Vergif/VI

Uit Wikisource
< Vergif(Doorverwezen vanaf Alexander Kielland/Vergif/VI)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
V Vergif van Alexander Lange Kielland

VI

VII
[ 109 ]
 

VI.

Michal Mordtmann kreeg een verrassing in de eerste dagen na het diner bij professor Lövdahl.

Den volgenden morgen berichtte hij zijn vader voorloopig dat de vooruitzichten voor hun plan niet zoo heel mooi waren. Toen dat gebeurd was, troostte hij zich met nog eens na te gaan hoe hij die oude katuilen verschrikt had en hoe verrukkelijk mevrouw Wenche was geweest.

Zij was ook mooi en wat verrassend jong nog. Voorziende dat zijn verblijf in de stad nu wel niet heel lang meer zou duren, nam hij het besluit om haar dikwijls te bezoeken;—als hij dan toch de fabriek moest opgeven, dan wilde hij in elk geval profiteeren van het beetje genot dat die vervelende stad hem bood.

Maar toen hij later op den dag naar de club ging, waar hij dineerde, kwam de dikke Jorgen Kruse midden op straat naar hem toe, drukte [ 110 ] hem de hand en zei: "Dank u, meneer Mordtmann, heel veel dank voor gisteren avond. U hebt die geleerde heeren eens flink de ooren gewasschen; en 't was net wat ik zelf gezegd zou hebben,—dat waar mevrouw Lövdahl mee aankwam—van de jongens op de latijnsche school. Want kijk nu mijn Morten eens!—toen hij klein was, was hij wel zoo'n flinke jongen als je maar denken kunt; hij verzamelde zijn koperen skillingen en hielp in het pakhuis. Maar nu,—hij is, God betere het, al bijna zestien jaar! en hij is zoo dom geworden dat ik hem den winkel geen half uur zou durven toevertrouwen,—hij zou er niet eens willen staan. Neen, om dat latijn geef ik niet veel, en was het niet om zijn moeder, dan nam ik hem morgen aan den dag van de school."

Michal Mordtmann wist volstrekt niet wat te antwoorden; en toen een eind verderop in de straat adjunct Aalbom neuriënd voorbijliep, en deed of hij niemand zag, toen begreep hij dàt veel beter.

Maar het was niet alleen de dikke Jorgen Kruse; vele van de welgestelde kleinere kooplui kwamen er met meer of minder voorbehoud voor uit, dat zijn optreden aan het diner van den professor naar hun zin was geweest.

En eindelijk werd het hem licht hoe het in zekeren zin een feest was geweest voor al die [ 111 ] menschen die zoo vaak hadden moeten hooren dat zij niets wisten en niets konden behalve geld bijeenschrapen,—nu iemand uit den eigen kring van hen die latijn kenden, zich tegen die hooge, trotsche heeren keerde.

Never mind, dacht Michal Mordtmann; als je niets anders wilt, dan voor mijn part graag. Het kapitaal was hoofdzaak en in dat opzicht had hij niet veel van ambtenaren en docenten te wachten; als hij zijn plan kon verwezenlijken en kon ontkomen aan een deemoedigen terugtocht, dan zou hij zich daarvoor geen moeite ontzien.

Daarom ging hij met verdubbelden ijver rond en praatte weer over phosphorzuur in de zwarte kantoren en ze mochten hem erg graag; maar als het er op aankwam—het teekenen voor aandeelen—dan stootte hij vast en zeker op een hinderpaal, een werkelijken steen des aanstoots, en dat was de professor.

Zoo lang professor Lövdahl zich achteraf hield, bleef het bij woorden. Hij toch was de eenige die er verstand van had. Hij was geleerd en hij was rijk en als hij niet mee wilde doen, dan moest er toch wel iets rots aan de zaak zijn, hoe schitterend die zich overigens ook voordeed.

Laat professor Lövdahl eerst teekenen, dan doe ik ook mee en nog een heele boel met me," zei Jorgen Kruse.

