Vergif/VIII

Uit Wikisource
< Vergif(Doorverwezen vanaf Alexander Kielland/Vergif/VIII)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
VII Vergif van Alexander Lange Kielland

VIII

IX
[ 144 ]
 

VIII.


Michal Mordtmann had als gewoonte aangenomen om even bij mevrouw Wenche aan te loopen, wanneer hij om twaalf uur van de fabriek kwam.

Het wijdvertakte rooiingswerk was een groote karwei; er moesten stevige kaaimuren langs het water en schoorsteenen en fundeeringsmuren voor de talrijke gebouwen opgetrokken worden.

De maatschappij was gegrond op een ruim kapitaal en de stad was op het laatst zóó ondernemend geworden, dat men besloten had het engelsche huis geen aandeelen te presenteeren, omdat het zich zoo hoofsch teruggetrokken had. Op die wijze kwam al het kapitaal van de burgerij; en de fabriek "Fortuna", zooals zij met een stroom van champagne gedoopt werd, was de trots en het troetelkind van iedereen.

[ 145 ] Mordtmann was blij en vol hoop. Nooit was hij zoo tevreden met zich zelf en met iedereen geweest. Van een ondergeschikte positie in een vreemd land, klom hij in eens op tot chef van een nieuwe onderneming, die hij zelf van meet af aan zou leiden.

Daar noch de directeuren noch de aandeelhouders eenig begrip van de dingen hadden, werd hij aldra een waar orakel; en hij was niet zuinig op effect. Waar zijn kennis te kort schoot, was hij niet bang om met groote woorden te schermen, die iedereen dadelijk inpakten.

Een menigte arbeiders kregen vast werk; hij betaalde Zaterdags de loonen uit; de vrouwen kwamen bij hem om voorschot en hij was in korten tijd bekend en bemind onder den kleinen zoowel als onder den grooten man. Alleen in de ambtenaarskringen en in enkele oude aartsreactionnaire huizen werd hij diep verafschuwd; en daar werd ook professor Lövdahl beklaagd, omdat zijn vrouw zulk slag van menschen in haar kring trok.

Maar daar gaf Mordtmann niet om; hij voelde zich vroolijk en wel als hij 's morgens vroeg in de mooie zomermaanden naar zijn fabriek, even buiten de stad, ging. De arbeiders waren niet zooals de engelsche die alleen maar aan hun werk dachten. Hier buiten namen zij wel degelijk [ 146 ] hun muts af, als zij goeden morgen zeiden, en zij gunden zich wel degelijk den tijd voor een praatje, als hij dat wilde.

Er was dan ook wel iets in om trotsch op te zijn, als men dat alles zoo op zag wassen en zich ordenen naar zijn eigen plan; de vele afzonderlijke gebouwen die de stad als wonderen van knapheid beschouwde, heel die groote onderneming met een volstrekt opperbevel en een overvloed van geld, dat was dan ook iets waar een jong en werkzaam man blij mee kon zijn, nu hij er eenmaal de hand op gelegd had.

En toch was er nog iets heel anders, dat hem langzamerhand liever dan al het overige werd; het waren zijn bezoeken bij mevrouw Wenche.

Hij had niet veel dameskennissen in de stad gemaakt; zijn zaak had hem van den beginne af alleen maar met mannen in aanraking gebracht; en nu dat hij werkelijk zooveel te doen had, dat zijn heele dag er door ingenomen werd, nu had hij geen aanleiding en geen lust om grootere gezelschappen te zoeken dan de club en den huiselijken kring van professor Lövdahl.

Maar des te meer was hij daar. Men had hem eens voor al gezegd dat hij ten allen tijde welkom was, en Mordtmann had allen grond om te vermoeden, dat dit door den professor oprecht [ 147 ] gemeend werd; die was altijd vriendelijk en voorkomend.

Intusschen was het toch duidelijk dat hij zijn bezoeken aan mevrouw bracht, en hij lette dit zelf op. Elken dag tusschen twaalf en één wachtte zij hem met een glas morgenwijn, dat hij opdronk, terwijl zij samen vroolijk een half uurtje babbelden.

Maar als het regende of het slecht weer was, dan kwam hij niet verder dan het raam en wees op zijn vuile laarzen of op zijn nat pak, en dan werd er dikwijls afgesproken, dat hij 's avonds zou komen.

