Verzameling van verslagen en rapporten behoorende bij de Nederlandsche Staatscourant/Jaargang 1920/Nummer 28

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Verslag aangaande de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, loopende van 1 April 1919 tot 31 Maart 1920’ door P. Zeeman
Afkomstig uit de Verzameling van verslagen en rapporten behoorende bij de Nederlandsche Staatscourant, 1920, nr. 28 (9 augustus 1920). Publiek domein.
[ 1 ]

Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van
Maandag 9 Augustus 1920, no. 153.



No. 28.


VERSLAG aangaande de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, loopende van 1 April 1919 tot 31 Maart 1920.
Aan Hare Majesteit de Koningin. 

 Mevrouw,

 De Koninklijke Akademie van Wetenschappen heeft de eer Uwe Majesteit, volgens het voorschrift, vervat in art. 14 van haar Reglement, een verslag aan te bieden van den staat en van de werkzaamheden in het afgeloopen Akademiejaar.
 Volgens art. 2. alinea a. is de Akademie in de eerste plaats geroepen „voor de Regering een raadgevend ligchaam te zijn op het gebied, der wetenschap.”
 In hoeverre de Akademie aan deze verplichting heeft kunnen voldoen, moge blijken uit het volgende:
 In de Mei-vergadering van de wis- en natuurkundige Af­deeling werd door de daartoe aangewezen commissie, be­staande uit de heeren F. M. Jaeger, J . Böeseken, F. A. H. Schreinemakers, Ernst Cohen en P. van Romburgh een gunstig prae-advies uitgebracht over eene uitnoodiging van het Ramsay Memorial Fund tot deelneming van Nederland aan de te stichten Ramsay Memorial Fellowships, waar­omtrent aan de Afdeeling door Zijne Exc. den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen een verzoek om be­richt en raad was gedaan, zooals in het Jaarboek 1919, blz. 98 is medegedeeld. Het prae-advies werd ongewijzigd door de vergadering overgenomen en namens de Afdeeling met een begeleidend schrijven van den 4den Juni 1919 ten advies gezonden aan den Minister.
 In het afgeloopen Akademiejaar ontving de wis- en na­tuurkundige Afdeeling:
 Van Zijne Exc. den Minister van Waterstaat:
 a. Eene missive d.d. 1 Juli 1919, no. 239, Afd. Waterstaat T, met verzoek om een lid der Afdeeling aan te wijzen, ge­neigd om zitting te nemen als lid der Commissie van Toe­zicht op den Geologischen Dienst, op welke missive ten ver­volge ontvangen werd eene missive dd. 17 Juli d.a.v., no. 245, Afd. Waterstaat T, met bericht, dat het den Minister [ 2 ] aangenaam zou zijn wanneer uit de leden der Afdeeling twee personen werden aangewezen om als leden in bovengenoemde commissie zitting te nemen.
 Door den Voorzitter werden hiertoe aangezocht de leden der Afdeeling, de heeren K. Martin en G. A. F . Molen­graaff, die zich hiertoe bereid verklaarden.
 Van Zijne Exc. den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen:
 b. Eene missive d.d. 22 Augustus 1919, no. 2931, Afd. K. W ., niet verzoek om het advies der Afdeeling te mogen vernemen over een request voor een Rijkssubsidie van f 2000, ten behoeve van de Publicatie-commissie van het Geologisch-Mijnbouwkundig Genootschap voor Nederland en Koloniën, waarop ten vervolge ontvangen werd eene missive van 27 September d.a.v., no. 3439, Afd. K. W., waarbij was ingesloten een request van dezelfde strekking van het bestuur van voormeld Genootschap.
 De Voorzitter stelde de stukken in handen van de heeren M. W . Beijerinck en J. F. van Bemmelen, met verzoek om prae-advies, dat ten gunste van het verzoek werd uitgebracht in de October-vergadering, ongwijzigd door haar werd overgenomen en als advies der Afdeeling aan den Minister is medegedeeld.
 c. Eene missive d.d. 13 November 1919, no. 4091, Afd. K. W., met verzoek om bericht en raad aangaande een request van den heer H. Nort, te Gouda, om boven de hem reeds verleende Rijkssubsidie voor zijne astronomische stu­diën, ter voltooiing van het door hem voorgenomen onder­zoek, in de eerstvolgende vijf jaren nog een jaarlijksche Rijkstoelage van f 360 te verleenen.
 De Voorzitter stelde het request in handen van de heeren J. C. Kapteyn en W. H. Julius, met verzoek om prae-advies, dat ten gunste van het gevraagde werd uitgebracht in de December-vergadering, ongewijzigd door haar werd overge­nomen en als advies der Afdeeling aan den Minister is mede­gedeeld.
 d. Eene missive d.d. 6 December 1919. no. 4350. Afd. K. W., met verzoek om zoo spoedig mogelijk te adviseeren over een tot den Minister gericht schrijven van de Commissie van Toezicht op het Centraal Instituut voor Hersenonder­zoek, betreffende de positie van het personeel, aan dat Insti­tuut verbonden.
 Ter tegemoetkoming aan ’s Ministers verlangen om deze zaak te bespoedigen, werden de stukken, onmiddellijk na ont­vangst, door den Voorzitter gesteld in handen van de heeren W. Einthoven, I. K. A. Wertheim Salomonson en E. D. Wiersma, met verzoek om prae-advies, dat in gunstigen zin [ 3 ] luidde en ongewijzigd als advies der Afdeeling den Minister ten antwoord gezonden werd.
 e. Eene missive d.d. 16 December 1919. no. 4476, Afd. K. W., met verzoek om bericht en raad aangaande een request van de z.g . Maascommissie, welke op initiatief van eenige Nederlandsehe wetenschappelijke genootschappen werd ingesteld, met het doel om te komen tot een onderzoek naar de veranderingen, die in de fauna en flora van de Maas zich zullen voordoen ten gevolge van de kanalisatie dezer rivier. In dat request werd voor het genoemde doel gedurende een tijdvak van twee en een half jaar een Rijkssubsidie ge­vraagd van f 5000 ’s jaars of, wel een subsidie in eens van f 12 500. De Voorzitter stelde het request in handen van de heeren J. F. van Bemmelen, J. C. Schoute en C. Ph. Sluiter met verzoek om prae-advies, dat in gunstigen zin werd uit­gebracht in de Januari-vergadering, ongewijzigd door haar werd overgenomen en als advies der Afdeeling aan den Minister gezonden is.
 f. Eene missive d.d. 14 Januari 1920, no. 224, Afd. K. W., met verzoek om bericht en raad aangaande een request van het Bestuur van het Wiskundig Genootschap „Een on­vermoeide arbeid komt alles te boven”, te Amsterdam, om eene jaarlijksche Rijkssubsidie van f 1000, ten einde de inter­nationale werkzaamheden van het Genootschap te kunnen voortzetten op een wijze, welke in overeenstemming is met de rol, die Nederland op wetenschappelijk gebied dient te vervullen.
 Door den Voorzitter werd dit request gesteld in handen van de heeren J. C. Kapteyn, C. Lely en W. H. Julius, met verzoek om prae-advies, dat werd uitgebracht in de Februari-vergadering, ongewijzigd door haar werd overgenomen en als advies der Afdeeling aan den Minister is kenbaar gemaakt.
 g. Eene missive d.d. 23 Januari 1920, no. 283. Afd. K. W., om bericht en raad over een schrijven aan den Minister van Prof. F. J. J. Buytendijk, te Amsterdam, waarin deze de hulp der Regeering verzocht voor het in stand blijven van het anthropoiden-station te Teneriffe. Ter toelichting van dit verzoek was aan het schrijven toegevoegd een uitvoerige brief van dr. W. Köhler, den leider van dit station.
 De Voorzitter stelde de stukken in handen van de heeren H. Zwaardemaker, J. F. van Bemmelen en E. D. Wiersma, met verzoek om prae-advies, waarop den 20sten Februari 1920 van den Minister bij Zijner Excellenties schrijven van dien datum, no. 778, Afd. K. W., met verzoek om bericht en raad, nog ontvangen werd een later ingekomen schrijven van dr. von Waldeijer Hartz, lid der Pruisische Akademie van Wetenschappen en Voorzitter van het Curatorium der aan [ 4 ] die Akademie verbonden „Albert Samson-Stiftung”, waarin deze, met machtiging van het „Preussische Ministerium für Wissenschaft, Kunst und Volksbildung” aan het Nederlandsche Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschap­pen nadere inlichtingen gaf over het Anthropoiden-station en aan de Nederlandsche Regeering de vraag deed of zij bereid zou zijn dat station door koop tot haar eigendom te maken.
 De Voorzitter voegde thans de heeren C. Winkler en L. Bolk nog aan de door hem benoemde commissie van prae-advies toe, welke commissie in de buitengewone vergadering der Afdeeling van Februari haar prae-advies uitbracht, dat ongewijzigd door de vergadering werd overgenomen en als advies der Afdeeling ter kennis van den Minister is gebracht.
 h. Eene missive d.d. 11 Maart 1920. no. 1061, Afd. K. W., met verzoek om bericht en raad aangaande een request van den heer F. J. Vaes, te Rotterdam, hoofdredacteur van het „Wiskundig Tijdschrift”, waarin deze als steun bij het uitgeven van dit tijdschrift een jaarlijksche Rijkssubsidie verzocht, even groot als die, welke gevraagd was door het Wiskundig Genootschap.
 De Voorzitter stelde het request in handen van de heeren J. C. Kapteyn, C. Lely en W. H. Julius, met verzoek om prae-advies, dat tot heden nog niet werd uitgebracht en dus in het volgende Jaarverslag zal worden vermeld.
 i. Eene missive d.d. 22 April 1920, no. 1641, Afd. K. W., met verzoek om bericht en raad aangaande een request van de redacteuren van het „Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde”, waarin zij vragen of de Regeering geneigd is steun te ver­leenen aan de uitgave van dit tijdschrift door het nemen van een abonnement voor ’s Rijks rekening, ten getale van 200 exemplaren, welke dan over de binnen- en buitenlandsche openbare bibliotheken zouden te distribueeren zijn.
 Door den Voorzitter werd dit request met bijlagen gesteld in handen van de heeren J. C. Kapteyn, W. H. Julius en C. Lely, met verzoek om prae-advies, dat tot heden nog niet werd uitgebracht en waarvan dus in het volgende Jaarver­slag zal worden gewag gemaakt.

