Huygens - Darwin-Marx (1901)/1

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vooraf / Inhoud Darwin – Marx. Bernstein als bestrijder van eene natuur-philosophische leer van Cornélie Huygens

I.

II.


[ 11 ]
 
 I.
 
"Neen, voor ons kan het slechts wezen
voorwaarts! En zoolang ons denken geen
nieuwe banen heeft geopend, roepen wij:
voorwaarts op den weg ons door Marx en
Engels gewezen. Voor afzienbaren tijd schijnt
mij een theoretische vooruitgang slechts mo-
gelijk door grootere specialiseering van het
onderzoek, door aanvulling van de onafge-
werkte deelen der theorie, door verfijning
der eenmaal gegeven methode. Kautsky.

Nog[1] steeds schijnt het noodzakelijk te betoogen, dat wat Marx en Engels der wereld voorlegden, niet is een dogma, een afgerond stelsel, maar inderdaad een denk- en onderzoekmethode—een methode, welker toepassing op de tallooze verschijnselen in geschiedenis en maatschappij eigenlijk pas een aanvang heeft genomen.

En juist deze noodzakelijkheid bewijst de nog tallooze tekortkomingen van begrip, zelfs bij geestverwanten, ten opzichte van de Marxistische theorie. Niets schijnt zoo moeilijk als tot haar eigenlijk wezen door te dringen, niets zóó gemakkelijk als zich een parodie, een karikatuur van haar te vormen. Vandaar dan ook dat haar geheel en al te doorgronden, n.l. als methode, beteekent haar aan te hangen, omdat juist zij, wel verre van [ 12 ] onwrikbare stellingen op te dringen, opent eindelooze ruimten voor zelfstandig onderzoek en schier onpeilbare denkensdiepten.

Al hare tot de arbeidersbeweging behoorende bestrijders, d.w.z. zij die haar wel "min of meer" aanhangen, doch haar als theorie wenschen te "verbreeden", te "verbeteren", te "zuiveren" van "dogma's", strijden niet tegen de theorie, maar tegen eigen denkbeeldenverwarring, eigen onzuiverheid van visie. Evenals de primitief geloovige zich beeldt een opperwezen van eigen hersenmaaksel, zoo beeldt de Marxisme-zuiveraar zich de theorie naar eigen begrensd voorstellingsvermogen; zoo dit hersenbeeld er dan wat vreemd en gedrochtelijk uitziet, ligt dit niet aan de theorie, maar aan den beeldenaar zelf.

Men verwondere zich dan ook niet over het verregaand onwetenschappelijke, het evolutie-begrip in het aangezicht slaande pogen van een "willen teruggaan" tot Kant of welken grooten denker ook uit het verleden, die met zijn geestesgewrocht de ideeënstroomingen uit een vorig tijdperk verbond en aanvulde.

Wie aandachtig volgde de klare, glasheldere polemiek van Kautsky tegen Bernstein en de verslagen van het congres te Hannover—en daartegenover de verwarde en meer en meer in het zand verloopende replieken van den "Marx-zuiveraar", kreeg den sterken indruk, dat bij den laatste alle natuurbegrip ontbrak, dat dus inderdaad grootere specialiseering van onderzoek werd gevorderd, juist naar eene zijde der theorie, die door Marx en Engels wel werd naar voren gehaald en gedeeltelijk [ 13 ] uitgewerkt, maar—wijl het zwaartepunt van hun levenstaak elders lag—geenszins in die mate als noodig is, om geesten, die nog halverwege in de webben van oude metaphysische denkvormen verward bleven, een vasten bodem te bieden.

De bespiegelende wijsbegeerte, voorheen de eenige oase voor de intellektueelen, de verfijnden, die aan edeler zielevoedsel dan de grof naïeve kerkelijke dogma's behoefte hadden, behoudt voor velen nog haar vroegeren luister. En dat reuzengeesten als een Kant en een Hegel in het laatste groote tijdsverloop haar vertegenwoordigden, voorspelt met bijna wiskunstige zekerheid, dat zij nog voor langen tijd haar plaats in het ideeënleven zal innemen. De natuur heeft niet de gewoonte den gang harer verschijnselen, op welk gebied zij zich ook openbaren, met abruptheid af te breken. Slechts een zeer geleidelijk, nauw merkbaar ontaarden en verzwakken kan de speculatieve wijsbegeerte—indien zij bestemd is te verdwijnen—langzaam doen afsterven. Wel is waar, is na Hegel geen bespiegelend wijsgeer van ook maar de geringste beteekenis meer opgestaan, maar de duur van een driekwart eeuw geeft ons toch nog geen recht te meenen, dat na hem die tak van denken voorgoed zou verschrompelen.

