Jan Ligthart/Jeugdherinneringen/Goede school

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Goede school

Auteur Jan Ligthart
Genre(s) Opvoeding en onderwijs
Brontaal Nederlands
Datering 1914
Bron Jan Ligthart (1914 [1913]) Jeugdherinneringen, Groningen: J.B. Wolters' U.M., pp. 182-193.
Auteursrecht Publiek domein
Jeugdherinneringen
[Titelpagina] · [Voorwoord] · De bewaarschool · De eerste lagere school · Tusschen school en huis · In huis · In huis (Vervolg.) · Nog in huis · Straatjongen · Nóg straatjongen · Kinderkerk en zondagsschool · Verandering · De tweede lagere school · Goede school · Jordaanpaedagogiek · In ’t nieuwe huis · Van een vloek een zegen · In een nette buurt · Moeder vertelt · Ik word kweekeling · Schoonste vrucht · Naar ’t oude te-huis · Naschrift bij den tweeden druk · [Advertentie]


[182]


GOEDE SCHOOL.


      Elke schooltijd begon natuurlijk met gebed en psalmgezang. Daarna volgde ’s voormiddags een vol uur „Bijbelsche Geschiedenis”. Dat was dus zes uur in de week de historie van het oude Israël en het verhaal der Evangeliën.
      In overeenstemming daarmee kreeg de Kaart van Palestina meer beurten dan die van Nederland. Zoo kwam eigen land en volk wel wat in de verdrukking door de buitengewone belangstelling aan Kanaän gewijd. Perea, het Over-Jordaansche, lag mij nader dan Gelderland, op de Palestijnsche bergen was ik meer thuis dan op de Limburgsche heuvelen, het meer van Genezareth mij vertrouwder dan het Slotermeer, en langs de Jordaanoevers wandelde ik vrediger dan langs de Rijnboorden.
      Over de keuze van dit belangstellingsgebied voor de lagere school kan men verschil van meening hebben, maar ieder beseft, hoe dit samengaan van geschiedenis en aardrijkskunde beide ten goede kwam. De vlakten en de hoogten, de meren en de stroomen, de steden en de vlekken van Kanaän kregen beteekenis, doordat ze leefden in de Joodsche geschiedenis en literatuur. We hoorden ze uit den mond der psalmdichters en profeten, zagen ze als terrein van arbeid en strijd, bezochten ze rondwandelend met den leerenden Heiland.
      Dat was iets anders dan rijtjes namen, die maar rijtjes namen


[183]


bleven. Het innige verband tusschen het Joodsche land en het Joodsche volk, dat nog thans in zoo vele Joodsche en ook Christen-harten gevoeld wordt, maakte de aardrijkskunde van Palestina tot terreinlessen der historie. Alles leefde daar. Men was als in de schouwburg der menschheid en zag volksdrama’s afspelen op het tooneel der velden, met begroeide bergen tot coulissen. Nog, als ik den naam hoor van het meer van Genezareth, zie ik visschers hun netten uitwerpen, Jezus wandelen op de wateren, Petrus wegzinken in kleingeloof. Aan gene zijde der Jordaan staat Mozes op den berg Nebo, ziende naar het Heilige Land, dat hij niet mag binnentreden. Hoe lieflijk is ons dat Bethlehem met zijn overvolle herberg en de kribbe in den beestenstal. Geen plaatsnaam, of hij roept personen op, toestanden, gebeurtenissen. De landkaart gaf aan de geschiedenis een gebied, gelijk deze aan de kaart leven schonk.
      Of de school dit prachtige en eigenlijk ook onmisbare samengaan met volle bewustheid in de hand werkte, om de waarheid te zeggen, ik geloof het niet. Het staat mij zoo voor, alsof de geschiedenisles alleen luisterde naar de stem van den meester en nooit keek naar de kaart, alsof de aardrijkskundeles alleen aanwees en opzei, maar nooit bevolkte, en of het samenvloeien van feiten en terreinen aan het toeval en de kinderlijke voorstellingsbehoefte werd overgelaten. Maar indien dit zoo was, dan zal het nu in de christelijke scholen toch wel anders zijn. Men zal daar nu toch die mooie kans niet ongebruikt laten. Wellicht gaat men er nog een stapje verder en durft een les in natuurlijke historie gebruiken, om het landschap met zijn planten en dieren uit te beelden. „Kent gij het land?” vraagt Pfarrer Schneller op het titelblad van zijn voortreffelijk werkje. „Wij kennen alleen stippen en strepen en namen,” zeggen de kinderen. En dit zeggen zelfs de volwassenen. Ook de volwassenen, die op de lagere


[184]


school of op de zondagsschool Bijbelsche Geschiedenis onderwijzen?


