Noorsche Volksvertellingen/Een nacht in Nordmarken

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het kroost der Huldren Noorsche Volksvertellingen van Peter Christen Asbjørnsen

Een nacht in Nordmarken

De koning van den Egeberg


[ 22 ]
 

EEN NACHT IN NORDMARKEN.

 

 

Een Julidag, zoo doorschijnend helder als een dag in September, een zonnestraal boven de bergen van Baerum en de dennengeur, dien ik toevallig opsnoof, deden, in 't midden van den heeten zomer en in de duffe stad, mijn' zwerflust ontwaken en mijn heimwee naar bosch en veld. Ik moest en zou naar buiten om de frissche lucht van stroomen en dennen in te ademen. Doch slechts een paar dagen stonden te mijner beschikking. Tot een' langen tocht schoot dus de tijd te kort; een uitstapje naar Nordmarken, om daar te visschen, was al wat ik me mocht veroorloven. De toebereidselen waren spoedig gemaakt; aas en vischtuig waren in orde, en na eene wandeling van weinige uren was ik den Hammer voorbij, ging langs eene berghelling naar Kamphaugen en van deze hoeve verder naar de Björnsjö-rivier. In de diepte glinsterde de baai nu en dan tusschen de stammen der boomen en de open plekken van 't bosch. De vogels zongen uit volle borst en 't werd me zoo vroolijk en vrij, nu 'k weer ademen mocht in den zoeten woudgeur. 't Gedruisch van den waterval riep mij tot zich en [ 23 ] spoedig was ik aan den mond der rivier. Hier stroomde zij helder, maar steil, over den kiezelgrond; uit eene woeste kloof, die van haar’ uitloop uit het Björnmeer af eene kwartmijl lang hare diepe bedding vormt, ijlt ze als in gevleugelde vaart in de armen der baai. Zoolang de rotswanden en torenhooge steenklompen haar beklemmen, tuimelt zij met pijlsnelle drift in den donkeren afgrond neer. Nu eens vormt zij een’ bruisenden waterval, wit van schuim; dan stuift zij met woeste sprongen hoog boven de zwarte rotsmuren uit, terwijl hare wateren in damp verdwijnen; dan weer — of hare onbesuisdheid haar rouwde — stroomt ze met donkere, loome golven voort. Maar slechts een ommezien rust zij uit, om met frissche krachten het dartel spel weer aan te vangen. En toch beteekent al haar gedruisch en gebruis in dezen tijd des jaars luttel bij ’t geen zij in ’t najaar te zien en te hooren geeft. Wanneer de dam wordt geopend; wanneer de schuimende wateren van ’t Björnmeer worden losgelaten en het gevelde hout met den stroom wordt meegevoerd, dan overtreft haar koken en bruisen elke voorstelling; het gedreun van hare watervallen is als ’t ratelen van den donder; boomen en rotsblokken sleurt zij mede en balken doet ze in stukken vliegen, als waren ’t pijpestelen.

De rotshellingen aan de oevers van den stroom heffen zich steil naar boven met hare steenblokken, hare massa’s omgewaaide stammen en hare donkere dennen, die ernstig nederzien op het wilde spel in de diepte en verfrischt worden door de dampwolken, die de waterval telkens hun in den grauwen, eerbiedwaardigen baard werpt.

En tusschen de elzen en beuken, die beneden aan den oever hunne takken boven de rivier uitbreiden, [ 24 ] ziet de visscher, die hier heen is getogen om buit, slechts eene smalle slip van den blauwen hemel, meestal nog verduisterd door de dampen, die van den waterval opstijgen en langs de helling zweven. Wie hier wil visschen, moet voor water noch rotsen vervaard zijn, want vaak is de klove zoo eng, dat de oevers verdwijnen en men den stroom moet doorwaden, en soms wordt de bedding plotseling dieper en vormt eene donkere geul met steile wanden, waarin de stroom als een schuimende waterval op den visscher aanstormt. Dan moet hij tegen de steile wanden opklauteren, tusschen steenklompen door, die dikwijls onder zijne voeten uitwijken, zoodat hij, indien hij al niet naar beneden stort, tusschen hemel en aarde zweeft en zich met de handen moet vastklemmen, die opengereten worden en bloedige sporen achterlaten op den steen, dien hij heeft aangegrepen. En kent hij niet elken steen en elken struik, dan bevindt hij zich spoedig in den wanhopigen toestand, dat hij op noch neer kan; »dat hij in den berg is geraakt," zooals ’t bij de jagers heet.

Ik sprong van den eenen steen op den anderen, terwijl de hengelroê mij tot staf en balanceerstok diende; ik waadde en klauterde en was recht vroolijk. In de heldere wielingen en onder de glasgroene golven, welke de rivier vormde op die plaatsen, waar zij met mindere woestheid voortstroomde, sprongen de jonge forellen vroolijk op en neer; in de diepe geulen schoten groote visschen als gouden strepen heen en weder, snapten ’t aas onder ’t water weg, deden ’t snoer suizend van de roede glijden en sleepten ’t mee naar het diep, waaruit ze echter spoedig naar boven getrokken en op het droge gebracht werden.

