Noodlot/Hoofdstuk IV

Uit Wikisource
< Noodlot(Doorverwezen vanaf Couperus/Noodlot/Hoofdstuk IV)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk III Noodlot van Louis Couperus

Hoofdstuk IV

Hoofdstuk V
pag. 135 t/m 170


[ 135 ]

HOOFDSTUK IV.


I.


Een leven zwervens van twee volle jaren lang, een leven zwalkens van Amerika naar Australië, van Australië terug naar Europa, in eene smartelijke rusteloosheid, zonder nieuwe levensdoeleinden te vinden, zonder het waarom te vinden van hun beider bestaan, zonder het waarom te vinden van al de oorden, die zij doorkruisten, en al de Iuchten, die zij inademden. Een leven, eerst zonder levensstrijd, dat zij voortsleepten, bezwaard met hunne tweelingsrampzaligheid, slechts levende hun leed en onbezorgd voor de materiëele lasten des levens. Maar toen: de stijgende vrees voor die materiëele lasten, de onaangename gewaarwording, dat er geen geld meer gezonden was uit Europa, in geen maanden, geen maanden... Vervelende zaken met bankiers daar ginds, heen en weêr geschrijf, klap op klap, het bijna geheel in rook vervliegen van een fortuin, dat reeds lang te veel gouden wierook had gewalmd. En zij zagen de noodzakelijkheid in om òm te zien naar middelen van bestaan, en zij hadden op [ 136 ] fabrieken, in assurantie-maatschappijen, aan couranten, bij wat niet al, gevochten om niet onder te gaan in dat zelfde leven, dat hun doelloos en smartelijk was.

Zij hadden uren van angst gekend, opeenvolgende lange dagen van armoede, zonder uitkomst, met de herinnering aan White-Rose... Maar toch hadden zij geen weêrverlangen naar White-Rose gehad, zachtjes aan onverschillig en verdoofd, meer uit instinct angstig voor de toekomst, uit instinct vechtende voor het bestaan, uit aangeborenheid en iets van overerving, dan uit waarachtigen aandrang en eigen behoefte.

En in die onverschillige verdooving had Bertie een zacht gevoel gekend, eene teedere blijdschap, iets lieflijk heerlijks, dwars door zijne zelfminachting heen: eene blijdschap, dat, nu Frank klappen had gekregen, nu zij moesten werken voor hun brood, hij niet de gedachte in zich had voelen opkomen Frank aan zijn lot over te laten en weg te loopen, omdat de boêl op was. Hij had die gedachte: Frank te verlaten, niet spontaan voelen opkomen, en was er gelukkig om, dàt hij ze niet spontaan had voelen opkomen, dat hij ze later uitdenkende, haar bewust was als eene gedachte, die hem niet aanging en eigenlijk niet in hem was. Neen, hij had bij Frank willen blijven, misschien wel om zijne poesennatuur, en omdat hij gehecht was aan zijn plekje bij Frank, maar toch ook om iets anders, iets ideëels, eene lichte dweperij. Het deed hem zoo heerlijk aan bij Frank te blijven, terwijl Frank geen cent meer had. En zij hadden samen gewerkt, [ 137 ] gezwoeg en verdienste deelende in de broederlijkheid van hun samenzijn.

Twee volle jaren! En zij waren nu terug in Europa, Engeland vermijdende, teruggekeerd in hun geboorteland, Holland, Amsterdam, Den Haag. Het was in beiden een vreemd verlangen, die plaatsen, welke zij vroeger, beu van het overbekende, hadden verlaten, om hun weg door de wereld te vinden, nu terug te zien, er hunne gebroken levens naar toe sleepend, alsof zij er eene genezing hoopte te vinden, een wonderbalsem, een troost voor het bestaan. Zij hadden een duitje overgespaard en zij konden enkele zomermaanden blijven rusten, hun handjevol geld zuinigjes opmakend in eene korte zomerverpoozing. Zoo hadden zij in een villa te Scheveningen - eene, links van het Oranje-Hôtel, ziende op de zee - een optrekje gehuurd van een paar kamers, en de zee was het wisselzieke verschiet geworden, waarop hun droomerig zomergesoes uittuurde, weinig als zij zich linksaf bewogen, naar het gewoel van Kurhaus en strand. Uren bleef Frank daar voor zitten, op het uitstek, in een rieten stoel, de beenen op de balustrade, de blauwe kronkelingen van zijn sigaarrook even om hem heen drijvend; hij voelde zich versuffen, zonder veel leed meer, zich schikkende in zijne nutteloosheid, met nu en dan wat herinnering aan vroeger: eene droevigheid, die niet meer smartte. Dan, stijf wordend van het niets doen, werkte hij aan ringen of rekstok, werkte met halters of schermde wat met Bertie, wien hij het geleerd had, Hij zag er goed gezond uit, nog [ 138 ] wat zwaarder geworden, eene bloedrijke kleur onder zijne licht verbruinde huid, eene zachte somberheid in zijne lichtgrijze oogen en nauwlijks iets bitters onder zijne goud schitterende snor.

Maar meer nog leed Bertie als hij over den halfcirkel van de zee uittuurde, en die zee naar hem toe zag deinen met haar eindeloos uitgerol van groen en blauw en grijs en violet en zachte parelkleur, — den hoogronden hemel er boven, vol eindelooze wolkenmetamorfozes, in- en uitkrullende massa’s dik grauw en wit, zilverige windveêren, ijle pluimen, dons, luchtschuim, — dan werd het hem of met de zee zijn noodlot naar hem toekwam. Het scheen als eene onvermijdelijke nadering. En hij wachtte tot het komen zoû, het zoo intens voelende naderen, dat soms zijn geheele zijn één wachten werd, roerloos in zijn rieten stoel, met de oogen over de wijdte van het water.


—————


II.


Zoo was het gekomen, dat hij, zoo zittende, eens, beneden op het strand, tusschen de bosschen helm der zandgele duinhelling door, twee silhouetten zich had zien voortbewegen, een man en eene vrouw, beiden donker fijn als inktteekeningen zich afprentend tegen het vaalzilver der zee. Een angst bruiste eensklaps in zijn lichaam, door zijn hart òp naar zijn keel, naar zijne slapen. Maar een zoute zeegeur woei van beneden omhoog en prikkelde zijn reuk met eene frischheid, die tot zijne hersens doordrong, zoodat het er, trots [ 139 ] dien angst, zeer klaar werd, als vol van eene zuivere atmosfeer. En tot in de fijnste fijnheden van tint en lijn zag hij het: het zilvergrijze, half ovale zeeverschiet, als een glinsterend liquide wereldei, vol spelingen van parelmoêr tusschen de opkuivende schuimkammen der deiningen, nauwelijks somber onder eene gedekte lucht van uitrafelende, scheurende wolken, verschoten grauw, wollig fluweel; rechts, een stuk façade van het Kurhaus, dom trotsch kijkende naar de zee, met zijne starre vensteroogen; verderop, aan het water, de pinken, als groote notendoppen, met, aan den mast uitgehangen, zwarte tulle netwerk, elke pink met een wimpeltje, zoetjes kinderachtig uitgekronkeld in de lucht; op het terras, ook op het strand, tusschen eene warreling van gele stoelen, een aquarelachtig gevlak van zomermenschen, teêr kleurig, zacht bont. Duidelijk zag hij hiér eene scheur openwaaien in een rood pinkezeil, daar een lint fladderen uit een mandstoel, verderop eene zeemeeuw, even pikkende met de sneb iets uit het schuim. Zoo zag hij er vele kleinigheden, kleurige, fijn geteekende nietsjes, heldere spikkels in de ruimte van water en lucht, hel zichtbaar in het zacht gedekte, zonlooze daglicht. En de twee silhouetten, de man en de vrouw, werden grooter en naderden, langs de zee, tot recht onder den blik van zijn oog.

