Pallieter/XIV

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Maneschijn. Pallieter (1916) van Felix Timmermans

De honing.

Een aangename verrassing.

[ 119 ] De honing.

DE bieënkorven liepen schuimend over van den honing. Heel de hof rook er naar, en nu was Pallieter al een heelen achtermiddag bezig met ze te ledigen en den honing in steinen potten te doen.

Charlot hielp hem, werkte mee en droeg de potten één voor één, den koelen kelder in. Beiden lekten van het zweet en van de malsche honingspijs; ze plakten, en hadden werk om hun vingeren af te lakken. Loebas, de hond, stond er bij, en wat er geklast werd, slabberde hij gulzig op.

Pallieter was uitermate blij om den zoeten overvloed, hij zong dat het galmde, en Charlot hield haren mond niet stil over den honing en het weer. Zij was zoo gewarig aan de warmte en zoo weinig bang van bieënsteken, dat ze op heur bloote voeten liep, in een kort onderroksken stond, dat slechts tot aan haar pilaarrechte bruien kwam, en vrij en vrank liet zij heur armen, lijk twee vette kinders, uit de [ 120 ] veropgerolde mouwen van haar rood slaaplijf komen.

Ook had ze haar slaaplijf van boven drie knoopkens losgezet, en alzoo kwam bloot, onder den halsput, het witte vleeschkussen, waarover de vele vettige linten van hare schapulieren kruisten. Den handdoek, die gewoonlijk, onder het slaaplijf, haar borsten indrukte, had ze nu afgedaan, en geweldig als dondertorens hongen ze nu in hun volle malsche dikte naar voren op den grooten buik.

Ze zag rood lijk een oven en zweette lijk een spons.

En ze begosten te spreken over Marieke.

‘Mor woroem mut het herfst zijn as ge trijwt?’ vroeg ze.

‘Dan is het beddeke koel, en dan kruipe we dicht bijien.’

‘Och zwijgt,’ knorde Charlot, maar een weinig daarna weer zoet, heel met haar eigen ingenomen: ‘En ik die altij' doecht begijn te weurre, 'k ben al blij da'k het noet ni geweurre ben, want wa zou Marieken hier zijn, zonder mij?...’

‘Awel,’ baste Pallieter, ‘'k zal ze bij ij late slape!’

‘Da' wil'k ni zegge,’ zei Charlot, en hier richtte zij zich op. ‘Marieken is ma petekind, en zij zuut, der zal gin haarken aan miskome!’

‘Och,’ zei Pallieter, halfzingend en tergend. ‘Als 'k getrijwt ben, hem'k gin meid nimier noedeg.’

En toen schoot Charlot uit: ‘Oei, oei, oei, 'k moet hier buite! 'k weur hier

weggejaagd, ikke een wies, 'k had het gedoecht! da's veur al mijn goedheid, da's den dank, en da' deur degene, die 'k als kind nog hem gedrage. God, lieven Heer sto mij bij!’

[ 121 ] ‘Kom, kom,’ zei Pallieter, haar troostend, ‘'k was 't vergeten dagge wiezeke waart.’

En daarmee was de ruzie uit en 't werk geraakte gedaan.

Charlot sloeg een anderen rok aan, rolde haar mouwen naar omleeg en droeg den grootsten pot naar den pastoor.

Pallieter nam er een voor Fransoo zijn vriend, de schilder, en een voor het arme Gasthuizeken, ook aan den anderen kant der Nethe gelegen.

Hij vaarde een heel eind met het schuitje het water op, en stak toen over, lei zijn boot vast, en met een pot op zijn schouders en met een pot in zijn arm, stapte hij den malschen klimmenden wegel op, en floot een scherp deuntje.

Over de potten volgde steeds een gegons en gestippel van bieën, hommelen en wespen; in een herbergsken ging hij zijn dorst lesschen; 't was slecht bier, en als hij buiten kwam, hongen de beestjes seffens weer rond de zoete potten te draaien.

Ginder hoog boven de boomen rees de oude molen op. Hij draaide vreedzaam zijn roode wieken in den kalmen zuiderwind, en liet een koperen windhaan schitteren, en nu de zon zeer machtig straalde was helder het mos dat zoo weelderig de zwarte houten romp beplakte en bestreepte.

Het was een schoone molen, hij hong wat achterover, hetgeen hem nog vriendelijker maakte en hij domineerde over 't land, trotsch als een kerk, en was van alle kanten zichtbaar.