Mevrouw Wenche had een standpunt gekozen, van waar af zij hem een beetje moederlijk behandelde, wat haar op grond van haar positie niet moeilijk viel, ofschoon er eigenlijk geen noemenswaard verschil in leeftijd was.

Hij vond dat niet prettig; maar hij had den moed niet om wat anders te eischen; en zij nam tegenover hem een spottenden toon aan, die menig woord en menigen blik liet doorgaan voor minder dan er mee bedoeld werd.

Zij dacht te goed over hem en zij stelde een te hoogen prijs op zijn gezelschap om te willen begrijpen, dat hij haar het hof maakte. Sedert hoeveel jaar hing meneer Abel, de docent, niet al smachtend om haar heen; en dat had haar nooit in het minst gehinderd.

[ 148 ] Mordtmann was wel heel wat anders dan Abel; maar toch! zij was wezenlijk niet bang—noch voor wat zij zelf deed noch voor wat de anderen zeiden.

En wat haar man aanging, voor hem had zij nog minder zorg; hij had nooit een spoor van jaloezie getoond. Zoo lang zij getrouwd waren, was Carsten Lövdahl de voorkomendheid zelf geweest tegen de jongelui die langzamerhand nader kwamen, aangetrokken door haar schoonheid en haar levendigheid.

Een enkele maal had mevrouw Wenche wel eens gevonden dat hij wat ver ging in zijn liberaliteit; maar later had zij altijd moeten bekennen, dat zijn wijs en wel overlegd optreden veel in het gelijke bracht, wat anders nog al scheef zou zijn uitgekomen.

Zelf was zij nooit ernstig van streek gebracht; misschien wel juist, omdat het zoo kalm en zoo vrij ging. En dat niettegenstaande zij nog niet lang met Carsten Lövdahl getrouwd was geweest, voor zij merkte hoe weinig overeenstemming er tusschen hen was.

Hij was zóó voorzichtig, zóó irriteerend correct, dat hij haar dikwijls laf en onbetrouwbaar leek. Maar te gelijker tijd was er iets fijns en ridderlijks in zijn karakter, dat hem steeds ophield in haar opinie. En al zette ze hem ook niet zoo [ 149 ] heel hoog, en al was hij haar niet zoo heèl veel, zoo was het toch aan den anderen kant ook nooit tot zulk een leegte in haar geworden, dat zij zich geheel van hem had afgewend.

En nu was ze immers oud!—een halfvolwassen zoon; rijp aan ervaring en moe was zij; waarom zou zij zich gewetensbezwaren maken? was het niet veeleer een beetje belachelijk van haar om zich te verbeelden dat zij nog zoo gevaarlijk was?

Zij liet de menschen dus praten,—en dat deden ze,—en gaf zich zonder zorg over aan het prettige idee van tot huisvriend te hebben een knap, beschaafd man, zonder vooroordeelen, die met bewondering luisterde naar al wat haar man gewoon was overspannen ideeën te noemen.

Maar daarmee deed zij—zonder het te weten—Abraham te kort. Zij bemerkte dit des te minder omdat het samenviel met de verandering die er in den jongen had plaats gegrepen. Hij had niet langer honderd vragen te doen, hij wenschte niet langer dat zij met hem zou spelen of dammen; en bovendien had zij een gevoel van onzekerheid tegenover hem nog niet overwonnen, zoodat zij hem misschien minder vrij en blij opzocht.

Toen kleine Marius begraven werd, had mevrouw Gottwald gehoopt dat Abraham dadelijk achter het lijk zou volgen met den dominé; hij was [ 150 ] kleinen Marius' beste vriend; en zij had zoo heelemaal geen familie.

Maar de rector had er zich tegen verzet; Abraham kreeg alleen permissie om met zijn kameraden in één troepje te volgen; en hij mocht blij zijn dat hij daar nog permissie toe kreeg.

En zoo gebeurde het dat de heele school en daardoor een groot deel van de stad een somber vermoeden kreeg, dat er iets niet richtig was met dien Abraham Lövdahl.

De professor moest zich zelf in houden om zijn zoon niet te gauw vergiffenis te geven; hij was zoo blij dat zijn methode zich zoo weldadig bewezen had en hij voelde in den grond zooveel medelijden met den armen jongen, die zoo alleen voortging met aller oogen op zich gericht. Eindelijk kon hij zich niet meer bedwingen en begon hij met een flauwen glimlach en een paar vriendelijke woorden.

