Jan Ligthart/Jeugdherinneringen/Ik word kweekeling

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Ik word kweekeling

Auteur Jan Ligthart
Genre(s) Opvoeding en onderwijs
Brontaal Nederlands
Datering 1914
Bron Jan Ligthart (1914 [1913]) Jeugdherinneringen, Groningen: J.B. Wolters' U.M., pp. 256-271.
Auteursrecht Publiek domein
Jeugdherinneringen
[Titelpagina] · [Voorwoord] · De bewaarschool · De eerste lagere school · Tusschen school en huis · In huis · In huis (Vervolg.) · Nog in huis · Straatjongen · Nóg straatjongen · Kinderkerk en zondagsschool · Verandering · De tweede lagere school · Goede school · Jordaanpaedagogiek · In ’t nieuwe huis · Van een vloek een zegen · In een nette buurt · Moeder vertelt · Ik word kweekeling · Schoonste vrucht · Naar ’t oude te-huis · Naschrift bij den tweeden druk · [Advertentie]


[256]


IK WORD KWEEKELING.


      We hechten aan het werkwoord worden in sommige gevallen een heel actieve beteekenis. Wanneer een jongen ons met een blijd voornemen in de oogen en de stem vertelt: „Meester, ik word zeeman!” –, dan is het, of we hem met volle zeilen op zijn doel zien afstevenen.
      Zoo ging het bij mij niet. Kweekeling-worden, ik had er nooit aan gedacht. Naar den kansel was mijn blik en hartewensch wel eens heengegaan, die behoorde om zoo te zeggen ook tot de familie, maar zoo ver heugenis en overlevering reikten, had Vaders noch Moeders geslacht ooit de wereld met een schoolmeester verrijkt. Grootvader en twee ooms waren predikant, een derde oom studeerde er voor, geen wonder als er wat domineesbloed door mijn aderen vloeide.
      Echter, er kon geen sprake zijn van een academische opleiding, daartoe ontbrak het ten eenenmale aan middelen, en zoo lag het in het duister, wat ik worden zou. Timmerman, gelijk de twee oudere broers, daar was ik te zwak voor. Maar wat dan? Misschien was ik behanger geworden – daar hoefde je niet zoo sterk voor te zijn – toen de armoede het vraagstuk heel practisch oploste.
      Al weken achtereen had ik mijn schoolgeld niet betaald. Weten


[257]


de onderwijzers, die den kinderen harde standjes geven als deze hun schoolgeld hebben „vergeten”, wat dat voor een kind is? Ze kunnen er zeker van zijn, dat er thuis al heftige tooneelen zijn afgespeeld. Het kind wilde niet naar school zonder schoolgeld, en Moeder had het niet. Het kind draalde, drong, schreide, werd brutaal, bleef tegen den muur hangen, en Moeder kon het geld toch niet van haar rug snijden. Eindelijk zei Moeder: „Zeg dan maar, dat je ’t vergeten hebt,” maar het kind wist wel, dat noch meester noch de kinderen dat gelooven zouden. Ten slotte, vijf minuten voor negenen, is het maar de deur uit geslenterd, met roodbeschreide oogen, zeurend naar school. En als het daar kleurend van schaamte en gekrenkte trots, de boodschap van Moeder verlegen naliegt, terwijl de omringende leerlingen zich in de welgegoedheid hunner ouders veilig voelen en wat vreemd en ongeloovig kijken, krijgt het van zijn meester nog een uitbrander. Hoe is het mogelijk!
      Als een der voordeelen van een armelijke jeugd, vol vernederingen, heb ik het altijd gevoeld, dat ik, in beter omstandigheden gekomen, zulke arme kinderen begrijpen en wat ontzien kon.
      Nu is het heerlijk, van mijn bovenmeester te mogen getuigen, dat hij tegenover mij teer- en fijngevoelige kieschheid betrachtte. Hij vernederde mij niet midden in de klas, maar riep me in zijn kamertje. Daar drukte hij me ernstig op ’t hart, dat het achterstallige schoolgeld al veel te hoog was opgeloopen, en dat het zoo niet langer ging. Ik moest mijn ouders zeggen dat ik het schoolgeld moest meebrengen, en hij anders verplicht was mij van de school te verwijderen. (Is het, tusschen twee haakjes, ondanks de waarlijk goede bedoeling en den vriendelijken toon van den hoofdonderwijzer, toch niet al te erg, dat zulke geldelijke aangelegenheden, die toch eigenlijk alleen de volwassenen betreffen, worden afgehandeld met een twaalfjarig kind?)