 De letterkundige Afdeeling ontving van Zijne Excellentie den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen:
 a. Eene missive d.d. 7 October 1919, no. 3512, Afd. K. W., met verzoek om advies over eene subsidieaanvraag van dr. K . Vos, te Middelstum, voor het uitgeven der geschriften van Menno Simons.
 Door den Voorzitter werd dit verzoek met de daaraan toe­ gevoegde correspondentie van den heer Vos met den Minister gesteld in handen van de heeren P. J. Blok en H. Bavinck, [ 5 ] met verzoek om prae-advies, dat werd uitgebracht in de buitengewone vergadering van Januari en adviseerde tot af­wijzing van het verzoek. De vergadering vereenigde zich met dit prae-advies en nam het over als advies der Afdeeling, dat met een begeleidend schrijven aan den Minister gezonden werd.
 b. Eene missive d.d. 22 November 1919. no. 3986, Afd. K. W., met verzoek om advies over een schrijven van den uitgever W. ten Have, te Amsterdam, waarin deze een Rijkssubsidie vroeg voor het uitgeven van een werk van dr. G. Vellenga, te Nieuw-Loosdrecht, getiteld: „Hieronymus van Alphen.”
 De Voorzitter stelde het verzoek met het daarbij gevoegde manuscript in handen van de heeren A. Kluyver en G. Kalff, met verzoek om prae-advies, dat in niet gunstigen zin werd uitgebracht in de buitengewone vergadering van Januari en waarmede de vergadering zich vereenigde. Overgenomen als het advies der Afdeeling, werd het met een begeleidend schrijven, aan den Minister gezonden.
 c. Eene missive d.d. 30 Januari 1920, no. 108. Afd. K. W., met verzoek om advies aangaande een bij het Ministerie ingekomen subsidieaanvraag van het bestuur der vereeniging „Het Nederlandsch Centraal Filmarchief”.
 Door den Voorzitter was het request gesteld in handen van de heeren S. Muller Fzn., P. J. Blok en J. Huizinga om prae-advies, dat door de twee laatstgenoemde leden werd uit­gebracht in de buitengewone vergadering van Februari en adviseerde tot afwijzing van het verzoek.
 De heer Muller sprak zijne meening uit in eene afzonder­lijke nota, welke bij het prae-advies werd overgelegd. De ver­gadering, die zich vereenigde met het prae-advies en het overnam als advies der Afdeeling, besloot een afschrift zoo­wel van het prae-advies als van de nota met een begeleidend schrijven, namens de Afdeeling, aan den Minister te zenden.
 d. Eene missive d.d. 6 April 1920, no. 1306, Afd. K. W., met verzoek om bericht en raad aangaande een aan den Minister gezonden schrijven van den heer Ferdinando Palmini, te Castellamare di Stabia, waarin deze vroeg om zijne bij het schrijven geveegde, doch reeds gedrukte Latijnsche gedichten in aanmerking te doen komen voor eene bekroning met de gouden medaille, welke jaarlijks wordt toegekend uit het Legaat Hoeufft.
 Aan den Minister is geantwoord, dat volgens de bepalin­gen van het testament van den heer Hoeufft., gedichten, welke reeds door den druk zijn vermenigvuldigd, van mede­dinging in den wedstrijd zijn uitgesloten, terwijl voorts voor dien wedstrijd alleen in aanmerking komen zulke gedichten, [ 6 ] welke worden ingezonden anoniem en dan vergezeld moeten zijn van een verzegelde enveloppe, bevattende het naam­briefje van den auteur.
 Voorts ontving de Akademie, als antwoord op een verzoek van hare beide Afdeelingen, eene missive van Zijne Excel­lentie den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen d.d. 14 October 1919, no. 3654, Afd. K. V., met bericht, dat de voorgestelde wijzigingen, respectievelijk van §§ 8, 13 en 20 van het Reglement van Orde voor de wis- en natuur­kundige Afdeeling en §§ 5, 7, 8, 14 en 20 van het Reglement van Orde voor de letterkundige Afdeeling door Zijne Excel­lentie waren goedgekeurd.
 In hoeverre de Akademie heeft kunnen voldoen aan alinea b, art. 2 van haar Reglement, nl. „een middenpunt van zamenwerking te zijn voor de beoefenaars der wetenschap in Nederland en zijne overzeesche bezittingen”, moge blijken uit de vermelding der wetenschappelijke voordrachten, in hare vergaderingen gehouden en der wetenschappelijke mededeelingen of verhandelingen, ter opneming in hare wer­ken aangeboden en uitgegeven.
 In de vergaderingen der Afdeeling voor de wis- en natuur­kundige wetenschappen werden de volgende voordrachten ge­houden en mededeelingen ter plaatsing in het Verslag der vergaderingen of ter uitgave in de Verhandelingen aange­boden:

 I. Anatomie.

 Ter plaatsing in het Verslag der vergaderingen werd eene mededeeling aangeboden door den heer L. Bolk (Verslag Maart).
 Ter uitgave in de Werken der Akademie werd aangeboden:
 a. In de Mei-vergadering door den heer J. Boeke, namens den heer Erik Agduhr te Stockholm, het manuscript van diens verhandeling: „Sympathetic innervation of the muscles of the extremities. A histo-experimental Study.”
 De Voorzitter stelde het manuscript in handen van de heeren J. Boeke en J. W. van Wijhe, met verzoek om rap­port, dat werd uitgebracht in de juni-vergadering en con­cludeerde tot opneming, met welke conclusie de vergadering zich vereenigde, zoodat besloten werd de verhandeling op te nemen in de Verhandelingen der Afdeeling 2de Sectie, als no. 6 van Deel XX.
 b. In de Juni-vergadering door den heer J. Boeke, namens den heer G. C. Heringa, het manuscript van diens verhandeling: „Untersuchungen über den Ban und die Entwicklung des sensibeln peripheren Nervensystems.”
 Door den Voorzitter werd het manuscript gesteld in han­den van de heeren J. Boeke en C. Winkler, met verzoek om [ 7 ] rapport, dat in de September-vergadering werd uitgebracht en welks conclusie, waarmede de vergadering zich vereenigde, was om de verhandeling in de Werken der Akademie op te nemen, zoodat zij verschijnen zal in de 2de Sectie der Ver­handelingen van de Afdeeling.
 c. In de Februari-vergadering door den heer J. Boeke, namens den heer G. J. van Oordt, het manuscript van diens verhandeling: „Early development stages of Manis javanica Desm.”
 De Voorzitter stelde het manuscript in handen van de heeren J. W. van Wijhe en J. Boeke, met verzoek om rap­port, dat in de Maart-vergadering werd uitgebracht en met welks conclusie, strekkende tot opneming der verhandeling in de Werken, de vergadering zich vereenigde. Het werk zal verschijnen in de 2de Sectie van de Verhandelingen der Afdeeling.

 II. Bacteriologie.

 Ter opneming in het Verslag der vergaderingen werden mededeelingen aangeboden:
 1o. door den heer C. Eykman;
 a. namens den heer L. K. Wolff (Verslag Juni, blz. 138);
 b. namens den heer J. J . van Loghem (Verslag Maart);
 2o. door den heer M. W. Beijerinck (Verslag Februari, blz. 845).

 III. Geologie.

 De heer G. A. F. Molengraaff hield, mede namens den heer Max Weber, eene voordracht. (Verslag November, blz. 497).
 Ter plaatsing in het Verslag der vergaderingen werden mededeelingen aangeboden:
 1o. door den heer G. A. F. Molengraaff, namens:
 a. den heer P. Kruizinga (Verslag Mei, blz. 37);
 b. den heer H. A. Brouwer (Verslag November; Verslag April);
 c. den heer J. Wanner (Verslag Januari, blz. 797);
 2o. door den heer L. Rutten, correspondent der Afdee­ling (Verslag October, blz. 408; Verslag April);
 3o. door den heer K. Martin, namens den heer Fernand Meunier (Verslag October, blz. 464; Verslag Februari, blz. 954).