Hij herkende ze aan den vorm hunner gestalten, aan eene beweging, den man aan een afnemen van den hoed en wisschen over het voorhoofd, de vrouw aan heur houding met de parasol, den stok geleund op den schouder en de hand bevallig [ 140 ] vasthoudende een punt van het scherm. En toen hij ze herkende, scheen het hem als werd hij lichter en lichter van hoofd, als zoû hij duizelend opzweven uit zijn stoel, ergens weg drijven, de zee over... Maar mat viel hij terug, zeer mat, en lichttintelingen, als dansende vraagteekens trilden voor zijne knippende oogen, door het staren. Wat was er te doen? Zich in te spannen tot fijne list, Frank zoeken weg te lokken hier van daan, vluchten? O, wat was de wereld klein! Waren zij daarom die wereld omgezwalkt, rusteloos, rusteloos door, om bij de eerste verpoozing dàt te ontmoeten, waar hij het meest voor vreesde! Toeval of Noodlot? Neen, Noodlot... Maar dan... vreesde hij wel?

En, in zijne matheid, zag hij het heel duidelijk, dat hij nièt vreesde, dat eene groote onverschilligheid in hem was, eene onstrijdbare vermoeidheid van zelfsmart. O, hij was te moê om bang te zijn; hij zoû afwachten wat er gebeuren zoû; het moest gebeuren; het was niet te ontloopen, Noodlot, Noodlot... O, de matte rust, te blijven zitten, roerloos, energieloos, willoos, met dat wijde water van grijs zilver vóor zich, en te wachten tot het komen zoû... Niet meer te strijden om zichzelven, en bang te zijn om zichzelven, maar geduldig te wachten, en zoo altijd te wachten! Komen zoû het, als de vloed van die zee, over hem heen gaan zoû het, als het schuim over dat zand en dan weêr wijken zoû het, en dan wellicht zoû het uit zijn met hem, verdronken, vergaan... Een golfje van den tijd zoû hem overspoelen en hem zijn adem benemen, en daarna [ 141 ] zoû die tijd verder golven... met zijne eindeloosheld. Dwaze tijd, nuttelooze eeuwigheid...

— Ik woû, dat ik het niet zóo intens voelde! dacht hij pijnlijk. Het is zoo dwaas, dat ik het zóo voel! Misschien komt er niets en word ik honderd jaar, rustig en tevreden. Maar dit is onloochenbaar: dit is een feit: daar zijn ze! Ze zijn er!! Maar... als het moest komen, zoû ik het juist niet voelen: het komt altijd onverwachts. Het is niets dan ziekelijkheid van me, zenuwachtigheid, overspanning... Eigenlijk kan het me ook niet schelen, niets schelen. De lucht is mooi en zacht gedekt, en daar drijft een wolkje... En ik wil zoo zitten, zonder angst, en rustig... Maar daar zijn ze!!! De meeuwen vliegen vlak over het water. En ik wil wachten, wachten... En kijk, die jongens spelen met een scheepje: het is een klomp. Zoû het niet omkantelen?

Hij zag even met onwillekeurig belang naar het spel, toen weêr naar dien man en die vrouw. Zij waren zeer duidelijk geworden, recht onder zijn blik, en zij gingen voorbij, zonder iets te weten, emotieloos, als marionetten.

— Jawel, maar ik weet het! dacht hij. Daar zijn ze! En met hen komt het misschien. Maar... met hen gaat het misschien ook weêr weg, zoo maar, als eene dreiging. En zoo zal ik wachten, want het kan me niets schelen. Als het uit moet zijn, zal het uit zijn.

Ze verdwenen nu uit zijn oog. Ook de jongens waren verder gegaan met hun scheepje: het strand voor Bertie was leêg geworden, zeer wijd, als eene woestijn. En eensklaps overrilde hem eene [ 142 ] hevige trilling, eene koorts. Sidderend stond hij op, zijn gelaat zeer wit, zijne beenen wankelend. De angst had hem eensklaps geheel overheerscht en zweette op zijn voorhoofd uit in groote druppels.

— O God! dacht hij. Het leven is verschrikkelijk. lk heb het verschrikkelijk gemaakt. Het leven is ijzingwekkend. Ik ben bang. Wat zal ik doen; Wegloopen... Ach neen, ik zal maar wachten. Kan het me dan iets schelen? Neen, niets! Niets, Niets! Daar waren ze beiden, zij, en de vader... Ik ben wel bang. O, als het komen moet, God, o God, laat het dan maar gauw komen...

Toen werd het hem alsof zijne oogen zich vergist hadden en ze het niet waren geweest. Onmogelijk! Maar toch wist hij, dat ze het wèl waren geweest. De angst tokkelde hem steeds in zijne borst, gelijkmatig, met hooge hartslagen. En hij verwonderde zich nu zeer, dat hij nog oogen voor het scheepje van die jongens had kunnen hebben, terwijl daar beneden Eve liep met Sir Archibald. Zoû het niet omkantelen? zoo had hij ervan gedacht, van dat scheepje.


—————


III.


Er sleepten zich twee weken vol heet geschroeide zomerdagen voort, dat hij wachtte, steeds te moê, de minste poging te doen Frank over te halen heen te gaan van hier. Misschien had het hem slechts een enkel woord gekost. Maar hij [ 143 ] sprak dat woord niet, wachtende, en langzamerhand als onder de bekoring van dat wachten komende, als hoopte hij op het mysterie van eene belangwekkende toekomst. Hadden zij elkaâr nog niet ontmoet? Zouden zij elkaâr ontmoeten? Ontmoetten zij elkaâr, zoû er dan iets gebeuren? Het een schakelt zich onherroepelijk aan het ander, dacht hij: aan niets is iets te doen!

Het was Franks gewoonte veel thuis te blijven, stil levend tusschen zijn somber gedroom en zijn gymnastiek, zonder zich te bemoeien met het zomergewoel daar buiten, op strand en terras. Zoo waren er twee weken voorbij kunnen gaan, zonder dat hij de onmiddellijke tegenwoordigheid van haar bewust was geworden, voor wie Bertie vreesde! En zelfs niet de zweem van een voorgevoelen had Frank doen trillen in zijne zachte somberheid; onberoerd was hij blijven voortademen in de zelfde zeelucht, die zij ademde, zonder te voelen, dat er een geur van haar dreef in die atmosfeer. Hij zag niet den stap van haar schoentje op het strand vlak onder zijne villa, de kant niet van hare parasol, fladderend in het bereik van zijn blik, terwijl hij rustig rookte, de beenen op de balustrade. En zij moesten dikwijls samen op den zelfden stoomer getuurd hebben, fijn voortglijdend bijna aan den einder, als een uitgeknipt prentje, met zijn zeiltjes en zijn kolommetje rook, zonder dat hunne blikken elkaâr bewust werden, hoewel ze zich toch zeker kruisten, ergens over de zee.

