hij bij haar. Toen de morgen van den vierden dag aanbrak, ontwaakte hij, en daar lag hij weer tusschen zijne makkers. Dezen meenden, dat hij om proviand uit was geweest, en hij sprak hun niet tegen. Maar sinds was 't nooit richtig met hem; pas zat hij of hij maakte allerlei vreemde sprongen en vloog heen; hij was »huldrin," dat was hij.

»Eene heele poos later was hij in 't veld bezig met hout te kloven. Juist had hij de wig in een' boomstam gedreven, zoodat deze overlangs was gespleten, toen zijne vrouw hem 't middagmaal kwam brengen;—zoo dacht hij ten minste. 't Was roompap; zoo vet, als hij ze nooit had gegeten, en in eene pan, die blonk, of ze van louter zilver was. De vrouw gaat op den boomstam zitten; en hij legt den bijl weg en zet zich op [ 92 ] een houtblok dicht bij haar. Daar bespeurt hij op eens eene koestaart in de spleet van den stam. Ge begrijpt, dat hij nu de spijs niet aanraakte; ongemerkt wrong hij de wig uit het hout, de spleet sloot zich toe, en vast zat de staart. Daarop schreef hij den naam Jezus op de pan, en nu moest de Hulder—want dat was ze—weg: zij vloog op, met zooveel kracht, dat de staart dwars afbrak en in den stam bleef zitten. Weg was zij; waar ze gebleven was, wist hij niet. Pan en spijs waren niets dan een stuk boomschors, gevuld met koemest. Sedert durfde hij bijna nimmer het bosch in gaan, uit vrees dat zij zich zou wreken.

»Maar vier of vijf jaren later was er een paard van hem verdwenen, en nu moest hij 't toch gaan zoeken. Pas was hij 't bosch in, of hij bevond zich op eens in eene hut; hoe hij er kwam, dat begreep hij zelf niet. Een leelijk wijf liep heen en weer, en in een' hoek zat een kleine jongen, die een jaar of vijf oud scheen; 't wijf nam de bierkan en gaf haar den knaap. »Ga vader een teug bier brengen," zei ze. Vol schrik ging deze op de vlucht, en sedert heeft hij nimmer iets gezien of gehoord, van haar noch den knaap; maar vreemd en zonderling bleef hij altijd."

»Hij was zeker niet wel bij 't hoofd, Bertha, die Mads Knae," zeide ik, »en een echte duivelbanner kan hij, dunkt mij, niet zijn geweest; dan had hij zich beter kunnen verweren. Maar voor 't overige is die historie met 't kluwen garen heel vreemd." Dat meende Bertha ook, maar aan de echtheid van Mads tooverkunsten kon toch onmogelijk getwijfeld worden. Terwijl wij hier over nog praatten, verzocht ik Bertha mijne weitasch te brengen, en nadat ik eene pijp had gestopt, reikte zij me een brandend stuk hout en begon eene nieuwe vertelling: [ 93 ] »Lang, heel lang geleden—'t was in den zomer — had de eigenaar der hoeve Melbustad in Hadeland zijn volk met 't vee naar den saeter gezonden. Nog slechts korten tijd was men er, of 't vee begon zoo onrustig te worden, dat niemand 't langer kon regeeren. De eene meid na de andere werd er mee uitgezonden, maar geen van haar wou 't gehoorzamen. Eindelijk kwam de beurt aan een meisje, dat onlangs haar verlovingsfeest had gevierd. Nu kwam op eens de kudde tot rust, en 't kostte haar volstrekt geen moeite het vee te hoeden. Men liet haar alleen op den saeter achter; geen ander levend wezen had ze bij zich dan den hond. Terwijl ze op zekeren namiddag in de hut zat, verbeeldde zij zich, dat haar liefste binnentrad, naast haar ging zitten en zeide, dat ze nu bruiloft moesten houden. Maar zij antwoordde niets, want zij werd zoo wonderlijk te moede! Langzamerhand kwamen er eene menigte menschen binnen; zilveren borden en schotels met spijzen gevuld werden op de tafel gezet, en bruidsmeisjes droegen eene kroon en allerlei sieraden en een prachtig bruidskleed. Zij trokken 't haar aan en zetten haar de bruidskroon op 't hoofd en staken ringen aan hare vingers. En geen van allen kwam haar onbekend voor; 't leken allen vrouwen en meisjes, die op de hoeve dienden. Maar de hond begreep wel, dat de zaken niet zuiver stonden. Hij liep, zoo snel hij kon, naar Melbustad en blafte en jankte en huilde en hield niet op, eer de meeste bewoners hem volgden.

De jongeling, die naar de deerne vrijde, nam zijn geweer en snelde naar den saeter; toen hij daar aan kwam, stond het heele erf vol gezadelde paarden.

Hij sloop weg, gluurde door eene reet van de deur en zag den ganschen stoet daar binnen. Dadelijk [ 94 ] begreep hij, dat alles tooverij en 't werk van de aardgeesten was; daarom schoot hij zijn geweer af over het dak. Op 't zelfde oogenblik vloog de deur open, en 't eene kluwen garen na 't andere rolde naar buiten en wikkelde zich om zijne voeten. Zoo werd hij de hut ingetrokken, en daar zag hij zijne liefste zitten, in volle bruidsstaatsie; alleen een kleine ring aan de pink ontbrak nog aan haar' tooi.