[ 112 ] Michal Mordtmann's vlug hoofd tobde niet lang over die hindernis. Hij knoopte zijn lange engelsche visitejas dicht en ging mevrouw Wenche bezoeken.

"Eindelijk!" riep zij toen hij binnenkwam.

"Pardon, mevrouw, ik had u zeker eerder moeten bezoeken om u te danken."

"Neen, dank u, mijn goede meneer Mordtmann, op dien toon spreken we niet langer. U hebt eens voor altijd het recht verloren om engelsch tegenover me te zijn. Wees zoo goed en neem plaats als oud vrijheidsman en eerlijk radikaal. Kunt u de andere vertoornde goden met uw afschuwelijke soda verzoenen, dat is mij wel. Maar hier zijt ge mijn man,—mijn landsman—en al uw correctheid is hier vergeefsche moeite—dat verzeker ik u!—volstrekt vergeefsche moeite tegenover mij."

"Ik kom, mevrouw"—maar hij kwam niet verder; want zoowel hij zelf als mevrouw Lövdahl moesten weer zoo lachen bij de herinnering aan hun laatste ontmoeting en om zijn mislukte poging om vormelijk te zijn, dat zij eindelijk elkaar maar hartelijk de hand schudden; en in één oogenblik ontstond er een vertrouwelijkheid tusschen hen zóó groot als anders een lang samenzijn nauwelijks zou hebben kunnen te weeg brengen.

"U waart Dinsdag zoo onbetaalbaar," zei mevrouw Wenche, terwijl zij haar naaiwerk opnam; [ 113 ] hij zat op een lagen stoel dicht bij haar werk tafeltje. "U kunt niet denken wat het voor mij is, eindelijk eens iemand te ontmoeten die mijn inzichten en mijn wijze van die te uiten deelt. Er is hier wel eens de een of ander, bij voorbeeld meneer Abel, die zoo'n beetje liefhebbert in nieuwe en vrijzinnige ideeén, maar in 't geheim en als of het een gevaarlijke ontplofbare stof is...."

"Dat is het overigens ook, mevrouw! u hebt zelf gezien hoe onze bommen lustig sprongen onder den neus van de geleerde heeren."

"Ja, dat is waar! nooit in mijn leven zal ik het gezicht van adjunct Aalbom vergeten; ik was haast bang dat hij het besterven zou. Maar à propos, hebt u ook wel gedacht aan de gevolgen van uw ondeugende woorden op dien avond? U moet namelijk weten dat er hier in de stad nooit zoo gesproken wordt. Voor mij is dat wat anders; ik hoor hier nu eenmaal thuis en iedereen weet dat ik onverbeterlijk ben,—en daarbij: ik ben maar een vrouw!—Maar voor u" —

"O, ik geef ook niet heel veel om het oordeel van deze goede stad."

"Maar, denk eens! het kan toch van het hoogste gewicht voor u zijn, dat u een goeden indruk maakt!"

"Ja, voor zoo verre men liefst een goede renommée wil achterlaten."

[ 114 ] "Neen, neen; u begrijpt me niet. Ik denk aan de soda en al die andere stinkstoffen die u bereiden wilt."

"O, u denkt aan het fabrieksplan; maar daar zal vooreerst wel niets van komen."

"Zoo? dat zou me spijten voor u. Carsten zei laatst, dat hij dacht dat de stemming onder de kooplui gunstig was."

"Dacht de professor dat?—ik ben, helaas, tot een ander resultaat gekomen; in elk geval denk ik er over om maar gauw weg te gaan."

"Weggaan?—Van hier?"

"Ja, terug naar Engeland."

"Geeft u de fabriek op?"

"Ja, ten minste vooreerst; ik kan niets uitrichten."

"Maar, daar ben ik allerminst van gediend," riep mevrouw Wenche; "nu ik eindelijk een verstandig mensch heb gevonden, met wien ik kan praten, nu wil hij weg. Dat gaat heelemaal niet aan! Vertel me ten minste wat er in den weg is? Waarom moet u het opgeven? Zijn ze bang voor hun duiten,—die kleine haringkoningen?"

