Darwin - Het ontstaan der soorten (1860)/3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk 2 Het ontstaan der soorten van Charles Darwin

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4


[ 70 ]
 

DERDE HOOFDSTUK.




OVER DEN STRIJD VOOR HET BESTAAN.


De aanleiding tot de natuurkeus.—Dit woord wordt in uitgestrekten zin gebezigd.—Wiskunstige toename in getal.—Snelle vermeerdering van wezens buiten den natuurstaat.—De middelen om de vermeerdering te beperken.—Algemeene mededinging.—Uitwerkselen van het klimaat.—Veiligheid door het getal der individuen.—Zamengestelde betrekkingen tusschen alle dieren en planten.—De strijd des levens is het hevigst tusschen individuen en rassen van de zelfde soort, dikwijls ook hevig tusschen soorten van het zelfde geslacht.—De betrekking van het eene wezen tot het andere is van het grootste belang in de natuur.


Voordat wij tot de behandeling van ons tegenwoordig onderwerp overgaan, moeten wij eenige opmerkingen maken, ten einde aan te toonen hoe het komt dat de strijd voor het bestaan leidt tot natuurkeus. In het vorige hoofdstuk hebben wij gezien dat er eenig individueel verschil is onder de bewerktuigde wezens in den natuurstaat: ik geloof niet dat men daaraan ooit heeft getwijfeld. Het is voor ons onmogelijk te beslissen of eene menigte twijfelachtige vormen soorten of ondersoorten of rassen geheeten moeten worden. Doch het bloote bestaan van een individueel verschil, hoe noodzakelijk ook voor de leer der onderscheidingen, helpt ons zeer weinig om te begrijpen hoe de soorten in de natuur ontstaan. Hoe is het eene gedeelte der bewerktuiging zoo wonderbaar geschikt geworden voor het andere, het eene wezen zoo hoogst geschikt voor het andere? Wij zien het toppunt van die wederkeerige [ 71 ] geschiktheid in den specht zoowel als in den vogellijm, en slechts weinig minder in de luis die op de haren van een zoogdier of op de vederen van eenen vogel klimt, in de watertor die in de wateren duikt, in het gepluimde zaadje dat door de zwakste bries over de velden zweeft, in één woord wij zien de schoonste geschiktheid voor zich zelf en voor elkander, overal en in elk gedeelte van het bewerktuigde leven.

Hoe gaan de rassen, die wij wordende soorten genoemd hebben, eindelijk over tot ware en onderscheidene soorten, welke in de meeste gevallen veel meer van elkander verschillen dan de rassen eener soort zulks doen? Hoe ontstaan die groepen van soorten welke datgene vormen hetwelk wij gewoon zijn onderscheidene geslachten te noemen, en die veel meer van elkander verschillen dan de soorten van een zelfde geslacht? Dit alles, wij zullen het in het vervolg bewezen zien, is een gevolg van den strijd voor het bestaan. In dien levensstrijd zal elke wijziging, hoe klein zij ook zijn moge of door welke oorzaak ontstaan, indien zij slechts ten voordeele is van het individu, steeds de strekking hebben om dat individu behouden te doen blijven, en ook zal zij gewoonlijk door zijne nakomelingen geërfd worden. Ook die nakomelingschap zal dus meer kans hebben om bestaande te blijven: immers van de vele individuen eener soort die voor en na geboren worden, kan slechts een klein getal in het leven blijven. Ik heb dat beginsel, waardoor elke geringe wijziging, als zij slechts nuttig is, bewaard blijft, de natuurkeus geheeten, zoowel ter onderscheiding als om de overeenkomst met de magt van den mensch in het doen eener keuze, met de kunstkeus, aan te duiden. Wij hebben gezien dat de mensch door zijne keus groote dingen kan doen, en dat hij daardoor bewerktuigde wezens voor zijn doel weet geschikt te maken, namelijk door steeds zulke kleine, maar nuttige verscheidenheden en wijzigingen uit te kiezen als hem door de hand der natuur worden aangeboden. De natuurkeus is, zooals wij later zullen zien, [ 72 ] eene magt steeds tot handelen vaardig, en gaat de zwakke pogingen van den mensch even onmetelijk ver te boven als de werken der natuur die van de kunst te boven gaan.

Wij willen nu dien strijd om bestaande te blijven eenigzins naauwkeurig beschouwen, hoewel er in mijn volgend werk meer uitvoerig over gesproken zal worden. De oudere de candolle en charles lyell hebben breedvoerig en wijsgeerig bewezen, dat alle bewerktuigde wezens aan eene ernstige mededinging van anderen zijn blootgesteld. Ten opzigte van de planten is dit onderwerp door niemand met zooveel bekwaamheid behandeld als door w. herbert. Niets is gemakkelijker dan de waarheid, dat er steeds een strijd des levens gestreden wordt, toe te stemmen; maar niets is moeijelijker—ten minste ik heb dit bij ondervinding—dan steeds die waarheid voor oogen te houden. Want indien ons verstand er niet als 't ware geheel van doordrongen is, zien wij de geheele huishouding der natuur, met de verspreiding, de zeldzaamheid, den overvloed, de uitsterving en de verandering der schepselen als in eene schemering, of wel wij verstaan dat alles verkeerd. Wij zien het uitzigt der natuur schitterende van licht en vreugde; wij zien overal een overvloed van voedsel; maar wij zien niet, of wij vergeten te zien dat de vogelen, die zoo vrolijk rondom ons zingen, veelal van insekten of van zaden leven en derhalve onophoudelijk bezig zijn met leven te vernietigen; of wij vergeten hoe veelvuldig die kleine zangers of hunne eijeren of hunne jongen vernietigd worden door roofvogels of roofdieren; wij denken er niet altijd aan dat ofschoon er nu voedsel in overvloed is, zulks geenszins in elk jaargetijde of in elk jaar het geval is.