 IV. Natuurkunde.

 De heer H. A. Lorentz deed in de Octobervergadering eene mededeeling naar aanleiding van de jongste bevestiging van de algemeene relativiteitstheorie van den Berlijnschen hoogleeraar A. Einstein, welke mededeeling niet in het Verslag [ 8 ] dier vergadering gepubliceerd werd. Bij deze voordracht was de beer Einstein aanwezig, die door den Voorzitter werd wel­kom gebeeten en zelf zijne theorie nog nader toelichtte. Voorts hield de heer Lorentz een voordracht in de Februari-vergadering (Verslag Februari, blz. 954).
 Mededeelingen ter opneming in het Verslag der vergade­ringen werden aangeboden:
 1o. door den heer H. A. Lorentz, namens:
 a. den heer T. van Lohuizen (Verslag Mei, blz. 53);
 b. de heeren L. S. Ornstein en H. C. Burger (Verslag Juni, blz. 183);
 c. de heeren L. S. Ornstein en F. Zernike (Verslag Sep­tember, blz. 281);
 d. den heer P. Ehrenfest (Verslag October, blz. 390);
 e. den heer H. Coster (Verslag October, blz. 391);
 f. den heer J. Tresling (Verslag Maart);
 g. den heer H. Hulshof (Verslag Maart);
 h. den heer L. Hamburger (Verslag April);
 2o. door den heer P. Zeeman, mede namens:
 a. mej. A. Snethlage (Verslag Mei. blz. 64);
 b. namens den heer P. A. van der Harst (Verslag Juni, blz. 170);
 c. mede namens mej. A. Snethlage en de heeren W. de Groot en G. C. Dibbetz (Verslag April);
 3o. door den heer H. Kamerlingh Onnes (Verslag Mei, blz. 111; Verslag Juni, blz. 218),
 en namens:
 a. den heer G. Nordstrom (Verslag Mei, blz. 97);
 b. den heer N. H . Kolkmeijer (Verslag Januari, blz. 767);
 c. den heer F. Zernike (Verslag Februari, blz. 954);
 4o. door den heer W. H. Julius, namens:
 a. den heer K. F . Niessen (Verslag Mei, blz. 87);
 b. den heer H. Groot (Verslag September, blz. 312);
 c. den heer W. J. H. Moll (Verslag November, blz. 566; Verslag Maart);
 5o. door den heer P. Ehrenfest, mede namens den heer V. Tzkal (Verslag Februari, blz. 906).

 V. Physiologie.

 Voordrachten werden gehouden door den heer C. Winkler (Verslag Mei, blz. 4) en den heer H. Zwaardemaker (Verslag October, blz. 370).
 Ter plaatsing in het Verslag der vergaderingen werden mededeelingen aangeboden:
 1o. door den heer H. Zwaardemaker, mede namens den heer H. Zeehuisen (Verslag Mei, blz. 11; Verslag April); mede namens den heer F. Hogewind (Verslag October, [ 9 ] blz. 398); namens hem zelf (Verslag Februari, blz. 857), en namens:
 a. den heer A. J. P. van den Broek (Verslag November, blz. 492);
 b. de heeren J. de Haan en K. J. Feringa (Verslag Februari, blz. 861);
 2o. door den heer R. Magnus, mede namens den heer A. de Kleyn (Verslag Juni, blz. 129; Verslag Januari, blz. 670) mede namens den heer H. G. Bijlsma (Verslag April), en namens:
 a. den heer J. W. Le Heux (Verslag September, blz. 243);
 b. de heeren A. de Kleyn en C. R. J. Versteegh (Verslag September, blz. 253);
 c. den heer W. Storm van Leeuwen en mej. M. van der Made (Verslag September, blz. 255; Verslag Januari, blz. 704);
 d. den heer W. Storm van Leeuwen en mej. C. van den Broeke (Verslag Januari, blz. 689; Verslag April);
 e. de heeren A. de Kleyn en W. Storm van Leeuwen (Verslag Januari, blz. 721);
 f. de heeren L. Eerland en W. Storm van Leeuwen (Ver­slag Januari, blz. 735);
 g. den heer A. de Kleyn (Verslag April);
 3o. door den heer H. J. Hamburger (Verslag September, blz. 318 en 327) en namens den heer R. Brinkman en mej. E. van Dam (Verslag October, blz. 417; Verslag Januari, blz. 818);
 4o. door den heer G. van Rijnberk, namens:
 a. den heer H. Deelman (Verslag November, blz. 557);
 b. den heer J. Bramson (Verslag Januari, blz. 814);
 c. den heer J. R. Prakken (Verslag Januari, blz. 755);
 5o. door den heer A. A. Hijmans van den Bergh, mede namens den heer P. Muller (Verslag December, blz. 612); Verslag April);
 6o. door den heer Eug. Dubois (Verslag December, blz. 623);
 7o. door den heer I. K. A. Wertheim Salomonson, namens den heer S. de Boer (Verslag Maart; Verslag April);

 VI. Plantkunde.

 Ter opneming in het Verslag der Vergaderingen werd eene mededeeling aangeboden:
 door den heer F. A. F. C. Went, namens den heer H. W. Berinsohn (Verslag October, blz. 447).

 VII. Scheikunde.

 Voordrachten werden gehouden door den heer Ernst Cohen:

[ 10 ]  a. mede namens den heer A. L. Th. Moesveld (Verslag December, blz. 581);
 b. namens hem zelf (Verslag Februari, blz. 883) en dooir den heer F. M. Jaeger (Verslag April).
 Ter plaatsing in het Verslag der vergaderingen werden mededeelingen aangeboden:
 1o. door den heer J. Böeseken, namens:
 a. den heer H. P. Barendrecht (Verslag Mei, blz. 23);
 b. de heeren P. E. Verkade en N. L. Söhngen (Verslag Mei, blz. 111; Verdag October, blz. 359);
 c. den heer F. Goudriaan (Verslag Juni, blz. 159; Ver­slag April).
 d. mede namens den heer Chr. van Loon (Verslag Juni, blz. 213);
 e. de heeren H. I . Waterman en J. Groot (Verslag Juni, blz. 676);
 f. mede namens de heeren W. F. Brandsma en H. A. J. Schoutissen (Verslag Februari, blz. 936);
 2o. door den heer P. van Romburgh (Verslag Mei, blz. 83), en namens den heer M. J. Smit (Verslag Juni, blz. 156);
 3o. door den heer Ernst Cohen, mede namens den heer A. L . Th. Moesveld (Verslag Mei, blz. 111; Verslag Decem­ber, blz. 602; Verslag Januari, blz. 762; Verslag Februari, blz. 883; Verslag Maart); namens hem zelf (Verslag April), en namens den heer Nil Ratan Dhar (Verslag November, blz. 545 en blz. 551);
 4o. door den heer P. Zeeman, namens de heeren A. Smits, G. L. C. La Bastide en Th. de Crauw, (Verslag Juni, blz. 141);
 5o. door den heer A. F. Helleman, namens:
 a. de heeren E. H. Büchner en J. Kalff (Verslag Juni, blz. 145);
 b. de heeren A. J. den Hollander en F. E. van Haeften (Verslag November, blz. 488);
 6o. door den heer F. A. H. Schreinemakers (Verslag September, blz. 229; Verslag November, blz. 467),
 en namens den heer P. H. J. Hoenen S.J. (Verslag Sep­tember, blz. 233 en blz. 238);
 7o. door den heer F. M. Jaeger namens:
 de heeren H. J. Backer en J. V. Dubsky (Verslag Sep­tember, blz. 274);
 8o. door den heer H. A. Lorentz, namens den heer A. Smits (Verslag Januari, blz. 818).

 VIII. Sterrekunde.

 Ter opneming in het Verslag der vergaderingen werden mededeelingen aangeboden:
 door den heer W. de Sitter (Verslag Juni, blz. 195);
 en namens den heer J. Weeder (Verslag Mei, blz. 73).

[ 11 ]  IX. Wiskunde.

 Ter plaatsing in het Verslag der vergaderingen werden mededeelingen aangeboden:
 1o. door den heer H. A. Lorentz, namens:
 den heer H. B. A. Boekwinkel (Verslag Mei, blz. 15; Ver­slag September, blz. 276);
 2o. door den heer L. E. J. Brouwer (Verslag Juni, blz. 116; Verslag October, blz. 373; Verslag Maart),
 en namens:
 a. den heer J. Wolff (Verslag September, blz. 341);
 b. den heer B. P. Haalmeijer (Verslag October, blz. 376);
 c. den heer B. von Kerékjártó, te Uipest (Verslag Octo­ber, blz. 379; Verslag November, blz. 555);
 d. den heer Schoenflies, te Frankfurt a/M. (Verslag Februari, blz. 831; Verslag Maart);
 e. den heer Arnaud Denjoy (Verslag Maart);
 3o. door den heer D. J. Korteweg, namens den heer Fred. Schuh (Verslag Juni. blz. 123 en blz. 126);
 4o. door den heer J. Cardinaal, namens:
 de heeren J. A. Schouten en D. J. Struik (Verslag Juni, blz. 201; Verslag September, blz. 353; Verslag October, blz. 452);
 5o. door den heer J. C. Kluyver (Verslag September, blz. 262);
 6o. door den heer Jan de Vries (Verslag September, blz. 270; Verslag Januari, blz. 666; Verslag Februari, blz. 826), en namens den heer K. W. Rutgers (Verslag Januari, blz[.] 793);
 7o. door den heer W. Kapteyn (Verslag November, blz. 480), en namens den heer N. G. W. H. Beeger (Verslag September, blz. 293; Verslag October, blz. 427; Verslag Maart).