"De kleinste zijn de ergste niet."—

"Zijn het dan de groote huizen die zich achteraf houden? With, of Garman en Worse?"

„Hooger op!"

[ 115 ] "Hooger op? Dat begrijp ik niet."

"Zal ik u in vertrouwen zeggen, mevrouw, op wien mijn fabriek strandt?"

"Ja en gauw maar."

"Op uw man!"

"Op Carsten? Op den schoolraad? maar hij interesseert zich zeer voor u!"

"Ja, zeker, de professor is heel beleefd voor mij geweest; maar—"

"Nu—maar?"

"Maar hij wil geen aandeelen nemen."

"Zoo—dat is al heel vreemd. Alle menschen zeggen anders dat Carsten zoo knap en zoo voorzichtig is in geldzaken. Hoor eens—zeg me eens oprecht—heelemaal onder ons: hebt u zelf geloof in uw onderneming?"

"Wenscht mevrouw het prospectus te zien?" vroeg Mordtmann en hij greep in zijn zak.

"Neen, zeker niet! maar antwoord mij: gelooft ge zelf—"

Wij hebben hier," zoo viel hij haar in de rede, op zijn meest ernstigen toon van zaken,—zooals u zien zult, een rij van analyses—"

"Spaar me toch uw walgelijke analyses!" lachte mevrouw Wenche,—"en verder een gespecifieerde begrooting en een berekening,"—ging Mordtmann voort; en nu was het niet mogelijk om verder een ernstig woord uit hem te krijgen; [ 116 ] hij amuseerde haar nog een poos met zijn zakelijken toon en met het aanschouwelijk voorstellen van zijn bezoeken bij de burgers van de stad,—totdat hij opstond om afscheid te nemen.

Maar toen hij weg was, dacht mevrouw Wenche er over na; het zou toch heusch al te akelig zijn als hij nu vertrok. Zij wou toch eens aan Carsten vragen, waarom hij niet een paar aandeelen kon nemen, nu de heele zaak op hem schipbreuk zou lijden.

Het gesprek had plaats aan de middagtafel en de professor gaf ten antwoord dat hij uit principe niet graag geld stak in ondernemingen in de stad.

Maar dit was toch zeker heel voordeelig?

0 ja, het was niet onmogelijk dat het een goede zaak werd.

"Maar geef me nu toch antwoord, Carsten! Jij moet toch een beetje verstand van die zaak hebben: stel je vertrouwen in die fabriek?"

"Ronduit gezegd: neen; en wel—omdat ik zelf weinig of niets van de praktische chemie afweet, en de anderen die het geld moeten geven, er nog minder van verstaan; en gewoonlijk wordt het dan geen goede zaak."

"Maar—Mordtman zal die immers besturen? en hij heeft er toch verstand van, nietwaar?"

"Misschien wèl en misschien niet. De firma [ 117 ] van zijn vader is niet erg in tel; het engelsche huis, waarvan altijd sprake is, heeft nog niet voor het kleinste bedrag geteekend—"

"Ja, maar je denkt niet aan alle voordeelen die daar tegenover staan; Mordtmann die zelf zulk een zaak in Engeland bestuurd heeft en die—"

"Heb je den jongen Mordtmann kort geleden gesproken?"

"Ja, hij bracht me vanmiddag een bezoek. En toen zei hij dat het hem niet mogelijk was aandeelen te plaatsen voor dat jij je aan het hoofd stelde."

"0, nu begin ik te begrijpen! en dus was meneer Mordtmann zoo uitgerekend slim—"

"Foei, Carsten, je denkt altijd dat de menschen evenzoo berekenend zijn als jij zelf. Hij zat me dat alles hier heel natuurlijk te vertellen en het is zeker noch hem noch mij ingevallen, dat ik er me mee bemoeien zou."