Ik moet hier doen opmerken dat wij de uitdrukking "de strijd voor het bestaan" in ruimen en overdragtelijken zin gebruiken, insluitende de afhankelijkheid van het eene schepsel van het andere, en, wat van veel meer belang is, ook die toestanden waarvan niet slechts het leven van het individu, [ 73 ] maar ook zijne vatbaarheid om jongen voort te brengen afhangen. Twee wolven die door den honger gedreven met elkander vechten om eene prooi—zij strijden om bestaande te blijven. Eene plant die in eene zandwoestijn groeit, strijdt voor haar leven tegen de droogte, ofschoon men ook even goed kan zeggen: zij is afhankelijk van de vochtigheid. Eene plant die jaarlijks duizend zaadkorrels voortbrengt, waarvan slechts een enkele tot eene plant wordt, zij strijdt tegen de planten van de zelfde en van andere soorten, die reeds den bodem bedekken. De vogellijm is afhankelijk van den appelboom, den eik en eenige andere boomen, doch kan slechts in zekeren zin gezegd worden tegen die boomen te strijden, want als er al te veel van die woekerplanten op eenen boom groeijen, begint hij te kwijnen en sterft eindelijk. Maar met meer regt mag men van verscheidene vogellijmplanten die digt bij elkander op den zelfden boomtak groeijen, zeggen, dat zij tegen elkander strijden. Wijl de vogellijm door vogels wordt uitgezaaid, hangt zijn bestaan van die vogelen af, en men mag overdragtelijk zeggen dat hij strijdt met andere vruchtdragende planten, ten einde de vogelen te verleiden liever zijne zaden te verslinden en derhalve uit te zaaijen dan die van andere planten. Voor die verschillende toestanden nu, die zoo naauw aan elkander verbonden zijn, bezig ik, ten einde niet telkens de zaak te moeten omschrijven, de uitdrukking "strijd voor het bestaan."

De strijd voor het bestaan is een noodzakelijk gevolg van het streven aller bewerktuigde wezens om toe te nemen in getal. Elk wezen, hetwelk gedurende zijn natuurlijken leeftijd verscheidene eijeren of zaadkorrels voortbrengt, moet in zeker tijdperk zijns levens vernietigd worden, of, als dit niet gebeurde, zou het getal zijner nakomelingen weldra wiskunstig zoo ontzaggelijk groot worden, dat geen land groot genoeg zou zijn om hen allen te kunnen bevatten. Daarom, als er meer individuen worden voortgebragt dan bij mogelijkheid in het leven [ 74 ] kunnen blijven, moet er omvermijdelijk een strijd om bestaande te blijven ontbranden: een strijd van het eene individu tegen het andere van de zelfde soort, of tegen de individuen van andere soorten, of tegen de natuurlijke voorwaarden des levens. Dit is de leer van malthus toegepast op het dieren- en op het plantenrijk. Want als dat het geval is, kan er noch door eene kunstmatige vermeerdering van voedsel, noch door eene voorzigtige beperking van de paring, hulp geboden worden. En ofschoon eenige soorten meer of min in getal mogen toenemen, niet met allen kan dat het geval zijn, want de wereld zou te klein zijn om allen te bevatten.

Er is geen uitzondering op den regel dat alle bewerktuigde wezens op natuurlijke wijze zoo sterk trachten toe te nemen in getal, dat, als zij niet vernietigd werden, de aarde weldra door de afstammelingen van een enkel paar geheel overdekt zou zijn. Zelfs voor den mensch, die zich zoo langzaam voortplant, zou er in letterlijken zin op de geheele aarde geene ruimte zijn om te kunnen staan, indien zijne nakomelingen gedurende eenige duizend jaren allen in het leven bleven. linnaeus heeft berekend dat indien eene eenjarige plant slechts twee zaadkorrels voortbragt—en er is geene enkele plant die zoo weinig zaad geeft—en indien er in het volgende jaar van elk dier twee zaadkorrels wederom, nadat zij tot planten waren geworden, twee zaadkorrels voortkwamen en zoo vervolgens, dat er dan in twintig jaren een millioen dier planten zoude zijn. Men wil dat de olifant zich het traagst van alle bekende dieren voortplant: ik heb de moeite genomen te berekenen hoeveel olifanten er ten minste zouden gevonden worden als men stelt dat hij slechts van zijn dertigste tot zijn negentigste jaar vruchtbaar is, en dat hij in dien tijd slechts drie paar jongen voortbrengt; in dat geval zouden er in het laatst van de vijfde eeuw vijftien millioen olifanten bestaan, die allen van één paar afkomstig waren.