Wat hiervan ook wezen moge, nog zijn het hare grootmeesters van voorheen, die op de minder sterk geëquilibreerde hoofden in de socialistische beweging een overwegenden invloed oefenen, in de eerste plaats op Bernstein zelf, die, evenals een aan Engelsche ziekte lijdend kind, dat ijzeren beugels behoeft om zich recht [ 14 ] te houden, den directen, persoonlijken invloed van de grondleggers der naturalistische geschiedsopvatting bleek noodig te hebben, om beveiligd te zijn tegen allerlei vage, mystieke, burgerlijke, militaristische en wie-weet-welke-nog-meer aanvechtingen, en zijn onder leiding van Engels verzameld gedachten-materiaal logisch te blijven ordenen. Maar naast den afdwalenden Bernstein, den door de kapitalistische wereld verheerlijkten Theseus-Marxdooder, zijn er nog anderen, die aan dezelfde onvastheid lijden, zoodat men niet tegenover een individueel geval staat, maar tegenover een verschijnsel, dat aller aandacht verdient.

Nu bleek het evenwel duidelijk uit de gevoerde polemieken, dat al de naar Kant terugwillenden de moderne natuurwetenschap—in engeren zin de nieuwere geologie en de evolutieleer van Darwin en zijn epigonen—zoo zij haar al kennen, niet genoegzaam hebben verwerkt, om van de diepste grondslagen van het Marxisme zich volkomen rekenschap te kunnen geven.

Niet voor allen is de studie van die natuurbasis noodzakelijk. Voor wie de naturalistische historie-opvatting was als een reddende vuurbaken in de chaos der voormalige geschiedschrijving, of zooals voor het natuurkrachtig proletariaat, als een weten, als een voelen aan den lijve dag aan dag van hare ijzerharde waarheden, behoeft niet bij een Darwin of Huxley of Haeckel ter schole te gaan, behoeft nergens naar een houvast te zoeken. Maar wij weten hoe moeilijk na te speuren zijn de tallooze wegen langs welke òf de intellectueelen òf de gevoelsapostelen, afkomstig uit [ 15 ] de burgerklassen, tot de Marxistische levensvisie zijn gekomen. De ziele-processen, welke een zich antagonistisch stellen tegenover de voorheen eigen klassen voorafgaan, zijn even ingewikkeld en samengesteld als ons cultuurleven zelf, en zouden alleen te begrijpen zijn in verband met de kennis van elke meestal verborgen individualiteit op zichzelve. Soms is er slechts een nauw merkbare invloed, soms zijn er felle levensstormen noodig, om iemand te drijven tot een revolutionair zien en willen. Doch zoolang—eenmaal de hoog opgezweepte golven van gevoel of gewaarwording bedaard—die vaste wetenschappelijke grondslag ontbreekt, die een gemoedsdrang tot een kalme maar onwrikbare overtuiging vormt, zoolang is reactie en afdwaling mogelijk. En die rotsvaste basis van het Marxisme, die natuurbasis, die alleen de proletarische klasse van huis uit kent en begrijpt zonder eenige studie, omdat alleen zij aan die weggecijferde en veelgeloochende natuur vlak tegenover staat—die natuurbasis is alleen te vinden bij Darwin.

Het gemis aan natuurkennis openbaart zich tevens in de onklare, onzuivere voorstelling van het dialektisch karakter van de evolutiewetten in natuur en maatschappij, welke de gevoerde polemiek overal verraadt. In een overigens zeer belangrijk artikel over Kant en Lange—van Nicolaï Verdajew[2]—die zich toch beslist tegenover de Neo-Kantianen plaatst, komt dit [ 16 ] sterk uit. Niet minder sterk dan bij al die terugwillers naar vroegere denkers uit verleefde tijdperken. Zij begrijpen blijkbaar niet, dat de arbeid van een Kant slechts zijn groote waarde behoudt als onmisbare schakel in de grootsche ideeën-ontwikkeling en in verband met het geestesleven van zijn eeuw, inzonderheid als terugslag op de materialistische school in Frankrijk. Evenmin schijnen zij te begrijpen, dat een geniaal denker als Kant, levend in deze eeuw, de eeuw der natuur-openbaringen, de eeuw van een Darwin en Spencer en Marx, in een geheel andere richting zou hebben gewerkt dan in zijn tijd. Zijn eerste machtige proeven op natuurgebied, in overeenstemming met Laplace, geven te meer recht dit aan te nemen.