[258]


Echter, behalve betalen en verwijderen, was er nog een derde kans. En ik weet nog, hoe mijn hart opsprong van blijde verlichting, toen de bovenmeester me dit uitzicht opende: Ik kon kweekeling worden. Dan kostte ik niets en zou zelfs wat verdienen: gratis opleiding en vijf gulden in de drie maanden!


      Kweekeling worden. Heerlijk! Nu het me daar zoo onverwacht werd voorgesteld, werd ik plotseling gewaar, dat er toch, volkomen onbewust, een groote liefde voor het onderwijzerswerk in mij gegroeid was. En dat had ik te danken aan den onderwijzer, die ons dagelijks les gaf en die, althans in mijn oog, van zijn taak en zelfs van zijn heele verblijf in de school, zoo iets behagelijks wist te maken. ’t Was de man, die reeds den eersten morgen van onze aankomst verrukt was over de mooie namen en die met zulk een gezellige ingenomenheid nieuwe rekenboekjes uit de kast opdook, wanneer we al weer een rekenboekje uit hadden. Met zoo’n beloonende en aansporende blijdschap keek hij de twee volle kanten van je lei na, met zoo’n leuke gratie zwierde hij G’s door je sommen ten teeken dat ze goed waren. Het leek wel voor hemzelf een feest te zijn, als hij, de griffel sierlijk in de hand, som na som met zijn zegelmerk voorzag, terwijl wij hem met spannende oogjes aankeken, innerlijk juichend bij elken gracieusen trek, even inzinkend bij iedere – maar toch mooie – streep door een foutieve oplossing.
      Wat kon hij ’s winters gezellig bij de kachel staan! Dan liep hij eerst rustig om de klas heen, wreef zich de koude handen, opende de kacheldeur, keek naar ’t vuur met dezelfde belangstelling als naar onze sommen, greep den pook niet minder sierlijk dan de griffel, en pookte zonder ruwe rammelende geluiden, pookte gelijk hij op ’t bord schreef, netjes en rustig, zoodat


[259]


zelfs het randje van zijn hagelwitte manchet er plezier in had en zich nieuwsgierig verbreedde. Daarna hing hij den pook op zijn vaste plaats, draaide zich met den rug naar de kachel, sloeg de handen in elkaar op de achterpanden van zijn jas, en koesterde ze te gelijk met al de achterdeelen van zijn kleeding en wat daar onder zat. Onderwijzer-zijn, je zag het den man aan, was een dagelijksch genoegen. Maar ik denk nu, dat hij met hetzelfde genoegen winkelier was geweest. Alleen had de natuurlijke gave om zijn heele omgeving gezellig te maken hem dan wat meer geld opgebracht.
      Hij was gansch geen type van een verdroogden schoolmeester, nog al rijzig, gezet, kleurig en met springende haren. Zijn gezetheid bracht zeker mee, dat hij zomers nog al dorstig was. Dan kon hij zoo smakelijk een glas water leegdrinken. Eerst hield hij het tegen ’t licht, en verkwikte zich met den aanblik van het kristalheldere vocht. Daarna dronk hij het met langzame teugen op, genietend van iedere aanraking. Zette hij ’t glas weer netjes in de kast, dan kon je zeker zijn, dat hij nog even, heel even, met het puntje der tong langs de lippen streek, navoelend de zachte verkoeling.
      Was het wonder, dat het opgroeien onder den stillen invloed van zulk een gemoedelijk-vriendelijk onderwijzersleven, bij ons onmerkbaar liefde voor dat leven deed ontkiemen? Zóó op ’t bord schrijven, zóó de griffel hanteeren, zóó je koesteren bij de kachel, zóó een glas water savoureeren – je vond het een benijdbaar voorrecht, en thuis deed je met welbewuste pogingen dit aanlokkelijk voorbeeld na. Je schoof zelfs een afgedankte manchet van je grooten broer onder de mouw van je jongenskiel, om te kijken, hoe dat stond, en of die manchet ook zoo te voorschijn kwam, als je mouw optrok....
      Mijn ouders armoede en het even vriendelijke als wijze voor-