Doch wij hebben veel betere bewijzen voor onze bewering dan [ 75 ] berekeningen en beschouwingen: wij kennen eene menigte gevallen van de ontzaggelijk snelle en groote vermeerdering van verschillende dieren in den natuurstaat, als de omstandigheden daartoe slechts gedurende twee of drie aaneenvolgende jaargetijden gunstig geweest zijn. En een nog grooteren indruk maakt op ons hetgeen er in verschillende gedeelte der aarde voorvalt met onze tamme dieren, als zij weder verwilderen; het zou ongeloofelijk zijn hoeveel paarden en koeijen, beiden zoo langzaam voorttelende, in de vlakten van Amerika en tegenwoordig ook van Nieuw-Holland omzwerven, als de opgaven daarvan niet boven allen twijfel verheven waren. Dat is ook het geval met sommige planten: er zijn gevallen genoeg bekend van planten, die, na bij enkelen ingevoerd te zijn, in een tijdsverloop van eenige jaren geheele landen hebben overdekt. De artisjok, Cynara cardunculus, en de distel, Carduus, welke tegenwoordig onafzienbare oppervlakten met uitsluiting van alle andere planten in de wijde vlakten van la Plata bedekken, zijn uit Europa ingevoerd. Volgens Dr. falconer zijn er planten, die thans in Indie van kaap Comorin tot den Himalaya zijn verspreid, uit Amerika, sedert de ontdekking van dat werelddeel, dáár inheemsch geworden. En in zulke gevallen is er geen enkele reden op te sporen waarom men zou moeten vooronderstellen dat de vruchtbaarheid dier planten en dieren eensklaps en tijdelijk buitengewoon sterk toegenomen zou zijn. De eenvoudige verklaring is deze, dat de levensvoorwaarden zeer gunstig zijn geweest, dat er gevolgelijk minder ouden en jongen zijn vernietigd geworden, en dat bijna alle jongen in staat zijn geweest om zich voort te planten. In dergelijke gevallen verklaart de wiskunstige verhouding waarin zij vermeerderd zijn, de buitengewoon snelle toename en verre verspreiding der inheemsch gewordene wezens in hunne nieuwe verblijfplaatsen.

In den natuurstaat brengt bijna elke plant zaad voort, en weinige dieren zijn er die niet jaarlijks paren. Daaruit mogen wij besluiten dat alle dieren en planten zich in eene [ 76 ] wiskunstige reden trachten te vermeerderen; dat allen zeer spoedig hunne woonplaatsen geheel bedekken zouden; en dat die wiskunstige neiging tot vermeerdering bestreden moet worden door de vernietiging op zekeren tijd des levens. Onze bekendheid met de groote huisdieren misleidt ons veelal: wij zien geene groote vernietiging onder hen voorvallen, maar wij vergeten dat er jaarlijks duizenden geslagt worden om voor ons tot spijs te dienen, en dat er in den natuurstaat voorzeker een niet minder groot getal zal omkomen.

Het eenige verschil tusschen bewerktuigde wezens die jaarlijks bij duizenden eijeren en zaadkorrels, en die welke zeer weinig voortbrengen, bestaat slechts hierin dat de laatsten eenige jaren meer noodig zouden hebben om onder gunstige omstandigheden een groot gewest te bevolken. De condor, Sarcoramphus gryphus, legt slechts twee eijeren en de zuidamerikaansche struisvogel, Rhea americana, legt een snees, en echter zijn er in de zelfde landstreek meer condors dan struisvogels. De noordsche ijsstormvogel, Procellaria glacialis, legt slechts één ei, maar men wil dat er op de geheele wereld geen vogel is die in een grooter getal voorkomt. Het eene insekt legt honderde eijeren, en het andere, zooals de paardeluis, Hippobosca, slechts één ei, maar daarvan hangt het niet af hoeveel individuen van de beide soorten er in zekeren omtrek kunnen bestaan. Eene groote menigte eijeren te leggen is van veel belang voor die soorten, welke van eene groote wisseling van overvloed en schaarschte van voedsel afhangen, want dat stelt hen in staat snel in getal toe te nemen. Maar het wezenlijke belang van een groot getal eijeren of zaad is hierin gelegen, dat de soort daardoor weêrstand kan bieden aan de vernietiging, die haar in sommige tijdperken des levens en wel vooral in de eerste levenstijden treft. Als een dier op de eene of andere wijze zijne eijeren of jongen kan beschermen, is een klein getal eijeren voldoende om de soort in wezen te doen blijven; maar als er vele eijeren of jongen vernietigd worden, dan moet het getal hetwelk [ 77 ] voortgebragt wordt al zeer groot zijn, of de soort zal uitsterven. Het volle getal van zekere soort van boomen die gemiddeld duizend jaren oud worden, zou bestaan kunnen blijven, indien er door elken boom slechts één zaadkorrel in de duizend jaren werd voortgebragt, vooronderstellende dat die zaadkorrel nooit werd vernietigd en altijd eene geschikte plaats kon vinden om te ontkiemen. In alle gevallen hangt derhalve het gemiddelde getal van eene soort van dieren of van planten slechts middellijk af van het getal eijeren of zaadkorrels.

Bij elke beschouwing der natuur is het zeer noodzakelijk steeds de voorgaande opmerkingen in gedachten te houden. Wij moeten nooit vergeten dat elk bewerktuigd wezen rondom ons zooveel mogelijk naar vermeerdering in getal streeft; dat elk wezen in zeker tijdperk zijns levens een strijd te voeren heeft; dat ouden of jongen onvermijdelijk vernietigd worden, hetzij geregeld gedurende elke generatie, hetzij nu en dan, of met tusschenpoozen. Zoodra de vernietiging slechts in het minst verflaauwt, rijst ook tevens het getal eener soort en wel meestal oogenblikkelijk.