"0 Michal Mordtmann,—die komt ook al weer uit...."

"Ik weet wel wat je zeggen wilt: uit Bergen," zei mevrouw Wenche, een beetje bitter.

"Iets dergelijks, ja!" antwoordde de professor: overigens, als je mee wilt doen in die onderneming, mijn hemel! ik zal net zooveel aandeelen nemen als je wilt; het geld is van jou."

"Foei, Carsten! —je weet wel dat ik niet wil [ 118 ] dat je daarmee aankomt; ik wil niets met de geldzaken te doen hebben; ik wil allerminst dat je om mij te pleizieren aandeelen zult nemen."

Mevrouw Wenche werd licht heftig onder het spreken; maar dan werd haar man des te kalmer.

"Ja, en toch zul je aandeelen hebben, Wenche! ik zie heel goed dat je er lust in hebt; en dan houden we dien aardigen meneer Mordtman ook hier."

Abraham zat heimelijk van den een naar de ander te kijken. Hij begreep het niet; maar hij zag, wat hij al zoo dikwijls opgelet had, dat zijn moeder heftig was en dat zijn vader vroolijk en vriendelijk bleef.

's Namiddags zou hij als gewoonlijk met kleinen Marius werken; maar hij had er zoo weinig lust in. Het was in de eerste dagen van Mei en zij waren bezig met repetities in alle vakken voor dat schrikkelijke examen dat Marius' lot zou beslissen.

Daarom zat deze ijverig over zijne boeken; maar Abraham had heelemaal geen lust. De zon scheen op het jonge groen van de kruisbessen beneden in den tuin en omhoog aan den hemel was er geen wolkje.

Abraham deed niets als grappen maken met grieksch en wiskunde, tot grooten schrik van Marius en eindelijk begon hij Pontoppidan's [ 119 ] belijdenis, die ze op school voor de zevende of achtste maal doormaakten, te intoneeren.

Marius lachte en smeekte beurtelings: maar Abraham was heelemaal uit den band geraakt; hij wierp alle boeken op het bed en riep: "kom, laten we gaan roeien en visschen!"

Ja, kleine Marius was zwak genoeg en zoo roeiden ze dan uit naar de haven en vischten in den stillen mooien voorjaarsavond.

Maar het gevolg was dan ook dat het den volgenden morgen heel bont met Marius liep; alleen het bewustzijn al dat hij niet zoo veel en niet zoo goed geleerd had als anders, maakte hem van streek en onzeker in de eenvoudigste dingen.

Daarbij wilde het ongeluk dat de rector juist in het latijnsche uur van adjunct Aalbom kwam, om naar het overhooren te luisteren; iets wat hij af en toe wel eens deed als hij den tijd had.

Het was dus zaak voor Aalbom om den rector nu aan het einde van den jaarlijkschen cursus eens te laten zien hoever zijn lieve discipels onder zijn leiding gevorderd waren; daarom nam hij eerst No. 1 en toen Marius onder handen.

Abraham zat als op spelden en naalden; hij kende Marius door en door en hij wist hoe licht dat groote hoofd zich reddeloos vast kon werken in een kleinigheid, als hij eerst van zijn stuk werd gebracht. Het was in het vorige uur al verkeerd [ 120 ] gegaan met het grieksch; maar het stekelvarken had Abraham met groote liberaliteit alles laten voorzeggen.

In het vrije kwartier had Marius al gezegd:

"Je hadt me gisterenavond niet moeten overhalen om te gaan visschen, Abraham!—ik weet niets en ik krijg van daag stellig een beurt voor alles. En dan krijg ik een slecht cijfer en dan ga ik van den zomer niet over."

Abraham begon te begrijpen wat dat voor Marius zeggen wilde; hij had er eigenlijk nooit diep over nagedacht. Maar terwijl kleine Marius nu met heel veel fouten een ode van Horatius oplas, bedacht Abraham zich hoe in allen deele hulpeloos zijn beste vriend zou worden, wanneer die tusschen nieuwe kameraden in die klasse moest blijven zitten, terwijl hij zelf—Abraham—natuurlijk tot de vierde latijnsche bevorderd werd.