Een tweede kenmerk van onzuiverheid van begrip bij de Neo-Kantiaansche Marxisten is hun onbezweken individualisme, hun dualisme, de onbewustheid aangaande het streng oorzakelijk verband der dingen, waarvan dat terugwillen een uiting is. Het is een herleving van de burgerlijke ideologie, die zien doet de groote individualiteiten als profeten, als de bewuste leiders van een onbewuste mensch-kudde, inplaats van ze te beschouwen als de verschijningsvormen van de grootsche wereldontwikkeling, waartoe het schijnbaar nietigste individu-atoom het zijne bijdraagt. Evenmin als de natuur—zoo ongeveer als een persoon die zich in de richting zou hebben vergist—op hare schreden terugkeert naar vroegere overwonnen biologische vormen, evenmin keert de wetenschap of de wijsbegeerte, of welke tak van onderzoek ook, terug naar oude verleefde denk[ 17 ] vormen, die onmisbare schakels vormden in een vroeger ideeënverband. Wel kunnen individuen teruggaan in hun ontwikkeling. Hiermede bewijzen zij niet de vergissingen van een halve eeuw van denken, maar alleen hun eigen onmacht om hun tijd bij te houden.

Niet achterwaarts, maar voorwaarts, altijd hooger op de trap van het geestelijk leven, elke nieuwe trede rustend op een vorige trede. Doch wanneer de diepste ondergrond van een theorie ontbreekt, of althans voor velen onzichtbaar is, kunnen sommigen op zekere hoogte duizelig worden. Die duizeligheid bij Bernstein, zich inzonderheid uitend in zijn verwarring ten opzichte van determinisme, zijn zonderlinge opvattingen van een onvrije vrijheid en vrije onvrijheid van wil, doen hem heimweevol terugblikken naar Kant, naar de veilige haven van het bespiegelende. Waar de wetenschap hem den adem beneemt, en hem de phenomenale [3] wereld plotseling met een zekeren argwaan doet beschouwen, wil hij terug naar de noumenale [3] wereld van Kant. Dáár behoeft men niet verder te zoeken. Dáár is een aanvaarden in zoete weemoedspeinzing voldoende. Kautsky voorspelt Bernstein in zijn laatste artikel niet alleen een teruggaan naar Kant en Lange en Proudhon, maar ook tot Bastiat. Waarom zou hij daar echter stilhouden? Waarschijnlijker is het te achten, dat, de kreeftenphilosophie hem eenmaal onder [ 18 ] hare macht krijgend, hij pas onder de beschermende schaduwen van Golgotha tot staan zal komen. Dáár zal hem de eer te beurt vallen door de bourgeoisie, als haar redder, nog geestdriftvoller te worden toegejuicht.

Doch laten wij hopen, dat, waar er onder de Duitsche geestverwanten enkelen zijn, door hem, krachtens zijn vroegere prestaties nog eenigszins beïnvloed, deze hem niet tot daar zullen volgen, maar hun aandacht zullen wijden, meer dan tot dusverre, aan de nog onvolkomen uitgewerkte deelen der Marxistische theorie, derhalve aan de natuurzijde, waar zij logisch onaantastbaar is. Alle aanhangers van de evolutie-leer van Darwin, die zich van Marx afwenden, zijn inconsequente Darwinisten. Eerst monisten[4], worden zij op een gegeven oogenblik dualisten zonder dit zelfs te bemerken. Zoo'n onbewust monistisch dualisme of dualistisch monisme vertoont zich bij alle Neo-Kantiaansche Marx-zuiveraars.