 X. Zoölogie.

 Eene voordracht werd gehouden door den heer J. F. van Bemmelen (Verslag Januari, blz. 776) en door den heer C. Ph. Sluiter (Verslag Maart).
 Ter opneming in het Verslag der vergaderingen werden mededeelingen aangeboden:
 1o. door den heer Max Weber, namens den heer P. N. van Kampen (Verslag Mei, blz. 48);
 2o. door den heer J. F. van Bemmelen (Verslag October, blz. 380);
 3o. door den heer J. W. Moll, namens den heer S. A. Arendsen Hein (Verslag April).
 Ter uitgave in de Werken der Akademie werd in de Januari-vergadering door den heer C. Ph. Sluiter aangeboden het manuscript eener verhandeling, getiteld: „Zur Biologie [ 12 ] der Krätzmilben” van den heer J. H. Schuurmans Stek­hoven Jr., in medewerking met Raden Mas Notokworo.
 De Voorzitter stelde het manuscript in handen van de heeren C. Ph. Sluiter en J. F. van Bemmelen, met verzoek om rapport, dat werd uitgebracht in de Februari-vergade­ring en met welks conclusie, strekkende tot opneming der verhandeling in de Werken, de vergadering zich vereenigde. Het werk zal verschijnen in de 2de Sectie van de Verhande­lingen der Afdeeling.
 In de Juni-vergadering der Afdeeling was, namens de „Royal Society” te Londen, een schrijven ingekomen, waarin de stand van zaken van den onder de auspiciën van dit Ge­nootschap samengestelden en uitgegeven „International Catalogue of scientific Literature” werd uiteengezet en het advies ook van onze Akademie werd gevraagd over de wenschelijkheid van de voortzetting dezer onderneming, welke slechts met bijzonderen geldelijken steun van alle be­langhebbenden mogelijk kan zijn.
 De Voorzitter stelde het schrijven in handen van die leden der Afdeeling, die de permanente commissie voor de aange­legenheden van dezen catalogus vormen, met verzoek om prae-advies, dat werd uitgebracht in de buitengewone ver­gadering van September en, na te zijn overgenomen door de vergadering, in Engelsche vertaling aan de „Royal Society” als het adviseerend antwoord der Afdeeling gezonden is. (Zie het Verslag over den Catalogus, hierachter).
 In diezelfde vergadering was van het Bestuur van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen” te Middelburg eene uitnoodiging ingekomen tot bijwoning van de herden­king van het 150-jarig bestaan op 9 Juli 1919. Daar geen der leden van de Akademie gelegenheid kon vinden om zich voor vertegenwoordiging beschikbaar te stellen, werd een telegra­fische gelukwensch gezonden.
 In de December-vergadering bracht de heer J. F. van Bemmelen, in opdracht van het correspondeerend lid der Afdeeling, den heer M. Fürbringer te Heidelberg monde­ling diens dank over aan de Afdeeling voor haren gelukwensch bij de herdenking van zijn 50-jarig doctoraat, terwijl bij een later ontvangen schrijven hij zelf nog eens schrifte­lijk zijn dank betuigde.
 In de Januari-vergadering bracht de Voorzitter in her­innering, dat in September 1911, op een daartoe door den toenmaiigen Minister van Binnenlandsche Zaken gedaan ver­zoek om bericht en raad, door de Afdeeling bevestigend ge­antwoord was op de vraag, door den Minister van Landbouw aan zijn ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken voorgelegd, of toetreding van ons land tot de in 1875 gesloten Meterconventie [ 13 ] wenschelijk zou zijn. Van stappen der Regeering, in overeenstemming met dit advies, was aan de Afdeeling tot heden niets bekend geworden. Vandaar dat door den Voor­zitter, nu de heer H. G. van de Sande Bakhuyzen gemeend had op deze aangelegenheid weer eens de aandacht te moeten vestigen, het voorstel gedaan werd bij de Regeering nog eens op die zaak terug te komen en de heeren H. G. van de Sande Bakhuyzen, H. Haga, W. H. Julius, P. Zeeman en H. Kamerlingh Onnes te verzoeken de Afdeeling van prae-advies te dienen over de vraag, hoe in deze thans verder te handelen zou zijn. Door deze commissie werd in de buitengewone ver­gadering van Maart geprae-adviseerd, dat Nederland zoo spoedig mogelijk tot de meterconventie zal dienen toe te treden, welk prae-advies door de vergadering ongewijzigd werd overgenomen met het besluit daarvan een afschrift met een begeleidend schrijven namens de Afdeeling ter kennis te brengen van den Minister van Onderwijs, Kunsten en Weten­schappen.
 In de Februari-vergadering deelde de Voorzitter mede, dat — dank zij de toezegging der Regeering van een verhoogd jaarlijksch subsidie — thans zekerheid was verkregen van het voortbestaan van het Centraal Instituut voor schimmelcul­turen, welk Instituut voortaan onder beheer der Akademie zal staan en welks commissie van beheer zal zijn samengesteld uit drie leden, van wie er één door de wis- en natuurkundige Afdeeling der Akademie, één door het Phytopathologisch Laboratorium „W. C. Scholten” en één door de„ Association internationale des botanistes” te benoemen zal zijn. Als het lid, dat in die commissie namens de Akademie zal hebben zitting te nemen, werd door den Voorzitter benoemd de heer G. van Iterson Jr., die de benoeming heeft aangenomen.

 In de vergaderingen der Afdeeling voor de taal-, letter-, geschiedkundige en wijsgeerige wetenschappen werden de volgende voordrachten gehouden en de hierna te noemen ver­handelingen ter uitgave in de Werken der Akademie aange­boden:
 In de Mei-vergadering werd door den heer G. Vissering eene voordracht gehouden over „Eenige opmerkingen over het duurtevraagstuk” (Verslag) en Med. 5de Reeks, Deel IV).
 In de Juni-vergadering sprak de heer J. J. Hartman „over de Latijnsche poëzie van Giovanni Pascoli”, welke voor­dracht niet in de Verslagen en Medeileelingen werd opgenomen, daar de spreker er reeds een andere wijze van publi­catie voor bestemd had en gaf de heer A. Bredius eene mede­deeling over „De schilders Hendrick Couturier en Jacques des Rousseaux.” (Versl. en Med. 5de Reeks, Deel IV).

[ 14 ]  In de September-vergadering voerde de heer N. Adriani het woord over „Indonesische priestertaal”, welke voordracht in meer uitgewerkten vorm werd opgenomen in de Verslagen en Mededeelingen 5e Reeks, Deel IV.)
 In de Novemher-vergadering gaf de heer M. W. de Visser eene bijdrage over „De Arhats (discipelen van Buddha) in China en Japan” (Versl. en Med. 5de Reeks, Deel IV) en deed de heer H. Th. Colenbrander eene korte, mededeeling over „De zending van Buckingham en Arlington in 1672”, waarvan door den spreker een uittreksel ter beschikking van de notulen dier vergadering werd gesteld. (Versl. en Med. 5e Reeks, Deel IV.)
 In de December-vergadering sprak de heer D. C. Hesseling over „Zonsondergang in Griekenland.” Deze mededee­ling werd verkort in de Verslagen en Mededeelingen opge­nomen (Versl. en Med. 5e Reeks Deel IV) daar zij door den spreker niet in haar geheel voor die publicatie der Afdeeling kon worden afgestaan.
 En in die zelfde vergadering deed de heer J. J. G. Vürtheim eene mededeeling over „Het wijnwonder bij Dionysos’ advent (over het Lenaëenfeest)”, welke mededeeling werd opgenomen in de Versl. en Med. 5e Reeks, Deel IV.
 In de Januari-vergadering deelde de heer W. Caland het een en ander mede over „Brāhmana- en Sūtra-aanwinsten” (Versl. en Med. 5e Reeks, Deel IV) en sprak de heer J. van Wageningen over „De partes damnandae in de ecliptica en de ongeluksdagen in den ouden kalender.”
 In de Februari-vergadering hield de heer P. J. Blok een voordracht over „De Unie van Utrecht door Oranje beoor­deeld”, welke voordracht in haar geheel niet door hem kon worden afgestaan voor de Verslagen en Mededeelingen, zoodat daarin slechts een communiqué werd gepubliceerd (Versl. en Med. 5e Reeks, Deel IV); deed de heer J. Six een mededeeling over: „Het scherm voor Aeschylus’ Zeven tegen Thebe, geschilderd door Agatharchus” (Versl. en Med. 5e Reeks, Deel IV) en sprak de heer A. J. Wensinck over „De etymologie van het Arabische djinn (geesten)” (Versl. en Med. 5e Reeks, Deel IV).
 In de Maandvergadering sprak de heer J. de Louter over „De volkenbond, een mijlpaal op den weg der rechtsontwik­keling”. Deze mededeeling zal worden opgenomen in de Ver­handelingen der Afdeeling Nieuwe Reeks, Deel XX, no. 4.
 In de April-vergadering hield de heer G. Vissering eene voordracht over „Scheiding van het muntwezen tusschen Nederland en Nederlandsch-Indië.
 Ter uitgave in de Verhandelingen der afdeeling werden aangeboden:

[ 15 ]  In de September-vergadering door den heer C. C. Uhlenbeck het manucript eener verhandeling, getiteld: „A survey of the non-pronominal and non-formative affixes of the Blackfoot-verb”, welke verschijnen zal als no. 2 van Deel XX der Nieuwe Reeks van de Verhandelingen der Afdeeling.
 In de November-vergadering door den heer R. C. Boer namens den heer J. H. Scholte te Amsterdam, het manus­cript van eene verhandeling, getiteld: „Zonagri discurs von waarsagern.”
 De Voorzitter stelde het manuscript in handen van de heeren J. J. A. Frantzen en R. C. Boer met verzoek om rap­port dat werd uitgebracht in de December-vergadering, met welks conclusie, strekkende tot aanneming der verhandeling ter publicatie, de vergadering zich vereenigde, zoodat zij verschijnen zal als no. 3, van Deel XX der Nieuwe Reeks van de Verhandelingen der Afdeeling.
 Zoowel door het bestuur als door de leden der letterkun­dige Afdeeling waren bezwaren gevoeld tegen de wijze van publicatie der werken van de Akademie en velen spraken den wensch uit om die publicatie meer bevorderlijk te maken aan het verspreiden in ruimeren kring van de afzonderlijke ver­handelingen en in het algemeen de uitgave meer in overeen­stemming te brengen met de eischen van den tijd. Dit had tengevolge dat, ter voorbereiding van een wijziging in dien zin, door den Voorzitter der Afdeeling in de Juni-vergade­ring eene commissie werd benoemd, bestaande uit de heeren U. Ph. Boissevain, J. J. Salverda de Grave en C. van Vol­lenhoven, welke commissie het bestuur der Afdeeling in over­weging gaf om, mocht het zich met hare voorstellen kunnen vereenigen, de onderwerpen II en IV (andere indeeling van het Jaarboek en wijziging van het reglement van orde der wis- en natuurkundige Afdeeling) te bespreken met het Algemeen Bestuur.
 Nadat met het Algemeen Bestuur overeenstemming was verkregen, werden de voorstellen der commissie als bestuurs­voorstellen voorgelegd aan de buitengewone vergadering der Afdeeling, gehouden in September, en werden deze, nadat nog een amendement van den heer J. Six was overgenomen, door de vergadering goedgekeurd.
 Volgens deze aangenomen voorstellen zullen de Verhande­lingen der Afdeeling, uit te geven in gr. 8o. formaat, voort­aan bevatten de ter publicatie, hetzij door leden of niet-leden aangeboden en ter uitgave aangenomen stukken van grooteren omvang (meer dan 50 blz. druks). Ze worden ge­citeerd naar den titel en het jaar van verschijnen, niet meer, zooals tot heden gebruikelijk was, ingedeeld naar Reeks en nummer.