Het was na die heet geschroeide weken een vuil grauwe dag, zonder zon, met regen boven in de [ 144 ] lucht drijvend in gezwollen wolken, als in bolle waterzakken.

Langs het strand was Frank gegaan, langs de zenuwachtig woelende zee; hooger stonden de mandstoelen nog, dicht bij elkaâr, bijna opgenomen; weinig menschen waren daar. Een desolate windroep klaagde over het water; het was een herfstdag vol verlatenheid en wegsterven van zomervreugde. En terwijl hij langzaam, met het luchtgeween om zijne ooren, was voortgewandeld, had hij haar zien naderen in het uitwaaien harer rokken en het wegfladderen van haar linten, hem tegemoet, en had hij... o God! haar herkend!

Het was hem of eene rotsmassa op zijne borst was gesmeten, in eens, met een reuzenworp en of hij vermorzeld er onder lag, zonder adem. En het ziedde in hem met pijn en blijheid tegelijk, rillend door zijn bloed en zijne zenuwen, opduizelend naar zijn hoofd. Zonder zoo te willen,stond hij stil en zonder zoo te willen, zeide hij het, een klank, onhoorbaar nog door wat afstand, verloren ook in het gehuil van den wind:

- Eve, mijn God, Eve!!

Maar de afstand bestond niet meer; nu was zij vlak bij hem, schijnbaar zoo kalm, omdat zij hem reeds dien morgen gezien had, zonder dat hij háar had gezien, omdat zij al haar eerste emoties geleden had, omdat zij daar lang geloopen had, in den wind, dicht bij de villa, waar zij hem in had zien gaan, in de hoop hem nog te zullen ontmoeten. Het ging door zijn hoofd of hij haar met den hoed groeten zoû, als een vreemde, of dat hij dit niet zoû doen, schijnbaar onverschillig, [ 145 ] er over heen, niet geroerd om eene toevallige ontmoeting, zonder eenige herinnering aan wat was geweest. En in zijne trillende ontroering verwonderde hij zich toch nog, dat zij zoo recht op hem afkwam, zonder aarzeling, beslist, als op een doel. In eene seconde prentte haar bleek, ernstig gelaat met de donkere oogen een, als van leven sidderenden, afdruk in hem af: hij zag haar geheel en al, nam haar geheel en al in zich op, als verslond hij haren aanblik in zijne ziel.

— Frank! sprak zij zacht, vóór hem.

Hij antwoordde haar niet, rillende van aandoening, nauwelijks kunnende zien door den glans van vocht, die over zijne oogen trok. Zij glimlachte weemoedig.

— Herken je me niet meer? sprak zij, met hare stem van gedempt zilver.

Hij knikte, onhandig iets mompelend, onhandig zijne hand uitstekend.

Zij drukte die even zacht en ging voort, steeds met haar zacht geluid, dat was als een echo:

— Neem me niet kwalijk, dat ik je zoo aanspreek, maar ik zoû je gaarne iets willen zeggen. lk ben blij je hier te ontmoeten, hier in Scheveningen, toevallig, misschien niet toevallig... Er heeft een misverstand tusschen ons geheerscht, Frank, en er zijn leelijke woorden tusschen ons gevallen. Wij zijn nu wel gescheiden, maar toch zoû ik met je willen spreken en je vergiffenis vragen, voor wat ik eens gezegd heb...

De tranen hokten in hare keel, zij kon zich bijna niet meer bedwingen, maar zij dwòng hare ontroering terug en rustig bleef zij voor hem staan, dapper als eene vrouw zijn kan, dapper met haren [ 146 ] zachten glimlach, waarin eene hopelooze berusting was, zonder aanstellerij, flink en eenvoudig.

— Neem het mij daarom niet kwalijk, dat ik je aanspreek en laat me je vragen, of je me vergeven wilt, als ik je eens gekrenkt heb, en of je voortaan eene zachtere herinnering aan me wilt bewaren.

— Eve, Eve! stamelde hij. Jij mij vergeving vragen? Ik was het, ik was het, die...

— O neen! hernam zij zeer zacht. Je bent het vergeten. Het was ik... Vergeef je het me?

Zij stak nu zelve haar hand eenvoudig uit en hij drukte die, met een grooten snik, die klokte in zijne keel.

— Dank je; zoo is het goed, ging zij voort. Ik heb ongelijk gehad, waarom zoû ik het niet bekennen? Ik beken het gulweg. Wil je papa niet eens komen opzoeken: wij logeeren in het Hôtel Garni. Heb je nu plannen? Ga anders met me meê. Het zal papa plezier doen.

— Goed, goed, stamelde hij, nu oploopend naast haar.

— Maar ontroof ik je aan niemand? Misschien wacht iemand je. Je bent misschien in dien tijd... getrouwd.

Zij dwong zich hem geheel en al aan te zien, met haar zachten glimlach: eene bleeke lieftalligheid, die droef-liefjes om hare lippen zweemde, en hare stem was zacht blank, zonder veel belangstelling. Maar hij schrikte van hare woorden, omdat ze iets bevatteden, dat nooit in hem was geweest: eene exotische gedachte, en die [ 147 ] zij overplantte in hem, zonder dat ze er wortel schoot, er dadelijk verleppend.

— Getrouwd?! O Eve, neen, neen, nooit, stotterde hij smeekend.

— Nu, het had immers kunnen zijn, zeide zij zacht effen.

Zij gingen een pooze zwijgend door, maar na een paar passen, gebroken door den toon zijner laatste woorden, wist zij hare aandoening niet meer in te toomen en zij begon zachtjes te snikken, als een zenuwachtig kind, met regelmatige snikjes, terwijl zij bleven doorloopen en hare tranen heur witte voile doorweekten.

Even voor het hôtel bleef zij stilstaan en zij zeide, zich beheerschende gedurende dien oogenblik:

— Frank, zeg het me oprecht: vindt je het niet verkeerd van me, dat ik je heb aangesproken? lk was het niet met mezelve eens of ik het doen zoû, maar ik woû zoo graag mijn ongelijk bekennen en je om vergeving vragen. Zeg, veracht je me, omdat ik gedaan heb, wat een ander meisje misschien niet gedaan had?

— Verachten!! Ik je verachten! bracht hij snikkend uit.

Maar hij moest zich in eens bedwingen, want enkele wandelaars, weinige maar op dien dag van wind en dreigend regenweêr, kwamen hen te gemoet. Zij liepen nog enkele passen voort, als misdadigers hunne hoofden buigend onder den blik dier vreemden. Toen gingen zij het hôtel binnen.

—————

[ 148 ]

IV.


Sir Archibald ontving Frank wat koel, maar beleefd. Toen liet hij hen alleen en dadelijk begon Eve:

— Ga zitten, Frank. Ik moet je iets zeggen.

Verwonderd nam hij plaats; haar toon was zakelijk geweest, hare aandoening was teruggedrongen en zij scheen zich even te bezinnen als wilde zij logisch iets uit elkaâr zetten.

— Frank, sprak zij. Je hebt immers eens een brief aan papa geschreven; is dit zoo?

— Ja, knikte hij treurig.

— Is dit zoo? riep zij heftig.

— Ja! herhaalde hij; eens aan Sir Archibald en tweemaal aan jou.