Hiermede wil geenszins gezegd zijn, dat de bestaande zoekensdrang naar het raadsel van het zijn, naar het voor ons verborgen diepere wezen der Natuur, na den arbeid van Darwin en Marx zijn reden van bestaan zou hebben verloren. Die drang schijnt te veel tot het geheel der geestelijke verschijnselen te behooren, dan dat men zich dien althans binnen afzienbaren tijd kan wegdenken. Maar niet in oude verleefde vormen, in nieuwe vormen en op den grondslag van een monistische wereldaanschouwing zal een latere wijsbegeerte zich kunnen [ 19 ] ontplooien. Spinoza, die groote moderne apostel van het eenheidsbegrip, heeft in de eeuw vóór Kant reeds bewezen dat dit mogelijk was. Latere denkers, staande op anderen ideeënbodem, zullen met nog sterker bewustheid zich in monistische richting kunnen bewegen, weer nieuwe banen voor ons openen.

Doch zoolang die nieuwe banen er nog niet zijn, kunnen wij, om met Kautsky te spreken, nog lang voorwaarts gaan op den weg ons door Marx en Engels gewezen, steeds meer uitwerken hun theorie, naar alle zijden ons duidelijker rekenschap geven, hoe het Darwin was, die, zonder het in de verste verte te vermoeden, steen voor steen de fundamenten opbouwde voor de dialectisch-naturalistische geschiedenistheorie, die de opstijgende natuurklasse in haar wereldstrijd ook moreel zoo krachtig zou maken.

* *
*

Darwin en Marx hebben ons gegeven de twee gezichtspunten van één en dezelfde natuurtheorie, aangezien de menschengeschiedenis ook is een natuurverschijnsel, een der vele manifestaties van de natuurwetten. M.a.w. de menschenmaatschappijen zijn stukken natuurleven, door de cultuur gewijzigd of veredeld. Ieder Marxist is dan ook uit den aard der zaak een overtuigd Darwinist, daar de Marxistische theorie in den grond slechts is een voortzetting, een verder doorvoeren van de leer van Darwin in de menschelijke samenlevingen. Maar hieruit volgt niet, dat ieder Darwinist is een overtuigd Marxist; in [ 20 ] geenen deele. De geheele kapitalistische wereld, de officieele wetenschap aan het hoofd, staat in slagorde tegenover de naturalistische geschiedstheorie geschaard. De consequenties van de evolutie-theorie van Darwin aanvaarden in geschiedenis en maatschappij, is der heerschende bourgeoisie vrijwel onmogelijk.

Dit verschijnsel vormt op zichzelf reeds de waardemeter der natuurphilosofische wereldbeschouwing. De mensch, die in onze cultuurmaatschappijen leeft en streeft uitsluitend in de sferen van het intellect, mist in zijn dagelijksch bestaan en handelen alle voeling met de natuur en is geworden ideoloog, d.w.z. ontkenner van zijn natuurwezenheid. De arbeidsverdeeling, die eerste schrede tot cultuur, die het "zijn" van de maatschappelijke groepen zoo verschillend maakt, vormt derhalve een totaal verschillend "bewustzijn" of denkleven. De arbeidsverdeeling heeft, in den loop van duizenden eeuwen, eenige van die maatschappelijke groepen ongemerkt van de natuur afgeschoven, als het ware weggedrongen, aangezien het geheel ingewikkeld arbeidsproces met zijn ontelbare trappen en geledingen—van het allerruwste grofste handwerk tot den meest subtielen hoofdarbeid—de cultuur-menschheid ook in denk-trappen verdeelde, naar gelang bestaan, arbeidsgewoonten hun zien en begrijpen bepaalden. Zij die de fundamenten uitmaken van den hoogen cultuurbouw, welke de ideëele afspiegeling is van het arbeidsproces: de arbeiders, die met handen- en spierenkracht aan den schoot der natuur dag aan dag ontwringen hare producten, en die producten de [ 21 ] allereerste bewerking doen ondergaan, staan vlak bij de natuur, bijna even dicht als de wilde menschenrassen en natuurvolken, die ook de gereede natuurgaven tot zich nemen. Deze natuurkrachtige menschengroepen zijn zich dan ook volkomen bewust natuurschepselen te zijn. Maar de groepen, die de allerhoogste torens van den cultuurbouw bestegen, zijn zóó ver van de natuur verwijderd geraakt, dat het bewustzijn natuurschepselen te wezen hun ten eenemale ontbreekt. Zij meenen in vollen ernst in de wolken te zweven, zien nimmer de basis van hun torenverhevenheid en loochenen die, loochenen elk verband met aarde en natuur. Tusschen die twee uitersten, tusschen torens en fundamenten bevinden zich ontelbare verdiepingen, de bewoners van elke verdieping, naarmate zij meer of minder van de aarde verwijderd zijn, naarmate de natuur voor hen zichtbaarder of onzichtbaarder is, anders denkend, anders voelend, anders beoordeelend hun verhouding tot die natuur.