Pallieter ging er geren op, want hij had er steeds [ 122 ] een schoon gezicht over de boomen en de verten, en genoot er voluit van de lucht en haar elementen: van den wind, die het land verblauwde, en van de regengordijnen, die achter de wereld omhoog schoven en de aarde begoten, wijl ginder de zon uit de donkerheid een molengehucht deed blinken. - Hij kon er zich uren vergapen aan het broeien en groeien der wolken. De avonden en morgenden waren er grooter en langer, en de nachten eens zoo oneindig. De winters lagen er rondom lijk ware Breughels, en men zag van hier de lente waarachtig uit het Zuiden komen, en dan, altijd en overal, in zon en mist, zag men het boerenvolk de goede aarde melken.

Was dat niet Mozesachtig?

Rap klom Pallieter met den honing en de bieën naar de schilderkamer van Fransoo, in 't hoogste van den molen. Fransoo's struische vrouw volgde hem lachend.

De vriend stond half naakt een panoramalandschap te schilderen, in het halve licht dat door de kleine luchtgaten kwam, en waardoor men van 't midden der schilderplaats reeds den wierookblauwen einder zag.

Pallieter gaf den honingpot, liep dan seffens naar een der gaten, en stak zijn kop er door. Hei! Lucht en licht! zoover hij zien kon was het koren, koren heel de wereld rond, om de dorpen, om de begijnen-bosschen, de huizen, de beemden en langsheen de Nethe. Gouden koren overal! En klein en dun en zwart stonden de menschen gespikkeld, die daarin aan 't werken waren.

Dat was het heilige werk van 't koren! heinde [ 123 ] en ver gonsde de pikke, overal draaiden de molens en hier joegen de wieken zoevend en ratelend, met een zweep wind, voorbij zijn verwonderd gezicht. Hei! dat was allemaal om 't brood te maken; het manna dat uit de aarde komt!

En hoog daarboven sloeg de zon heur licht het heelal in.

‘Hei!’ riep Pallieter tot Fransoo en zijne vrouw, die van den honing aan 't proeven waren - ‘ziet de Wereld! ze baart! ze geft zog! Kom lot ons fieste! lot ons deur 't kore gaan, de eerde kusse, en verdrinken in de grond!’

Ze gingen beneden bij den mulder een glasken rooden wijn drinken en Pallieter kreeg van Leonie, Fransoo's vrouw, een grooten bloemekee van safraan-oranje rozen; dat was uit dankbaarheid voor zijnen honing, en hij duwde er zijnen neus in, en deed zijn oogen toe van overgroote deugd.

En dan ging Pallieter met Fransoo den anderen honingpot naar 't arme gasthuis dragen. Zij droegen hem elk bij een oor.

Zij gingen langs het koren.

Hier stond het nog volop geel te rijpen, voorover gebogen van de zware aren, en van onder bedrest met blauw en rood; dáár waren ze het dan weer aan 't afpikken, een ploeg mannen met luidruchtige bindsters, of een ventje alleen. Heelder plekken waren hier en daar reeds afgedaan, en stonden thans vol schoongereide schoven. En overal hong het hevige licht van de zon als kransen rond, rond de aren, de boomen en de gebogen menschen, [ 124 ] en de hitte bibberde daarboven altijd eender als een zenuwachtig water.

Pallieter en Fransoo waren uitgeklapt en zwegen. Ze gingen op gelijke passen voort, altijd achter het stof dat hunne voeten opwolkten; en 't eenige geluid was hunnen asem, het kletsen van een korenaar tegen hun gezicht, en het gonzen van de bieën rond den honingpot.

Zoo waren zij al een heele tap gegaan, en Pallieter zijn mond was poederdroog van dorst, en hij had een verschrikkelijke goesting naar den smaak van bier gekregen.

Maar ze waren ver in 't land en daaromtrent geen simpel herbergsken. En hij wrong met moeite speeksel in zijn aan leder gelijkenden mond.

Maar na nog een kwartierken gaans, zag hij uit een hollen weg een bierkar koperflitsend komen afgeroteld en hij riep - ‘Hoera!’

‘Wat is het, Bruur?’ vroeg Fransoo verschietend.

‘We hemme deurst en ginder is bier!’ riep Pallieter, ‘lot ons drinken!’

En zij liepen dweers door 't koren naar den wagen toe.

‘Hela!’ riep Pallieter den aanrollende rooden dikken voerman toe. ‘Verkoept ons is 'n tonneke bier! We stikke!’