— Ook nog tweemaal aan mij? kreet zij smartelijk.

— Ja, knikte hij weêr.

— En je kreegt geen antwoord, ging zij kalmer voort. Heb je ooit wel nagedacht, waarom?

— Waarom?.. herhaalde hij, verwonderd. Omdat je boos was, omdat ik zoo ruw was geweest...

— Neen, schudde zij beslist. Eenvoudig hierom: omdat wij die brieven nooit ontvingen.

— Wat? kreet hij uit.

— Omdat wij die brieven nooit ontvingen. Onze knecht William, schijnt er belang bij gehad te hebben ze achterwege te houden.

— Belang? herhaalde Frank, dom verward. Waarom?

— lk weet het niet, ging Eve door. lk weet alleen dit: onze meid, Kate, je weet wel, kwam [ 149 ] eens huilende bij me en vertelde me, dat ze niet meer bij ons wilde blijven, omdat ze bang was voor William, want hij had gezegd, dat hij haar zoû vermoorden. Ik vroeg haar wat er gebeurd was en toen vertelde ze mij, dat ze eens op het punt was geweest een brief binnen te brengen aan papa, een brief van jouw hand: ze kende je hand. Vlak bij de deur was William haar achterop gekomen en had haar ruw den brief uit de hand gerukt, zeggende, dat hij dien wel zoû binnen brengen. In plaats van dat te doen, had hij den brief intusschen in zijn zak gestoken. Zij had hem gevraagd wat dat beteekende; toen hadden zij oneenigheid gekregen en sedert was ze bang voor William. Zij had mij dit al lang willen vertellen, maar het alleen niet gedaan uit angst voor hem. Wij ondervroegen William, die brutaal werd en zich beleedigd achtte, omdat we zijn eerlijkheid verdachten; papa liet daarop zijne kamer onderzoeken om te zien of hij meer brieven of andere dingen had gestolen. Er werd intusschen niets gevonden, noch gestolen voorwerpen, noch brieven. Ook niet de brief aan papa, die dus de laatste schijnt geweest te zijn van de drie, die je ons schreef?

— Ja, knikte Frank verbijsterd.

— Papa joeg William weg. En... wat woû ik je toch ook nog zeggen? God, ik weet het niet meer... Dus je hebt ons driemaal geschreven?

— Ja, driemaal, sprak Frank.

— En wat schreef je? vroeg zij, opnieuw regelmatig zacht snikkend in hare keel.

— Of je me vergeven woû, of... of alles weêr [ 150 ] worden kon als het geweest was. Ik bekende ongelijk.

— Je hadt het niet.

— Het is mogelijk. Ik weet het niet meer. Toen voelde ik het zoo. Ik wachtte en wachtte op een enkel woord van jou of van je vader. En ik kreeg niets.

— Neen niets! snikte zij. En toen?

— Wat zoû ik toen gedaan hebben?

— Waarom ben je niet zelf gekomen, o, waarom ben je niet eens zelf naar ons toe gekomen! vleide zij, smartelijk verwijtend.

Hij zweeg een oogenblik, zijne gedachte verzamelend, zich niet meer herinnerend.

— Zeg Frank? smeekte Eve. Waarom ben je zelf niet gekomen?

— Ik weet het niet meer! sprak hij suf.

— Heb je daar dan geen enkel oogenblik over gedacht?

— Ja, jawel! stamelde hij.

— Maar waarom dan niet?

Hij barstte in eene snikkende smart uit, zijne tranen opetend, radeloos.

— Omdat ik gebroken was: omdat ik me zoo ongelukkig voelde, zoo ontzettend ongelukkig. Ik had altijd cynisch gedacht over vrouwen en van ze te houden en dat alles en toen... toen met jou...!! Het was zoo nieuw, zoo frisch voor me, ik voelde me als een jongen, ik was verliefd op je en ik hield van je, ook niet alleen omdat je mooi was, maar om alles wat je zei of deê, omdat je was zooals je was, zoo kalm altijd en zoo lief... o God, ik aanbad je. En toen is dat alles gekomen, dat getwijfel en die akeligheden, ik weet het nu [ 151 ] alles niet meer en ik voelde me toen zoo alleen, en zoo gebroken. Ik had toen maar willen doodgaan, o Eve, Eve!

— Je hadt dus berouw! En je kwam niet bij me?

— Neen!

— God, waarom niet?

— Ik heb willen komen!

— Waarom heb je het dan niet gedaan?

Weêr dacht hij even na, weêr suf.

— O ja: nu geloof ik, dat ik het weet! sprak hij langzaam. Ik woû naar je toe gaan en toen zei Bertie...

— Wàt zei Bertie?

— Dat hij het misselijk van me zoû vinden als ik ging, laf, laag en misselijk.

— Waarom?

— Omdat je me niet vertrouwd hadt.

— En toen?

— Toen... toen gaf ik hem gelijk en ben ik niet gekomen.

Zij wierp zich woest op eene bank, brekend onder hare smart, die steeds in haar snikte en snikte.

— Dus omdat Bertie zei...! kreet zij verwijtend.

— Ja, alleen om hem! sprak hij dof! O God, alleen om hem...

Zij zwegen. Toen richtte Eve zich op en zij rilde. Haar gelaat was wit, als zonder bloed, hare oogen staarden als met krankzinnige blikken van verweerd glas.

— O Frank! riep zij. Frank, ik word zoo bang! Daar komt het!

— Wat is er? vroeg hij, zacht verschrikt...

— Ik voel het over me heen komen! kermde [ 152 ] zij steenend. Het is net een ver geluid van een donder, zoo dreunend in mijne ooren en in mijn hoofd.O God, daar komt het, Frank, o Frank! Daar is het, boven me, boven me!! Het dondert boven me!!!

Zij sloeg, gillend, met haar arm zenuwachtig angstig in de lucht, iets wegwerend, en geheel haar tenger lichaam schudde als met geheimzinnige electrische trillingen. Heur adem stootte met schokken door hare keel. Toen wankelde zij en hij dacht, dat ze flauw zoû vallen en ving haar op in zijne armen.

- Eve, Eve! riep hij...

Zij liet zich door hem meêsleepen naar de bank, zonder weêrstand; trots hare hallucinatie, gelukkig in zijne omhelzing, en zij bleef daar zitten tegen hem aan, in zijn arm, zich dringend tegen zijne borst.

- Eve, toe Eve! smeekte hij. Wat heb je?

- Het dreunt nu weg, fluisterde zij, bijna onhoorbaar. ja, nu, nu is het weg . . . Dat komt zoo over me in den laatsten tijd, heel dikwijls: het bruist aan, heel langzaam en zachtjes, en dan bruist het daverend boven mijn hoofd en dan weg, ver weg sterft het weg... En daarna ben ik zoo bang; het is of het een angst is, die over me heen bruist en die me zoo bang maakt. Wat zoû het zijn?

- lk weet het niet. Overspanning misschien? troostte hij.