Toen ik uit de kloof trad, waar de rivier uit het [ 25 ] Björnmeer ontspringt, verwijlde ik een oogenblik op den dam. De zon neeg ter kim en haar licht speelde tusschen de boomtoppen, terwijl 't donkerblauw des hemels, de gloeiende avondwolkjes en de sombere dennen, die 't meer omsluiten, zich afspiegelden op het heldere watervlak. Insecten gonsden door de lucht en hielden hun elvendans boven 't water, waaruit, al borrelend en plassend, prachtige visschen op hen toe schoten. Boven het bosch, naar 't noorden, stond eene loodkleurige wolkbank met geelbruine randen. Lauwe luchtstroomen kwamen mij tegemoet en beklemden de borst in de eenzaamheid des wouds; in de verte klonk eene fluit, wellicht ook de echo daarvan; in de avondstilte naderden hare tonen mijn oor, zwevend, wegstervend, verlokkend en klagend tevens.

Ik ging het bosch door langs den meeroever, om te onderzoeken, of er op eene der vooruitspringende plekken ook iemand te vinden was, die mij naar Bonna zou kunnen overzetten, de eenige plaats, waar hier menschen wonen. Weldra traden twee mannen het bosch uit. 't Voorkomen des eenen hield het midden tusschen een' patriarch en een' bedelaar; hij bezat eene reusachtige gestalte, borstelige wenkbrauwen en een' langen, eerwaardigen grijzen baard. Op 't hoofd droeg hij eene blauwe wollen muts en over zijn versleten wambuis hing een zak van schapenvel, met een' rooden wollen band vastgemaakt. De ander was een visscher, dien ik reeds meermalen op mijne zwerftochten door deze streken had aangetroffen. Van ouder tot ouder had zijn geslacht hier geleefd en gearbeid; in vroegere dagen had het in eeuwigdurende veete geleefd met de »boschfinnen," die volgens de sage tot in het midden der vorige eeuw zich ophielden in verschillende [ 26 ] vlekken van Nordmarken en in de groote bosschen, die zich van hier en den Holtsfjord tot ’t Gudbrandsdal en Valders uitstrekken.

Maar de oude Elias is niet altijd visscher geweest. In zijne jeugd was hij een kloek zeeman, die evenmin een’ storm als ’t donderen der kartouwen vreesde. Hij lag voor Göteborg in 1788; hij was bootsmansmaat op de Prövest, den 2den April 1801. Hij heeft de geuren der oranjeboschjes aan de kusten der Middellandsche zee ingeademd en de palmboomen van Indië aanschouwd. In Nordmarken heet hij Elias, de visscher, of Elias, de Zweed, naar’ zijn eersten tocht. Nu is hij gebrekkig en wordt grootendeels onderhouden uit de armenkas. Maar de breede schouders en de krachtige armen tuigen nog van zijn verleden, en wanneer zijn tong los komt en hij aan ’t vertellen raakt over kapitein Larsen, zijn’ bevelhebber, over de zee, over den 2den April en zijne vischtochten in Nordmarken, dan komt er leven in die oogen, dan spant zich elke spier van dat ingevallen en behaard gelaat. Oud en jong luistert gaarne naar zijne vertellingen en Elias is overal een welkome gast, zelfs bij die kleinzielige schepselen, die hem zijn geluk bij ’t visschen misgunnen. Want vóór alles is hij met hart en ziel visscher, en zijne ervaring, zijne veeljarige kennis van de gewoonten en levenswijze der visschen in deze rivieren en wateren maken, dat zijne pogingen in den regel met een zeldzaam geluk worden bekroond. In den besten vischtijd ziet men Elias, den visscher, zelfs nu nog, in zijn vier-en-tachtigste jaar, iedere week met eene reusachtige mand vol visch op den rug naar de stad gaan. Maar één zwak heeft hij; al te vaak tracht hij de klove tusschen ’t voorheen en thans te doen verdwijnen onder de wateren der Noorsche Lethe. [ 27 ] Wanneer hij van de stad terugkeert, zijn zijne schreden wankelend en is zijn hoofd zwaar, en schoon zijne woning niet ver is — de kleine hut op een’ heuvel ter linkerzijde van den weg, even voor men aan de Skjærvenbrug in ’t Mariadal komt — gebeurt het maar al te dikwijls, dat hij aan den kant van den weg zijne slaapstee vindt.

»Welkom, mannen!" zei ik.

»Goên avond," was ’t bescheid van beiden, terwijl zij op de hengelroê leunden.

»Goên avond, Elias; moeten we elkaar al weer hier vinden?"

Ja, ’t gaat met mij als met eene donderwolk," zeide Elias, »men vindt mij altijd, waar ik ’t minst verwacht word."

»Denkt ge hier van nacht te visschen?" vroeg ik.

»Wij meenen het ten minste te probeeren," zei Elias, »’t is nog wel wat vroeg in ’t jaar, maar als er regen en wind komt, kan ’t licht meeloopen.