Die eerste lachjes daalden op Abraham neer als een regen van gelukzaligheid. Er was toch maar niemand zooals vader; en minder dan ooit kon hij begrijpen, hoe hij zulk een vader zooveel verdriet had kunnen doen.

Nu begon hij in de kleinste kleinigheden te beproeven of hij een prijsje kon veroveren; hij werd aan tafel oplettend en dienstvaardig en zette 's avonds vaders pantoffels gereed; en toen [ 151 ] nu het overgangsexamen naderde, werkte hij meer dan hij ooit gewerkt had.

Mevrouw Wenche pleegde altijd het plechtige examenfeest bij te wonen. Van de vroegste jeugd van haar zoon af, was het een genot voor haar geweest om daar te zitten wachten op zijn naam, te zien hoe hij voor den katheder kwam, de groote gedragslijst in ontvangst nam en zijn kleine buiging maakte, waar zij zelf altijd met het hoofd in deelde.

Maar nu zij dit jaar haar man een witte das om zag doen om als schoolraad te fungeeren,—vroeger had zij altijd gemeend dat hij, evenals zij, uit belangstelling voor hun kleinen Abraham ging,—nu kwam het haar zoo leelijk voor dat de ouders slechts dien enkelen keer bij het slotfeest bijeen kwamen; terwijl zij anders de arme kinderen het heele jaar door voor evenveel lieten loopen.

Zij wilde niet langer meedoen in die komedie om haar man daar, ten bewijze van de deelneming der ouders in de school, te zien zitten in een stoel met een hoogen rug naast den burgemeester; en evenmin wilde zij haar tranen mengen met die van de onnadenkende moeders, die daar zaten te huilen over de mooie woorden van den rector, als hij roerend sprak van de school en het te huis, en het te huis hier namaals.

[ 152 ] Daarom liet zij den professor alleen gaan met Abraham zonder eenige reden op te geven; maar de professor begreep en vroeg daarom niets.

Intusschen dreigde haar voormiddag heel vervelend te worden; zij had evenwel weinig lust in dat schoolfeest; zij was besloten en zij wilde niet. Eindelijk nam zij hoed en parasol om een groote wandeling te gaan maken; het was den 13den Juni en helder mooi zomerweer met noordenwind.

Zij ging in de richting van de nieuwe fabriek. Michal Mordtmann had haar al zoo vaak gevraagd om eens buiten te komen kijken, om haar al zijn heerlijkheden te kunnen wijzen.

Zij ging er zorgeloos heen; het was immers alles eerlijk; alle menschen waren er al geweest en daarbij—wat kon het haar schelen?

Toch was zij niet geheel vrij van een beetje hartklopping, toen zij op den heuvel stond en af moest dalen in de buiging tusschen de hoogten, waar de nieuwe gebouwen opgericht werden.

Zij ontdekte hem al op verren afstand. Hij stond daar heelemaal beneden aan de kaai op een groot gehouwen granietblok; in de eene hand hield hij een rol teekeningen, met de andere wees hij aan, zijn bevelen gevend aan de arbeiders die bezig waren ijzeren platen met een kraan uit een veerboot te lichten.

[ 153 ] Het grijze zomerpak zat sluitend om zijn slanke gestalte, op zijn hoofd had hij een onmogelijken engelschen hoed, die hem voortreffelijk stond; een korte broek en in plaats van hooge laarzen droeg hij in dit warme droge weer schoenen van zeildoek met gele veters. Men kon zich het begrip "arbeid" in geen eleganteren vorm denken; en zooals hij daar stond op dat solide voetstuk, zoo intelligent en zoo zelfbewust, met zijn rol teekeningen, zag hij er van top tot teen uit zooals een hedendaagsch ingenieur er uit moet zien.

Toen hij op nieuw naar haar keek, sprong hij van den steen; want toen hij haar voor 't eerst op den heuvel ontdekte, was hij op den steen gesprongen. Hij snelde naar haar toe en wenschte haar vroolijk welkom in zijn koninkrijk; en hij wilde dadelijk beginnen met haar alles om hen heen te laten zien.

"Maar ik dacht dat u druk waart; kunt u dan maar zoo van het werk weggaan? U moogt ter wille van mij—"

"O dat is niet zoo erg; ik heb hen nu aan den gang gebracht en nu kunnen zij het wel zonder mij redden."