De oorzaken, die het natuurlijke streven van elke soort om in getal toe te nemen, beteugelen, zijn veelal vrij moeijelijk aan te wijzen. Beschouw de krachtigste soorten: in hoe grootere menigte zij voorkomen, des te sterker wordt ook het streven om in getal toe te nemen. Wij kennen in geen enkel geval de perken daarvan. Doch dit zal niemand verwonderen die nadenkt hoe onbekend wij in deze zaak zijn, zelfs ten opzigte van het menschelijke geslacht, dat evenwel zooveel beter bekend is dan eenige diersoort. Dit onderwerp is door vele schrijvers met veel talent behandeld, en in het vervolg van dit werk hoop ik het noodige te zeggen over de oorzaken, die de al te groote vermeerdering der wezens beletten of beteugelen, en wel bijzonder in betrekking tot de verwilderde dieren van Zuid-Amerika. Hier willen wij slechts eenige opmerkingen mededeelen. Het schijnt dat in het algemeen de eijeren of zeer jonge dieren het meest te lijden hebben, doch dit is niet onvoorwaardelijk [ 78 ] het geval. Bij de planten worden wel is waar vele zaadkorrels vernietigd, doch eenige waarnemingen, die ik gedaan heb, doen mij gelooven dat het vooral de jonge zaailingen, als zij zich beginnen te ontwikkelen, zijn, die het meest te lijden hebben, door het ontkiemen in eenen grond, welke reeds digt met andere planten is begroeid. Ook jonge planten gaan in menigte door verschillende vijandelijke oorzaken ten gronde. Ik zonderde een stuk gronds, drie voet lang en twee voet breed, af, spitte het om en zuiverde het van alle planten, zoodat er geen mogelijkheid bestond dat de zaailingen, welke op die plek zouden opslaan, door andere planten verstikt konden worden. Ik telde en merkte vervolgens al de zaailingen onzer gewone zoogenoemde onkruiden, naarmate zij opsloegen; en zie, van de 357 werden er niet minder dan 295 verwoest en vernield, vooral door landslakken en insekten. Als eene weide kort gemaaid en ook eveneens als zij door het vee zeer kaal geweid is, en zij vervolgens aan zich zelve wordt overgelaten, dan zal men zien dat de krachtigste planten langzamerhand de zwakkeren en kleineren dooden, hoewel de laatsten volwassen zijn: van twintig soorten die op een klein plekje—drie voet breed en vier voet lang—groeiden, heb ik gezien dat er negen soorten stierven door het welig opschieten der overigen.

De hoeveelheid voedsel voor elke soort bepaalt de natuurlijke grens tot welke zij zich in getal kan uitbreiden; doch zeer dikwijls is het niet de mogelijkheid om voedsel te kunnen verkrijgen, maar wel of de soort zelve tot voedsel voor andere wezens verstrekt, hetwelk het getal van eene soort bepaalt. Bij voorbeeld, er is geen twijfel aan of het bestaan van patrijzen en hazen is afhankelijk van de uitroeijing van roofdieren. Al werd er in de eerstvolgende twintig jaren geen enkel stuk wild geschoten, en als er tevens in den zelfden tijd geen enkele vos vernietigd werd, dan zou er hoogst waarschijnlijk minder wild gevonden worden dan tegenwoordig, niettegenstaande er thans jaarlijks honderd en duizend stuks wild [ 79 ] dood worden. Aan den anderen kant zijn er ook dieren, zooals de olifant en het neushoorndier, die niet door roofdieren gedood worden, zelfs de tijger in Indie durft zelden een jongen olifant, die door zijne moeder beschermd wordt, aanvallen.

Ook het weder speelt eene groote rol in de bepaling van het getal dieren eener soort: ik geloof dat zeer koude of zeer droge tijden wel in de eerste plaats onder de middelen ter beteugeling van eene al te groote vermeerdering genoemd mogen worden. Ik houd het er voor dat de winter van 1854—1855 vier vijfden van de vogelen op mijne landerijen heeft vernield, en dit is eene ontzaggelijke sterke vernieling, als wij bedenken dat tien procent eene buitengewoon groote sterfte is gedurende eene epidemie onder het menschdom. De invloed van het klimaat schijnt in den eersten opslag niets te maken te hebben met den strijd voor het bestaan, maar in zoo verre als het klimaat vooral werkt op de vermindering van het voedsel, geeft het dus wel degelijk aanleiding tot den hevigsten strijd tusschen de individuen, hetzij van de zelfde of van eene verschillende soort, die van het zelfde voedsel moeten leven. En als het klimaat onmiddellijk werkt, zooals door zeer strenge koude, dan zullen die dieren het meest te lijden hebben, welke het zwakste zijn, of welke reeds eenigen tijd te voren gebrek aan voedsel hebben gevoeld. Als wij van het zuiden naar het noorden of van een vochtig gewest naar een droog reizen, zien wij steeds dat sommige soorten al zeldzamer en zeldzamer worden en eindelijk geheel verdwijnen, en—wijl het verschil en de afwisseling van het klimaat duidelijk te bespeuren zijn—worden wij zeer genegen om dat alles aan den onmiddellijken invloed van het klimaat te wijten. Doch die meening is valsch: wij vergeten dat elke soort, zelfs waar zij het overvloedigst aanwezig is, standvastig aan eene zeer groote vernieling in zeker tijdperk haars levens is blootgesteld, door vijanden of mededingers naar de zelfde woonplaats of het zelfde voedsel; en als die mededingers slechts iets, al is het ook nog zoo [ 80 ] weinig, door het klimaat begunstigd worden, dan zullen zij ongetwijfeld in getal toenemen: daar nu elk strijdperk vol strijders is, zoo spreekt het van zelf dat de andere soort moet ten onder gaan. Wanneer wij zuidwaarts reizen en wij zien eene soort afnemen in getal, dan kunnen wij zeker zijn dat de oorzaak daarvan ten minste even veel in andere, meer begunstigde soorten ligt, als in den nadeeligen invloed des klimaats. Zoo is het ook als wij noordwaarts gaan, hoewel in eenigzins minderen graad, want het getal van alle soorten en dus ook van mededingers wordt kleiner hoe verder noordwaarts wij komen. Daarom dus, wanneer wij noordwaarts gaan of een gebergte beklimmen, ontmoeten wij vaker vormen, vernietigd door den onmiddellijken, nadeeligen invloed van het klimaat, dan wanneer wij zuidwaarts trekken of een berg afdalen. Wanneer wij de poolstreken of de met eeuwige sneeuw bedekte toppen der bergen of wel volkomen dorre woestijnen bereiken, wordt de strijd om bestaande te blijven bijna uitsluitend tegen de elementen gestreden.