»Ja, dat denk ik ook, Elias."

»Hebt ge eene goede vangst gehad in de rivier?" vroeg Elias met een’ nieuwsgierigen blik op mijne vischkorf.

»Och, ik heb wel wat gevangen, maar er is niet veel bij, dat meer dan twee marken weegt," zei ik en opende het deksel.

»Er is meer dan anderhalf pond; kijk, dat is een prachtig stuk, en die ook... drommels, ’t zijn mooie visschen," zei Elias.

»Vischt hij met vliegen?" vroeg de ander.

»Jij raadt het," zei Elias, terwijl hij te vergeefs een paar malen zijne hengelroê uitwierp: »jij raadt het; ik heb naast hem gestaan aan de Hakklo en kreeg niet [ 28 ] eens tuk, terwijl hij met een halfpond ging strijken, en dat schielijk ook."

Ik vroeg, waar zijn kameraad vandaan was en vernam, dat hij zich des zomers op de bergen van Hadeland ophield. Hij moest nu naar stad om zout te koopen; maar hij zou ook graag wat brandewijn en tabak willen opdoen, en daartoe trachtte hij zich de middelen te verschaffen door de vischvangst.

Tegen ’t invallen der duisternis brak ’t onweder los; het donderde en bliksemde in de verte; de donkere wolkenmassa’s breidden zich steeds verder uit, hare omtrekken werden telkens minder scherp, en eindelijk hingen de regenwolken als een grijs gordijn boven de bergen.

Vóór onweer en regen uit streek een frissche wind over ’t water. Nu was ’t de rechte tijd om te visschen. Enkele groote visschen hapten toe en werden nu en dan gevangen, maar meestal schoten ze ’t aas voorbij.

»Zij hebben nog den rechten zin niet om toe te bijten, daarom is het zoo dikwijls mis," zeide Elias, terwijl hij bezig was een visch op ’t droge te trekken.

Bij de eerste regendroppelen sprongen de visschen slag op slag naar het aas; maar toen de bui terdege los brak en ’t aanving te hagelen en te stortregenen, was ’t geheel voorbij.

»Morgen zullen we ’t misschien beter treffen," zei de Hadelander.

»Wat dunkt je van ’t weer," zei ik na eenige oogenblikken. »Boven de bergen klaart het op."

»Als de lucht daar helder wordt, komt er nog meer regen; maar ’t kan wel een’ enkelen dag droog blijven," antwoordde de Hadelander. »Luister maar, die kerel ziet ook naar regen uit," voegde hij er bij, toen in [ 29 ] de verte een akelig geschreeuw weerklonk, juist of iemand in doodsgevaar om hulp riep.

»Is dat de nikker?" vroeg ik.

»In Jezus naam, zeg dat niet, — 't was de watervogel."[1]

Wij gaven 't visschen voorloopig op en besloten vuur aan te leggen, want we waren doornat. De oudjes zochten takken en twijgen bij een, ik verschafte vuur, en spoedig vlamde op den top des heuvels een vuur, dat, geholpen door mijne teerkost, niet naliet zijn' opwekkenden invloed op mijne genooten te openbaren door een levendig gesprek over de visscherij, de gewoonten der forellen in Nordmarken en der visschen in de rivieren van Hadeland. Elias weidde met voorliefde uit over de vischtochten, die hij in zijne jonge jaren in Nordmarken had gemaakt, als hij van eene reis tehuis was gekomen.

»Toen kon men hier nog eens visch vangen," zeide hij, terwijl hij zijn kort pijpje aanstak, »maar 't gaf ook niet zoo'n gesukkel met 't water, en 't was niet gevaarlijk, al raakten er 's nachts een paar balken uit den dam, zoodat de visch in de rivier kon komen. Ja, ja, bij den dam was 't in dien tijd eene beste plaats om te visschen, want hij stond toen voorbij de twee bergen en de diepe geul, waar ge weet, dat hij nu staat. Ik ving daar op één' nacht acht pond, en daar was er geen onder, die minder dan drie marken woog. Maar nu weten de visschen niet meer hoe ze 't hebben; nooit kunnen zij vrij hun gang gaan."

»'t Moet vast prettig geweest zijn hier te visschen in dien tijd," zeide ik, »maar 't gebeurde toch ook wel eens, dat gij slib vingt?"

[ 30 ] »Maar zelden, dat ik niets ving; iets kreeg ik altijd," antwoordde hij. »’t Is waar, éénmaal was ik bijna platzak thuis gekomen, maar toch liep ’t nog goed af. Dit ging zoo verwonderlijk toe, dat ik er nooit iets van heb begrepen. Zóó ben ik nooit weer uit visschen geweest."

»Wat gebeurde er dan?" vroeg ik.

» Vertel ons dat, Elias," zei de Hadelander; »je kunt voor ’t oogenblik niets beters doen."

»Dat geloof ik ook," zei Elias.