      Wanneer deze jeugdherinneringen onderwijskundige bijbedoelingen hadden, zou ik graag van Palestina naar ons eigen land overgaan en zelfs de vraag willen stellen en beantwoorden, of de aardrijkskunde der geheele wereld niet een beetje intiemer kon worden met het leven der volkeren. Maar nu moeten we verder.
      Daar zit een klasse kinderen te rekenen. ’t Is de hoogste. Ook ik zit daar zoo wat midden in de klasse, vlak achter de meisjes.
      Gevaarlijk plaatsje?
      Dat denkt ge maar.
      ’t Zou gevaarlijk geweest zijn wellicht als de meester onzen geest had gekneveld in banden van verveling, als hij ons gedoemd had tot stilzitten en kijken en handen vouwen.
      Maar op mijn bank ligt een lei, daarnaast een dik boekje in een donkerblauw omslag, en tusschen mijn vingers leeft een griffel, hunkerend naar ’t uitvloeien en uitstroomen van cijfers. ’t Is of die arme griffel ’t benauwd heeft, in barensweeën verkeert. Ze moet schrijven, schrijven, cijfers uitgooien, een lei vol, twee kanten, vol, nóg een lei. Eer komt ze niet tot rust.
      En al die arbeid maakt, dat ik niet eens meisjes zie. Die griffel wint het van haar bekoorlijkheid. Het instrument, waardoor de van werkdrift trillende geest een uitweg vindt in de grijswitte figuurtjes op de blauwzwarte lei.
      Werken. Laat je jongens werken. De kleinen en de grooten. En ook de heel grooten.


[185]


      Maar zorg dan, dat ze werken met lust, en daardoor met volle kracht.
      De beste rekenaars hadden ieder hun eigen rekenboek. Ik moet daar ook onder behoord hebben. Ik herinner me den hartstocht, om een boekje uit te hebben.
      De Boesers had ik al.... opgevreten. De „eerste verzameling”. De „tweede verzameling”. Toen had de meester er niet meer. Die „verzamelingen” kwamen na en boven de gewone serie. Een soort bekroning. „Gemengde vraagstukken”. Voor de goeie rekenaars, die geen geleidelijke leiding meer noodig hadden. Die konden aanpakken, telkens wat nieuws.
      Maar ik had ze uit.
      Toen zei de meester: „Ja, wat zal ik je nu geven!” En hij snuffelde in zijn kast. Daar had hij zoo'n stapeltje van allerlei.
      „Hier, probeer dit maar eens.”
      ’t Was – heb ik het goed onthouden? – „Koopmansrekenen” van Adam van Lintz, het – vierde? – stukje. ’t Was dat dikke boekje in donkerblauw omslag. En Adam van Lintz boeide mijn oogen en mijn handen en mijn gedachten en mijn neigingen.
      Ik zag geen meisjes, ik zag sommen.
      Heerlijke werkuren. Ze deden me al vroeg ervaren, waar een stuk reine levensvreugde te vinden is. Bijstand tegen verzoekingen. Troost in smart.
      Nooit in mijn verder leven heb ik Adam van Lintz teruggezien, terwijl ik toch onafgebroken tusschen de schoolboekjes heb gezeten. Waarschijnlijk was hij dus toen al aan ’t verdwijnen. Versluys en Wisselink kwamen de Boesers verdringen. Toch onthouden, met uiterlijk en titel. Bewijst dat niet – wat ik reeds vroeger opmerkte – dat het geheugen in ’t hart zit? En dat het werk in de school het kinderhart moet weten te pakken?