Dat het klimaat grootendeels middellijk werkt, namelijk door eenige soorten te begunstigen, wordt ons ten klaarste bewezen door de groote menigte planten in onze tuinen, die ons klimaat zeer wel kunnen verduren, maar nooit bij ons inheemsch worden: want zij kunnen niet de mededinging met onze inheemsche planten volhouden, of weerstand bieden aan de vernieling door onze inheemsche dieren.

Wanneer eene soort in zeer gunstige omstandigheden levende, buitengewoon in getal vermeerdert en wel vooral binnen een niet grooten omtrek, dan ontstaan er dikwijls epidemiën, tenminste bij ons wild schijnt dit veelvuldig het geval te zijn; in dat geval zien wij eene beteugeling van de uitbreiding, onafhankelijk van den strijd des levens. Doch velen van die zoogenoemde besmettelijke ziekten schijnen aan ingewandswormen te moeten worden geweten, welke door de eene of andere oorzaak—misschien ten deele door de gemakkelijkheid [ 81 ] mede zij in de digt opeengehoopte dieren van het eene individu in het andere overgaan — boven de gewone verhouding begunstigd zijn geworden: en hier zien wij dus ook eene soort van strijd tusschen den parasiet en zijne prooi. Aan den anderen kant is er in vele gevallen eene zeer groote verzameling van individuen eener zelfde soort, in verhouding tot het getal harer mededingers, volstrekt noodig om de soort in stand te houden. Zoo kunnen wij gemakkelijk en volop rogge of koolzaad op onze koornvelden kweeken, omdat er oneindig meer zaadkorrels zijn dan vogels, die er op azen; ook kunnen de vogelen niet, ofschoon in het eene jaargetijde overvloed van voedsel hebbende, zoo sterk toenemen in getal dat hunne menigte aan die der zaadkorrels beantwoordt, wijl hunne vermeerdering in den winter beperkt wordt. Doch hij die het beproefd heeft, weet hoe moeijelijk het is zaad te winnen van bij voorbeeld eenige tarweplanten in eenen tuin gekweekt: ik ten minste heb geen enkele korrel op die wijze kunnen verkrijgen. De omstandigheid dat eene groote schaar van eene soort noodzakelijk is voor haar behoud, verklaart naar mijne gedachten sommige zonderlinge feiten in de natuur: zooals dat zeer zeldzame planten soms zeer overvloedig aanwezig zijn op de weinige plaatsen waar zij voorkomen; of dat sommige gezellig wassende planten gezellig blijven, dat is dat zij talrijk zijn in individuen, zelfs op de uiterste grenzen van haar gebied. Want in zulke gevallen moeten wij gelooven dat eene plant slechts dáár konde bestaan, waar de voorwaarden voor haar leven zoo gunstig waren, dat er velen bijeen konden groeijen, en dus de soort voor vernieling bewaard kon blijven. Ik meen ook dat de goede uitwerkselen van eene veelvuldige kruising, en de slechte gevolgen van eene aanhoudende voortteling in de zelfde lijn hierbij eene rol spelen; doch het is hier niet de plaats om over dit onderwerp te spreken.

Veel zijn de voorbeelden die ons bewijzen hoe zamengesteld en in elkander grijpend de betrekkingen zijn tusschen de [ 82 ] bewerktuigde wezens, welke in zeker gewest met elkander moeten strijden. Ik wil hier slechts een enkel voorbeeld geven, hetwelk, hoezeer eenvoudig, mij toch zeer belangrijk voorkomt. In het graafschap Staffordshire was eene uitgestrekte en zeer dorre heide, die nooit door de hand des menschen was aangeraakt; doch verscheidene bunders van volkomen den zelfden aard waren vijf en twintig jaren geleden met dennen, Pinus sylvestris, beplant. De verandering van den plantengroei op het ontgonnene gedeelte der heide was hoogst merkwaardig, en zelfs grooter dan men gewoonlijk waarneemt, als men van zekeren bodem op een volkomen verschillenden overgaat: niet slechts het betrekkelijke aantal heideplanten was geheel veranderd, maar twaalf soorten van planten (grassen en rietgrassen niet mede gerekend) groeiden en bloeiden in het bosch—twaalf soorten die niet op de heide gevonden werden. Het uitwerksel moest nog veel grooter op de insekten geweest zijn, want zes soorten van insektenetende vogelen kwamen veel in het bosch en in 't geheel niet op de heide voor, maar op de heide vond men twee of drie geheel andere insektenetende vogelen. Hier zien wij dus hoe groot de invloed is van de invoering van eene enkele boomsoort: immers anders was er behalve dat niets geschied, dan dat er eene omheining om het land gemaakt was, ten einde het vee er uit te weren. Maar hoe krachtig in werking ook het maken van eene omheining is, bleek mij ten duidelijkste te Farnham in Surrey. Daar zijn uitgestrekte heiden, met hier en daar op de ruggen en toppen der hoogten enkele denneboschjes: in de laatste tien jaren heeft men groote ruimten omheind, en nu slaan er eene menigte jonge dennen op, die zich zelven gezaaid hebben, en wel zoo digt opeen, dat allen niet in het leven kunnen blijven. Toen men mij verzekerde dat die jonge dennen niet door den mensch gezaaid of geplant waren, was ik zoo verwonderd over het groote getal, dat ik mij naar verschillende plaatsen begaf van waar ik eenige honderde morgen niet omheinde heide konde overzien, [ 83 ] en in den letterlijken zin des woords zag ik geen enkele den, uitgezonderd de oude, vroeger geplante boschjes. Maar door naauwkeurig tusschen de stammetjes der heideplanten te zoeken, vond ik eene menigte zaailingen en kleine boompjes, die steeds door het vee waren afgeweid geworden. Op eene vierkante el heide, ongeveer honderd ellen van een der oude boschjes gelegen, telde ik twee en dertig kleine boompjes; en een daarvan, met zes en twintig jaarringen, had gedurende vele jaren getracht zijne kruin boven het heidekruid te verheffen, maar het was hem niet gelukt. Geen wonder dat het land, zoodra het omheind was geworden, digt bedekt werd door krachtig opschietende jonge dennen. En echter was de heide zoo dor en zoo uitgestrekt, dat niemand ooit had kunnen gelooven dat zij zoo door het vee afgeweid en kort gehouden kon geworden zijn.