‘Alles is verpast!’ riep de vent voortrijdend.

‘Ta, ta, ta, ik geef oe dobbel winst!’ riep Pallieter terug.

‘Allé dan!’ zei de vent, hij hield het peerd in. ‘Neem daar mor e vaatje bock, da kunde seffes [ 125 ] drinke. Gade gijlie fieste?’ vroeg hij er nieuwsgierig bij.

‘Ja!’ riep Fransoo, en Pallieter nam een tonneken van de kar en betaalde.

De vent reed voort, en terwijl Fransoo den honing droeg, rolde Pallieter het tonneken met voetstampen voort.

‘Mor hoe na gedroenke!’ vroeg Fransoo, ‘wij hemme gin kraan en ginne pot!’

Pallieter krabte in zijn haar - ‘'n kraan is niks, mor waar ne pot gon hale?’

Beiden zwegen, bleven staan en zagen naar den honingpot. Was die pot nu maar leeg. - ‘Kom, zei Fransoo lot ons oep 'n hoef ne pot hale.’

‘Allé dan!’ en zij rolden het tonneken over den witten weg. - Zij kwamen aan een korenplek, half afgemaaid, en ginder in den elzenkant zaten er pikkers en bindsters hunnen vier-uren-koffie te schoven. Als Pallieter hen zag, verblijde hij zich uitermate en riep, hoog zijne armen zwaaiend: ‘Hé, manne, lot elle kaffe staan, hier is verschen bock en as g'n koem geft, meugde ellen buik vol drinke!’

Seffens kwamen zij afgeloopen, elk met hun koffiekom en wrongen om 't dichtst bij 't tonneken te staan. Met een lierenaarsmes sneed Pallieter de kurk er uit en klets daar spoot het bier er uit, lijk bij een waterende koe, maar de kommen wierden er onder gehouden, schuimend gevuld en gulzig leeg gedronken. In het gat wierd er een gauw gemaakten houten tap gestoken, en zoo konden ze drinken zonder haast, en liep er niets verloren.

Ze schaarden zich zittend rond het tonneken, en [ 126 ] Pallieter dronk zooveel hij kon uit eene groote kom, beschilderd met een rooden papegaai. Er kwam geen einde aan den dorst, gedurig aan spoot het bier uit het gat, en er werd gedronken en gelachen dat het zweet hen op het voorhoofd perelde.

‘Nij nog e muzikske en 't is kèremis!’ lachte een meid.

‘Allé Araan!’ riepen er stemmen tot een te langen, mageren jongen, ‘haald a schuiftrompet, dan kunne we danse!’

‘Ja!! ja! riepen ze nu verward, w'hemme nog al den tijd! Allé spoed oe! zij rap!’

De jongen liep gewillig weg, wijl de meisjes van de pret het uitgichelden en malkander zotten praat toesloegen.

Ondertusschen dronken ze, een oude vent was tapper, en daar kwam de jongen van huis terug, met zijn broeder en een groen uitgeslagen koperen schuiftrompet.

Hij dronk eerst nog een pint van 't smakelijke gele bier, en begost toen, in zijn volle lengte rechtstaande, een langen wals te spelen. - De klanken vielen vreemd uit de korenstilte en droegen ver. En zie! iedereen was aan den dans behalve de oude, die voor zich zelf maar tapte. Elke jongen nam een meiske, en de jongens die overschoten dansten met elkaar; zoo danste Fransoo met een klein bultig boerken. Maar Pallieter had er het bloemeken uitgehaald; een mollig ding met bloote braaien en armen en een blozend gezicht vol rosse zomersproeten. Ze had oogen vinnig lijk van een kat.

Al dansend drukte hij haar malsch en zeer dun [ 127 ] gekleed lijf tegen het zijn, zoodat hij goed al hare vormen waarnam, en zijne handen betastten gulzig hare waggelende heupen, dat zij het uitkreet van de pret.

De dans was uit, en zij zetten zich nevenseen in 't gers, bij de anderen rond het vat. Allen hijgden, en hun boezems gingen op en neer.

Als zij weer eens goed van 't lekkere bier genoten hadden, riep Pallieter: ‘Allé gauwkes nog nen dans!’