[260]


stel van den bovenmeester, deden mij kweekeling worden, maar Uw onbedoeld voorbeeld, o Meester, was oorzaak, dat deze overgang mij onmiddellijk als een groote verrukking tegen schitterde. Het was de plotseling wakker wordende en glorende liefde van een meisje, wanneer „hij” haar gevraagd heeft. Zoo’n leventje te hebben! Ook zonder manchetten was het al zalig, de griffel, de pook, de kast, de kachel, het glas water, het vredig wandelen om de klas – het werd alles mijn deel. En innerlijk juichend holde ik dien morgen naar huis.


      Vraag niet, of mijn moeder blij was. Zij zag ineens weer een nieuw verschiet. Staande voor een muur van geldelijke verplichting, niet wetend waarheen, loste die muur zich als door een toovermiddel op, de harde massieve steenmassa vervluchtigde, en daar lag, vóór haar, een open weg, ruim, zonnig, onafzienbaar. En nu was haar eerste werk, te zorgen, dat de nieuwe kweekeling er, overeenkomstig zijn positie, netjes uitzag, eer hij dien weg opwandelde.
      De kweekeling was ruim twaalf jaar. Dit nam niet weg, dat hij toch aan ’t onderwijzen toog. Flauw herinner ik me, dat ik tusschen kleine kinderen doorscharrelde en ze lezen leerde. Bizonderheden staan me niet meer voor den geest. Alleen weet ik de plaats, waar ik mijn eerste kommando’s uitdeelde. ’t Was in het ver-afgelegen achtergedeelte van de groote bovenschool. Zoo zijn ook allerlei andere herinneringen uit mijn jeugd nauw verbonden aan terreinen, en daaruit waag ik het af te leiden, – stoute sprong! – dat de landkaart een veel grooter rol moet spelen bij ons geschiedenisonderwijs. ’t Is mij net, of al de herinneringen mijner jeugd, als stofjes door elkaar zouden dansen, wanneer ik ze niet gehecht zag aan een stukje aardbodem.


[261]


      Het kweekeling-spelen bestond hoofdzakelijk uit kommandeeren en verbieden. Dit schijnen de eerste uitspruitsels te zijn van meerderheid. Je kunt dat bij alle kinderen zien. Wanneer ze schooltje spelen, of moedertje, of soldaatje, zijn ze aanstonds zich aan ’t oefenen in vrijheidsbelemmeren. En je kunt dat ook bij jonge moeders en vaders zien. Ook bij jonge onderwijzers en bij bovenmeesters. Beheerscht door een geheime angst, dat het gezag hun ontglipt, niet vertrouwd met het jonge leven, en er ook niet op vertrouwend, knellen ze het zoo gauw en zoo vast mogelijk in banden. Dan blijven ze het meester, en kunnen er mee jongleeren als met een ingespeld bakerkind. Zelfs de politiek, en treuriger nog, de godsdienst vatten aldus hun opvoedingstaak aan. Ze schrijven programma's voor, leggen systemen op, dwingen binnen organisatie's, die evenwel meer lijken op dooie vlechtwerken dan op levensuitgroeiingen, volgen het militairisme als hun model, en zoeken eenvormigheid als hun ideaal. Organiseeren beteekent bij hen: recruteeren, reglementeeren, disciplineeren, regimenten-, bataillons-, legermachten vormen. En opvoeden is: den baas spelen.
      Zoo begon ik als kweekeling. Menigeen brengt het nooit verder. Die sterft als korporaal, als is het onder den naam van legerkommandant. Hij blijft de man van bevel en dwang. Daarvoor heeft mij bewaard en zal mij immer beschermen – ge zoudt het nooit raden, als ik ’t niet zei – de straatjongen. Doch niet de straatjongen buiten me, maar die in me. Hij, de vrijbuitende, zwerfgrage schavuit, hij leeft nog in me. Hij, de altijd langs en over gevaarlijke kantjes gaande, de vrijheidminner en vrijheidgunner, hij behoedt me voor gezaggerij. Zoodra ik, verantwoordelijk, braaf, ernstig paedagoog, dreig te ontaarden in versteening, komt hij te voorschijn, drijft den spot met gewichtighedens, en zegt me met de brutaalste oprechtheid, dat al die deftigheid