»’t Was in 1806. Ik lag destijds in Christiania, maar de orders waren zoo streng, dat geen matroos langer dan één’ dag verlof kon krijgen en niet verder mocht gaan dan eene halve mijl van de stad, of hij moest het kapitein Larsen melden. Ik zette mij in ’t hoofd in Nordmarken te gaan visschen, ik meldde mij aan en sneed uit met wat teerkost in den eenen en eene flesch brandewijn in den anderen zak. ’t Ging slecht. In de Björnsjö-rivier kreeg ik geen enkele maal tuk. Toen ik bij den dam kwam, lag daar eene boot; ik roeide er mee naar Smalström, maar ook daar was geen enkele visch te zien. Zoo toog ’k noordwaarts naar de Hakklo.

Onderweg ontmoette ik Per Piber, een van de beste visschers hier destijds. »Je hoeft niet verder te gaan, Elias," zei hij , »ik ben noordop naar de Katnose geweest, maar heb haast geen graatje gevangen. Kijk maar hier," zei hij en haalde zijn’ korf voor den dag. Daar zullen misschien een dozijn kleine dingen in geweest zijn, zoo lang als mijn vinger.

» Kom ik over den hond, zoo kom ik over den staart, beste Per," hernam ik en schonk hem een paar borrels. Ja, God beware me, ik nam er zelf ook een. »’t Mocht gebeuren, dat ze bij mij toehapten, al deden ze ’t niet bij jou," voegde ik er bij.

[ 31 ] » Zeker," zei Piber. Zoo scheidden wij.

Dadelijk zocht ik de diepste plaats in de Katnose op, want krijgt men daar geen tuk, dan krijgt men ’t nergens. Neen, ’t wou niet lukken. Ik maakte mij daarom een nachtleger gereed, nam nog eene teug uit de veldflesch om mij te verwarmen, en sliep een gat in den dag. Nog eens beproefde ik ’t in de Katnose, doch daar was geen visch te zien en ik moest onverrichter zake terugkeeren. Maar toen ik bij ’t wagenhuis op Sandungen kwam, zag ik daar een meertje, dat men ’t wagenhuismeertje noemde. Ik had altijd hooren vertellen, dat men daar nooit iets ving, schoon er visschen zwommen, zoo dik als balken. Maar ’t was een Huldermeertje en niemand dorst er in die dagen visschen. »Je kunt ’t probeeren, Elias," dacht ik, »misschien zal de Huldervisch toebijten, als de andere niet thuis zijn. Ik liep over den lossen veengrond heen, en wierp mijn aas uit bij de kleine beek, die naar Sandungen stroomt en wier water, wanneer de dam afgesloten is, zich onder den lossen bodem door in ’t meertje stort. Op eens beet een visch toe en schoot onder den drijvenden grond; hij leek zoo zwaar als een gebakerd wicht, en ik merkte wel, dat ’t geen forel was. Toen ik hem boven bracht, bleek ’t een baars van acht marken. Een weinig verder op zag ik eene menigte rimpels in ’t water. Daar wierp ik uit. Nauwelijks was ’t aas in het water, of een visch beet aan; maar dat gaf een gespartel en geplas van belang, en ik had heel wat te doen, voor ik hem boven kreeg. ’t Was dan ook eene forel van tusschen de zeven en acht marken, van de kostelijke soort, die men alleen bij Sandungen vindt, vet en breed, met een kleinen kop en zoo geel als was, maar over den rug donkerder dan de visch, die men [ 32 ] er gewoonlijk vangt. Ik bleef daar natuurlijk en haalde den een na den ander op, van vier, vijf, zes marken en zwaarder. Maar terwijl ik bij toeval eens omkijk, daar liggen achter mij twee prachtige visschen en een derde er dwars overheen. Ik wist niet, wat ik daarvan moest denken: of een visscher ze er had neergelegd of hoe ze er gekomen waren; ik zag toch niemand. Een eind verder, waar ik weer beweging in ’t water bespeurde, wierp ik op nieuw uit. De visschen beten toe, en spoedig had ik wel twee pond gevangen. Maar terwijl ik omzie, liggen daar alweer vijf groote, prachtige visschen achter mij. Ja, ik begreep wel volstrekt niet waar ze vandaan kwamen, maar ik nam ze toch op en legde ze in de vischben bij de drie, die ik eerst had gevonden. Doch daar verhief zich eensklaps zulk een hevige storm en ’t kletterde en kraakte zoo vreeselijk, dat ik niet anders dacht, of ’t heele bosch zou zoo aanstonds op mij neerstorten. » Neen, ’t is hier niet richtig," dacht ik, »ik zal veiliger plek moeten opzoeken," en zoo nam ik de acht visschen en legde ze op een’ boomstam naast elkander, opdat de eigenaar ze kon wegnemen, of een vogel of ander dier ze kon opeten. Ik ging naar Sandungen, dat weinige schreden verder lag. Maar eer ik hier kwam, was er geen wind meer te bespeuren, en ’t spiegelgladde watervlak weerkaatste bergen en wolken. Toen begreep ik, dat er een Hulder buiten was geweest."