- O, hoû me zoo, smeekte ze lief. Hoû me zoo tegen je aan. Anders, als ik alleen ben, en het is over me heen gegaan, dan blijf ik zoo [ 153 ] doodsbang achter, maar nu, nu heb ik jou, nu heb ik je weêr: je zal me niet meer van je af gooien, en je zal me beschermen, je arm kind, je Eve, nietwaar? O ja, nu heb ik je weêr! Ik voelde het, dat ik je ééns weêr zoû krijgen en iederen zomer drong ik er bij papa op aan naar Scheveningen te gaan, omdat ik zoo een idee had, dat ook jij weêr eens in Holland zoû komen, in Den Haag, in Scheveningen en dat als we elkaâr moesten ontmoeten, het hier zoû zijn... En nu is het ook zoo uitgekomen en nu heb ik je weêr... Hoû me dicht tegen je aan, zoo in beide je armen, in beide... Dan zal ik niet meer bang zijn...

Zij vlijde zich dichter en dichter tegen zijne borst, haar hoofd op zijne schouder, en toen, met de stem van een kind:

— Kijk eens! sprak ze en ze toonde hem haar pols.

— Wat? vroeg hij.

— Dat litteeken... Dat heb jij gedaan.

— Heb ik...!

— Ja... Je hadt me zóó aan mijn polsen beet.

Hij gevoelde zich troosteloos weemoedig, zelfs trots haar weêrbezit, en hij zoende den smallen streep van het litteeken met kleine kusjes. Zij lachte even.

— Het is een armband! schertste zij.



[ 154 ]

V.


Plotseling schrikte hij echter op.

— Eve... begon hij, zich bedenkend. Wie? Waarom?

— Wat? vroeg zij, zacht lachend en wat moe, na die hallucinatie van donder.

— Die brieven en William... Waarom? Wat kon het William schelen? Louter nieuwsgierigheid om ze te lezen?

— Dan had hij toch zoo ruw niet dien eenen brief van Kate weggerukt. Neen, neen...

— Geloof je dan, dat hij er belang bij had...

— Ja...

— Maar wat dan? Wat kon het hem schelen of ik je schreef of niet schreef?

— Misschien handelde hij...

— Wat Eve?

— Voor een ander.

— Voor wien? Wat kunnen mijne brieven een ander schelen. Wie kan er belang bij hebben, dat ze niet terecht kwamen?

Zij richtte zich even op en zag hem lang aan, voor zij sprak, zeer angstig voor wat zij hem vragen ging.

— Zoû je heusch niemand weten? vroeg zij.

— Neen.

— Wist niemand van je brieven af?

— Alleen Bertie.

— O, alleen Bertie! sprak zij dof.

— Maar Bertie... toch niet? vroeg hij, zelf verontwaardigd om de onmogelijkheid zijner voorstelling.

[ 155 ] — Misschien... fluisterde zij, bijna onhoorbaar. Misschien Bertie...

— Onmogelijk Eve! Waarom! Wat? Hoe?

Zij liet zich weêr zinken in hare vorige houding, tegen hem aan, rillende nog onder den nadruk van dien weggeratelden donder. En zij sprak:

— Ik weet het niet, ik dacht alleen maar... Ik heb er twee jaar iederen dag aan gedacht. En toen heb ik veel raadselachtigs gevonden in wat ik vroeger niet raadselachtig en zelfs sympathiek vond... in Bertie. Je weet, we spraken dikwijls samen, zelfs alleen. Je was soms wat jaloersch, maar daar hadt je nooit de minste reden voor, want er is nooit dat tusschen ons geweest. We waren altijd als broêr en zuster. We spraken veel over jou. Later heb ik over die gesprekken nagedacht en toen scheen het mij, dat Bertie...

— Dat Bertie...?

— Dat hij niet zoo over je sprak als een goed vriend zoû doen. Ik weet het niet... onder die gesprekken zelve kwam die gedachte nooit bij me op, omdat Bertie zoo eene stem had en zoo eene manier van spreken... ik meende dan, dat hij het goed met ons voor had en dat hij veel van ons hield, maar dat hij bang was, dat er iets gebeuren zoû, een ongeluk, eene catastrofe, als wij trouwden. Hij scheen te vinden, dat wij niet moesten trouwen. Toen ik later over zijne woorden nadacht, heb ik er dat in gevoeld. Hij scheen heusch te vinden, dat wij... dat wij niet moesten trouwen.

Zij sloot hare oogen, zeer moê van het ronddolen in die geheimzinnigheid des verledens, en zij zuchtte en streelde zijne hand, die zij in de [ 156 ] hare had. En ook hij doolde rond in dat labyrinth van mysterie, zonder te vinden. Ook hij dacht zich nu terug en hij herinnerde zich iets van hunne laatste dagen te Londen: hij herinnerde zich Bertie's harde woorden, toen hij, Frank, gezegd had naar de Rhodes' te willen gaan; hij herinnerde zich Bertie's vleien en drijven om Londen te verlaten, om de wereld rond te zwalken... Zoû Bertie...? Had Bertie eenig belang...? En hij zag het niet in, in den eenvoud zijner onpractische, achteloos milde vriendschappelijkheid, die nooit geld geteld, die het steeds gedeeld had met een ander, omdat hij veel had en die ander niets; hij zag het niet in, omdat hij over dat alles nooit had nagedacht in zijne vreemde onverschilligheid voor alles wat naar geldzaken zweemde: eene onverschilligheid, die als eene lacune in zijn begrip was, zooals een ander lacunes heeft waar het politiek, of kunst, of wàt ook betreft: dingen, waar hij niets om geeft, waarvan geen spoor in hem is, waarover hij het hoofd schudt als over abracadabra. En hij zag het niet in.

— Zie je, zoo heb ik later gemeend, dat Bertie indertijd vond, dat wij niet moesten trouwen, herhaalde Eve droomend, en toen, verloren in de geheimzinnigheid, die het leven om haar heen gesponnen had:

— Zeg Frank, wat was er toch in hem? Wat was hij, hoe was hij? Waarom heb je nooit veel over hem willen spreken? Ik heb dat later wel gemerkt, later, gedurende die twee jaren, toen ik zoo veel heb nagedacht.

Hij zag haar met ontzetting aan; een moordend [ 157 ] zelfverwijt doorvlijmde hem bij de gedachte, dat hij haar nooit gezegd had, dat Bertie niets bezat en van het geld zijns vriends leefde. Waarom had Frank haar dat nooit willen vertellen? Om zekere schaamte, dat hij zoo was, zoo onverschillig, zoo dwaas mild met iets, waar anderen zoo berekenend mee zijn? Zoo dwaas mild, ja mild tot krankzinnigheid toe!

Steeds met ontzetting zag hij haar aan. Toen flitste een vermoeden der waarheid als een korte weêrlichtzigzag dwars door zijn zelfverwijt heen, en hij schrikte voor dat witblauwe licht der waarheid...

— Eve! sprak hij schor. Ik ga naar Bertie toe...

— Naar Bertie toe!! gilde zij. Is hij dan hier!?!

— Ja...

— Is hij hier! O, ik had niet meer aan hem gedacht... Ik dacht, dat hij weg was, ver weg, misschien wel dood. Het kon me niet schelen, wat er met hem gebeurd was... O God, is hij hier!! Frank, ik smeek, je, Frank, laat hem, ga niet naar hem toe.

— Jawel Eve, ik moet het hem vragen...

— Frank, o Frank, o God ga niet! Ik ben bang, ik ben bang... Ga niet!

Hij zoende haar met zijn zacht treurigen glimlach, zweemend onder zijne gouden snor, met zijne zachte somberheid in zijne trouwe oogen; hij zoende haar zacht, zeer zacht, om haar gerust te stellen.