[186]


      Men zou uit deze rekendrift willen afleiden, dat ik later een rekenmeester had moeten worden. Doch dan zou men verkeerd afleiden. Mijn aanleg en mijn lust hebben nooit de cijfers gezocht. Verzen opzeggen, lezen met een mooie stem, de muziek der taal genieten – dat was mijn eigenlijke voorkeur. Mijn aanleg was, om het met een groot woord te zeggen: literair. Als ik in mijn eentje liep, zei ik in mezelf verzen op, vaak psalm- en gezangverzen. En dan had ik een gevoel, of mijn stem de mooie klanken moest liefkoozen en de golvende regels in zangerig rythme moest laten vloeien. Een meester, die mooi voorlas, had me gauw te pakken, en onwillekeurig bootste ik de bekoorlijke eigenaardigheden van zijn voordracht na.
      Toch herinner ik me van mijn leesboekjes niets meer. Welke waren het? Ik weet het niet. Belletristische? Leerende? Verhalende? Ik weet het niet. Verzen of proza? Ik weet het niet. Geen inhoud, geen titel, geen uiterlijk – ik weet er niets meer van. Waren ze wellicht te droog? Ik weet het niet. Te vroom? Te braaf? Te onkinderlijk? Ik weet het niet. Wonderlijk toch, de rekenboeken zie ik nog, ken ik nog, hoewel ik geen rekenman ben, en de leesboeken zijn totaal weggezonken in vergetelheid, hoewel de toekomst bewezen heeft, dat ik voor ’t leesboek toch wel iets voelde. Vanwaar dit onderscheid? Het moet wel hieraan zijn toe te schrijven, dat – door ’t werken – in de rekenboeken mijn hart is gaan zitten, en dat de leesboeken dit hart niet hebben gelokt en vastgehouden. Dat hart wou wel. Maar ’t boek wou niet. Of misschien wou het arme ding wel, maar kon het niet. Het zal onze harten te opzettelijk hebben willen vangen. En dat is altijd mis.
      Het is toch eigenlijk sterk, dat ik niet meer weet, uit welke schoolboeken ik als twaalf- en dertienjarige jongen gelezen heb. Maar voor ’t feit sta ik in. Wellicht wordt het een beetje nader


[187]


verklaard door mijn overgang, als kweekeling, naar de openbare school. Daar kwam ik in zoo’n heel andere boekjeswereld. Maar dat rekenboek dan? en het zingen? Want dát herinner ik me heel wel. Ik zie het schoolbord vol muziek staan, driestemmige liederen in notenschrift. En ik ken nog die liederen die we leerden. Eén lied is te kenmerkend en te vereerend voor de school, dan dat ik het hier niet zou vermelden. De Fransch-Duitsche oorlog was uitgebroken, 1870. Ik was elf jaar. Overal hoorde je „Die Wacht am Rhein”, tot op draaiorgels toe. Toen leerde de meester ons de woorden en de muziek, de woorden in ’t Duitsch, ofschoon we in die taal geen les kregen. En we zongen uit volle borst meerstemmig:


            Est braust ein Ruf wie Donnerhall,
            Wie Schwertgeklirr und Wogenprall:
            Zum Rhein, zum Rhein, zum Deutschen Rhein!
            Wer will des Stromes Hüter sein?
            Lieb Vaterland magst ruhig sein:
            Fest steht und treu die Wacht am Rhein.


      Ik noemde dat kenmerkend en vereerend voor de school. Immers, het was een bewijs, dat men in de school leefde. Het lied van den dag, ondanks de vreemde taal, in de zangles gebracht – dat was toch wel waarlijk: school en leven.
      En die school was een – „afgescheidene”, van veertig jaren her.


      Het is wel begrijpelijk, dat deze schoolliederen me zijn bijgebleven. Vooreerst hadden ze dezelfde veroveringsmethode als de sommen. Ze zetten ons aan ’t werk. Zingen moest je wel, of je wou of niet. Je kon er niet bij suffen of afdwalen. Daar


[188]


had je nu je zuivere zelfwerkzaamheid. Maar dan ook, de liedjes werden thuis vrijwillig gerepeteerd. Niet, gelijk dat in gegoeder kringen geschiedt, op bepaalde uren bij een piano, maar op alle tijden van den dag en in alle hoekjes van het huis. Vader zong, Moeder zong, Christien zong, de jongens zongen, ik zong, we zongen allemaal. Zingende leerden we mekaar de liedjes, en als er een moeilijke val was, werd die soms in de keuken onder ’t werken door ingestudeerd. Christien sneed de andijvie of de rooie kool, ik stond bij haar aan de rechtbank, en daar had je een formeele zangles.
      Niemand was verlegen om den mond open te doen, niemand schaamde zich zijn stem. Het huis weergalmde van lied. Je zong in de keuken bij ’t schoenenpoetsen, je zong in de gang, je zong in alle kamers, in de huiskamer, de slaapkamer, de bestekamer. Leege oogenblikken werden gevuld met lied. En dat was nooit een zacht geneurie, maar een luid gejuich, vol uit de borst. Ook de bovenburen zongen en de benedenburen. En ’t waren allemaal schoolliederen van „Zie de leliën op het veld” of „Als de zwaluw ons verlaat” of „Eere zij God”. De Zangvogeltjes, die lieve uit de boekjes van C. Regeer, fladderden door onze woning, en jubelden hun heerlijkste liedjes.
      Dat had en heeft een burgergezin voor op de deftigheid. Er wordt gezongen in huis. De kinderen behoeven geen zangles te krijgen. De liederen leven er, gelijk buiten in veld en bosch, en – evenals daar – piepen de jongen naar ’t zingen der ouden.
      Wat kon Vader mooi zingen! En met welk een liefde en toewijding zong hij! Dan kon hij zoo’n uur achter elkaar heen en weer loopen, geen jas aan, de handen op den rug, van de huiskamer door de gang en omgekeerd, en aldoor maar zingen. Hij haalde de liederen op uit zijn verleden, veel Fransche. Van „La Brigantine, Qui va tourner.” Wat vonden we ’t mooi! En