Dit verklaart de ideologie der bovenste en heerschende groepen, n.l.: de ontkenning van den natuur-oorsprong niet alleen van hun ideeën- en gevoelsleven, maar van alles en alles wat het hooger mensch-zijn vormt.

En niet alleen is voor de torenbewoners meer en onzichtbaar geworden hun natuur-oorsprong, zij zijn eindelijk gaan vergeten het arbeidsproces zelf, dat hen zoo hoog verhief. Zoo kan in het grootsche Alpenland, in de hooge ijs- en gletscherwereld, de tourist de illusie hebben ver boven het aardsche te zijn verheven, wanneer hij de wolken, inplaats van boven zijn hoofd, [ 22 ] in de laagte ziet drijven, als fijne dampsluiers omwevend het granieten rotsgevaarte waarop hij staat, onzichtbaar makend de zoo moeitevol beklommen hoogte, hem gevend de begoocheling zonder basis te zweven in de oneindigheid.

En zij die niet zoover gingen van het arbeidsproces en den hen dragenden cultuurbouw met al zijn verdiepingen te loochenen, deden iets anders. Zij erkenden met zekere nederbuigende welwillendheid dat het er inderdaad was, maar verklaarden tevens het te beschouwen als iets minderwaardigs, als iets absoluut laags, waarmede de hooger aangelegde mensch geen rekening had te houden.

En toen er dus, ook als verschijningsvorm van het opgistende in de wereld van den arbeid, een man opstond, die, zich niet latende verblinden door de eeuwenlange wolkenillusie van niet tot de aarde en het natuurverband te behooren, dien heelen hoogen cultuurbouw afdaalde, begrijpend dat er een basis moest zijn, om die basis van nabij te onderzoeken; en toen hij na dit onderzoek aan de wereld verkondigde dat zijn vermoeden juist was geweest, toen bleken slechts enkele menschengroepen naar hem te luisteren, zij die het dichtst bij hem waren. Doch verdergaande met zijn onderzoek, aantoonend dat het economisch proces, dat de arbeidsbasis, wel verre van hun aandacht onwaardig te zijn, vormde de eeuwig rijke, voedende bron van heel het zijn en bestaan ook als torenmensch, van heel hun denken en zieleleven, hun wetenschap en wijsbegeerte en hoogste intellects[ 23 ] openbaringen, verwekte bij een storm van verontwaardiging onder de toren-ideologen. Men vond hem eenvoudig krankzinnig. De een noemde hem een lage stofaanbidder, en de ander noemde hem de grootste fantast en droomer die er ooit bestaan had. Zij die daar zoo dicht bij den hemel troonden, zouden hun gansche zijn en wezen te danken hebben aan die leelijke, donkere, duistere poel van het lagere daar in de diepte, in plaats van aan den reinen, blauwen aether van hun eigen verheven denkenssfeer. Die man was niet alleen waanzinnig, hij pleegde heiligschennis aan het edelst menschelijke, hij was een maag- en darmvergoder, hij scheen te meenen dat de materie, de lage, ziellooze materie, de wereld beheerschte, hij die poogde te ontkennen, dat juist zij, de torenbewoners het waren, die, hun geestesopenbaringen ontvangen uit den hooge, in milden overvloed uitstortten als een kostbaar manna over al wat daar rondkrioelde in den voor hen onzichtbaren afgrond, over al datgene dat zonder hun weldaden immers niet zou kunnen bestaan.