Ja, dat was een waar woord dachten de werklui; ze hadden niet begrepen, waarom, hun chef—zoo moesten ze hem noemen—op eens op dien steen sprong en begon te roepen en te commandeeren; [ 154 ] maar toen zij de dame zagen, begrepen ze het allemaal.

Zij gingen met hun tweeën naar boven naar de gebouwen en hij begon uit te leggen. Het amuseerde haar om al die merkwaardige inrichtingen te zien en het amuseeerde hem buitengewoon om te luisteren naar haar averechtsche vragen. Zij lachten daar braaf om en kwamen in een blijde ongedwongen stemming ten laatste aan het kantoorgebouw, waar hij haar uitnoodigde binnen te gaan en een glas port te drinken.

De fabrieksbel had intusschen twaalf geluid en het werkvolk ging bij troepjes hetzij de stad in, hetzij naar boven naar het arbeidersgebouw, waar zich een eetzaal bevond.

Het kantoorpersoneel was ook verdwenen toen de chef en mevrouw Wenche het kantoorgebouw binnengingen; de gang die naar de privaatkamer van den chef geleidde, werd versperd door een menigte machinedeelen van staal en blank koper, die hier voorloopig opgesteld waren om uit den weg en in veiligheid te zijn; Mordtmann maakte excuses omdat het er zoo nauw was.

Het kantoor van den chef leek het eenige stuk van de fabriek dat heelemaal klaar was; op engelsche wijze gemakkelijk en mooi ingericht.

Toen mevrouw Wenche op de met groen leer bekleede sofa plaats nam, werd zij een beetje [ 155 ] nadenkend. Het was zoo stil en eenzaam geworden, alleen een haastige voetstap die op een draf naar het eten liep.

"Ik moet eigenlijk gauw weg," zei zij en maakte haar hoed los; het was warm.

"O kom, we hebben den tijd aan ons; uw man wacht u toch zeker niet thuis voor het eten?"

"Neen,—en daarbij: Carsten is van daag schoolraad," antwoordde zij vroolijk, maar op 't zelfde oogenblik had zij er spijt van, toen zij zag hoe Mordtmann dit dadelijk op vatte als iets in haar man, waarom zij gewoon waren samen te lachen; en dat was haar bedoeling niet geweest.

"Uw man is over 't geheel genomen zeker meer bezet dan hij moest zijn?"

"—Meer bezet?"

"Ik bedoel, als men een vrouw heeft als u, mevrouw Wenche!—dan moest, dunk me, de man die zoo gelukkig is—"

"Kom, kom, meneer Mordtmann, u weet het: correct!"

"En ù bent het juist, mevrouw, die niet hebben wil dat ik correct ben!"

"Ja, maar nu wil ik het wel; op dat punt, begrijpt u?"

"Ik begrijp het niet maar ik gehoorzaam. Er is overigens niets wat een woord van u—"

[ 156 ] "Verspil uw woord niet, maar drink uw port."

"Voor liefde is wijn een slechte medicijn, mevrouw Wenche."

"Bah!" antwoordde zij, zijn blik ontwijkend, terwijl zij haar hoed weer terecht zette.

"U wilt weg? Is u boos op me?"

"Neen, nog niet; maar ik ben bang dat ik het gauw zou worden."

"Waarom? U kunt mij toch niet verbieden u te beminnen?"

"Meneer Mordtmann! dat is leelijk van u en het is dom van u om dus onze vriendschap te bederven: laat me gaan."

"Ik heb niets gezegd wat u van te voren niet reeds wist," antwoordde hij eerbiedig en verslagen, terwijl hij de deur voor haar opende: "mag ik u naar de stad geleiden?"

"Neen!" antwoordde mevrouw Wenche en ging langs hem heen; maar in haar ijver om boos te kijken en weg te komen, stootte zij tegen de machinerieën die in de gang stonden; er ontstond een geschuif alsof er iets ging vallen; en plotseling greep hij haar om haar middel en trok haar weer in de kamer; op hetzelfde oogenblik viel er een zware zuiger of iets dergelijks, dwars langs den deurdrempel.

"Excuseer," zei hij rustig en zette het zware ding weer rechtop tegen den muur; "het is eigenlijk [ 157 ] ook te gek dat die dingen hier staan; pas nu op, mevrouw, en houd u langs den muur."

"Maar, mijn hemel!" riep mevrouw Wenche, die nog erg verschrikt was en geïmponeerd werd door de kalmte waarmee hij het opnam; "ik had wel op de plaats dood kunnen zijn! dit is een gevaarlijk huis!"