Aan deze vertelling knoopte nu de Hadelander verschillende verhalen vast over Huldervijvers en wateren met dubbelen bodem, waarin de visschen den Huldren behooren en alleen op St. Jan boven mogen komen, — maar op eens brak hij zijne vertelling af met den uitroep : »In Jezus’ naam, wat is dat voor licht daar ginds? Dat ziet blauw!"

[ 33 ] Elias meende, dat het niet ver van den Smalström was.

Mij scheen ’t licht meer rood dan blauw, en ik vermoedde, zooals later ook bleek, dat een paar visschers zich daar hadden gelegerd en een vuur aangelegd. ’t Gesprek kwam naar aanleiding hiervan op schatten en schatgravers en ’t blauwe licht, dat boven verborgen schatten gezien wordt. Elias vertelde, dat zijn grootvader of overgrootvader — ik herinner mij niet meer, wie van deze twee geloofwaardige personen ’t was, maar ik geloof de eerste — een’ zilverader had gezien op den bodem van een’ helderen vloed, zoo dik als een boomstam, en hieruit ontsponnen zich verschillende vertellingen, die ik zoo goed mogelijk wil trachten weer te geven.

Zijn grootvader dan, vertelde Elias, bracht hout van Nordmarken naar ’t Sörkedal. ’t Liep reeds naar den zomer, zoodat sneeuw en ijzel verdwenen waren. Hij had zijn dochtertje bij zich. Toen zij tusschen Vindern-Saeter en Blankvandsveld gekomen waren, gleed ’t kind uit. »Kijk, vader, daar ligt nog ijzel," zei ze. Hij keek waar ze uitgegleden was, maar bemerkte aanstonds, dat ’t zilver en geen ijzel was. Hij hieuw er met de bijl in.

»Ja, je hebt gelijk, kind; ’t is zonderling, dat de ijzel ’t zoo lang kan uithouden," zeide hij en deed of hij niets merkte. Van dit oogenblik af reed hij dikwijls naar de stad en bracht dan telkens veel geld mee.

Maar als hij daarheen ging, koos hij noch ’t pad voorbij Maridalshammer, noch door ’t Sörkedal; hij ging zijn’ eigen weg, dwars door bosch en veld en over de bergen heen. Eens was hij weer in de stad en had een beetje te veel gedronken; — ’t was in de oude hoeve van Ramstad bij Graensen — daar zat hij op te snijden!

[ 34 ] »Als ik maar wou, kon ik mijne paarden wel met zilver beslaan," zei hij.

Daar zaten veel luiden en sommigen schreven die woorden op. Maar vóór bestevaar thuis kwam, was hij dood en sedert dien tijd heeft niemand een spoor van zilver gezien, schoon men in ’t omliggende veld druk ging spitten en graven.

»Ik heb hooren zeggen, dat die kerel zijn leven lang naar schatten heeft gezocht," merkte de Hadelander aan, terwijl hij een’ drogen tak op ’t vuur legde.

»Gij zoudt zeker meer van hem kunnen vertellen, als gij wildet," voegde ik er bij.

» Niemand gelooft meer aan die dingen in onze dagen," antwoordde Elias; »maar ik kan nog wel wat vertellen.

» Toen mijn grootvader nog een knaap was, ging hij met nog iemand op ’t veld aan ’t spitten; wellicht hadden ze een blauw licht gezien; misschien ook wisten ze, dat daar geld lag. Twee donderdagnachten waren ze bezig, en in dien tijd zagen ze zooveel monsters en ondieren, als ze nooit hadden vermoed dat er bestonden: beren en andere wilde beesten en ossen met groote horens en allerlei vreeselijke schepsels. De angst maakte zich van hen meester en elk oogenblik stonden ze op ’t punt het hazenpad te kiezen; toch bleven zij en hielden zich doodstil. Zoo kwam de avond van den derden donderdag; toen werd het nog veel erger. Maar zij groeven en spraken geen woord, en niet lang duurde het, of zij stieten op een’ koperen ketel. Op ’t zelfde oogenblik kwam er, snel als de wind, een wagen voorbijrijden met zes zwarte paarden bespannen. Een eind achter den wagen aan voer een oud wijf in een’ trog; haar mond ging op en neer als een ratel. »Ik neem ze [ 35 ] toch mee, ik neem ze toch mee, ik neem ze toch mee!" riep ze onophoudelijk en reed voort. »Ja, naar de hel neem-je ze meê," zei grootvader, maar op eens was ’t wijf verdwenen en de ketel met geld weggezonken.