"Neen, neen, Gottwald! je praat je zelf voorbij," zei adjunct Aalbom poesvriendelijk; want kleine Marius maakte fout op fout; maar hij durfde in 't bijzijn van den rector niet te schelden; denk nu eens goed—mijn jongen!—wat—fallo, fefelli—zegje; dat is heel goed, maar nu het supinum, mijn beste jongen,—wat?"

fe—fe—fe," stamelde Marius heelemaal hulpeloos; hij had geen enkele gedachte meer in zijn hoofd.

[ 121 ] Maar, goede hemel, wat wil je met die reduplicatie in het supinum?" riep Aalbom; maar een blik van den rector hield hem tegen; "denk nu toch eens, Gottwald! je kent die werkwoorden zoo goed, als je maar een beetje nadenkt; er zijn er maar een stuk of vier; herinner je maar: pello, pepuli, pulsum—ook fallo, fefelli,—nu?"

"Pulsum," antwoordde Marius, zijn blauwen zakdoek om zijn vingers draaiend.

"Nonsens, Gottwald, hou je me voor den gek?—Ja, zeker, rector, u hebt gelijk, we moeten het kalm opnemen. Wat—kalm maar, mijn jongen, dan komt het wel; we zullen dus beginnen bij het begin, met dingen die je op je duimpje weet, kalm maar—wat—mijn jongen!" Zijn stem trilde van kwaadheid; dus: amo—amavi—nu, het supinum?—ama—" „—ama," herhaalde Marius zijn zakdoek loswikkelend.

"Neen, dat is te erg!" schreeuwde Aalbom, den rector vergetend; "ben je koppig, jij ezel?—wat is de ronde tafel in het latijn?—de ronde tafel?—nu, wil je wel eens antwoorden?"

Maar er kwam geen geluid uit kleinen Marius en de adjunct vloog op hem af, als wilde hij hem slaan, niettegenstaande den rector. Maar het zij dit zijn plan was of niet,—vóór hij Marius nog bereikte, viel deze tusschen de tafel en de bank.

[ 122 ] "Is hij gevallen?" vroeg de rector en hij kwam bij Aalbom die over de tafel gebogen stond en naar omlaag keek naar kleinen Marius.

Maar terzelfder tijd klonk er een stem door de klasse, bevend van ontroering en als afgebroken door snikken; allen keken om en zagen Abraham Lövdahl: hij stond rechtop, doodsbleek en met vertrokken gelaat: Dat is schande—dat is meer dan schande!" zei hij op nieuw en hief zijn gebalde vuist tegen den adjunct op: "Je bent een — je bent een duivel!" bracht hij eindelijk uit, zich aan den rand van zijn tafel vastklemmend.

"Maar—maar, Abraham! Abraham Lövdahl! ben je stapelgek, jongen?" riep de rector; nog nooit in zijn lange pædagogische werkzaamheid was hij zoo geschrikt. Aalbom zelf stond als versteend, en vergat bijna den kleinen Marius, die daar omlaag lag zonder zich te verroeren.

Maar Morten de Reactionnair kwam beslist tusschen bank en tafel uit en hief Marius op, die bleek was en zijn oogen gesloten hield.

"Haal wat water," zei Morten kortaf, terwijl hij Marius ophield.

"Ja,—water!—wat!" begon nu de adjunct: "Gottwald is ziek; 't is schande om een jongen naar school te zenden als hij ziek is."

Intusschen stond de rector pal voor Abraham en staarde hem aan; eindelijk zei hij zacht en [ 123 ] streng: "Ga naar huis, Lövdahl; ik zal bij je ouders komen."