"En een heel ongelukkig bezoek," voegde hij er met een buiging bij, toen mevrouw Lövdahl de voordeur uitging.

Zij bleef buiten op de steenen trap staan, ter wijl zij haar handschoenen aantrok.

"Nu?—hoe zal het zijn?" vroeg zij zonder om te zien. Gaat u al of niet mee naar de stad?"

"U zei immers zelf—"

"Ja, maar sedert hebt u mijn leven gered," zei zij lachend; "en bovendien, natuurlijk geen woord meer daàrover!"

Hij beloofde alles en haalde vlug zijn hoed.

Tot mevrouw Wenche's verbazing hield hij woord; hij sprak vroolijk en open zonder een spoor van een poging om iets te onderstrepen; toen zij scheidden was er zelfs niets in zijn blik wat pijnlijk voor haar had kunnen zijn.

Mevrouw Wenche was erg tevreden met zichzelf; zij had hem nu eens voor al terecht gezet; en zij was ook tevreden met hem. Hij had begrepen dat het nergens toe kon dienen; en zoo [ 158 ] zou zij hem rustig kunnen behouden op een prettige, vrije manier en zonder dien voortdurenden angst, dat hij uit den band zou slaan.

Zij kwam thuis in het beste humeur; in langen tijd had zij zich niet zoo blij en zoo jong en zoo licht gevoeld; haar geweten was ook verlicht, omdat zij hem flink bescheid had gegeven: dus die zaak was in orde! —

Zij ging pianospelen terwijl zij op den professor en Abraham wachtte; maar zij stond weer op en schikte het haar voor den spiegel. Zij neuriede zacht.


Intusschen zat Abraham geklemd tusschen zijn kameraden en den professor, naast den burgemeester. De groote feestzaal van de school was vol van kinderen en menschen, van ondragelijke warmte en van gemengde luchtjes.

De onvermoeide rector stond op den katheder en deelde de lijsten uit, daarbij elken jongen oproepend naar gelang van het nummer waarmee hij overging.

Eerst kwamen er een paar voorloopige woorden aan het adres van hen die de school verlieten, om naar de Universiteit te gaan; daarop begon de hoogste afdeeling van de 4de latijnsche klasse en toen kwam de laagste, die welke uit de 3de latijnsche klasse bevorderd waren.

[ 159 ] "Hans Egede Broch! riep de rector; dat was No. 1; maar de volgende was Abraham Knorr Lövdahl.

Abraham vloog op; hij had niet durven droomen, dat hij No. 2 zou zijn, hoewel hij een goed examen had afgelegd. Het duurde een oogenblikje voor hij uit de bank kon komen en de professor volgde hem met zijn blik om hem eens toe te knikken; maar Abraham zag niet op.

De rector gaf hem een lijst met de woorden: "Je bent vlijtig geweest, Abraham! en daarom is het je goed gegaan op het examen; ik hoop dat wij, je docenten, ook in andere opzichten tevreden, meer tevreden over je zullen mogen zijn in het volgende schooljaar."

Al Abrahams blijdschap was weg; hij sloop terug naar zijn plaats; en het kwam hem voor dat het erg kil en doodstil in de zaal werd door alle koude blikken die zich op zijn zondaarshoofd vereenigden.

Professor Lövdahl hmde een beetje scherp: het had nu genoeg kunnen zijn; hij vond het niet noodig dat zijn zoon zoo openlijk gebrandmerkt werd.

Voort ging het met het oplezen van de lijsten; vaders en moeders luisterden aandachtig, tot hij kwam,—de naam waarop zij wachtten. Dan werd hun gelaat verheerlijkt op het oogenblik [ 160 ] dat de geliefde zoon voor den katheder stond; maar daarna verzonken zij allen in een warme behagelijke onverschilligheid die zou duren tot de rector zijn rede begon.

Maar voor de kleintjes was het voorlezen van de gedragslijsten iets heel anders. Eergierigheid en schroom, teleurstelling en vertwijfeling, tot zelfs stompheid toe; afgunst en haat, trots en leedvermaak—zelfs wraaklust,—dat alles ging door die opeengepakte rijen van kleine hoofden; het was een ware oefening voor het leven om zich met de ellebogen vooruit te werken, elkaar vóór te komen, al was het ook maar met een enkel nummertje; gelijkheid en kameraadschap moesten vergeten worden, om hen aan de gedachte te wennen, dat zij met de anderen streden om rang en om lof; zij leerden afgunstig te zijn op wie boven hen waren en te verachten wie beneden hen bleven.