En de onvermoeide bevrachters van de cultuur, de natuurkrachtige groepen, geworteld diep in de aarde en het volle arbeidsleven, zij hoorden ook wat die ééne man verkondigde, maar het wekte niet de minste bevreemding bij hen op. Zij hadden eigenlijk nooit anders begrepen dan dat. Alleen verwonderden zij zich dat iets zóó tastbaar eenvoudigs nog moest verklaard worden als iets nieuws. Immers zij zelven vormden dien door de torenmachtigen zoo totaal geloochenden ondergrond. Zij voelden het aan den lijve, uur aan uur, [ 24 ] dat de trappen langs welke de ideologen zoo hoog opstegen, gebouwd werden met hun afgebeulde verminkte lichamen, dat zij met hun vrouwen en kinderen, slaven van het arbeidsproces, vormden als een levende pyramide, dienend aan anderen om te kunnen zich verbeelden in naïeven cultuurhoogmoed, dat eigen kracht hun vleugels had verleend, en dat de oorsprong van hun langzaam verworven cultuurbewustzijn niet kon aangewezen worden, zonder ontzettend lage materialistische neigingen te verraden.

En de bewoners van de vele tusschenverdiepingen hoorden natuurlijk ook wat die ééne man zeide, en weifelend wendden zij den blik beurtelings naar beneden en naar boven. Want hun stelling bracht mede, dat zij èn de wolken èn de aarde onderscheidden, derhalve konden loochenen noch het eene, noch het andere. Zoo kozen zij partij nu eens voor de wolkenmenschen, dan weder voor de aardemenschen, naarmate individuele neigingen of belangen of een min of meer zelfstandige denkensmogelijkheid hen bewoog.

* *
*

Zoo is de leer van Marx gegrond op de kennis der natuurwetten. En dat hij en Darwin, op de helft dezer eeuw, nagenoeg tezelfdertijd hun natuur-theoriën uitwerkten (Marx nog eenige jaren vroeger) is wel een bewijs, dat wetenschappelijke ontdekkingen ook natuurverschijnselen zijn, die, in verband met de geheele wereldontwikkeling, op zekere momenten van de geschiedenis in verschillende cultuurlanden te gelijk bij [ 25 ] geniaal aangelegde individuen tot openbaring komen. Men kan dan ook geen consequent aanhanger zijn van de theorie van Darwin, zonder de door hem aangegeven lijn door te trekken tot de geschiedenis tot de menschelijke samenlevingen, die lijn vast te houden als een leiddraad in den historischen doolhof, waarin de geschiedschrijvers tot dusverre slechts in den blinde konden zoeken en rondtasten.

De Darwinist-ideoloog, d.w.z. de inconsequente Darwinist, volgt den Engelschen natuurvorscher gewillig het gansche natuurgebied door tot aan den natuurmensch, doch juist op het belangrijke oogenblik dat de cultuurmensch voor zijn geestesoog oprijst, spreekt hij haastig een "tot hiertoe en niet verder" uit, en vlucht met afgewend gelaat voor het hem verblindende licht. Waar het 't natuurleven geldt, neemt hij stellingen aan, die hij onmiddellijk overboord werpt zoodra hij komt te staan voor de logische consequenties dier stellingen in het maatschappelijk leven. De natuurwetten, hem door Darwin verklaard, blijven voor hem abstracties[5] waarmede hij, in zijn cultuurmenschelijken hoogmoed, meent te hebben afgerekend, zoodra hij diens werken dichtslaat, niet begrijpend, hoewel Darwin het toch overal duidelijk genoeg zegt en aantoont, dat wat hij openbaarde aangaande het ontstaan der soorten, aangaande de langzame geleidelijke ontwikkeling niet alleen van de organen maar ook aangaande de geestelijke vermogens, evenzoo gelden voor de menschsoort. Welbeschouwd gelden zij in nog veel sterker mate voor de mensch[ 26 ] soort. Immers alleen bij den mensch heeft die trapsgewijze geestelijke opklimming een zoo ontzaglijke vlucht genomen. De opklimming van de eerste menschachtige wezens, zonder gearticuleerde spraak, geheel levend en bestaande als dierwezens, m.a.w. de mensch uit het tertiaire tijdperk, dus nog voor de eerste steenperiode—de opklimming van dien menschvorm tot aan den hoog ontwikkelden cultuurmensch van heden, vormt derhalve de voor ons zichtbare synthese[6] van de leer aangaande den oorsprong der soorten. Al het gebeuren in de geschreven geschiedenis en in de cultuurmaatschappijen bevestigt stap voor stap de Darwinistische theorie.

Eerst de organische opklimming van de laagst georganiseerde schepselen: van de eencellige amoebe tot aan het hoogst organisme: de mensch. En daarna na die organische, en daarmede gepaard gaande geestelijke, opklimming, nog een voortdurende opklimming van de psychologische vermogens—eerst van den tertiairen mensch tot aan den natuurmensch, vervolgens van den natuurmensch tot aan den cultuurmensch.