»In Jezus' naam, wat is hier te doen?" vroeg hij, terwijl hij rondkeek. Oogenblikkelijk waren al de heerlijke spijzen veranderd in mos en paddestoelen, in koemest en padden en krekels en meer van dien aard; alleen 't zilverwerk stond nog op de tafel.

»Wat beteekent dat alles?" zeide hij, »ge zit opgeschikt als eene bruid?"

»Hoe kunt ge dat vragen?" antwoordde 't meisje, »gij hebt hier den heelen namiddag gezeten en over niets anders gesproken, dan over bruiloft houden."

»Neen, nu eerst kom ik; maar 't zal iemand zijn geweest, die mijne gedaante heeft aangenomen," hernam de jongeling.

Langzamerhand begon nu ook 't meisje tot zichzelve te komen; maar 't duurde lang eer zij weer volkomen bij haar zinnen was. Toen vertelde zij, hoe ze duidelijk had meenen te zien, dat haar minnaar en al 't volk van Melbustad en al de buren op den saeter waren geweest. De jongeling nam haar dadelijk mede naar 't dorp, en opdat geen nieuwe betoovering haar zoude overvallen, hielden zij dienzelfden avond nog bruiloft. De bruid droeg de kroon en de sieraden, die de aardgeesten haar hadden geschonken, en later hing men alles op in de hoeve. Daar moet men 't nog kunnen zien tot op den dag van heden."

[ 95 ] »Wat gij daar verteld hebt, moet in Valders zijn gebeurd, Bertha," merkte ik op.

»Neen, in Hadeland is 't geschied, juist zooals ik verteld heb," zeide zij; »maar toen ik nog te huis was, hoorde ik iemand uit Valders eene historie verhalen, die daar gebeurd moet wezen en die er sterk op gelijkt. Luister maar.

»Daar diende op eene hoeve ergens in Valders een meisje, dat Barbara heette; zij lag 's zomers op den saeter.

»Op zekeren dag vernam zij eene stem, die uit den heuvel scheen te komen:

»Koning Haakon, koning Haakon!"

»Ja," schreeuwde koning Haakon, dat 't langs alle heuvelen weergalmde.

»Koning Haakon, mijn zoon, wilt gij trouwen?" klonk 't op nieuw.

»Ja, dat wil ik wel," antwoordde koning Haakon, »als ik Barbara kan krijgen, die op gindschen saeter is, anders —

»O, dat kunt gij wel," hoorde Barbara zeggen, en zij ontstelde er zoo van, dat zij niet wist, wat zij deed.

»Op eens trad er nu eene groote schaar den saeter binnen, met spijzen en dranken en zilveren vaten en kroezen, met kleederen en sieraden, met eene bruidskroon en zilveren gespen. De tafels werden gedekt en de bruid gekleed, en deze was buiten staat zich ergens tegen te verzetten.

»Dit meisje had ook een' minnaar; hij was op de jacht. Maar plotseling werd hij door een hevigen angst overvallen, die hem naar den saeter dreef. Toen hij dezen naderde, stond het erf vol zwarte paarden met ouderwetsche zadels en teugels, zoodat hij onmiddellijk begreep, wat er aan de hand was. Hij tuurde door eene reet en zag den heelen bruidsstoet: koning Haakon was [ 96 ] de bruidegom, en de bruid zat fraai uitgedost aan zijne zijde.

»Ja, nu is er niets meer te doen, dan haar de oogen uit te steken," zeide een der bruidsmeisjes.

»Dan wordt het tijd," dacht de jongeling, »dat ik tusschen beiden kom." Hij nam een’ zilveren knoop, een erfstuk, laadde daarmee zijn geweer en mikte op koning Haakon, die getroffen nederstortte.

»Onmiddelijk toog de gansche stoet op de vlucht; de koning werd opgenomen en meegevoerd, en de spijzen veranderden in spinnen, wormen en padden, die van de tafel sprongen en in allerlei hoeken en gaten weg kropen. Niets bleef er over dan de bruidssieraden en een zilveren schotel; tot op den huidigen dag moeten ze op de hoeve te zien zijn."

Nog vele andere histories vertelde Bertha. Eindelijk hoorde ik de sneeuw kraken onder de slede en ’t paard hinneken voor de deur. Ik stopte Bertha eenige schellingen in de hand voor hare verpleging, en binnen een kwartier was ik tehuis. Omslagen met azijn en frisch water deden den voet weldra genezen; maar toen Bertha eens in de keuken verscheen en, pochend op hare kunst, zich de eer mijner spoedige genezing wilde toeëigenen, konden de jongens zich niet langer bedwingen; zij schreeuwden haar de tooververzen in ’t oor, die ik hun had geleerd, en vroegen spottend of eene teug brandewijn en eenige onzinnige woorden een geneesmiddel waren tegen kneuzingen. Dit maakte haar wantrouwend; schoon ze mij ook na dien tijd nog veel zonderlinge histories verhaalde, is ’t mij, ondanks alle list en overreding, nimmer gelukt een tipje van den sluier op te lichten, waarmede zij de geheimen harer tooverkunst bedekt hield.



  1. Een lichte graad van waanzin, toegeschreven aan den invloed der Huldren. Vert.