Het was doodstil in de klasse toen Abraham zijn boeken opnam en heenging. De verbittering die, terwijl de adjunct Marius pijnigde, tot het kookpunt in hem gestegen was, sloeg zoo wonderlijk gauw neer; en toen hij alleen naar buiten ging op het schoolplein,—het was midden in het uur—begon hij te bedenken wat het wel was, dat hij gedaan had en wat zijn vader er wel van zeggen zou.

Hij durfde niet dadelijk naar huis gaan, maar lei zijn boeken zoo lang bij den bakker, die hem kende, en ging toen een groote wandeling maken aan den oostkant van de stad, waar hij niet licht gevaar liep zijn vader tegen te komen.

Intusschen kwam kleine Marius weer bij, toen hij koud water in het gezicht kreeg; hij lag een half uurtje op de kanapé in de huiskamer van den rector, waar ze hem Hoffmans druppels gaven tot hij weer zóó ver was, dat de pedel hem naar huis kon brengen; mevrouw Gottwald woonde niet ver weg in het lage deel van de stad.

Kleine Marius verliet de school, bleek en half bewusteloos—en gesteund door den pedel die zijn boeken droeg. De stinkdieren liepen op een hoop en schoten vooruit om zijn gezicht te kunnen zien; er waren er enkelen die den rattekoning [ 124 ] wilden bespotten: maar een van de grootsten zei:

"Laat hem met rust; hij is ziek."

En zoo ging hij voor 't eerst ongestoord midden door zijn vijanden.

De rector zou zich zijn kleinen professor heel wat meer aangetrokken hebben, als het voorval met Abraham hem niet totaal in beslag genomen had.

Dat een leerling gedurende het onderricht ziek werd, was iets dat licht kon gebeuren; kleine Marius was zeker den heelen dag al niet recht flink geweest; dat kon men dadelijk bij het overhooren merken; want bij het opzeggen had hij fouten tegen de versmaat gemaakt, iets wat hem anders nooit had kunnen overkomen. En de rector moest Aalbom bijna gelijk geven, waar deze steeds maar herhaalde, dat het een schande was om zieke kinderen naar school te sturen.

Maar Abraham—Abraham Lövdahl—onbeschaamd en oproerig, in verklaarden opstand! dat viel niet te betwijfelen; die jongen hield onder een wel opgevoed en kalm uiterlijk de allergevaarlijkste kiemen verborgen. En als hij nu nog de zoon van ruwe en onbeschaafde ouders was,—zooals zij er, helaas, zoo velen hadden; maar een zoon van professor Lövdahl, een man zoo fijn, zoo humaan, zoo door en door beschaafd! En dat zich nu in diens eenigen zoon plotseling [ 125 ] zulk een afgrond van vermetelheid en oproerigheid moest openbaren!

"Zijn moeder heeft een erg oppositioneel karakter," wierp Aalbom voorzichtig, en ter zijde heen; hij wist in welk hoog aanzien mevrouw Wenche bij den rector stond.

Maar deze keek naar den anderen kant en antwoordde niet; hij dacht op eens aan het laatste gesprek na het diner bij den professor.

Daarom ging hij liever niet naar de Lövdahl's, zooals oorspronkelijk zijn plan was geweest; maar hij schreef een hoogst ernstigen brief aan den professor, legde de zaak uit en gaf als paedagoog en als veeljarig huisvriend zijn overtuiging te kennen, dat men slechts door inachtneming van de grootste gestrengheid en door het zoo ernstig mogelijk op te vatten de kwade kiemen kon smoren, die, helaas, in het karakter van hun lieven Abraham aan het licht waren gekomen.

Professor Lövdahl kreeg dien brief in zijn consultatieuur tusschen twaalf en één; en hij ontstelde zóó dat hij alle patiënten die tot morgen konden wachten, wegzond en zich haastte om met de anderen gedaan te maken.