[189]


als Vader dan met ingehouden stem bad: „O, Vierge Marie! Pour moi priez Dieu!” dan werden onze oogen wel eens vochtig van ontroering en viel er een traan tusschen de sommen of de Fransche thema’s. Dat waren heerlijke oogenblikken.
      En ’s avonds, vooral Zondags in ’t schemeruurtje, wanneer alleen een zacht theelichtje het duister bekampte, klein, dapper, rustig vlammetje in een donkere wereld, en wij, door de kamer verspreid, ons gelegerd hadden als in een Zigeunerkamp, de ouderen op stoelen, ieder op een geliefkoosd plaatsje, de jongeren op den grond, de beenen rechtuit of de knieën opgetrokken – een „vrije orde” – dan begon er maar een te zingen, en vanzelf vielen de anderen in. Het eene lied na het andere. Maar nooit straatliederen. De school en de overlevering hadden ons een heel repertoire bezorgd, altemaal liederen vol kleur en sentiment, beschaafd van taal en van toon. En steeds ging het ten slotte naar het godsdienstige toe. Met de Hernhutters zongen we: „Laat mij, slapend, op U wachten, Heer, dan slaap ik zoo gerust.” En eindelijk met de Christelijke gemeente dien stemmenden avondzang:


            ’k Wil U, o God, mijn dank betalen,
            U prijzen in mijn avondlied.
            Het zonlicht moge nederdalen,
            Maar Gij, mijn licht, begeeft mij niet.


      Dan trilde Moeders stem. Zij was weer in de pastorie van haar kinderjaren.


      Liefelijke schemeruren. Hoe heerlijk toch, dat alle uren van den dag hun eigen kleur en toon hebben. Het uur van 9–10 in den voormiddag is een heel ander dan dat van 2–3 in den0


[190]


namiddag. Men kan ze onmogelijk verwisselen, zonder het gelaat van den dag een vreemd en onbehaaglijk uiterlijk te geven. En zoo heeft ook het schemeruur zijn karakter en bestemming. Wie denkt er aan in den morgen zoo vertrouwelijk bijeen te zitten en te zingen als bij het vallen van den avond tusschen licht en donker. Het zou niet gaan. En nu heb je wel redeneermenschen die zeggen: een uur is een uur, ze hebben allemaal precies zestig minuten, en zingen is zingen, dus je kunt het zingen van ’t eene uur net zoo overbrengen naar een ander, maar deze verstandige lieden behooren tot die waanzinnigen, waarvan Chesterton zegt, dat ze krankzinnig zijn, omdat ze alles verloren hebben behalve hun verstand. Neen, een uur is niet een uur, elk heeft zijn eigen aard, en daarom brengen en vragen de avonduren, die van vijf tot zeven, iets anders dan hun vroegere of latere broeders.
      Wij hadden avondschool, liefelijker gedachtenis. Ze werd in de bovenverdieping gehouden. Daar genoten we van het warmgele licht der gasvlammen, het stille suizen, en van meesters stem en lange pijp. ’s Avonds scheen meester een heel andere stem te hebben dan overdag. Kwam dat door het gaslicht? Of doordat er veel minder kinderen waren? Neen, ’t was de invloed van de uren. Die veranderden niet alleen zijn stem, maar zijn heelen persoon. Hij was veel vertrouwelijker, veel gezelliger, veel gewoner. Zijn houding en toon naderden ons veel dichter, hij werd een soort familielid van je. De schoolnarigheid ging er af. Zijn handdruk was zelfs anders dan die van 's morgens vóór negenen.
      En dan was zijn lange pijp ook een van zijn aanbevelingen. In het vensterkozijn lagen eenige opgevouwen papierstrooken – fidibussen. Daarmede spaarde meester een zwavelstok uit. „Geef jij me eens een fidibus.” De gelukkige nam er een uit het kozijn,