— Wees niet bang, lieveling. Ik zal kalm zijn. Maar ik moet het hem toch vragen, nietwaar. Wacht me hier. Ik kom van avond terug.

— Zal je heusch kalm zijn? O, ga liever niet. ..

— Ik beloof het je, ik zal heel kalm, héel kalm zijn . .

[ 158 ] Met zijne liefste innigheid omhelsde hij haar, vast, vast.

— Je bent dus weêr van mij? vroeg hij.

Zij sloeg heur armen om zijn hals en kuste zijn mond, zijne oogen, geheel zijn gelaat.

— Ja, antwoordde ze. Ik ben weêr van jou... Doe met me, wat je wilt...

— Tot straks! sprak hij.

Toen ging hij. Alleen gebleven, zag zij huiverend om zich heen, als zocht ze naar iets waarvoor ze vreesde. Ze was zeer bang voor zichzelve en voor Frank, vooral voor Frank. In eene seconde rees haar angst tot eene onduldbare ontzetting. In den corridor hoorde zij haar vader aankomen: ze herkende zijn slependen tred. Het was haar onmogelijk Sir Archibald thans te zien; zij greep een regenmantel, wikkelde er zich haastig in, trok den capuchon over heur hoofd en ijlde weg...

Buiten stortregende het.




VI.


Frank vond Bertie thuis. En Bertie zag het aanstonds, dat het was gekomen, zag het aan Franks vertrokken gelaat, hoorde het aan den schorren klank zijner stem. En tegelijk voelde hij, dat de verslapte veeren zijner wilskracht zich wilden spannen, in wanhoop, ter verdediging en dat zij niet konden.

— Bertie, begon Frank. Ik moet je spreken, ik moet je iets vragen.

[ 159 ] Bertie zweeg. Zijne beenen trilden en hij bleef zitten, in een ruimen rieten stoel, roerloos.

— Ik heb daar straks Eve ontmoet, ging Frank voort, en ik ben met haar naar haar vader geweest. Sir Archibald vertelde me, dat ze hier al een paar weken waren...

Bertie bleef zwijgen, op hem starende met zijne zwarte oogen, en het zwarte diamant er van werd vuil troebel van angst. Voor hem bleef Frank staan en hij streek nu met zijne hand over het voorhoofd, verward... Hij had eerst logisch een verhaal en daarna, kalmweg, eene vraag willen doen, maar iets wat hij niet had kunnen beschrijven, ergerde hem inde matte poesenhouding van Bertie, ergerde hem voor het eerst in al den tijd, dien zij elkander kenden. Het ergerde hem, dat Bertie daar half liggen bleef, kwijnend bevallig, zijne mooie hand afhangende op de leuning van den stoel, en hij zag niet, dat die houding op dit oogenblik eene pose was om eene, al te overmeesterende, aandoening te verhelen. En zijn wensch om logisch te verhalen en te vragen versmolt eensklaps in die ergernis en liet het hevig verlangen opsuizen spoedig te weten, spoedig...

— Hoor eens, Bertie. Je weet wel die brieven, die ik vroeger in Londen geschreven heb... Eve vertelde me, dat ze achter zijn gehouden door William, hun knecht... Weet jij daar ook iets van?

Bertie zweeg, maar zijn oog hing steeds aan Frank en de troebele blik er van smeekte.

— Niemand wist iets van het bestaan van die brieven af, dan jij... Kan jij dus ook vermoeden welk belang William er bij had ze te verduisteren?

[ 160 ] - Neen, hoe zoû ik... murmelde Bertie half hoorbaar.

- Kom allons, spreek op! ging Frank ruw voort en hij trilde in al zijne spieren. Het kan niet anders of je moet er iets van weten, het kan niet anders. Spreek op...

Alle wil tot verdediging vloeide in de kracht van Franks stem weg. Nauwelijks ook bespeurde Bertie eenige nieuwsgierigheid in zich naar wat er had moeten voorvallen om William te verraden. En hij voelde dat het gemakkelijk zoû zijn zich geheel en al te geven, zonder veinzerij, omdat datgene, waar hij weken lang voor gevreesd had, nu toch gekomen was, onherroepelijk noodlottig; omdat wat er verder gebeuren zoû, zoû gebeuren, onherroepelijk noodlottig... En in die zwakte gevoelde hij ook een vreeselijken weemoed, eene hopelooze treurigheid, dat hij was als hij was en dat alles was als het was...

- Nu dan: ja... fluisterde hij, doodmoê. Ik weet het...

- Wat weet je?

- Ik was het, die...

- Die wat...

- Die William omkocht... om die brieven niet binnen te brengen.

Verbijsterd bleef Frank hem aankijken, een nevel trok over zijne oogen, het duizelde om hem heen: hij wist niets meer, begreep niet meer, vergetend, dat even te voren de waarheid door hem heen gebliksemd had.

- Jij!...Jij!... stamelde hij. Mijn God, waarom? Waarom?

[ 161 ] Toen stond Bertie wankelend op en hij snikte, snikte luid.

- Omdat... omdat... ik weet het niet, ik kan het niet zeggen, het is te vreeselijk!

Maar Frank greep hem bij de schouders, schudde hem en heesch brulde hij:

- Vervloekte fielt, wil je het nou zeggen, waarom? Wil je het nou zeggen, waarom? Of moet ik het je uit je lijf trappen? Waarom? Zeg je het haast?

- Omdat... omdat... snikte Bertie, wringend zijne witte handen.

- Zeg het, voor den dag er meê, zeg het...

- Omdat ik bij je woû blijven, en omdàt ik niet bij je kon blijven als je trouwde... Ik hield van je en... en...

- Spreek op, je hieldt van me en toen...

- En je was zoo goed voor me, je gaf me alles, ik zag er tegen op, weêr te zwoegen met het leven; ik had het zoo heerlijk bij je. Frank, Frank, hoor naar me, laat me even uitspreken, voor je iets zegt, voor je boos wordt; laat het me je verklaren, veroordeel me niet, voor je weet... O God, het was gemeen van me, dat ik dat alles deed, maar laat het me je nu eerst zeggen en word er nog niet boos om, Frank, vóor dat je alles weet, àlles... Frank, zie me zooals ik ben, ik ben zooals ik ben, ik kan het niet helpen, dat ik zoo ben, ik zoû gaarne anders willen zijn... En ik heb gehandeld, zooals ik handelen moest, ik kon er niets aan doen, ik werd er toe gedwongen, door machten buiten me. O Frank, ik was zoo zwak, zoo moê en ik rustte bij je uit en, o je [ 162 ] mag het gelooven of niet, ik hield van je, ik verafgoodde je... En je woû me van je wegjagen om me weêr te laten zwoegen... Toen, toen heb ik het gedaan... O, God, toen heb ik het gedaan... Hoor naar me, Frank, laat het me je zeggen, het moet er nu uit, het mòet er uit, in eens... Ik deed Eve gelooven, dat je niet van haar hieldt, ik maakte, dat ze aan je twijfelde, dat het àf werd tusschen jullie... De brieven, later, hield ik tegen... Ik deed alles, àlles, Frank, en ik heb me er om veracht, terwijl ik het deed, omdat ik niet anders was, dàn ik was. Maar ik kon er niets aan doen, ik was nu eenmaal zóo... O je begrijpt me niet, ik ben zoo gecompliceerd, dat je dat niet begrijpt, maar probeer het even te begrijpen en dan zàl je me begrijpen en misschien wel vergeven, Frank, misschien wel vergeven oók... O ik bid je, gelóof toch, dat niet alles egoïsme in me is, en dat ik veel, zielsveel van je hoû, zooveel als een man bijna nooit van een anderen man houdt, omdat je zoo goed voor me was... Ik zal het je bewijzen: ben ik niet bij je gebleven, toen je in Amerika al je geld verloor? Was ik toen niet weggeloopen, als ik egoïst was geweest? Maar ik bleef bij je, ik werkte met je samen en we deelden alles en we waren gelukkig. O, waarom is het niet zoo gebleven... Nu heb je haar ontmoet, en nu...