Het was nooit in hem opgekomen dat zijn zoon zich zoo zou kunnen misdragen. Zelf was hij welopgevoed en correct door het leven gegaan. Eigenlijk gekropen had hij nooit; dat kon niemand [ 126 ] zeggen; integendeel hij had zich de menschen van het lijf weten te houden. Maar nooit was hij in verzet gekomen tegen bevelen van hooger hand; nooit was er in zijn ziel iets opgekomen wat naar oproerigheid kon lijken.

In den beginne kon hij zich maar niet voorstellen wat het Abraham aanging; alles wèl beschouwd was het iets waar de jongen niet mee te maken had. Al was die docent misschien een beetje driftig tegen Gottwald opgetreden, dan was dit nog geen reden om zoo op te stuiven en de grootste onaangenaamheden te wagen ter wille van een ander. Maar het was die malle vriendschap, die overspannen begrippen van moed en trouw, waarvan de professor maar al te goed de bron kende.

Al sedert lang had hij een afdoenden kamp met zijn vrouw over hun zoon voorzien. Hij had het altijd ontweken en uitgesteld; want hij haatte strijd en oneenigheid in huis.

Maar alles scheen nu op een naderende beslissing te wijzen. Het gesprek op den avond van de partij in den salon van zijn vrouw gevoerd, was zóó bepraat en uitgelegd geworden, dat het nu al een ernstige bladzijde van de stedelijke kroniek uitmaakte,—en veel had de professor onder vrienden en vriendinnen moeten verdragen, omdat zijn huis het tooneel was [ 127 ] weest van iets wat zoo nabij een schandaal kwam.

Bovendien was er sedert den vorigen avond toen zij over de fabrieksaandeelen spraken, een stille tweespalt tusschen hem en zijn vrouw.

De professor was dadelijk naar de handelsvereeniging gegaan, waar de leege lijst lang als een verschijning gelegen had—en had voor tien aandeelen geteekend. Naderhand vond hij zelf dat het wel wat veel was; maar het was in overeenstemming met de methode die hij tegenover zijn vrouw volgde.

Nu,—na die geschiedenis met Abraham—was hij buiten zich zelf en hoezeer dat wat er met den jongen gebeurd was, hem ook hinderde, ja zelfs bedroefde,—toch kon hij niet anders dan met een zekere voldoening denken aan de scherpe woorden die hij nu tegen zijn vrouw zou kunnen gebruiken.

Jaren lang was hun huwelijk al dor en droog geweest; zij spoedig heftig, hij altijd kalm en gereed om haar tekortkomingen te dekken; langzamerhand was zij hem een beetje gaan verachten, terwijl hij die dit aanstonds merkte, verteerd werd door den wensch haar te overwinnen en haar te dwingen door zijn oogen te zien.

"Nu krijgen we de gevolgen van je methode," begon hij daarom, met den brief in de hand de [ 128 ] huiskamer binnentredend; "ik heb altijd gezegd, dat je den jongen bedierf met je overspannen ideeën,—en nu is het gekomen. Hier is een brief van den rector: Abraham is op school in opstand geraakt."

"Maar, Carsten! wat zeg je daar?"

"Hij is tegen zijn leeraren in verzet gekomen, heeft met zijn vuist gedreigd en adjunct Aalbom een duivel gescholden."

"Goddank! is 't niet erger!" zei mevrouw Wenche luchtig.

"Niet erger? niet erger?—ja, dat lijkt op je. Hoe zou jij anders dan sympathie kunnen voelen voor elke beroering en elken opstand tegen wien of wat ook? Maar nu zal ik je eens wat zeggen, zeer geachte mevrouw, mijn geduld is uit. De jongen behoort ook aan mij en ik verkies niet dat er een radikale woesteling van hem groeit, die als 't bezinksel van de maatschappij tot schande en verdriet van zijn familie, blijft liggen. Ik heb nu lang genoeg aangezien, hoe je hem met je dwaze ideeën vervult en nu heeft het zijn vruchten gedragen; maar nu moet je ook excuseeren dat ik, als vader, de macht in handen neem om te redden wat er nog gered kan worden. Is hij thuis?"