[ 16 ]  De Mededeelingen (Bijdragen), uit te geven in 8o. for­maat, zullen bevatten de door de leden gehouden voordrach­ten, benevens de ter publicatie, hetzij door leden of niet-leden aangeboden en ter uitgave aangenomen stukken van beknopten vorm (ten hoogste 50 blz. druks) en gesplitst in twee rubrieken (omslag verschillend gekleurd).

 Rubriek a.: Letteren, Wijsbegeerte, Godgeleerdheid;
  b.: Geschiedenis, Volkenkunde, Rechtswetenschap.
 De mededeelingen worden elk afzonderlijk gepagineerd, doch tevens doorloopend voor elke rubriek en vereenigd tot banden van ± 450 blz., die voortaan niet meer in reeksen van 12 worden afgedeeld, doch een doorloopend deelnummer krij­gen, en wel in aansluiting aan het getal van al de tot heden in de reeksen verschenen deelen.
 Op elk deel zal een systematisch register verschijnen.
 Voorts zullen de processen-verbaal der afdeelingsvergaderingen, de judicia van het certain on Hoeufftianum, de rap­porten over de ter publicatie aangeboden verhandelingen, enz. voortaan in het Jaarboek worden opgenomen.
 De geleidelijke vermindering van de belemmeringen, welke door den oorlogstoestand aan het wereldverkeer in de laatste jaren waren in den weg gelegd, stelde de Akademie in het afgeloopen jaar — beter dan haar mogelijk geweest was in den oorlogstijd — in staat om te voldoen aan wat volgens alinea c van haar Reglement hare bestemming is, nl. te zijn „een band van vereeniging tusschen de geleerden van Neder­land en die van andere landen.”
 Zoo kon zij van hare publicaties, verschenen sinds het uit­breken van den oorlog, welke vele der buitenlandsche wetenschappelijke instellingen, waarmede zij ruilverkeer van wer­ken onderhoudt, niet konden bereiken, in het afgeloopen Akademiejaar een belangrijk gedeelte verzenden.
 Zij was in staat groote zendingen van hare in bewaring gehouden publicaties te expedieeren naar België, Frankrijk, Italië, Groot-Britannië en Ierland en de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Het resteerende hoopt zij in den loop van dit jaar te kunnen verzenden.
 Wederkeerig ontving zij van de geleerde genootschappen en bibliotheken in die landen veel van de daar tijdens den oorlog ingehouden publicaties.
 Tot eene expeditie naar de landen, welke het vroegere Russische Rijk samenstelden, kon zij tot heden geen gelegen­heid vinden en van de daar bestaande wetenschappelijke in­stellingen werd sinds het uitbreken van den oorlog tot heden ook niets ontvangen.
 Uit het buitenland werden haar de volgende kennisgevin­gen door instellingen en commissies gezonden:

[ 17 ]  1o. Bericht van het Bestuur der „Senckenbergische naturforschende Gesellschaft” te Frankfurt a/M., dat aldaar den 24 Augustus 1919 was overleden haar eerste directeur de heer August Knoblauch.
 Dit bericht werd met een brief van rouwbeklag beantwoord.
 2o. Dankzegging namens de Universiteit te Rostock voor het gezonden adres van gelukwensch bij gelegenheid van de herdenking van het 500-jarig bestaan dier Üniversiteit.
 3o. Bericht van het overlijden op 25 December 1919 van dr. C. A. Campos Rodrigues, directeur van de Sterrewacht te Lissabon.
 Dit bericht werd met een brief van rouwbeklag beant­woord.
 4o. Een protest van het praesidium van de „Wiener Akademie der Wissenschaften” tegen de van Italiaansche zijde voorgenomen wegvoering van kunstschatten uit Weenen en Oostenrijk.
 5o. Een protest van de leden der Roemeensche Akademie van Wetenschappen te Bucharest tegen de voorgenomen grensregeling van Roemenië.
 Beide protesten werden ter visie voor de leden gelegd.
 6o. Bericht van de Universiteit te Bern dat de termijn tot beantwoording van een door de „Stiftung Travers—Borgstroem” uitgeschreven prijsvraag over „Verstaatlichung des Kredites” werd verlengd tot 31 Maart 1924.
 7o. Mededeeling dat te Damascus eene Arabische Akade­mie is gesticht.
 8o. Bericht van de Deensche Akademie van Wetenschap­pen, dat den 6den Januari 1920 haar oud-secretaris, prof. H. G. Zeuthen, te Kopenhagen was overleden.
 Dit bericht werd met een brief van rouwbeklag beantwoord.
 9o. Bericht van het overlijden van den heer D. Francisco de P. Azrillaga, oud-secretaris van de „Real Academia de ciencias exactas, fisicas y naturales” te Madrid op 10 Januari 1920.
 Dit bericht werd met een brief van rouwbeklag beant­woord.
 10o. Een circulaire van „Allgemeiner Verband geistiger Mitarbeiter in Wien” met verzoek om steun ter voorziening in de behoefte aan wetenschappelijke vakliteratuur.
 Deze circulaire werd ter kennisneming voor de leden ge­deponeerd.
 11o. Bericht van den Rector der Gentsche Universiteit, dat den 30sten Maart 1920 was overleden het buitenlandsch lid onzer Akademie, prof. Paul Fredericq.
 Dit bericht is met een brief van rouwbeklag beantwoord.
 Aan de bestemming, genoemd in alinea d, art. 2, van haar [ 18 ] Reglement, nl. „eene inrigting te zijn ter bevordering van zoodanige wetenschappelijke onderzoekingen en ondernemin­gen, die slechts door zamenwerking van de beoefenaars der wetenschap en door ondersteuning der Regering kunnen tot stand gebragt worden”, heeft de Akademie getracht ook in het afgeloopen Akademiejaar zooveel mogelijk te voldoen.

Internationale samenwerking in de wetenschap.

 Door de letterkundige Afdeeling der Akademie werd eene uitnoodiging ontvangen om toe te treden tot de „Union aca­démique internationale”, door de wis- en natuurkundige Af­deeling om zich aan te sluiten bij den „Conseil international de recherches.”
 Beide uitnoodigingen, hoewel in enkele punten verschil­lend, kwamen toch voldoende overeen, naar de meening van het Bestuur, om ze als een zaak, die de Akademie in haar geheel aangaat te behandelen. In een aangelegenheid, zoo belangrijk als deze, waar de verhouding van Nederland tegenover andere natiën in het spel is, was het zeer gewenscht dat de beide Afdeelingen eenzelfde houding zouden aan­nemen. Door eene buitengewone algemeene vergadering van 7 October 1919 werd besloten dat de Akademie de tot haar gerichte uitnoodigingen zou aannemen. In de antwoorden, die de Afdeelingen elk voor zich zelve hebben gezonden, werd het vertrouwen uitgesproken dat alle landen zoodra mogelijk zullen kunnen toetreden en gezegd dat de Afdeelingen zich volle vrijheid voorbehouden om ten opzichte van andere natiën hare gedragslijn vast te stellen.
 Na de toetreding werd hiervan door beide Afdeelingen bericht gezonden aan die geleerde instellingen in de cen­trale en de neutrale landen, welke aangesloten waren bij de Internationale Associatie van Akademiën, thans opge­heven.