[262]


maar larie is, dat ik er niets van meen, en dat alle anderen in ’t diepst van hun ziel er ook niets van meenen. En zoo zorgt hij – meester-opvoeder – dat de paedagoog niet in baasspelerij ten onder gaat.
      Wat een kweekeling later worden zal, kun je onmiddellijk afleiden uit zijn eerste keus. Blijft hij met zijn oud-kameraden stoeien en ravotten, ondanks zijn lange broek; of sluit hij zich voor goed bij den nasleep van de volwassenen aan. In ’t laatste geval wordt hij een gezagsman, gevoelig voor strepen op de mouw en sterretjes op den kraag. In ’t eerste geval een vriend van de kinderen. In ’t laatste geval wordt hij een officieele paedagoog – in ’t eerste geval blijft hij een jongen.


      De theoretische opleiding, die ik gratis ontving, was heel eenvoudig. Ik kocht bij Ten Brink en De Vries in de Hartenstraat voor vijf cent een „Beknopt Overzicht van de Vaderlandsche Geschiedenis door A. A. Holst”, voor tien cent een „Kort Overzicht van de Algemeene Geschiedenis” van denzelfden schrijver, voor nog eens vijf cent de beknopte „Bijbelsche Geschiedenis” en zoo ook een beknopte Rekenkunde, Taalkunde, Aardrijkskunde. ’t Waren dunne boekjes van 32–48 bladzijden, in een dun geel of anders gekleurd omslag – ieder overzicht had, meen ik, zijn vaste kleur – en bestaande uit een reeks lesjes.
      Het eerste lesje ving steeds aan met een beschrijving en indeeling van de wetenschap, waartoe het de deur opende: „Geschiedenis of historie is het aaneengeschakeld verhaal der lotgevallen van een volk, met inachtneming van tijden, plaatsen en personen. Men verdeelt de geschiedenis in Algemeene, Vaderlandsche en Bijbelsche geschiedenis.”
      Ik weet niet of dit citaat woordelijk getrouw is, maar ’k ge-


[263]


loof het wel. Ver van de waarheid zal het in ieder geval niet zijn.
      Dan volgde de opsomming der tijdvakken met de daarbij behoorende jaartallen. De Algemeene Geschiedenis kreeg haar Oudheid, Middeleeuwen en Nieuwe Geschiedenis, de Vaderlandsche haar vijf tijdperken. Zoo begon de Aardrijkskunde na de onmisbare definitie met de opnoeming der Werelddeelen. Vervolgens kreeg ieder tijdvak, ieder land zijn afzonderlijke behandeling overeenkomstig een vast schema.
      Er is, gelijk men ziet, wel eenig onderscheid met de tegenwoordige opleiding aan een kweekschool. Een der voordeelen was, dat de boekjes goedkoop waren, zoodat men voor 50 cent, zijn heele bibliotheek van leerboeken had aangeschaft. Een tweede voordeel, dat ze dun waren, zoodat men ze zonder al te veel moeite kon doorkomen. Een derde, dat ze de volledige wetenschap bevatten, zoodat men ineens alles wist.
      De studiemethode bestond hierin, dat men de lesjes woordelijk uit het hoofd leerde en ze daarna opzei voor den lesmeester. „Men kende dan al of niet zijn les.” Daarmee was ’t uit. Leeren was memoriseeren. Zijn les opzeggen: een boek oplezen, zonder het boek.
      Tegenwoordig moet dat nog hier en daar in de mode zijn, zelfs op gymnasia en hoogere burgerscholen. ’t Verschil met vroeger zou dan wezen, dat nu de boeken talrijker en dikker zijn, en daarmee in overeenstemming de ellende ook veel grooter. In plaats van de heele aardrijkskunde in misschien 48 bladzijden, krijgen de leerlingen nu afzonderlijke boeken voor Nederland, Indië, Europa, de Werelddeelen, met een of meer atlassen. En dan maar leeren.
      Ik denk er niet aan, mijn hoofdonderwijzer, die zelf een overgroot deel onzer opleiding voor zijn rekening nam, hard te vallen