- Heb je genoeg geraaskald! brieschte Frank. Jij deed het dus, jij vernietigde alles wat mooi in mijn leven was!! God, hoe is het mogelijk! Neen, je hebt gelijk, ik begrijp je niet, ik begrijp dat niet! eindigde hij, terwijl hij, rood van [ 163 ] opstijgend bloed, met uitpuilende oogen, hatelijk lachte.

Sidderend was Bertie op den grond neêrgevallen en hij snikte, snikte door.

- O, probéer dan even te begrijpen! smeekte hij. Probeer dan even een mensch te zien, zooals hij is, in al zijne troostelooze naaktheid, zonder conventioneele mooiigheid er om heen! O God, ik zwéer je, dat ik liever anders zoû zijn... Maar kan ik er iets aan doen, dat ik zoo ben? Ik word geboren, zonder het te vragen; ik krijg hersens, zonder het te willen; ik denk, en ik denk anders dan ik zoû willen denken, en zoo word ik geslingerd door het leven, als een bal, als een bal... En wat heb ik in dat geslinger om me in evenwicht te houden... Wilskracht, geestkracht? Ik weet niet of jij zoo iets hebt! maar ik heb nooit, noóit, nóóit zoo iets in me gevoeld, en als ik wat doe, moet ik het zoo doen, omdat ik het niet anders kan doen, want al is de wil in me anders te doen, de kracht en de macht er toe zijn er niet! O, geloof me, ik veracht mezelven, gelóof dat toch, maar begrijp me, en vergeef me, Frank...

- Je raaskalt! bulkte Frank. Je bent krankzinnig. Ik weet niet wat dat voor woorden zijn, ik begrijp daar op dit oogenblik niets van en al begreep ik het, zoû ik het op dit oogenblik niet willen begrijpen. Ik begrijp alleen dit, dat je mijn alles vergooid hebt, dat je mijn geheele leven tot niets waard hebt gemaakt, en dat je een schurk bent omdat je een knecht hebt omgekocht mijne brieven achterbaks te houden, uit louter plat gemeen, onpeilbaar gemeen egoïsme. Omgekocht!! Zeg schurk, ellendeling, laffeling... omgekocht... [ 164 ] God, waarmeê heb je hem omgekocht! Zeg het, waarmeê, waarmeê?!

— Met... met... stamelde Bertie, verschrikt, want Frank had hem bij zijn vest gepakt, terwijl hij half op den grond lag en schudde hem, schudde hem.

— Voor den donder, ellendeling, heb je hem omgekocht met mijn geld, met mijn geld! Zeg het, zeg het, of ik trap het uit je!

— Ja...

— Met mijn geld!

— Ja, ja, ja!

Frank wierp hem van zich af, met een kreet van minachting, een zwaar gekrijsch van viesch zijn over zoo iets...

Maar het was in Bertie eene reactie na zijne deêmoedigheid van zoo even. O, de wereld was dom, de menschen waren dom, Frank was dom, want hij begreep niet, dat een indidivu was, als hij was, hij kon dat niet begrijpen, hij brulde in zijne barbaarsche woede door als een wild beest, gedachteloos, hersenloos. En hij, Bertie, hàd hersenen. Het was wel gelukkiger er geen te hebben! O, hij benijdde Frank om dat gemis.

Hij richtte zich van den grond op, in eens, met ééne beweging.

— Ja dan, ja, ja! tergde hij sissend. Als je het niet begrijpt, als je te stom bent om het te begrijpen, ja dan, ja, ja! Ik heb hem omgekocht met jouw geld, dat je zoo goed was me er voor te geven, en den laatsten dag nog, toen we weggingen uit Londen, heb je me nog honderd pond er voor gegeven, om hem om te koopen, herinner je je maar, om William om te koopen!! Je begrijpt [ 165 ] niets, hè, je begrijpt niets! Je bent een stom wild beest, zonder hersens! En ik benijd je, dat je geen hersens hebt! Vroeger had ik er ook geen, en weet je hoe ik er aan gekomen ben? Door jou! Vroeger zwoegde ik en werkte ik en ik dacht niet na en het kon me niet schelen, ik at als ik wat had, en ik leed honger, als ik niets had. En ik was gelukkig! En jij, jij hebt me lekker laten eten en wijn laten drinken en je hebt me aangekleed en ik had niet te werken, en ik heb niets gedaan dan denken, denken, in mijn misselijk niets doen van allen dag! En nou, nou woû ik wel mijn schedel opensplijten, en je mijn hersens in je gezicht gooien, omdat je me zoo gemaakt hebt, zoo fijn en zoo vol gedachte! Je begrijpt niets, hè? Nu, begrijp dan ook maar niet, dat ik op dit oogenblik niets geen dankbaarheid meer voel voor alles, ja voor álles wat je voor mij gedaan hebt, dat ik je haat om al wat je voor me gedaan hebt, dat ik je er om veracht, en dat je mijn leven nog ongelukkiger hebt gemaakt, dan ik het jouwe! Begrijp je dat eindelijk, begrijp je dàt eindelijk, hè, dat ik je veracht, je haat, je hàat, dat ik je hààt?!!

Hij had zich geplaatst achter eene tafel, van daar zijne woorden uitsissend in een paroxysme van zenuwoverspanning, en hij voelde zich of alles in hem springen zoû als met te hard uitgewrongen touwen. Hij had zich daar zoo geplaatst, omdat Frank vóór hem stond, aan den anderen kant der tafel, de oogen glazig wit en bloeddoorschoten, uitpuilend in zijn vuurrood gelaat, met zwellende neusvleugels, den rug gebogen, de vuisten gebald [ 166 ] als klaar om op hem te springen. En het scheen alsof Frank wachtte, tot Bertie hem al de modder zijner woorden in het gezicht zoû gespuwd hebben.

— Dat ik je haat, je hàat!! krijschte Bertie nog eens, daar hij niets meer vond te zeggen, uitgeput van woorden.

Toen slaakte Frank, als een beest brieschend, een geluid, niet menschelijk meer, en hij nam zijn sprong, over de tafel, die kantelde, stortte neêr met al de zwaarte zijner forschheid op Bertie, hem dadelijk tot op den grond neêrknakkende als een riet. Hij pakte Bertie bij de keel, slierde hem woest tusschen de pooten van de tafel heen, naar het midden der kamer, kwakte hem met één smak op den grond en smeet zich op hem, zijne zware vierkante knie drukkend op Bertie's borst, zijne linkervuist als eene schroef om Bertie's hals. En een droog gevoel, als een dorst van wreedheid, schroeide in Franks keel en hij slikte twee-, driemaal met een beestelijken grijns om den mond, beestelijk blij, dat hij hem zoo had, in zijne macht, in zijne linkervuist, onder zijne knie. En hij balde zijne rechter en hief zijn arm op als een hamer, brieschend.