En evenmin als er in heel het lange jaar iets gezegd of gedaan werd waardoor de moeielijke verwerving der wetenschap een vroolijke en broederlijke gemeenschappelijke arbeid kon worden, zoo werd er nu op het eind evenmin met een woord gesproken over de wetenschap die gelijkheid en broederzin kweekt; maar die wetenschap zelf werd integendeel gebruikt om allen precies te rangeeren en te nummeren in hoogen en lagen.

[ 161 ] Eindelijk waren de 319 lijsten voorgelezen en uitgedeeld, de rector veegde zijn geblakerd voorhoofd af en beloonde zichzelf met een half lood snuif in elk neusgat.

Daarop begon hij zijn groote rede met een vaarwel aan hen die naar de universiteit gingen,—vier lange bleeke jongelui in vier lange jassen, die er uit zagen als waren zij uit verstijfde stof geknipt.

Naardemaal de boom gekend wordt aan zijn vruchten, kon het wel een beetje vreemd schijnen dat dit groote geleerde raderwerk, met zijn vele en overvolle klassen, niet meer dan deze vier specimina aan de hooge universiteit afleverde. Maar de reis naar den Parnassus is lang en moeilijk; onderweg valt er zoo menigeen af; maar daarom zijn zij die het doel bereiken dan ook een extract van kracht.

De rector hoopte dat de vier specimina de school eer aan zouden doen; maar vóór alles bad hij hen den kinderlijken zin en het kinderlijk geloof, dat zij uit de school meenamen, toch te bewaren. Daarop ontwikkelde hij het begrip "school" en koos tot uitgangspunt de oorspronkelijke beteekenis van het woord: "een school"—zei hij —"was de naam voor die vrije plaats waar de jeugd—nog onberoerd door de zorgen des levens—"

"Een drommelsche vrije plaats!" mompelde Morten Krase, Abraham aanstootend.

[ 162 ] Maar deze verroerde zich niet en vertrok geen spier; hij was zoo bang dat iemand denken zou, dat hij niet stil zat. Abraham dacht er maar vooral aan dat hij No. 2 was geworden; zoo hoog op was hij nog nooit geweest; en intusschen ontwikkelde de rector hoe de school een voorbereiding moest zijn voor het leven, en vóór alles de weg tot zedelijkheid.

"Die uitdrukking," ging hij voort, "die bij onze oude leermeesters, de Grieken en Romeinen, de beteekenis had van het hoogste en het edelste in de beschaving, is slechts een zwak beeld van het doelwit der beschaving, dat wij voor oogen moeten hebben. Want over ons schijnt de zon der openbaring; voor ons schemert niet slechts door den mist van het aardsche leven een hooger bestaan aan de andere zijde van dat leven;—maar voor ons is er een uitzicht geopend, licht en vrij en heerlijk, op een hemelsch vaderland. Het is niet alleen tot burgers, niet alleen tot menschen, maar allereerst tot christenen, dat onze jongens gevormd moeten worden. De wetenschap moet verlicht worden door den godsdienst en al haar waarheden moeten daarin haar uitgangspunt, haar beteekenis en haar einddoel vinden."

De kleintjes zaten gebukt van slaap, van warmte en door die lange rede die even saai was als een preek. De zomerzon scheen door de dunne blauwe [ 163 ] gordijnen, zoodat er een bleekblauw, lijkachtig licht viel over de zwarte groep van docenten, die aan de linker zij van den katheder bij elkaar stonden. Het stekelvarken stond te slapen,—het was een legende in de school dat hij dit kon,—meneer Abel lorgnetteerde de dames, adjunct Borring had zich in het diepst van den hoek teruggetrokken en smachtte er naar om een veeren pen te vermaken; maar de blinde darm stond in gedachten en trok de vreeselijkste gezichten bij de christelijke rede van den rector, tot groot vermaak van zijn dierbare leerlingen.

Maar allemaal zagen zij er uit, alsof ze inwendig dat alles hartelijk moe waren en naar het eind van de komedie verlangden.