 In de letterkundige Afdeeling werd bovendien de vraag aan de orde gesteld, of zij voor zich alleen dan wel te zamen met andere geleerde genootschappen in Nederland en zijne koloniën als „nationale groep” aan de „Union” zou deelne­men, een bevoegdheid, waartoe haar in art. 3 der statuten van de „Union” gelegenheid geboden werd. De bespreking dier vraag in eene buitengewone vergadering, gehouden in November, had tot resultaat, dat door den Voorzitter eene commissie werd benoemd, met opdracht deze zaak te onder­zoeken en de Afdeeling daaromtrent van prae-advies te dienen. Deze commissie, saamgesteld uit de heeren J. J. Salverda de Grave, C. van Vollenhoven en H. Th. Colenbrander, prae-adviseerde in de buitengewone vergadering van December om eenige wetenschappelijke genootschappen [ 19 ] in Nederland, en zijne koloniën tot groepvorming aan te zoeken, met welk prae-advies de vergadering zich vereenigde, zoodat besloten werd tot het vormen van een groep in de „Union” uit te noodigen:
 1. het Kon. Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap te Amsterdam,
 2. het Kon. Instituut voor de taal-, land- en volken­kunde in Ned.-Indië te ’s Gravenhage,
 3. het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Weten­schappen te Batavia,
welke zich bereid verklaarden toe te treden, met aanwijzing, voor het Bataviaasch Genootschap, van den heer Ph. S. van Ronkel te Leiden, voor het Aardrijkskundig Genootschap van den heer J. P. Kleiweg de Zwaan en voor het Konink­lijk Instituut van den heer J. C. van Eerde tot vertegen­woordigers.
 Voorts werd door eenige leden der Afdeeling voorgesteld in het werkprogram der „Union” te doen opnemen:
 1o. de bevordering der uitgave van de volledige ge­schriften van Hugo Grotius;
 2o. een gemeenschappelijke bewerking in zake het adatrecht van Indonesië door die nationale groepen der „Union” welke Indonesische onderdanen hebben.
 Beide voorstellen werden door de vergadering aangenomen en namens de Afdeeling aan het bureau van de „Union” te Brussel kenbaar gemaakt. Van dit bureau ontving de Afdeeling een afdruk van een door den heer E. Pottier, con­servator van het Louvre-museum te Parijs, ingediend voor­stel tot uitgave van een Corpus der antieke vazen, van een „Projet d’un catalogue des manuscrits alchimiques” door den heer J. Bidez en van een voorstel van prof. C. von Morawski om de voltooiing der uitgave van de werken van Gregorius van Nizianza te bevorderen.
 Naar de in Mei 1920 te houden conferentie der „Union” werden door de Afdeeling als gedelegeerden aangewezen de heeren J. J. Salverda de Grave en C. van Vollenhoven.

Wetenschappelijke Laboratoria op den Col d’Olen.

 Voor het bezoek dezer laboratoria werd ook in het afge­loopen Akademiejaar door de Regeering nog niet weer een subsidiepost op de begrooting gebracht, zoodat dus ook in 1919 de commissie uit de wis- en natuurkundige Afdeeling der Akademie, welke daarvoor is aangewezen, geene oproe­ping van candidaten heeft gedaan.

Internationale Catalogus vain natuurwetenschappelijke literatuur.

 Sedert het vorige verslag is omtrent de toekomst van den internationalen Catalogus onzekerheid ontstaan.

[ 20 ]  In de laatste dagen van Juni 1919 ontving de wis- en nutuurkundige Afdeeling een schrijven, namens de „Royal Society” te Londen, waarin werd medegedeeld, dat zij onder de door den oorlog in het leven geroepen veranderde omstan­digheden de financieele verantwoordelijkheid voor den Cata­logus niet langer op zich kon nemen. Het was duidelijk geworden, dat de uitgaven voor den Catalogus, bij zijne tegenwoordige inrichting, onmogelijk door de bestaande inkomsten konden worden gedekt. In het bezit van het ver­slag van eene door haar ter onderzoeking van de aangelegen­heden van den Catalogus benoemde commissie, deelde de „Royal Society” aan de aan den Catalogus deelnemende lichamen de voorstellen dezer commissie mede, ten einde daarover hun advies te vernemen.
 Naar aanleiding van dit schrijven had op 18 September 1919 eene bijeenkomst plaats van de commissie van toe­zicht op het Nederlandsch regionaal bureau van den cata­logus, welke commissie zich met de door de „Royal Society” medegedeelde voorstellen niet vereenigen kon.
 Deze voorstellen hielden namelijk in, dat de catalogus voortaan slechts om de vijf jaren, en uitsluitend als auteurscatalogus, verschijnen zoude, terwijl het maken van naar de onderwerpen gerangschikte catalogi zoude worden overge­laten aan andere instellingen, die daartoe roeping mochten gevoelen. Aan deze instellingen zouden, indien zij dit wenschten, kopieën van de voor den auteurscatalogus ver­vaardigde kaarten kunnen worden verstrekt. Op die kaarten zouden echter alleen de wetenschappen, waarop zij betrek­king hebben, worden vermeld, zonder een verdere indeeling aan te geven.
 De commissie oordeelde, dat door deze wijzigingen de internationale catalogus veel van zijne beteekenis zoude ver­liezen. Mocht hij al voor den bibliograaf en den beoefenaar der geschiedenis van de wetenschap in den nieuwen vorm zijne waarde behouden, voor den wetenschappelijken werker in het algemeen zou hij van weinig nut meer zijn.
 Alvorens tot eene dusdanige inkrimping van de indertijd met zooveel geestdrift aangevangen internationale onder­neming over te gaan, moest, naar het oordeel der commissie althans, eene ernstige poging worden beproefd om van de deelnemende landen den financieelen steun te verwerven, noodig voor de voortzetting van den catalogus in zijn tegenwoordigen vorm. Dit door de commissie uitgesproken orrdeel werd door de wis- en natuurkundige Afdeeling in hare gewone vergadering van 28 September 1919 overgenomen en dienovereenkomstig aan de [„]Royal Society” bericht. Eene definitieve beslissing in dezen zal moeten uitgaan van eene bijeenkomst der Internationale Conventie voor den [ 21 ] Catalogus, waartoe echter nog geene oproeping ontvangen is. Mocht die beslissing in den geest zijn van het door de Afdeeling uitgebrachte advies, dan zal de door het Nederlandsche regionaal bureau te vervullen taak te beter kun­nen worden verricht, nu eene subsidieverhooging van f 1500 voor dit bureau is toegestaan. Deze verhooging heeft voor­namelijk ten doel aan den Directeur een Secretaris toe te voegen, die hem bij de vele aan het bureau verbonden werk­zaamheden zal bijstaan. Als zoodanig is thans de heer J. H. Schogt opgetreden. Andere wijzigingen hebben in het personeel der medewerkers, taalcorrectors en beambten niet plaats gehad sedert het laatste verslag, behalve dat de heer P. Kelder, nadat hij als derde beambte der Akademie was afgetreden, het typen der kaarten niet verder verrich­ten kon. Dit geschiedt thans buiten het bureau door een tweetal typisten tegen een vast loon per kaart.
 Van den Catalogus verschenen zeven deeltjes. Daarmede werd voor alle vakken de veertiende jaargang voltooid, met uitzondering van de deeltjes voor geologie en bacteriologie, waarvan nog slechts de dertiende en dat voor physiologie, waarvoor de twaalfde jaargang is verschenen. Eene vol­tooiing van den veertienden jaargang over de geheele lijn is echter, naar vernomen werd, spoedig te verwachten. Daarentegen zal het verschijnen van den vijftienden jaar­gang, hoewel hij voor den druk gereed ligt, op de nadere besluiten omtrent de toekomst van den catalogus moeten wachten.
 Het aantal der naar Londen verzonden kaarten bedraagt 2936 (903 auteurs- en 2033 subject-kaarten). De aanzien­lijke vermindering van dit getal, vergeleken met dat van het vorige verslag, is een gevolg van den onzekeren toe­stand, waarin de catalogus verkeert.
 Het valt moeilijk van de wetenschappelijke medewerkers arbeid te vergen, die wellicht zal blijken geheel of ten deele onnut te zijn geweest. Getracht werd de literatuur voor 1918 zoo volledig mogelijk af te werken, wat reeds op weinig na is geschied. Omtrent die voor 1919 werden de medewerkers vrij gelaten naar eigen inzicht te handelen, wat op verschillende wijze is opgevat.
 Zoodra tot voortzetting van den catalogus mocht worden besloten, zal de achterstand zoo spoedig mogelijk worden bijgewerkt, waartoe trouwens de tijd niet zal ontbreken, dewijl de kaarten voor 1919 in hoofdzaak eerst in den negen­tienden jaargang zullen opgenomen worden.
 Te verwachten en te hopen is het, dat dan ook te Londen het inhalen van den achterstand met kracht zal worden aan­gevat; een achterstand, als thans bestaat van meer dan vijf jaren, mag niet blijven voortduren, zal de catalogus aan zijne bestemming voldoende beantwoorden.

[ 22 ]

Ned. Centraal Instituut voor Hersenonderzoek.

 Betreffende de ambtenaren, aan het Instituut verbonden, is over 1919 niets bijzonders mede te deelen.
 Wat het technische werk betreft, mocht het Instituut in 1919 de welwillende medewerking ontvangen van mej. T. van Maurik en van mevr. Notobroto van Mataram, wie het hiervoor ten zeerste verplicht is.
 Wetenschappelijk werk werd verricht door den heer I. Zeehandelaar, arts te Amsterdam, die zijne onderzoekingen over de phylogenetische en ontogenetische ontwikkeling der achterstrengkernen voortzette; door den heer J. L. Addens, biolog. docts. te Bellingwolde, die een onderzoek begon over de motorische kernen van de hoofdzenuwen bij de reptielen en vogels; door dr. F. H. Kooy, te Groningen, die een vroe­ger onderzoek over de onderste olijf completeerde en door den heer van der Feen, te Utrecht, die zich bezighield met een studie van de voorhersenen der Plagiostomen.
 Dr. Cornelia de Lange beëindigde een onderzoek over de ziekte van Werdnig—Hoffmann en begon een studie over balklooze hersenen.
 Dr. J . Goudsmit, te Amsterdam, verrichtte een experimenteel-histologisch onderzoek over de injectie van kleurstoffen in het centrale zenuwstelsel en zijne vliezige omhulsels, terwijl dr. L. Coenen onderzoekingen deed (met dr. Brou­wer) over de oliva inferior en de pathologische anatomie der syring omyelie.

Geschenken.