»Een andermaal zal ik zwijgen," dacht grootvader, en ’t duurde niet lang, of hij was al weer bezig. Ditmaal was er een oud wijf, dat een’ grooten koperen ketel vol geld had gezien, terwijl zij over ’t veld ging bij Greffen in ’t kerspel van Akers. Drie dagen vóór Sint Jan ligt het geld bloot, moet ge weten, maar hij dorst er niet aankomen, omdat eene groote slang zich boven in den ketel heen en weer kronkelde. Nu waren er twee kerels uit Christiania: de een was een winkelier, die in goeden doen zat; de ander was onderofficier; dezen sloegen met grootvader de handen ineen om den ketel op te graven. Zij aan ’t spitten, — drie donderdagavonden achtereen; den derden avond stieten ze op de hengsels, dat zij ’t geld konden hooren rammelen; zij hoopten ’t dus spoedig meester te zullen worden. Maar luister nu, wat wonderlijks er gebeurde! Op eens scheen ’t den winkelier, dat zijn huis in de stad in lichterlaaie vlam stond, en schoon ’t zoo’n eind ver was — ge weet, ’t is eene halve mijl van Greffen af — verbeeldde hij zich duidelijk te zien, dat zijne vrouw midden in de vlammen stond met een kind in de armen. »Nu wordt ’t voor mij tijd om te vertrekken," zeide hij, wierp zijne spade neer en wilde heensnellen; maar op eens was de vlam verdwenen en met haar ’t geld; de ketel was weggezonken.

Maar, zooals ik zei, ’t was een kerel, mijn grootvader, voor geen klein geruchtje vervaard! Ten slotte ging hij op zekeren donderdagavond geheel alleen naar eene plek, waar hij wist dat geld verborgen lag. Hij [ 36 ] groef den ganschen avond en den volgenden donderdag ook; niemand dorst hem ergens naar vragen, zoo ontzettend barsch keek hij elkeen aan. Maar den derden donderdag, te middernacht, schoot er een razende stier uit de groeve, met lange horens, waarmee ’t dier hem scheen te willen doorboren. Hij greep den stier bij de horens, en zóó bleef hij staan, tot de zon onderging. Toen was de stier in een’ grooten ketel vol geld veranderd, en de horens, die hij in de hand hield, waren de hengsels."

»Ik hoor niet graag zoo’n vertelling," zei de Hadelander, »vooral in dezen tijd niet, nu een goed christenmensch zooveel moeite heeft een’ enkelen schelling te verdienen. Want dit geloof ik vast: wie nog aan zijn’ catechismus en onzen Lieven Heer gelooft, zal nimmer een’ schat vinden."

»Naar ’t geen ge van uw grootvader hebt verteld, Elias, zou men niet vermoeden, dat ge elke week naar stad behoefdet te gaan om visch te verkoopen," merkte ik op.

»Wat dat betreft," antwoordde Elias, »God moge mij zoo zeker genadig zijn, als mijn vader niets anders ten erf kreeg dan armoê: ’t zij, dat mijn grootvader alles had doorgebracht wat hij had gevonden, ’t zij, dat hem alles weer was ontnomen door degenen, die ’t hem hadden gegeven. En mijne heele erfenis bestond uit eene linnen buis en een’ houten lepel."

»’t Is zooals ik zeg," zei de Hadelander, »daar is geen zegen bij zulk geld; ’t vliegt even snel heen als ’t water in den val."

Intusschen scheen de slaap zijne rechten te willen doen gelden en het gesprek begon nu en dan te haperen. Maar in den toestand, waarin wij verkeerden: droog [ 37 ] aan de zijde, die naar ’t vuur was gekeerd, en doornat aan de andere, achtte ik ’t minder raadzaam mij aan den slaap over te geven, waaruit wij stellig klappertandend van koude en met verstijfde leden zouden ontwaken. Ik schonk daarom mijn’ gezellen nog een borrel, stak mijn pijpje aan en noodigde hen uit, den slaap te verdrijven door nog ’t een of ander te vertellen. Elias gaf daarop verscheiden histories ten beste. Hij verhaalde, hoe een nikker in den ouden tijd op Sandungen had gewoond; — men kon nog de bloedvlekken in den stal zien, nadat hij op zekeren nacht den schimmel van Paul Sandungen had gedood; — hoe de oude Jo Hakklo een dienstmeisje had gehad, dat ook bij de Huldren in dienst was; hoe Lukas Finne, die op Fortjernbraaten woonde, de kunst verstond om zijn vee voor alle aanvallen van booze geesten te bewaren, zoodat er nooit een enkel stuk gedood of geroofd werd — en nog veel meer dingen, die in Nordmarken waren geschied.

Eindelijk begon ook de Hadelander te verhalen van ’t geen zijn’ verwanten en vrienden gebeurd was. Daar was een eigenaardig pathos in zijne manier van vertellen, die ’t vergeefs zou zijn hier te willen weergeven. Het stellig geloof aan ’t bestaan der natuurmachten waarvan hij verhaalde, zette zijn’ vertellingen eene bijzondere aantrekkelijkheid bij, die nog vergroot werd, zoowel door den diepen bastoon zijner stem als door zijne sleepende maar geregelde voordracht.

»In den tijd, toen onze soldaten in Holstein lagen," — zoo begon hij — » die tijd heugt je nog wel, Elias? was mijn oom, die op Ringerike woonde, met eenige anderen in ’t bosch. Zij waren ten zuiden van den weg bij de berghutten bezig met hout te vellen voor de kolenbranders. ’s Avonds bereidden zij zich een nachtleger op eene [ 38 ] beschutte plek aan de berghelling. Maar nauwelijks zijn ze daar ingeslapen, of zij hooren ’t gekrijt van een wicht. Mijn oom keek op, en op eene bergspits tegenover hen zat eene Hulder met een schreiend kind; de moeder zong ’t allerlei liedjes voor en trachtte het zoo goed mogelijk tot bedaren te brengen.