[264]


over het karakter dier opleiding. Eer bewonder ik het, dat hij ’s avonds op de avondschool nog tijd kon vinden, om onze lessen te overhooren. Maar ik moet wel erkennen, dat ik voor mijn geestelijke ontwikkeling, zoo goed als niets aan dat lessengeleer te danken heb gehad. En ik acht het dringend noodig, dat heel luid uit te spreken, omdat je tegenwoordig waarlijk nog menschen hebt en zelfs weer krijgt, die dat memoriseeren aanbevelen, ook op wetenschappelijke gronden. Ik heb een opleiding gehad bijna uitsluitend van geheugenvulling en ik acht het verloren tijd en misbruikte energie, goed voor idioten, omdat die stakkerds niet beter kunnen.
      Wij moeten elkaar echter goed begrijpen. Ik ben er niet tegen, dat men zijn kennis vastlegt en zorgt ze te onderhouden. We studeeren waarlijk niet, om weer te vergeten. Er is ook geen bezwaar tegen, enkele feiten, of rijtjes woorden of getallen, er machinaal in te stampen. Maar dit is iets anders, dan de geheele opleiding in dien toon te zetten. Hóófdzaak bij iedere geestelijke ontwikkeling is: belangstelling wekken. En met de memoriseer-cultuur wordt de belangstelling vermoord. Bij mij althans heeft het lang geduurd, eer – dank zij het lessenleeren – ik me voor den inhoud dier lessen ging interesseeren. En toen ik daarmee begon, zaten me nog die lessen in den weg.
      Er zal later nog gelegenheid te over zijn, op dit onderwerp terug te komen, wanneer ik ook over mijn jongelingsjaren zal mogen verhalen. Dan hoop ik, mede ter leering van hen die naar het oude terug willen, het zij al dan niet onder wetenschappelijke, of would be wetenschappelijke vlag, eens heel precies te vertellen, wat lijdens- en verstompingskuur men ons deed doormaken. Nu, met die boekjes-van-Holst-ontwikkeling, zijn we nog pas aan ’t begin van de ellende, en daar ik spoedig deze school en daarmee deze opleiding verliet, is het nu niet het


[265]


juiste moment, die verderfelijke cultuur met haar heidensche woordenkramerij in al haar onvruchtbaarheid en bedriegelijken schijn ten toon te stellen. Dat komt later, als God mij het leven en de krachten gunt. Alleen moest ik nu, heel even, maar heel ernstig, waarschuwen voor een neiging tot terugkeer naar het verkeerde van vroeger. Nieuwe dwaasheden rechtvaardigen geen oude.
      En nu ik aan die verplichting heb voldaan, volgen de laatste herinneringen aan deze school en aan mijn kinderjaren.