Tot de meest volmaakte specialisatie der organen geklommen, is het dus alsof een enkel orgaan: de hersens, het vermogen behouden dat opklimmingsproces nog te vervolgen, zoodat daaruit de logische conclusie kan worden getrokken, dat het menschelijk intellect—want de evolutie staat niet stil—nog een gansch ontwikkelingsstadium voor zich heeft. Vandaar de ontzaglijke waarde van den arbeid van Darwin ook [ 27 ] ten opzichte van de geestelijke vermogens, welker ontwikkeling en opklimming, zooals hij aantoont, gehoorzaamt aan dezelfde evolutie-wetten als de organische opklimming.

Hieruit volgt met ijzeren noodwendigheid, dat die wetten—waar de cultuurmensch in de geschiedenis verschijnt—wel in den vorm waarin zij zich openbaren, maar nooit in wezen kunnen veranderen, dat de groote ontwikkelingslijn, door Darwin opgespoord en gevolgd, niet plotseling bij den cultuurmensch afbreekt om dan in de wolken zich te verliezen, maar integendeel in de geschiedenis en in de cultuursamenlevingen scherp en duidelijk wordt doorgetrokken.

Waar de moderne naturalisten uit de school van Darwin en Marx, door hun niet-begrijpende tegenstanders, steeds worden beschuldigd het geestelijk en moreel zijn weg te cijferen, zijn zij het juist, die, in hun ontzag voor de grootsche ideeënwereld, aanhoudend naar de voedende bron van dat zich steeds verder ontwikkelend ideeënleven zoeken. Zij zien, hoe dat geestesleven steeds andere vormen aanneemt, dat er een aanhoudende bevruchting plaats heeft, doende uitbotten voorheen nooit gedroomde schoonheden van gevoel en gedachte, nieuwe heerlijke schakeeringen van hoop en wil, dit alles diep geworteld in den bodem van het wordende, en zij rusten niet voordat zij gaan doorgronden de natuurwetten, waaraan die ideeënontwikkeling gehoorzaamt.

De mensch leeft en denkt niet buiten het streng oorzakelijk verband der dingen, maar blijft natuur[ 28 ] schepsel, in wezen gelijk—hoe hoog zijn intellect hem ook verhief—aan alle schepselen in velden en wouden. En juist dit, wel verre van hem te verlagen, bewijst integendeel zijn grootheid, zijn meerderheid, de hooge vlucht van zijn geest. Hij blijft natuurwezen! geworteld in de voorwaarden van zijn bestaan. Maar het geestesleven, uit dat aardbestaan zich ontplooiend, omvat de oneindigheid. Die machtige wiekslag heeft echter niet één individu te danken aan zichzelven, maar aan erfelijkheidsfactoren in verband met de cultuur door de vele menschengeslachten vergaard. Zijn hooge geestelijke vlucht is de resultante van de cultuur van duizendtallen van eeuwen. Die gansche som van opgestapeld cultuurvoedsel wordt in synthetischen vorm aan het kind in onze cultuurlanden gegeven—althans aan het kind in enkele, maatschappelijke sferen. Kreeg het kind van dat cultuurvoedsel niets, dan kreeg het ook niets menschelijks, dan werd het geen mensch in de ideëele beteekenis van dat woord. Een kind bijv. geboren in onze cultuurlanden, dat men van de wieg af, dus reeds als zuigeling, onder de Eskimo's of Vuurlanders of Zuid-Australische negers zou laten grootbrengen, zou geheel en al terugzinken tot de trap van wildheid waarop die rassen staan. De geestelijke eigenschappen, door het kind geërfd van de ouders, zouden in die omgeving van natuurmenschen vormen aannemen, zich ontwikkelen, in verband met zijn milieu. Sterker nog—wanneer men een klein kind van de wieg af in velden en wouden liet verwilderen—gesteld dat in een tropisch klimaat en met het [ 29 ] noodige voedsel binnen zijn bereik zoo iets mogelijk was—zou dat kind niets menschelijks behouden, spraakloos blijven, op handen en voeten zich voortbewegen. geen menschelijk bewustzijn kunnen verkrijgen, kortom in enkele jaren geheel en al tot den dierlijken toestand terugvallen. Men heeft hiervan authentieke bewijzen door Darwin en andere natuurvorschers opgesomd[7].