 Van het Koninklijk zoölogisch Genootschap „Natura artis magistra” ontving het Instituut door bemiddeling van prof. Sluiter wederom eenig zoölogisch materiaal.
 Jonkvr. J. baronesse van Heeckeren van Kell schonk het Instituut een zeer fraai exemplaar van een otter (Lutra vulgaris), waarvan de hersenen en het ruggemerg geheel intact bleken te zijn en dat een groote aanwinst voor het museum van het instituut vormt.
 Prof. W. M. de Vries, te Amsterdam, schonk het centraal zenuwstelsel van een patiënt, die geleden had aan haematoporphyrinurie, de hersenen van een patiënt met pseudo-bulbair-paralyse, alsmede het ruggemerg van een man met carcinoma oesophagei.
 Pathologisch materiaal werd voorts ontvangen van dr. Corn. de Lange en dr. Schippers, te Amsterdam, die de hersenen van een idioot en van een microcephaal verschaf­fen, mede twee gevallen van lues cerebri en balklooze herse­nen met microgyrie.
 Van dr. T. Kuiper ontving het Instituut eveneens een cerebrum van een man met pseudo-bulbair-paralyse, alsmede [ 23 ] een met dubbelzijdige striatumhaarden en het centraal zenuwstelsel van een patiënt met haemorrhagia cerebelli.
 Dr. Nieuwenhuyse te Meerenberg zond het cerebrum van een patiënt, overleden ten gevolge van een bloeding in de pons, de hersenen en den schedel van een microcephaal, ver­der hersenen met windingsanomalieën, een geval van encephalomalacie en een zenuwstelsel met haemorrhagia cere­belli.
 Dr. Th. Beyerman gaf een anencephalus, terwijl dr. Muskens het Instituut begiftigde met een geval van hemiatrophia cerebri.
 Dr. Dusser de Barenne gaf ter bewerking en ten geschenke de hersenen van een hond, waarvan hij de grootehersenhemiepheren had weggenomen, en een dito, waarbij de kleine hersenen bijna geheel waren verwijderd.
 Embryologisch materiaal werd ontvangen van dr. J. Voorhoeve, Dr. J. B. Polak, Dr. I. Ypma, Dr. I. J. Postma, Dr. H. G. M. Bosch, Dr. J. van der Kous, Dr. J. B. C. Peet, allen te Amsterdam.

 De volgende mededeelingen werden gepubliceerd in 1919:

C. U. Ariens Kappers: Die Bildung von Bogenfasern als primäre Reflexbahn der vitalen (protopathischen) Empfindungen. Bijdr. tot de Dierk., uitgeg. door het Kon. Zoölog. Genootsch. „Natura Artis Magistra” , Amsterdam, Afl. XXI (Feestbundel Dr. C. Kerbert), 1919.
G. U. Ariens Kappers, Phenomena of Neurobiotaxis as demonstrated by the position of the motor nuclei of the oblongata. Journal of nervous and mental diseases Vol. 50, 1919.
G. U. Ariens Kappers: Het begrip „psyche” thans en voorheen. Psych. en Neurolog. Bladen 1919.
C. U. Ariens Kappers: Het wezen van het kiemproces. Geneesk. Bladen uit kliniek en lab. 21ste Reeks, no. 10, 1919.
G. U. Ariens Kappers: The logetic character of growth. Journal of comparative neurology and psychology Vol. 31, 1919.
G. U. Ariens Kappers: Centrosomen in gangliencellen (Verslag van een voordracht, gehouden in het Gen. v. Natuur-, genees- en heelkunde, Mei 1918. Ned. Tijdschr. v . geneesk. 1ste helft 1919.
B. Brouwer: Examen anatomique du système nerveux des deux chats décrits par J. G. Dusser de Barenne. Archives néerl. de physiologie de l’homme et des animaux. Tome IV 1919.
B. Brouwer: Chronische degeneratieve aandoening der kleine hersenen (Verslag eener voordracht, gehouden in de Amsterdamsche neurologen-vereeniging), Ned. Tijdschr. v. geneesk. 1919.
[ 24 ]
B. Brouwer: Over het ontstaan der Nederlandsche Vereeniging voor het wetenschappelijk onderzoek der therapie van zenuw- en zielsziekten. Neurotherapie 1919.
B. Brouwer und L. Coenen: Ueber die Oliva inferior, Journal für Psychologie und Neurologie Bd. 25, 1919.
C. de Lange: Ueber angeborene spinale Lähmungen. Psych. en neurolog. Bladen, 1919.

 Van de Fondsen, waarvan het beheer aan de Akademie is opgedragen, valt het volgende te vermelden:

 a. Het Legaat-Hoeufft:

 In de commissie van beoordeeling der voor den wedstrijd van dit legaat ingekomen Latijnsche verzen kwam in het afgeloopen jaar wijziging, doordat het jurylid, de heer J. van Leeuwen, wegens het bereiken van den 70-jarigen leef­tijd en het daardoor overgaan tot de rustende leden, den wensch te kennen gaf, het lidmaatschap neer te leggen. Aan dezen wensch werd, onder dankbetuiging voor het vele, dat de heer van Leeuwen in deze commissie had verricht, gevolg g'egeven en in zijne plaats benoemde de letterkundige Afdeeling den heer A. Kluyver, die de benoeming aannam.
 Voor den wedstrijd 1919 waren ingezonden 38 gedichten, welke tot mededinging konden worden toegelaten, doordat ze vóór den sluitingstermijn (31 December 1919) in ’t bezit der beoordeelingscommissie waren. Na den sluitingstermijn werden nog 3 gedichten ingezonden, zoodat deze van mede­dinging in den wedstrijd 1919 waren buitengesloten en bewaard zullen blijven voor den volgenden wedstrijd.
 In de April-vergadering der Afdeeling bracht de heer A. Kluyver namens de commissie van beoordeeling, verslag uit, waarvan de uitspraak was, dat zij de gouden medaille wenschte toe te kennen aan het gedicht: „Ultimi Tibulli dies”, ingezonden onder het motto: me tenuit moriens defi­ciente manu, welks auteur, bij opening van het verzegelde naambriefje, bleek te zijn de heer Francisco Sofia Alessio te Radicena.
 Voorts meende de commissie de volgende gedichten in aanmerking te doen komen voor eene eervolle vermelding:
 1. Pollitta.
 2. Somnus hibernus, door Dr. Hermann Weller te Ellwangen (Würthemberg).
 3. Amadei V laudes, door Prof. Adolfo Buti te Marigliano (Prov. Caserta), Italia.
 4. Persianum funus.

[ 25 ]  5. Maternus amor, door Dr. A. Bartoli op Malta.
 6. Pus vaccinum, door Alessandro Zappata te Ancona.
 De vier gedichten, waarvan de auteurs verlof gegeven hebben tot het openen van de bijgevoegde naambriefjes, worden gedrukt en uitgegeven op kosten van het Legaat-Hoeufft en zullen met het bekroonde gedicht in één bundel worden vereenigd.

 b. Het van ’t Hoff-Fonds.

 In de Februari-vergadering der wis- en natuurkundige Afdeeling werd verslag uitgebracht over de werkzaamheden van dit fonds in het afgeloopen jaar.
 Na een oproeping in de couranten werden op de daarop ingekomen aanvragen om subsidie de volgende toelagen ver­leend:
 aan den heer J. J. van Laar te Vevey ter voortzetting van zijne onderzoekingen omtrent de toestandsvergelijking en het periodiek systeem 500 gld.;
 aan den heer Wedekind te München voor het onderzoek der reacties van sommige electrolyten in niet-dissocieerende oplosmiddelen, Mk. 1000;
 aan den heer Philippi te Weenen voor een studie over acthaanetracarboonzuurderivaten, Mk. 1000;
 aan den heer von Halbar te Würzburg voor de bestudeering van den invloed van het oplosmiddel op de snelheid van organische reacties, Mk. 3000;
 aan den heer Nacken te Greifswald voor het onderzoek der mengkristalvorming bij de Carbonaten van Ca. Mg. Fe. Mn., Mk. 1500;
 aan den heer Jänecke te Hannover voor de bestudeering van toestandsdiagrammen bij hoogen druk, Mk. 500;
 aan den heer Köhlweiler te Stuttgart voor een experimen­teel onderzoek omtrent de mogelijkheid van splitsing van jodium in isotopen, Mk. 2000;
 aan den heer Podszus te Neukölln:
 1. voor de voortzetting zijner studie over de reactiesnel­heid in heterogene systemen, Mk. 1200;
 2. voor de bereiding van zuiver borium, Mk. 700;
 aan den heer Nil Ratan Dhar te Londen voor de studie van xanthonderivaten, £ 5.
 Aan deze heeren werd van dit besluit kennis gegeven en de hun toegewezen subsidies zijn daarop overgemaakt.

 c. Het Buitenzorg-Fonds.

 Nadat door de daartoe volgens de akte van stichting aan­gewezen commissie, bestaande uit de hoogleeraren in de plantkunde aan de Rijks-Universiteiten, eene oproeping ge­daan was van candidaten, die in 1919 zich wenschten aan te melden om in aanmerking te komen voor uitzending naar [ 26 ] het botanisch Station te Buitenzorg, kon in de buitengewone vergadering der wis- en natuurkundige Afdeeling van de maand Juni door den heer F. A. F. C. Went, namens die commissie worden gerapporteerd. Het rapport concludeerde om den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschap­pen ter uitzending voor te dragen den heer H. Boschma, assistent aan het zoölogisch laboratorium der gemeentelijke Universiteit te Amsterdam, hetgeen door de vergadering werd goedgekeurd en vervolgens aan den Minister werd medegedeeld.
 Bij Zijner Exc.’s beschikking van 27 September 1919, no. 29421, Afd. K. W., werd, in overeenstemming met het voorstel der Afdeeling, de uitzending van den heer Boschma goedgekeurd en aan hem, boven het subsidie van f 1050, uit het Buitenzorg-fonds, van Rijkswege over 1919 een toe­lage van f 700 verleend, terwijl de andere helft binnenkort zal worden toegekend.
 Tevens verzocht de Minister opgaaf van het tijdstip waar­op de heer Boschma van plan zou zijn te vertrekken. Nadat hij van ’s Ministers beschikking en verzoek was in kennis gesteld, werd door den heer Boschma bericht, dat zijn ver­trek naar Buitenzorg vermoedelijk in Juli 1920 zal zijn, hetgeen den Minister werd medegedeeld.
 Ook aan den Directeur van ’s Lands Plantentuin te Bui­tenzorg werd bericht gezonden van het aanstaande bezoek van den heer Boschma.

 d. Het Zoölogisch Insulinde-Fonds.