      Ik mag tot mijn geluk zeggen, dat ik als twaalfjarig onderwijzer een vriendje bleef van mijn oude schoolmakkers en geen collega werd van de heeren. Met de jongens ging ik trouwer om dan met de verschillende overzichten van Holst, en boven het leeren koos ik het spelen. Dat waren voor mijn toekomst geen ongunstige teekenen. Een kind van 12 jaar, dat graag zijn lessen leert, is geen echt kind en wordt dus ook nooit een echt man. Ik wilde wel, dat de ouders in dit opzicht wat meer vertrouwen hadden in hun leerafkeerige kinderen. Het is toch ook een goed verschijnsel, als de kindermond geen smaak heeft in notedoppen en oesterschelpen en de maag die onverteerd afvoert of teruggeeft. Hoe zuiverder een kind kind is, hoe meer zijn geest zich verzetten zal tegen een zoogenoemd geestelijk voedsel, dat niets anders is dan geestelijke cellulose. En kinderen die zulk een krachtige kindernatuur bezitten, dat ze, niet brutaal onwillig, maar instinctief onverwinbaar, zich verzetten tegen de verkrachting dier natuur, beloven veel voor de toekomst. Dat zijn de gezonden, die eenmaal, als de tijd daar is, ook krachtige mannen en vrouwen zullen zijn. In dit opzicht heeft de wetenschappelijke paedologie schoon gelijk, waar ze beweert dat elke leef-


[266]


tijd zijn speciale belangstellingen en belangen heeft, en wordt de wetenschappelijkheid van onze grootmoeders recht gedaan, die al verklaarden: Mettertijd komt Harmen in ’t wammes en Krelis in de broek. Met-ter-tijd. Een speelgraag kind heeft groote kans een leer- en werkgraag man te worden. Vroege catechismus – late vroomheid.
      Wie niet onbekend is met de boekjes van Tuttie, 1) herinnert zich wellicht, dat daarin een verhaal voorkomt: De meter van den meester. Dit verhaal is in hoofdzaak waar gebeurd. Het dateert uit deze periode.
      Aan de overzijde van de Bloemgracht, maar een eind verder, was een Stadsarmenschool. Daar gingen de „schooiers”, met wie we vaak oorlog voerden. Er waren geen deftiger scholen in de buurt, die in haar meerdere voornaamheid, een voldoende casus belli konden schenken, dus moest de „klompenschool” ons maar het krijgsgenot bezorgen. Klompen en een stadsschool, het waren inderdaad redenen genoeg, daar behoefde maar een geringe aanleiding bij te komen, om het oorlogsvuur te doen ontbranden.
      We waren weer eens aan ’t vechten, en ik was al kweekeling. Inplaats van mijn positie hoog, en mijn fatsoen òp te houden, maakte ik van de vrijheden, mij als kweekeling toegekend, misbruik. Ik mocht vroeger in school – of móést vroeger in school, om voor een en ander te zorgen – en haalde de jongens naar binnen, nu wel niet in ’t gebouw, maar toch in de lange overbouwde gang, die van de Bloemgracht naar ’t gebouw leidde en die onder gewone omstandigheden was afgesloten door een zware deur.
      ’t Was nog vóór schooltijd, misschien acht uur, maar overal


      1) De vier deeltjes van Blond en Bruin, 2e serie „De Wereld in!”


[267]


zwierven al troepen jongens van beide partijen. De onzen verzamelden zich om de schoolpoort, de vijanden een eind verder op de gracht. De laatsten hadden blijkbaar een aanval in den zin en rukten hiertoe langzaam, maar zeker, naar onze vesting op.
      Wonderlijk. Geen van de twee partijen wou vechten, en toch wilden ze het allebei. Niemand zocht de aanraking, en toch zochten we die wederzijds. Ieder hoedde zich voor de verantwoordelijkheid van den eersten klap, en toch liet hij zich prikkelen en verleiden tot die verantwoordelijkheid. Ik weet dit heel, héél goed, en begreep daardoor later zoo gauw het wederzijds prikkelen en beschuldigen der vlootvoogden, als ik in mijn geschiedenisboeken las, hoe deze niet het eerste schot willen lossen, en er toch van verlangen naar brandden. Waarlijk, er is niet zulk een reuzenverschil tusschen de veertien- en de veertigjarige jongens. Ze zijn van één geslacht.
      Er hoopte zich een soort van gemoedselectriciteit op, bij den eenen hoop positieve en bij den anderen negatieve, daardoor ontstond er een geweldige spanning en moest er een ontlading volgen. Zonder deze waren we gebarsten. Het moest bliksemen en donderen, anders kon er onmogelijk een neutrale atmosfeer terugkeeren. Dat vechten was een natuurverschijnsel in de physisch-ethische wereld. Belangen waren er niet mee gemoeid, absoluut niet. Grieven bestonden er alleen in de verbeelding en de overlevering. ’t Was om de ontlading te doen, en nergens anders om. We werden onder onbekende invloeden electrisch en máákten ons grieven, die voor het verstand als motieven konden gelden.
      Zou het ook mogelijk kunnen zijn, dat de oorlogen tusschen de volkeren alleen om belangen heeten te gaan, en dat de belangen slechts worden opgeworpen, omdat er oorlogskrachten