Het feit, dat de mensch leeft en werkt in gemeenschap met zijn medemenschen, verandert niets aan zijn natuurwezenheid, ja zelfs zijn hoogste denkleven verandert daaraan niets, omdat het denkleven en zieleleven, ook van den cultuurmensch, geworteld is en blijft in zijn economisch bestaan, in het arbeidsproces dat hem tot cultuurmensch vormde. Dat denk- en zieleleven kan zich alleen verder ontwikkelen, door de manier waarop de mensch werkt in de natuur, door de verhouding waarin hij dientengevolge tegenover de natuur komt te staan. Voortbrengende arbeid is niets anders dan wijziging van die natuurverhouding. Volken, die nog op de laagste trap van wildheid staan, wier taal zich slechts begint te vormen, en die maar tot vier kunnen tellen, produceeren niet, doen niets anders dan de gereede natuurgaven tot zich nemen. Zoo zij die natuurvoortbrengselen al eenige bewerking doen ondergaan, is die bewerking zoo primitief mogelijk. Vandaar ook het primitieve van hun ideeënleven, [ 30 ] hun gemis aan onze ingewikkelde maatschappelijke vormen, aan onze cultuur. De allerlaagste menschenrassen hebben, op enkele uitzonderingen na, slechts één ideologisch kenmerk: hun godsdienst, hun geloof aan het ongeziene—dat geloof bij allen geworteld in vrees—vrees voor de natuurmachten, die hen geheel beheerschen omdat zij niet kennen de wetten, waaraan zij gehoorzamen.

Bij de volken, die reeds tot de periode van barbaarschheid zijn gestegen, heeft de bewerking der natuurgaven zich ontwikkeld. Dit doet de arbeidsverdeeling en de meer ingewikkelde maatschappelijke en ideologische vormen ontstaan. Door de arbeidsverdeeling, en het daarmede gepaard gaande ruilverkeer, nadert men tot de beschaving.

Engels, op het voetspoor van Morgan, neemt de volgende indeeling aan:

Tijdperk van wildheid: dat van het zich toeeigenen van gereed zijnde natuurvoortbrengselen. Wat door menschen vervaardigd wordt, zijn slechts werktuigen om die natuurvoortbrengselen te kunnen bemachtigen.

Tijdperk van barbaarschheid: veeteelt en akkerbouw, de ontwikkeling van methoden ter productie door middel van de menschelijke actie.

Beschaving: Tijdperk van de ontwikkeling van een hoogeren vorm van productie, industrie en kunst.

Gaan wij nu de grondbeginselen na van de moderne evolutie-theorie, volgen wij aan de hand van Darwin de reeds vermelde ontwikkelingslijn van zijn eersten oorsprong af, d.w.z. van de laagste organismen af [ 31 ] langs de ladder der levende schepselen, opwaarts, dan zien wij, dat waar Darwin gekomen aan de uiterste grens van zijn gebied nl: tot de natuurvolken, daar noodwendig zijn arbeid afbrak, Marx, volgens geheel dezelfde methode, dien arbeid in de cultuurmaatschappijen voortzette.

 

 
  1. Aangezien deze studie voor alle kringen van lezers bestemd is, zij het mij vergund de enkele niet voor allen verstaanbare woorden, die ónmogelijk te vermijden waren, te verklaren of te omschrijven.
  2. Friedrich Albert Lange und die kritische Philosophie in ihren Beziehungen zum Sozialismus, von Nikolaï Verdajew. Neue Zeit, 5 Mai 1900.
  3. 3,0 3,1 Phenomenale en Noumenale wereld.
    De wereld zooals die erkenbaar is voor onze menschelijke zintuigen en de niet voor ons erkenbare of bovenzinnelijke wereld, door de Kantiaansche philosophie als hypothese gesteld.
  4. Monisme: eenheidsbegrip, in tegenstelling van dualisme het aannemen van een geestesleven buiten het oorzakelijk verband der natuurverschijnselen.
  5. Afgetrokken begrippen.
  6. Samenvatting.
  7. "Darwin's biologische werken" bewerkt door Dr. P. Winkler en Dr. Hartogh Heys van Zouteveen. Afl. 47. pag. 221 e.v.