»Waarom zit gij daar?" vroeg mijn oom.

»Ach, mijn man is weg," antwoordde zij, »en nu meende ik niet beter te kunnen doen, dan hierheen te komen en mijne toevlucht tot u te nemen."

»Waar is uw man dan?" vroeg de ander.

»Hij is ten oorlog getrokken met de andere soldaten," antwoordde de Hulder.

Maar ’t kind begon al heftiger te schreien en kreet en schreeuwde en gilde, dat ’t onmogelijk was een oog toe te doen. Dat leek mijn oom al te gek, hij werd boos, stoof op, nam het eene stuk brandhout na het ander en slingerde het naar de Hulder met haar kind. Toen verdween ze, maar op alle toppen en hoogten hoorde men een akelig gegil en gelach, en eene stem weerklonk: »Dat was nu de hulp, die de menschen u schonken, Gyri Haugen!"

»Maar nu zal ik u wat vertellen, dat een’ mijner kennissen op Ringerike gebeurde," zei de Hadelander.

»Hij was molenaar te Vial en heette Peter Pauwelsen; later werd hij meesterknecht op den molen in Vasdraget Vaela, aan ’t eind van ’t Aadal.

Vaak zwierf hij rond in ’t gebergte om te visschen, en zoo bevond hij zich op zekeren avond bij ’t Buttenmeertje aan den voet van den Hofsæterberg tusschen ’t bosch van Marigaard en Bergermoen. Daar maakte hij zich eene legerstee, legde zich neder en sliep den ganschen nacht. Anderhalf jaar later was hij daar weer om [ 39 ] te visschen. 's Nachts kwam er een vrouwelijk wezen tot hem met een klein kind op den arm.

»Daar hebt ge uw kind, Peter," zeide zij.

»Mijn kind? Dat zou wat moois worden! Hoe zou ik aan dat kind komen?" vroeg Peter Pauwelsen.

»U heugt toch nog wel de vorige maal, toen ge hier waart, anderhalf jaar geleden?" zeide de Hulder.

Hij vertelde echter aan niemand iets hiervan, maar jaren daarna—hij placht 's zomers altijd in 't gebergte te visschen en altijd liep dezelfde Hulder hem na—verhaalde hij aan menigeen, dat hij eene dochter had onder de Huldren, die al zoo oud was als de kinderen, die hun' catechismus leeren. Mij heeft hij 't nooit verteld, schoon ik hem heel goed heb gekend; maar ik heb 't gehoord van iemand, wien hij 't zelf had gezegd. Eens was de Hulder weer bij hem gekomen en had hem gevraagd, of hij zijne dochter wilde zien. Toen had zij eene deur in den berg geopend, en daar binnen was alles van zilver, wat men zag. Ja, nu en dan nam Peter Pauwelsen anderen met zich naar 't gebergte en dan zagen zij de beide Huldren aan den overkant van 't Buttenmeertje bezig met visschen. En in dit meer ving Peter ook de meeste visch, terwijl niemand anders er zoo gelukkig was. Maar eens, terwijl hij zich daar weer bevond, hoorde hij eene stem: »Gij kunt wel naar huis gaan, Peter; wij hebben zelf de visch noodig, want er is gebrek in den berg." Op zekeren dag ging een man, Halvor van Marigaard, met hem mede. Peter had hem beloofd, dat hij de Hulder zou zien. Toen Halvor haar echter met hare kudde hoorde naderen, werd hij zoo bevreesd, dat hij hard wilde wegloopen. Maar Peter verzocht hem te blijven en zich stil te houden; dan zou hem niets deren. En toen zagen zij ook werkelijk hoe de [ 40 ] Hulder haar vee voor zich uitdreef. Zij zagen ’t duidelijk, alle twee!

Elias luisterde niet meer naar die verhalen; hij sliep als eene roos op de harde rots en snorkte, dat het door ’t bosch weerklonk.

»Hij slaapt al," zei de Hadelander; »maar nu zal ik u eene historie vertellen, die me al heel wonderbaar lijkt. We kunnen intusschen wel wat gemakkelijker gaan liggen, anders zijn we tegen den morgen heelemaal verstijfd.

»Er was eens een boer, die in Thelemarken woonde, waar mijn vader vandaan kwam en eene groote hoeve bezat. Maar die man was heel ongelukkig met zijn vee, telkens verloor hij beesten aan allerlei ziekten en kwalen en eindelijk moest hij huis en hof verkoopen. Slechts weinig hield hij over, en daarvoor kocht hij eene kleine plaats, in een afgelegen oord, ver van de stad, bij dichte bosschen en woestenijen. Op zekeren dag toen hij zijn erf rondging, ontmoette hij een’ man.