— Daar, daar, daar... brieschte hij, brieschte hij door...

En telkens viel de mokerslag neêr op Bertie... daar... daar... daar... viel neêr op zijne oogen, op zijn neus, op zijn mond, op zijn voorhoofd, telkens op zijn voorhoofd, waar de slag dof weêrklonk, als op metaal. Een rood waas steeg gazig voor Franks blik; hij zag alles rood: purper en scharlaken en vermillioen, dat in bloedige [ 167 ] wentelingen voor zijne oogen draaide als met raderen en in een vreemd aureool van bloedstralen een verwrongen masker deed grijnzen onder het gemartel van zijn vuistslag. De vierkante ruimte der kamer zwom in al dat rood, als vulde zij zich met tastbare roode verschrikkingen, steeds draaiend, draaiend om Frank heen als purperen duizelingen, vermillioenen krankzinnigheden, nachtmerries van bloed... En de slagen volgden elkaâr snel op, daar, dàar, dààr en de linkervuist schroefde zich stijver om den hals van het masker...

Maar de deur was opengesmeten en zij, Eve stortte dwars door het waas van rood op hem toe, dat rood verscheurend, het verdrijvend door het bewegelijk levende harer verschijning.

— Frank! Frank! gilde zij. Houd op, ik bid je, houd op, je vermoordt hem!

Hij liet zijn arm zakken en zag haar aan, wezenloos. Zij poogde hem weg te trekken, af te rukken van het verpletterde lichaam, waaraan hij zich in zijne bloedwoede als een vampyr vastklampte.

— Houd op, Frank, laat hem opstaan, bid ik je, vermoord hem niet... Ik was achter de deur, ik was bang, ik verstond je niet, omdat je Hollandsch sprak... O God, wat heb je hem gedaan, zie, zie hem, hoe hij er uitziet!

Wankelend van zijne roode duizelingen was Frank opgestaan en hij moest zich vasthouden aan een meubel.

— Hij heeft zijn verdiend loon, ik heb hem afgeranseld, en ik zal hem nog eens, nog eens...

Hij wilde zich opnieuw neêrstorten, met zijn [ 168 ] beestelijken grijns om den mond, zijn dorst van wreedheid schroeiend in de keel.

— Frank, Frank! riep Eve en zij hield hem in beide hare handen tegen. In Godsnaam, laat het genoeg zijn! O, zie hem! Zie hem!

— Nu goed, laat hem dan opstaan, knarste Frank; laat hem dan opstaan! Sta op, ellendeling, gauw, sta op...

Hij gaf hem een schop, nog een schop, weêr een, om hem te doen opstaan. Maar Bertie bleef liggen.

— God, Frank, zie dan toch! riep Eve en zij knielde neêr bij het lichaam. Zie je het dan niet!!

Zij wees het Frank en voor het eerst, als ontwakende uit zijn droom van rood, zag hij het nu, zag hij het met afgrijzen. Het lag daar, de beenen, de armen verstuiptrekt, verwrongen, den romp ademloos stil in zijn flarden ironisch licht zomerlaken, en het gelaat was een blauw en groen en violet wanhoopsmasker, overspat met een zwart purper, dat lekte uit ooren en neus en mond in langzame stralen van slijmerig donker vocht, dat op het tapijt neêrtappelden, in drup, na drup. Het eene oog was een vormloos half gestolde, half liquide vlak, het andere puilde uit zijn ovale kas, als een groote opaal van treurigheid. Om den hals scheen zich een zeer breede paarse halsband te snoeren. En het was, nu zij beiden op dat gelaat staarden, of het zwol, steeds opzwol in eene afzichtelijke herschepping van onherkenbaarheid...

Het stortregende steeds. En zij bleven stil staren op die afzichtelijkheid, vóor hen op den grond roerloos uitbloedend, in een looden stilte binnen, [ 169 ] met buiten het geklater van het water, eindeloos, eindeloos door. Eve had hem, knielend, even, sidderend van afkeer, aan het hart gevoeld, er aan geluisterd, haar hoofd drukkend tegen dien ademloozen romp, vlak onder de afzichtelijkheid, om te weten... En zij was rillende opgestaan, was zachtjes aan achteruit gedeinsd, met haar oogen steeds op dàt daar vóor haar en zoo had zij zich tegen Frank geperst, of zij één met hem wilde worden, in haren angst.

— Frank, God Frank... Hij is dood! stamelde zij, bloedeloos bleek. Je hebt hem vermoord...!

Hij antwoordde niet, steeds starende. In zijne armen hangend, zag zij zenuwachtig het vertrek rond, bang, bang... In eens omklemde zij hem in hare omhelzing en het was haar of zij zich, in zijne armen, in een afgrond stortte, in een afgrond van bloed.

— Frank! schreeuwde zij. Frank, hij is dood! Laten we weggaan, ver weggaan, laten we vluchten!

— Is hij dood? vroeg hij wezenloos.

Eene bezinning kwam over hem, zachtjes áanlichtend als een afgrijselijke dageraad. Hij maakte zich los uit hare armen, knielde zelf, hoorde, voelde zelf, dacht even vaag aan dokters, aan verplegen... En toen sprak hij dof, zeker van hetgeen hij zeide, onzeker van hetgeen hij doen zoû:

— Ja, hij is dood, hij is dood... Wat moet ik...?

Zij klemde zich steeds aan hem vast, hem smeekend te vluchten, ver te vluchten. Maar er scheen meer en meer helderheid en dag in zijne verwarring te komen: hij maakte zich opnieuw [ 170 ] van haar los, geheel, en wilde heengaan, zijne hand reeds op den deurknop.

— Frank, Frank! schreeuwde zij, want ze zag, dat hij haar verlaten wilde.

— Cht! fluisterde hij vreemd, met den vinger op den mond. Blijf hier. Blijf bij hem waken. Ik kom terug...

En hij ging. Ze wilde hem volgen, zich vastklemmen áan hem in een angst van ontzetting, maar hij sloot reeds de deur achter zich en hare trillende beenen vermochten zich nauwelijks te verzetten. Huiverend zag zij naar het lijk. Het lag daar steeds, met zijn opgezwollen, verbrijzeld, paars masker, vaal akelig in den valschen namiddagschijn, die schuins door het gordijn van regen binnen neêrzeefde. Heur adem hijgde benauwd in hare keel, zij snakte naar lucht, wilde het venster openrukken, daar zij er dichter bij was dan bij de deur...

Maar zij vermocht het niet, want buiten, door het bewasemde glas der ruiten heen, zag zij de tragische lucht, vol voortdrijvende, zwartgrauwe wolkengebergten en zag zij den regen, met rechte zondvloedstralen neêrklateren, en zag zij de zee, somber en dreigend als een naderend gevaar van woedend schuimwater, schemeren door het floers van stortregen heen...

Molde! Molde! stamelde zij in eene ontzetting, die haar ijskoud maakte. De lucht van Molde! Het fjord van Molde! Toen ik het voor het eerst gevoeld heb!...! O God, help, help...

En zij stortte neêr op den grond, flauw.