"Ik heb hem niet gezien."

Mevrouw Wenche was het niet met zichzelf [ 129 ] eens hoe die ongewone heftigheid van haar man tegen te gaan; zij wist ook niet recht wat Abraham gedaan had; en zij wilde niets vragen nu haar man zóó tegen haar optrad.

Maar toen Abraham eindelijk moe en hongerig thuis kwam, en bleek en gedrukt de huiskamer binnensloop, zei zij tegen hem: "Maar, Abraham! wat hoor ik van je? wat heb je uitgevoerd?"

Abraham keek haar aan; zijn moeder was zijn eenige hoop; maar vóór hij nog kon antwoorden, opende de professor zijn deur en riep hem bij zich binnen.

Mevrouw Wenche hoorde hem met strenge stem aanhoudend spreken; zij kon het niet uithouden; en toch wilde zij nu niet naar binnen gaan; daarom ging zij naar de eetkamer.

"Hoe kun je me nu zoo'n groot verdriet doen, Abraham?" zoo begon de professor ernstig en bijna bedroefd: ik had er zoo vast op gerekend een braaf en nuttig burger van je te maken, een zoon die mij tot vreugde en tot eer zou zijn; en in plaats daarvan begin je al in je jeugd neigingen aan den dag te leggen, die je zekerder dan iets anders ten verderve zullen voeren. Want luiheid, jeugdige lichtzinnigheid en wildheid,—die kunnen met de jaren en door een verstandige behandeling afslijten; maar een oproerige geest is iets wat bijna altijd veld wint, waar het wortel [ 130 ] geslagen heeft. Het begint met het trotseeren en het beleedigen van zijn leeraren, dan groeit men zijn vader en moeder over het hoofd en ten laatste wil men zich zelfs niet meer buigen voor Onzen Lieven Heer! Maar weet je wel wat voor lui dat zijn, dezulken? dat zijn misdadigers, het uitschot van de maatschappij, die de wetten trotseeren en onze gevangenissen vullen. "Wat er van daag met jou gebeurd is heeft me meer ontroerd dan ik je zeggen kan; ik ben noch in staat om je af te brommen, noch om je te bestraffen; ik weet zelfs niet of ik zulk een zoon op den duur wel in mijn huis kan houden."

En daarmee ging hij de kamer uit.

Het was een wel doordachte speech van den professor en die deed zijn uitwerking.

Op zijn eenzame wandeling had Abraham zich van alles voorgesteld,—al het ergste dat hij zich aan vermaning of straf kon bedenken; maar dit overtrof nog alles. De bezorgde, bedroefde toon, de harde woorden en dan ten slotte de vreeselijke mogelijkheid dat hij misschien het huis uit zou worden gestuurd—weg van moeder;—toen eerst begon hij zoo tot zichzelf te komen, dat hij in tranen uitbrak, zich lang uit op de kanapé wierp en hard huilde. Wat kwam het hem nu onbegrijpelijk voor,—al wat hij gedaan had; wat moest er nog van hem worden?

[ 131 ] Een heele poos later opende de professor de deur en riep hem aan tafel.

Mevrouw Wenche had nog altijd geen recht begrip van de zaak; maar voor zoo ver zij er van wist, moest zij bekennen dat Abraham zich hoogst onbetamelijk had gedragen. Intusschen verwonderde het haar toch, dat die kleinigheid,—want wel beschouwd was het niet zoo heel erg—hem heelemaal van zijn stuk kon brengen. Zij voelde zich zoo gedrukt, en zoo onuitsprekelijk ongelukkig en zij had den grootsten lust om Abraham eens te pakken en zelf eens uit te huilen.

Maar er werd onder den maaltijd geen woord gesproken.

Abraham hing vernietigd over zijn soep; en hij had op dit oogenblik niets van den bleeken held, die rechtop met gebalde vuisten tegenover adjunct Aalbom gestaan en dien een duivel genoemd had.

 

 
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Vergif/VI&oldid=49377"