Hier zien wij derhalve dat het vee het bestaan van den denneboom bepaalt, maar in vele gedeelten der aarde bepalen insekten het bestaan van het vee. Paraguay geeft ons hiervan misschien het treffendste voorbeeld, want daar zijn nooit wilde paarden, noch wilde runderen, noch wilde honden geweest, hoewel zij in groote kudden ver noordwaarts in half verwilderden toestand zwerven. Nu hebben azara en rengger bewezen dat het sterven van eene menigte jonge dieren dikwijls veroorzaakt wordt door eene soort van vlieg, welke in groote menigte in Paraguay voorkomt, en die hare eijeren legt in de navels der jonggeborene dieren. De te groote vermeerdering dier vliegen wordt gewoonlijk beteugeld door andere dieren, vooral door vogels. Derhalve, indien zekere insektenetende vogelen—welker getal waarschijnlijk door havikken of roofdieren geregeld wordt—in Paraguay te veel verminderden, zouden de vliegen vermeerderen; daardoor zouden de paarden en runderen uitsterven; en dat zou zekerlijk den plantengroei grootelijks doen veranderen; die verandering zou voorzeker van grooten invloed zijn op de insekten; dit zou weder op de insektenetende vogelen werken, en zoo vervolgens in al grooter en grooter [ 84 ] wordende en al meer en meer zamengestelde kringen voortgaan. Wij begonnen dezen kringloop met de insektenetende vogelen, en wij sloten hem daarmede. Niet dat de verhoudingen in de natuur altijd zoo eenvoudig zijn als de hier gemelden. Neen, gevecht na gevecht en strijd na strijd moet er gestreden worden, met verschillenden uitslag; en de strijdkrachten staan veelal zoo gelijk, dat het uitzigt der natuur het zelfde blijft en gedurende lange tijdperken niet verandert, ofschoon voorzeker de kleinste omstandigheid dikwijls voldoende is om de zegepraal door de eene of andere partij te doen behalen. En echter is onze onwetendheid zoo groot en onze verwaandheid niet minder; zoodat wij ons verwonderen als wij hooren dat er eene soort van bewerktuigde wezens is uitgestorven: en als wij de oorzaak niet kunnen tasten en voelen, dan roepen wij katastrophen te hulp, in staat om de wereld te doen schudden, of wij vinden wetten uit, die den duur van de vormen des levens bepalen!

Het lust mij nog eenige voorbeelden te geven om te bewijzen hoe planten en dieren, zelfs de zulken die het verst van elkander af staan in de reijen der schepselen, met elkander verbonden zijn door een netwerk van betrekkingen en verhoudingen. Wij zullen in het vervolg zien dat de Lobelia fulgens bij ons nooit door een insekt wordt bezocht, en dat zij derhalve, ten gevolge van hare bijzondere inrigting, nooit vruchtbaar zaad kan voortbrengen. Vele orchideën vorderen volstrekt dat zij door insekten bezocht worden om hare stuifmeel-massaas over te brengen en haar zoodoende te bevruchten. Ik heb groote reden om te gelooven dat de wespen[1] noodzakelijk zijn voor de bevruchting van het driekleurige viooltje, Viola tricolor, want andere bijen bezoeken die bloem niet. Door proefnemingen is het mij gebleken dat het bezoek van bijen gevorderd wordt voor de bevruchting van sommige klaversoorten; maar wespen[1] alleen bezoeken de roode klaver, Trifolium pratense, wijl andere bijen den nectar niet kunnen bereiken. Daarom [ 85 ] schijnt het mij eene waarheid te moeten zijn, dat als het geheele geslacht der wespen[2] uitstierf of zeer zeldzaam werd, ook het viooltje en de roode klaver zeldzaam zouden worden of wel geheel uitsterven. Het getal der wespen[2] in zekere landstreek hangt in hooge mate af van het getal der veldmuizen, welke de nesten en cellen of honiggraten dier insekten verstoren: volgens newman worden er twee derden der wespen[2] door muizen vernietigd. Nu is het bekend genoeg dat het getal der muizen grootelijks van het getal der katten afhangt, en bovengenoemde newman zegt: "In den omtrek van dorpen en landstadjes heb ik meer wespenesten gevonden dan ergens elders, wat ik aan het getal der katten toeschrijf, die de muizen vernietigen." En derhalve blijkt het dat de aanwezigheid van de kat in zekere landstreek kan bepalen, door de tusschenkomst eerst van de muizen en dan van de bijen, of er zekere bloemen overvloedig in die landstreek zullen zijn of niet.