[268]


in de lucht werken? Is het een reusachtige zelfverblinding van geheele natiën en spelen geheime, geweldige natuurmachten hun spel met de kinderen der menschen?
      ’t Is slechts een vraag.
      Hoe ’t zij, wij werden gedrongen tot vechten. Daartoe naderde de vijand meer en meer, ieder oogenblik aangroeiend met nieuwe mannen; daartoe trokken wij, ook voortdurend versterkt, ons terug in de gang.
      Eindelijk was het zoover, dat we de dikke deur moesten sluiten en grendelen, en daar brak onmiddellijk de opgehoopte electriciteit los in trappen, steenworpen en schreeuwen. De vijand waagde er de hakken van zijn schoenen en de klinkers uit de straat aan, al wist hij heel goed, dat daarvoor de deur niet bezwijken zou. Zulk een succes zou hij waarschijnlijk ook niet begeerd hebben, want wat zou hem de toegang hebben gebaat tot een gang, die hij toch niet zou durven binnendringen? Daar in die donkere engte, in dat diepe hol, zou hij zich nooit wagen, maar niettemin moest hij de deur bombardeeren, louter om den woesten wellust van het bombardement, de zaligheid der uitbarsting! Geen berg kan met heeter drift zijn gloeiende steenen uitspuwen, als dit jeugdig menschdom zijn woede!
      Wij, in de donkere gang, beefden van gekrenktheid, haat, strijdlust. Soms stonden we doodstil, luisterend naar het tieren der wilde bende, dan weer dwaalden we onrustig rond, zinnend op wraak. Zeker, we waren veilig, maar veiligheid is voor een edel krijgsmanshart niet genoeg. „Kom er uit, als je durft!” jouwden ze daar buiten. En die tergende uitdagingen joegen ons het bloed naar de wangen. Veiligheid is mooi voor vrouwen en kinderen maar wij dorstten naar de triomf! Triomfeeren moesten we op dien tierenden troep! Nooit zouden we den smaad kunnen dragen, dat we uit lafheid ons hadden schuil gehouden! Liever


[269]

het leven gewaagd, dan veilig in de vernedering! Liever met eere te sneven, dan in schande te leven!
      We zochten een middel om de verloren positie te herwinnen, en beraamden een uitval. Plotseling zouden we de deur openen, schreeuwend naar buiten rennen en onvervaard op den vijand losstormen. Maar dan moesten we een wapen hebben, een flinken stok, om er op in te houwen. Nu wist ik raad, ik, de kweekeling. Ik ging naar binnen, haalde een meter, een vierkanten, die bij ’t onderwijs dienst moest doen, en hield dien als een slagzwaard in de vuist.
      Nog steeds beukte de vijand op de onbeweegbare deur. Hadden ze een mast bezeten, ongetwijfeld hadden ze de Watergeuzen nagevolgd en de poort van Den Briel gerammeid. We stonden, saamgedrongen, vlak bij de deur. Voorzichtig schoof ik den grendel weg, bang dat men het buiten hooren mocht. Toen trok ik het slot terug en draaide met een ruk de deur wijd open.
      De vijand schrok. Hij deinsde. Van dat oogenblik maakten we gebruik. Zwaaiend met den meter rende ik er op in, aanstonds gevolgd door de heele bezetting. Schreeuwend en gillend waagden we ons midden in de massa: een handjevol dapperen tegen de overmacht. En we zouden ze wel verjaagd hebben, vooral omdat daarginds bijstand voor ons opdaagde en de vijand dan tusschen twee vuren zat, als maar niet een noodlottig ongeval ons met één slag beroofd had van ons wapen, ons élan en onze waardigheid.
      Ik sloeg met blinde woede in ’t rond en raakte zoo niet een vijand, maar de houten paal van een hek. Door dien slag brak de meter in tweeën, het eene eind hield ik in de hand, en het andere vloog de lucht in.
      Een ontzettend gejouw ging onder de vijanden op, een van