"En gij, mijn waarde medearbeiders," zei de rector met bewogen stem, "gij die u gewijd hebt aan de moeilijke maar schoone roeping om de jeugd met dien christelijken geest in te leiden bij de wetenschap en de zedelijkheid—moge de almachtige u voortaan ook sterkte geven om met denzelfden ijver, met dezelfde liefde, met denzelfden ernst uw levenstaak vol verantwoordelijkheid te volbrengen. Aanvaardt mijn dank en dien van de school voor het afgeloopen jaar, en geve God dat wij hier weer gezond en wel samen mogen komen om opnieuw de hand aan het werk te slaan, in den naam van Jezus."

[ 164 ] Daarop wendde hij zich tot de kleintjes en smeekte hen dringend om zich op alle christelijke deugden toe te leggen en in den dienst van God te arbeiden, zooals het kinderen des lichts betaamt.

Op dit punt was het dat de meeste moeders begonnen te huilen; en de goede rector sprak door over het kind, het kinderhart en het kindergeloof. Na een vurig gebed tot besluit, stond de heele school op en zong:

"Beschouw ons met een vaderoog,
Gij die een wereld scheppen kunt."—

Toen bad de rector nog een Onze Vader en hiermee was het feest eindelijk afgeloopen.

Het gedrang om er uit te komen was vreeselijk; want geen macht kon de jongens langer tegenhouden; niettegenstaande de verordening, dat de leerlingen moesten wachten tot de dames en de toehoorders de zaal verlaten hadden, om daarna in goede orde en klasse voor klasse heen te gaan, liepen er toch velen van hun plaats om zich door de dames heen te boren en te verdwijnen.

Warm en behuild kwamen de moeders eindelijk buiten; vaders waren er maar heel weinig;—het deed zoo goed om de jongelui zoo bijeen te zien en hoe heerlijk en ernstig had de rector gesproken. Hij had wel is waar één toespeling weg kunnen laten, waarmee hij op het eind voor [ 165 ] den dag kwam; dat er nog al onverschilligheid voor het werk van de school onder de ouders heerschte. Dat was dan toch in elk geval iets, wat op geen van hen allen van toepassing was; dat kon eerder gezegd worden van de ouders die niet waren opgekomen—bijvoorbeeld mevrouw Lövdahl. Dat was toch al heel gek, waar haar man zelf schoolraad was! Maar zij kwam nu eenmaal nooit waar een goed woord te hooren viel.

Kinderen en menschen stroomden naar buiten in den schoolhof; de brave jongens liepen netjes naast hun ouders met de opgevouwen lijst in de hand, anderen liepen achter het huis om en verscheurden of vertrapten de hunne; enkelen vlogen weg met een gil en een Indianensprong; maar de vier geknipte zwarte jassen volgden onmiddellijk achter het troepje docenten om een glas wijn te gaan drinken daar boven in de huiskamer van den rector.

Abraham ging met zijn vader naar huis. Professor Lövdahl was ontroerd. Terwijl zij naast elkaar liepen, zei hij: Je hebt flink opgepast, Abraham, en ik zie daaruit dat je je best doet om te verbeteren wat niet goed in je was; en daarom zullen we er niet meer over praten. Ik zal ook eens met den rector spreken, opdat hij de zaak niet meer aanroert."

Abraham vloog de kamer binnen en riep: [ 166 ] "Moeder—moeder! ik ben No. 2 geworden!"

Mevrouw Wenche kwam hem op een draf en even stralend als hij zelf tegemoet; zij pakte en kuste hem en danste met hem; en toen de professor binnen kwam met het gewone: "Bedaard—kinderen!" toen lachte zij maar, nam den arm van haar zoon en ging aan tafel.

De professor vroeg om wijn en het werd een klein familiefeest. Abraham voelde zich zoo licht als een vogel en toen de professor met hem klonk, vond hij dat zijn vader toch de grootste en heerlijkste mensch ter wereld was.

Maar vandaag voelde hij zich toch ook zooveel meer tot zijn moeder aangetrokken dan in lang het geval was geweest. Eigenlijk hield hij toch van beiden evenveel en hij zwom in gelukzaligheid; terwijl alles wat doorstaan was, slechts een duistere herinnering werd, die hij wilde vergeten en laten uitslijten.

"Nu, heb ik geen gelijk?" zei de professor toen zij vertelde waar zij geweest was, "je hebt een warme belangstelling voor die fabriek."

Zij lachte maar en sprak niet tegen; vandaag voelde zij zich zoo bijzonder licht en gelukkig.

 

 
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Vergif/VIII&oldid=49703"