Voor elke soort bestaan er waarschijnlijk verschillende middelen ter beteugeling eener te groote toename, die in verschillende tijdperken des levens en gedurende onderscheidene tijden des jaars werken. Wel is waar, meestal is een dier middelen het krachtigste, maar allen werken mede om het middengetal of zelfs het voortbestaan der soort te bepalen. In sommige gevallen kan het bewezen worden dat zeer verschillende middelen ter beperking op de zelfde soort in verschillende landstreken werken. Als wij eene menigte soorten van planten op zekere plek digt opeen en door elkander heen zien groeijen, zijn wij genegen, om hare betrekkelijke getallen en soorten toe te schrijven aan wat wij het toeval noemen. Maar hoe ten onregte! Iedereen weet dat als een amerikaansch bosch wordt gerooid er een plantengroei ontstaat zeer verschillend van die er eerst was: doch men heeft waargenomen dat de omtrek van oude, in puin liggende tempels der inboorlingen in het zuiden der Vereenigde Staten—en derhalve plaatsen waar lang geleden de [ 86 ] boomen zijn gerooid en waar de grond van planten gezuiverd geworden is—tegenwoordig de zelfde heerlijke verscheidenheid en het zelfde groote getal van verschillende planten vertoont, als het maagdelijke bosch dat die plaatsen omringt. Welk een strijd tusschen de verschillende boomsoorten moet hier eeuwen aaneen gestreden zijn, terwijl elke boom jaarlijks bij duizenden zijne zaadkorrels uitstrooide! Welk een oorlog tusschen insekten en insekten, tusschen insekten en slangen en andere dieren met vogels en verscheurende dieren—allen naar vermeerdering strevende en allen van elkander levende, of van de boomen, of van hunne zaadkorrels en zaailingen, of van de andere planten, die het eerst den bodem bedekten en daardoor den groei van boomen verhinderden! Werp eene handvol vederen in de lucht en allen zullen naar beneden vallen naar bepaalde wetten; maar hoe eenvoudig is dit probleem vergeleken met de werking en de terugwerking van de ontelbare planten en dieren, welke in den loop der eeuwen het betrekkelijke getal en de soorten der boomen bepaald hebben, die thans groeijen op de puinhoopen der oude indiaansche tempels!

De afhankelijkheid van een bewerktuigd wezen van een ander wezen, zooals de parasiet afhankelijk is van het dier waarin hij woont, bestaat in het algemeen tusschen wezens die verre van elkander verwijderd staan in de reijen der schepping. Dit is onder anderen het geval met de sprinkhanen en de grasetende zoogdieren, die letterlijk met elkander strijden om te blijven bestaan. Doch die onvermijdelijke strijd is het hevigst tusschen de individuen van de zelfde soort, want zij bewonen het zelfde gewest, zij hebben behoefte aan het zelfde voedsel, en zijn aan de zelfde gevaren blootgesteld. Bij de rassen van de zelfde soort is de strijd gewoonlijk niet minder hevig, maar somtijds zien wij dat hij zeer spoedig beslist is. Indien eenige verscheidenheden van tarwe door elkander gezaaid worden en het gemengde zaad weder uitgezaaid wordt, zullen sommige verscheidenheden, die het best voor den grond of voor het klimaat [ 87 ] zijn geschikt, of die, welke het vruchtbaarste zijn, de anderen onderdrukken; zij zullen zoodoende het meeste zaad geven en gevolgelijk binnen weinig jaren volkomen den boventoon verkrijgen. Om zelfs zulke naverwante verscheidenheden als de doperwten zijn door elkander te kunnen laten groeijen, moet men elk jaar de erwten afzonderlijk inoogsten en naderhand in eene juiste verhouding vermengen, of de zwakkere verscheidenheden zullen weldra in getal verminderen en eindelijk geheel verdwijnen. Zoo is het ook met de schapen: men verzekert dat sommige rassen andere rassen doen uitsterven, zoodat zij niet te zamen gehouden kunnen worden. Het zelfde heeft men gezien door het bij elkander houden van verschillende rassen van bloedzuigers. Men mag er zelfs aan twijfelen dat de rassen van het eene of andere tamme dier of tuinplant zoo juist de zelfde krachten, gewoonten en behoeften hebben, dat de oorspronkelijke verhoudingen van eene gemengde kudde gedurende een half dozijn generatiën in stand zouden kunnen blijven, als zij verlof kregen om tegen elkander strijd te voeren gelijk in den natuurstaat, en als het zaad of de jongen niet alle jaren uitgezocht, gesorteerd, werden.

Wij hebben boven gezegd dat de strijd des levens in het algemeen het hevigst zou zijn, hoewel niet altijd, tusschen soorten van het zelfde geslacht, wijl hare behoeften, hare woonplaatsen en dergelijken de zelfden zijn. Wij zien dit in het feit dat er tegenwoordig zekere soort van zwaluw zeer verspreid geworden is in Noord-Amerika, terwijl eene andere soort daardoor verminderd is. De vermeerdering in de laatste jaren van de groote lijster, Turdus viscivorus, in Schotland, heeft de vermindering van de zanglijster, Turdus musicus, ten gevolge gehad. Hoe dikwijls hooren wij niet dat zekere soort van rat de plaats van eene andere inneemt? In Rusland heeft de aziatische kakkerlak, Blatta orientalis, overal zijn grooteren naamgenoot, de Blatta germanica, verdreven. De eene soort van mosterd verjaagt de andere: en zulke gevallen zijn er veel. Wij kunnen, wel is waar, zien dat de mededinging [ 88 ] het sterkst is tusschen vormen die ongeveer de zelfde plaats beslaan in de huishouding der natuur, maar wij kunnen misschien in geen enkel geval juist zeggen waarom de eene soort zegepraalt over de andere in den grooten strijd des levens.