 Overeenkomstig het voorstel van de commissie van uit­voering van dit fonds werd door het Bestuur der Akademie besloten uit de renten van het fonds over 1919 een subsidie van f 400 te verleenen aan de Ned. entomologische Vereeniging om haar tegemoet te komen in de buitengewone onkosten voor het uitgeven van een supplementdeel van het door die vereeniging gepubliceerde Tijdschrift. Van dit besluit werd de commissie van uitvoering in kennis gesteld, met verzoek daarvan mededeeling te doen aan het bestuur der Entomologische Vereeniging.
 In de September-vergadering der wis- en natuurkundige Afdeeling deed de Voorzitter mededeeling van een inge­komen schrijven van de Commissie van uitvoering, waarin er op gewezen werd, dat, volgens bepaling van art. 5 der statuten van het fonds, de commissie van uitvoering, gedurende het leven van den stichter, naast hem uit nog drie leden moet bestaan, van wie er twee door de wis- en natuur­kundige Afdeeling der Akademie worden benoemd, die het derde lid assumeeren door een keuze uit de beoefenaars der Zoölogie, geen leden der Akademie zijnde. De benoeming van den heer C. Ph. Sluiter tot lid der Akademie maakte, [ 27 ] dat de drie naast den stichter fungeerende leden der com­missie van uitvoering nu allen tevens leden der Akademie waren. Om dit uit den weg te ruimen, gaf de heer K. Martin den wensch te kennen, uit de commissie te treden en werd door de beide overblijvende leden, de heeren Max Weber en C. Ph. Sluiter, tot derde lid geassumeerd de heer P. N. van Kampen, hoogleeraar aan de Rijks-Universiteit te Leiden, die zich bereid verklaarde in de commissie zitting te nemen.

 e. Het Hubrecht-Fonds.

 In den inventaris, de verzameling en de bibliotheek kwam geen noemenswaardige verandering, behalve dat van een 27-tal embryo’s seriën van doorsneden werden vervaardigd. Een tiental personen maakte gebruik van de verzameling. Een daarvan, de heer docts. van Oordt, voltooide zijn proef­schrift over de eerste ontwikkeling van het Schubdier uit­sluitend aan materiaal van het Instituut. Van de biblio­theek maakten velen gebruik.
 Een tweetal verhandelingen werd vanwege het Instituut gepubliceerd, onder den titel: „Mededeelingen uit het Em­bryologisch Instituut van het Hubrechtfonds”. De eerste daarvan was een posthuum geschrift van wijlen A. A. W. Hubrecht, de tweede van de hand van den Directeur.
 De catalogiseering der collectie Dohrn weid voltooid.

Wetenschappelijke Commissie van Advies en Onderzoek in het belang van Volkswelvaart en Weerbaarheid.

 Over deze commissie, van welker werkzaamheid gedu­rende den crisistijd in het vorige Jaarverslag het een en ander werd medegedeeld (zie Jaarboek 1919, blz. 121 vlg.), was na het intreden van andere toestanden ten gevolge van het beëindigen van den wereldoorlog, de vraag gerezen, of zij nog verder reden van bestaan zou hebben. De Voorzitter der wis- en natuurkundige Afdeeling bracht deze vraag in bespreking in de buitengewone vergadering der Afdeeling van October en benoemde naar aanleiding daarvan eene commissie, met de opdracht om een concept-antwoord op die vraag op te stellen, dat als antwoord aan den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen te zenden zou zijn. In de buitengewone vergadering van November werd dit concept-antwoord voorgelezen en in overeenstemming met de daarop gevolgde gedachtenwisseling eenigszins ge­wijzigd, waarop besloten werd de eindredactie van het ant­woord over te laten aan den Voorzitter en den Secretaris der Afdeeling. In dien vorm is het antwoord aan den Minis­ter gezonden hij afdeelingsschrijven van 10 December 1919.

 Tot de Werken, in het afgeloopen jaar door de Akademie uitgegeven, behoort het Jaarboek 1919.

[ 28 ]  Verder verschenen van de wis- en natuurkundige Afdeeling:
 Verhandelingen 1e Sectie, Deel XII, no. 6, 7, en Deel XIII, no. 1.
 Verhandelingen 2e Sectie, Deel XX, no. 5, benevens de Verslagen der Vergaderingen van Mei 1918—April 1919 (Deel XXVII) en Vol. XXI der „Proceedings”, bevattende eene vertaling in ’t Engelsch van mededeelingen, opgeno­men in de Verslagen.

 En gaf de letterkundige Afdeeling uit:
 Verhandelingen, Nieuwe Reeks, Deel XIX , no. 3, 4, 5, Deel XX, no. 1, 2 en Deel XXI.
 Verslagen en Mededeelingen, 5e Reeks, Deel IV, Stuk 2, 3, en een bundel Latijnsche prijsverzen onder den titel: „Vercingetorix”.
 In het afgeloopen Akademiejaar had de wis- en natuur­kundige Afdeeling het verlies te betreuren van haar rustend lid, den heer A. P. N. Franchimont te Leiden; van hare buitenlandsche leden, de heeren Emil Fischer te Berlijn, J. W. Strutt lord Rayleigh te Witham (Essex), W. Voigt te Göttingen en Luigi Luciani te Rome; van haar correspondeerend lid, den heer Max Fürbringer te Heidelberg en van haar correspondent, den heer S. H. Koorders te Bui­tenzorg.
 De heer W. Kapteyn te Utrecht ging, wegens het berei­ken van den 70-jarigen leeftijd, tot de rustende leden over.

 De letterkundige Afdeeling verloor door den dood haar rustende leden, de heeren W. H. van de Sande Bakhuyzen te Utrecht, J. Verdam te Leiden en P. D. Chantepie de la Saussaye te Bilthoven, die van 1908 tot 1918 voorzitter was der Afdeeling; haar gewoon lid, den heer J. C. G. Jonker te Leiden en haar buitenlandsch lid, den heer Paul Frede­ricq te Gent.
 Bij deze Afdeeling gingen de heeren J. van Leeuwen, thans te Amden in Zwitserland, en J. d’Aulnis de Bourouill te Utrecht wegens den 70-jarigen leeftijd, tot de rustende leden over.
 Het gewoon lid, de heer G. Heymans te Groningen, be­richtte, dat hij zijn lidmaatschap wenschte neer te leggen.
 De correspondent M. J. van Baarda te Galela zond be­richt, dat hij, wegens het nederleggen van zijn ambt en het terugkeeren naar Nederland, defungeerde als correspon­dent.
 In de October-vergadering der letterkundige Afdeeling werd door den heer C. C. Uhlenbeck het levensbericht van wijlen het rustend lid, den heer J. Verdam, gelezen. Dit levensbericht werd reeds opgenomen in het Jaarboek 1919.

[ 29 ]  Bij de wis- en natuurkundige Afdeeling trad, in de plaats van den heer D. J. Korteweg, die ten vorigen jare zijne functie had neergelegd, de heer A. F. Holleman als onder­-Voorzitter op nadat deze benoeming, door Uwe Majesteit was bekrachtigd.

 Na de bekrachtiging der benoemingen door Uwe Majesteit werden in de wis- en natuurkundige Afdeeling opgenomen als gewone leden de heeren P. Ehrenfest te Leiden, A. A. Hijmans van den Bergh te Utrecht, R. Magnus te Utrecht en Eug. Dubois te Haarlem; als buitenlandsche leden de heeren Axel Holst te Kristiania, Sv. Arrhenius te Stock­holm, D. Hilbert te Göttingen, Lnigi Luciani te Rome, P. Sabatier te Toulouse en D. H. Scott te Basingstoke, Hants (Eng.); en als correspondenten de heeren C. Braak te Weltevreden, O. de Vries te Buitenzorg en L. Rutten te Buitenzorg, en werden bij de letterkundige Afdeeling inge­schreven als gewone leden de heeren Tj. de Boer te Amster­dam, D. Josephus Jitta te ’s Gravenhage, A. A. H. Struycken te ’s Gravenhage en J. J. A. Frantzen te Utrecht en als buitenlandsche leden de heeren Hermann Diels te Berlijn, Sir Aurel Klein te Lahore (Br. Indië), Hermann Oldenberg te Gottingen, Salomon Reinach te Boulogne s/Seine, Axel Kock te Lund en Hans von Arnim te Frank­furt a/M.
 Met uitzondering van den heer Luciani, die reeds kort nadat het bericht van zijne benoeming hem bereikt kon hebben, was overleden, werd van de overigen bericht ont­vangen, dat zij de benoeming aannamen.

 Het zij der Akademie opnieuw vergund hare belangen in Uwer Majesteits bescherming aan te bevelen.

 Amsterdam, 24 April 1920.

Namens de Koninklijke Akademie van
Wetenschappen,

De Algemeene Secretaris,

(get.) P. Zeeman.