[270]


hen wist spoedig het weggevlogen stuk te bemachtigen, en nu renden ze weer op ons toe.
      Grooter ongeluk had ons niet kunnen treffen. Verlamd van schrik trokken we ons snel terug en hadden nog juist tijd de deur te sluiten. Toen stonden we daar, vernederd, machteloos, in de donkere gang, zonder eenige hoop op herwinning van het terrein, en met het overblijfsel van den meter in de hand. ’t Was bitter treurig.
      Eerst toen de onderwijzers kwamen, trok de vijand langzamerhand af.
      Het stuk meter legde ik op de plaats, waar ik den heelen vandaan had gehaald. Maar daarmee was de zaak natuurlijk niet afgeloopen. In den loop van den morgen werd ik in ’t kamertje geroepen, moest daar alles opbiechten, en meneer de kweekeling kreeg, behalve een duchtig standje, den last voor een nieuwen meter te zorgen, met welken last hij – waar moest hij er anders mee heen? – zijn lieve moeder bezwaarde.
      Gelukkig verdiende ik geld. Toen ik na beëindiging van het eerste kwartaal twee rijksdaalders kreeg – ik weet nog, dat ik ze ontving – holde ik naar huis en was zalig, dat ik mijn lieve moeder ook met dien last bezwaren mocht.


      En nu komt er tot slot iets veel ergers dan het breken van den meter.
      Een vriend van ons huis was gymnastiek-onderwijzer aan een stadsschool. Hij vertelde dat het „aan de stad” zooveel beter was dan op een bizondere school en spoorde mijn ouders aan, mij op een stadsschool te doen; dan verdiende ik meer, ontving beter opleiding, en had mooier toekomst.
      Hij deed dat met de beste bedoelingen. Mijn ouders gaven


[271]


gevolg aan zijn raad en ik kwam op een stadsschool. Zij meenden ook er goed aan te doen. En toch.... altijd is mij een gevoel bijgebleven, dat we ondankbaar hebben gehandeld tegenover de school op de Bloemgracht. De meester had ons het achterstallige schoolgeld kwijtgescholden, mij tot kweekeling gepromoveerd voor de klas, en aan ’t geld verdienen gezet, en nu werd die vriendelijkheid aldus beantwoord.
      Mijn heele leven, telkens als ik daaraan dacht, voelde ik dit als trouwbreuk, en ook nu nog, terwijl ik het feit vertel, schaam ik mij. Dat had de meester niet verdiend.
      Het breken van den meter heeft me nooit gehinderd, wel het breken met de school. En toch heette het eerste een verregaand brutale daad en was het laatste in ieders oog niet slechts geoorloofd, maar zelfs heel verstandig. Men mag zijn belang toch wel behartigen?
      Ik kon mijn ouders niet hard vallen over hun handelwijze. Zij worstelden zoo om het hoofd boven water te houden, dat iedere jaarwedde-verhooging hun reeds welkom was. En dan de toekomst van hun jongen! Maar voor mijzelf heb ik steeds het gevoel gehad, dat ik iets tegenover die school had goed te maken.
      Wat is dat voor een gevoel? Vanwaar komt het? En waarom hindert het een mensch?
      Zoo is het einde mijner jeugdherinneringen een zelfverwijt....
      Maar dit mag mijn laatste woord niet wezen, gelijk ik hoop, dat het ook ons laatste levenswoord niet zij.