't Was nu nen polka. Weer nam hij hetzelfde meiske, en zij dansten dol en wild. Hij drukte haar dichter tegen zich aan, danste uit den danserskring, en dan ineens zette hij haar een beentje, en beiden vielen op den grond; en hij viel op haar lijf als op een kussen, en voelde al de weelde van haar mollig lijf dat schokte van het lachen, en gulzig plukte hij wel honderd kussen uit haar witten hals en van hare dikke kaken. Zij stonden moeilijk op, aan haar uitbundig lachen scheen geen einde te komen en iedereen moest meelachen dat zij niet drinken kosten.

Maar van uit de verte klonk het verschietend toeten op een blikken horen. Dat was het teeken dat het rusten was gedaan en met spijt grepen ze hun alaam en pikke en gingen moeilijk aan het werk.

Ze riepen nog eenige zotte slagen naar Pallieter en Fransoo, die er opgeruimd van door gingen, het tonneken achterlatend.

De twee vrienden gingen pratend verder. Maar het klooster was nog wijd, en Fransoo zei van wat te rusten, want hij was open en hij zweette lijk een gieter.

[ 128 ] Fransoo lei zijn dik lijf in het gras eener beek, deed zijn oogen toe, en was seffens in een diepen slaap. Hij snorkte lijk een verken.

Pallieter zette zich nevens hem, smoorde een pijp, zag naar het koren en de klimmende leeuwerken... smoorde nog een pijp, en daar Fransoo niet verroerde lei Pallieter zich ook te slapen.

De honingpot stond tusschen beiden in een wolk van honingdieren.

En de twee vrienden sliepen, en boven hen, achter den breeden eikenboom, hong de hooge lucht te dansen van de hitte.

Als Pallieter wakker werd was de honingpot omverre gevallen, en was de zon gulden aan 't zinken in een zilveren wolkenstreep.

Fransoo werd omtrent met hem wakker en zei geeuwend:

‘Dad hee me deugd gedaan.’

Er wierd gelachen om den pot, waar meer dan de helft was uitgevloeid, en daarna gezwegen om den schoonen avond-dag.

De dag kreeg een schoone rust en heel de hemel stond vol kleuren-helderheid lijk in de schelpen van de zee.

Zij bleven staan en de avond kwam over het koren, het rood zwol uit in de lucht en elke korenhalm kreeg zacht een rooden schijn. Er klom van ievers een heele vlakte hooireuk op, en uit de beken steeg de smoor, die over de droge wegen schoof lijk gulden stof.

Zij gingen terug: ‘Ik zal morge nen andere pot nor 't gasthuis drage,’ zei Pallieter.

[ 129 ] Fransoo ging naar zijnen molen en Pallieter naar de Nethe.

Onderwegen kwam hij een kind tegen, dat met een rolbaksken waarin een zak meel stond, van den molen kwam. Hij gaf het den honingpot, en beschaamd, zonder iets te zeggen, liep het rapper.

Er kwam van het veld een hoogopgetastte korenwagen, waarboven een dikke vrouw zat, die een groote witte borst gaf aan heur kind.

De dag was henen, en in de groene lucht sneed de zilveren manesikkel een uiterst scherp streepken. Daár, grootsch tegen den hemel geblokt, trokken twee zwarte trage ossen eenen ploeg nog door den donkeren grond; de boer er achter zweeg. Er viel nog een blauw licht over het lijf der dieren heen, en de golvingen van hunnen hoogen rug bij elken stap waren als bergen die verroerden. Hun kop knikte zwaar over en weer, en hunne snuiten snoven damp.

De boer scheen nog niet te eindigen, en lei een versche voor. Zijn ploeg blonk spookachtig wit, en zwart en reuzig trokken de twee ossen kalm het voertuig door den grond, die vettig openviel, een weinig glom en eenen goeden zalfreuk verspreidde. Uit de omgeklonte aarde steeg een dunne smoor.

En donkerder werd daar hoog boven de lucht, waarin het sikkeltje klaarder sneed. Een dikke ster deed haar oog open.

Pallieter zag weggaande steeds naar de groote ossen om; zij hadden hem het hart geroerd. En als hij in het schuitje overvaarde was er een die loeide in den nacht, en dat deed hem rillen.

[ 130 ] De dag was toe en donker, maar het water was nog helder licht, en voerde hooi mee met zijn loop.

En door dien heiligen vrede die het land omhulde, klonk ver het veelmondig gezang van huiskeerende pikkers en bindsters. Pallieter had kunnen weenen en zei met overtuiging: ‘neeë! de groete Pan is nog ni doed. Die dat hoorde zeggen hee gedroemd! Want 'k hem vandaag zan horekes gezien!’

Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Pallieter/XIV&oldid=75337"