»Goeden dag, buur," zei de man.

»Goeden dag," zeide de boer, »zijt gij mijn gebuur? Ik meende, dat ik hier alleen woonde."

»Daar ginds ziet ge mijne hoeve," zeide de man, »die is niet zoo ver van de uwe." En zie, daar lag ook werkelijk eene hoeve, die hij nooit te voren had opgemerkt, groot en fraai en nieuw gebouwd. Toen begreep onze man, dat hij met een’ aardgeest te doen had, maar ’t vervaardde hem niet, hij verzocht den buurman binnen te komen en eene kroes bier met hem te drinken, en deze liet zich ’t brouwsel wel smaken.

»Hoor eens," sprak de buurman, »in één ding moest gij mijn’ zin doen."

»Laat mij eerst hooren, wat gij wenscht," zei de boer.

[ 41 ] »Gij moet uw’ koestal afbreken, want die staat mij in den weg," antwoordde de buurman.

»Neen, dat doe ik niet," zei de boer. »Ik heb hem dezen zomer pas gebouwd en nu komt de winter aan. Waar moest ik dan mijn vee bergen?"

»Ja, doe wat ge wilt, maar breekt gij den stal niet af, dan vrees ik, dat ’t u nog eens zal rouwen," zeide de buurman. En met ging hij heen.

Onze man zag hem verbaasd na en wist niet, wat hij zou doen. Een’ nieuwen stal tegen ’t begin van den winter af te breken, leek hem al te dwaas, en waar zou hij hulp vandaan krijgen?

Een dag of wat later stond hij in den koestal en—daar zonk hij op eens door den vloer in de diepte. Op de plaats, waar hij terecht kwam, zag ’t er wondermooi uit. Alles was van goud en zilver. Eensklaps stond de man, die zich zijn’ buurman had genoemd, voor hem en verzocht hem te gaan zitten. Weldra werden er spijzen in zilveren vaten en bier in zilveren kroezen binnen gebracht en de boer werd uitgenoodigd toe te tasten. Hij dorst natuurlijk niet weigeren en zette zich aan tafel, maar op ’t zelfde oogenblik, dat hij den lepel in den schotel wou steken, viel er iets van boven neer in de spijs, dat hem allen eetlust benam.

»Ja," zeide de Hulderman, »nu kunt gij eens zien, hoe vriendelijk uwe koeien voor ons zijn. Nooit kunnen wij rustig eten, want telkens als we aan tafel zitten, komt er ontuig van boven, en als we dan niet heelemaal uitgehongerd zijn, is onze eetlust voor goed verdwenen. Maar wilt ge mij nu gehoorzamen en uw’ stal naar eene andere plek brengen, dan zal ’t u nooit aan iets ontbreken. Weigert gij echter, dan zult ge, uw leven lang, niets ondervinden dan ramp en onspoed.

[ 42 ] Toen de boer dit gehoord had, was hij spoedig bezig met den stal omver te halen en hem op eene andere plaats weer op te bouwen. Maar hij behoefde dit niet alleen te doen, want des nachts, als alles sliep, werd er even druk getimmerd als des daags, en hij begreep zeer goed, dat niemand anders dan zijn buurman hem zoo goed bijstond. Ook later rouwde ’t hem volstrekt niet, dat hij den Hulder had gehoorzaamd; want altijd had hij voeder en koren in overvloed en zijn vee gedijde uitstekend. Eens—’t was toen een zeer onvruchtbaar jaar—had hij zoo weinig voeder, dat hij er ernstig aan dacht, de helft van zijn vee te verkoopen of te slachten. Maar op zekeren morgen, toen de meid in den stal kwam, was de hond verdwenen en alle koeien en al ’t jonge vee met hem. Gij kunt denken, hoe zij schrok en hoe snel ze naar haar meester liep om het te vertellen. Doch deze vermoedde dadelijk, dat zijn buurman ’t vee in den kost had genomen. En zoo was ’t ook, want toen ’t voorjaar aankwam en ’t weer groen werd in ’t bosch, hoorde men op zekeren morgen den hond vroolijk blaffende van den boschkant naderen, en achter hem aan kwam al ’t vee, oud en jong, en ’t was een lust op te merken, hoe flink ’t er uitzag."

—————

Bij ’t schijnsel van ’t vuur legden we ons ter ruste en genoten een paar uur lang een’ verkwikkenden slaap op de naakte rots. Toen de dageraad over de bergen aanbrak, voeren we reeds rond op ’t meer. Want de Hadelander, die de onzekere kans op eene voordeelige vangst had opgegeven, om mij behulpzaam te zijn en korf en vischtuig voor mij te dragen, had den ouden [ 43 ] Christiaan Hakklo met zijne boot gehaald. Wij roeiden over 't Björnmeer en ik vischte in den Smalström en de Hakklo. 't Weer was ons gunstig, want zonneschijn en regen wisselden elkander af. Eerst laat in den avond kwam ik in de stad terug met de vischkorf vol forellen en 't hoofd vol histories.



  1. Colymbus septentrionalis.