[191]


stak hem aan boven de gasvlam, en hield hem bij meesters pijp. We genoten van het opkrullen der tabak, van de blauwe rookwolken, en van de manier waarop meester den dop op de pijp zette. Nu trok hij een poosje achter elkaar, dan legde hij de pijp neer, nam de zijden pet van ’t hoofd en zei ernstig: „Prions!” Wij vouwden de handen, sloten de oogen, luisterden naar het suizende gaslicht en naar de eerbiedige stem: „Notre père qui est aux cieux! Ton nom soit sanctifié. Ton règne vienne!” Er zweefde stille vrede in onze harten.
      Pas had het „Amén” onze oogen en handen ontsloten, of we hoorden: „Chantons – pseaume....” Dan sloegen we de psalmboeken open, echte Fransche, zochten het lied op, en zongen. Terwijl ik dit schrijf, valt me een lied in, dat ik toen geleerd heb, met dit slot:


Amen! Amen!
Purifie,
Sanctifie,
Renouvelle
Tout en nous, Sauveur fidèle!


en ik hoor de kinderstemmen nog, gedragen door meesters stem, en wegstervend in de donkere einden van het groote lokaal.
      Van zoo’n avondschool ging kennis en wijding uit en ’t was ons daar beter, dan dat we ons thuis verveelden of op straat bedierven. Om opvoedkundige redenen is de avondschool overal afgeschaft. Maar als ik nu nog op een avondcursus de kinderen zoo stil genoegelijk zie werken, denk ik: Wat zit jelui hier vredig! En wat heb je het toch goed!


[192]


      Dat lijkt sommigen misschien wat erg bekrompen ouderwetsch en zeer bevreemdend van iemand, die zoo hardnekkig pleit voor vrijheid en spel en tegen leerdwang. Maar wie trouw gevolgd heeft, wat door dien hardnekkigen pleiter verdedigd en bestreden is, die weet wel, dat het nooit ging tegen het leeren, maar tegen de vervloekte kunst om het leeren tot een ellende te maken, tot een hersenkwelling en zenuwvernieling. Leeren moet een vreugde zijn, en het kan een vreugde zijn. Maar de examens, het opdrijven boven peil, bederven het genot. Kinderen leeren graag, naar de mate hunner capaciteit. Maar de school houdt geen rekening met die capaciteit en maakt zoo den zin tot tegenzin.
      Prof. Jelgersma – en hij kan het weten – heeft eens geschreven, dat nooit het werken iemand zenuwziek maakt, maar wel de onrust, de spanning, de zorg. Mijn eigen ervaringen bevestigen deze uitspraak. Natuurlijk heeft onze arbeidskracht haar grens, maar de instortingen in mijn leven zie ik heel duidelijk als gevolgen van emotievolle tijden, tijden van kommer en angst. Het zijn de gemoedskwellingen, die ons knauwen. En dit is zoo waar, dat juist meermalen de arbeid, in stede van een ondermijner, een hersteller onzer gezondheid is. Werk maar, werk maar trouw, volhardend, inspannend. Echter—werk met liefde. Laat je werk een vreugde zijn. En dan bevordert het je gezondheid.
      Mijn jeugdherinneringen prediken mij dit ook met overgroote klaarheid en zekerheid. De arbeidsdrift en de arbeidskracht mijner schooljaren hebben mijn gezondheid nooit geschaad, doch wel mijn lichamelijken en zedelijken welstand gebaat. Maar als door averechtsche schooltucht het leeren tot een straf werd, dan liep het mis. En nu zal men wellicht mijn achterlijke ingenomenheid met de avondschool begrijpen. Wij werkten met lust.


[193]


Hoe meer de kinderen leeren en werken, des te beter. Mits lust de drijfveer en vreugde de vrucht is.
      Van mijn afgescheiden school heb ik nog eenige herinneringen mee te deelen. Die bewaar ik echter tot het slot. Eerst werpen we nog een blik in het hartje van den Jordaan en dan gaan we naar de nieuwe woning in de Nieuwe Leliestraat.