Eene zeer belangrijke toepassing is er uit de voorgaande opmerkingen af te leiden, namelijk dat de inrigting van elk bewerktuigd wezen in de naauwste, maar dikwijls onbekende betrekking staat tot die van alle andere bewerktuigde schepselen, waarmede het in mededinging geraakt, hetzij wegens het voedsel of wegens de woonplaats; of waaraan het moet ontsnappen; of waarop het aast. Dit is zigtbaar in de tanden en klaauwen van den tijger, zoowel als in de pooten en nagels van de luis die op de huid van den tijger leeft. In het fraai gepluimde zaad van de paardebloem, Leontodon taraxacum, en in de platte en van franjes voorziene pooten van den waterkever, Hydrophilus, zien wij de betrekking tot lucht en water. Doch de pluim van het zaadkorreltje staat ongetwijfeld in de naauwste betrekking tot het land, dat reeds digt begroeid is met andere planten, zoodat het zaad ver weggevoerd kan worden en vallen op eene onbezette plek. De inrigting van de pooten des waterkevers veroorlooft hem om al zwemmende mede te dingen met andere waterinsekten, om zijne prooi na te jagen, en om te ontsnappen aan andere dieren die op hem azen.

De voorraad van voedsel, opgehoopt in de zaden van vele planten, schijnt in den eersten oogopslag geene de minste betrekking te hebben tot andere planten. Doch uit het krachtige opschieten van jonge planten uit zulke zaden—erwten en boonen—als zij te midden van het lange gras zijn gezaaid, vermoed ik dat het voornaamste nut, hetwelk dat voedsel in het zaad doet, hierin bestaat dat het den groei van de jonge plant bevordert ten tijde van haren strijd met andere planten, die aan alle zijden krachtig opschieten.

Zie de plant midden in haar eigen gebied: waarom verdubbelt of vervierdubbelt zij haar aantal niet? Wij weten dat zij [ 89 ] volkomen in staat is om weêrstand te kunnen bieden aan een weinig meer warmte of koude, droogte of vochtigheid, want elders groeit zij, waar het een weinig warmer of kouder, of drooger of vochtiger is. In dit geval zien wij duidelijk dat, als wij in onze verbeelding aan de plant de magt om in getal toe te nemen zouden willen geven, wij haar tevens eenig voordeel boven hare mededingers of over de dieren, welke haar tot voedsel gebruiken, moesten geven. Nu, op de grens van haar aardrijkskundig gebied zou eenige verandering in hare zamenstelling, waardoor zij beter weêrstand zou kunnen bieden aan het klimaat, voorzeker een groot voordeel voor onze plant zijn. Doch er bestaan redenen genoeg om te gelooven dat er slechts weinig planten of dieren zijn die zulk een uitgestrekt gebied hebben, dat zij vernietigd worden door de strengheid van het klimaat alleen. Slechts als wij de uiterste grenzen des levens aan de polen of in eene dorre zandwoestijn bereiken, zullen wij eerst de mededinging zien ophouden. Het land mag zeer koud of zeer droog zijn, er zal toch mededinging zijn tusschen eenige soorten of tusschen de individuen van de zelfde soort, om op de warmste of op de vochtigste plekjes te mogen staan.

Uit dit alles blijkt het derhalve dat, als eene plant of een dier in een nieuw land tusschen nieuwe mededingers geplaatst wordt, en ofschoon het klimaat naauwkeurig gelijk is aan dat van het vaderland, echter de levensvoorwaarden zeer en wezenlijk anders zullen zijn. Als wij wenschen dat zulk eene soort zich verspreide en vermeerdere in het nieuwe vaderland, dan moeten wij iets anders voor haar doen dan wij in haar vaderland met dat doel voor haar gedaan zouden hebben, want wij moeten haar eenig voordeel weten te verschaffen boven eene geheel verschillende soort van mededingers of van vijanden.

Het is wel goed in onze verbeelding te trachten aan den eenen vorm eenig voordeel te geven boven den anderen. Wij weten misschien in geen enkel geval wat wij moeten doen om hierin te zullen slagen. Zoo iets zal ons overtuigen van onze diepe [ 90 ] onwetendheid ten opzigte van de wederkeerige verhoudingen der bewerktuigde wezens tot elkander: eene overtuiging even noodzakelijk als moeijelijk te verkrijgen. Alles wat wij kunnen doen is steeds in gedachten te houden, dat elk bewerktuigd wezen naar vermeerdering in getal streeft; dat elk in zeker tijdperk zijns levens, gedurende zeker jaargetijde of bij tusschenpoozen strijden moet om te blijven bestaan; en dat elk op zijne beurt eene groote vernietiging moet ondergaan. Doch bij het zien van dien strijd mogen wij ons troosten met het vaste geloof, dat de oorlog in de natuur niet altijd duurt; dat geen schepsel er vrees voor heeft; dat de dood in 't algemeen plotseling is; en dat de krachtige, de gezonde en de gelukkige in het leven blijft en zich vermenigvuldigt.

 

 


  1. 1,0 1,1 met pen gecorrigeerd:aardhommels
  2. 2,0 2,1 2,2 met pen gecorrigeerd: aardhommels