De voeding der planten (1886)/VII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
VI De voeding der planten van Hugo de Vries

VII. De leer der bemesting.

VIII


[ 166 ]
 

DE LEER DER BEMESTING.


 

In onze voorgaande hoofdstukken hebben wij de voornaamste stoffen besproken, die in het plantenlichaam een belangrijke rol spelen, en de bronnen nagegaan, uit welke de planten deze stoffen putten. Wij hebben daarbij voornamelijk de wetenschappelijke zijde van de te behandelen vragen op den voorgrond gesteld, en slechts van tijd tot tijd deze beschouwingswijze verlaten, om dáár waar praktische quaestiën in nauw verband stonden met onze onderwerpen, ook aan deze voor korte oogenblikken onze aandacht te wijden. Er blijft ons thans voor de beschouwing, die wij nog aan de algemeene verschijnselen van de voeding der planten willen wijden, een onderwerp over van zoo overwegend praktisch belang, dat wij het niet geheel met stilzwijgen mogen voorbijgaan. Ik bedoel de leer der bemesting, zoowel van die van uitgestrekte landerijen, als van de meer in het klein plaats vindende, doch jaarom juist met te meer zorg behandelde vruchtbaarmaking van den grond van bloem- en moestuinen. Doch ook hier wensch ik zooveel mogelijk het wetenschappelijke standpunt te behouden, dat wij tot nog toe bij onze beschouwingen innamen. Aan andere meer uitgebreide verhandelingen moge het overgelaten blijven praktische wenken voor bijzondere gevallen te geven, aan te wijzen welke plantensoorten op dezen, welke op genen bodem den grootsten oogst opleveren, of de keus der meststoffen voor bepaalde cultuurplanten en bepaalde grondsoorten te bepalen. Hier is [ 167 ] het ons te doen om een algemeen inzicht te verkrijgen in de voornaamste verschijnselen, het algemeene van het bijzondere te schiften, en dit laatste slechts te gebruiken als voorbeeld van de algemeene wetten en regels, zonder door een te groote opeenstapeling van afzonderlijke feiten, het juiste inzicht in de hoofdzaken moeilijker te maken.

Het moet echter voor een ieder duidelijk zijn, dat deze methode van behandeling wel dààr met goed gevolg in toepassing kan gebracht worden, waar de kennis van de verschijnselen, ten minste in hoofdzaken, volledig is, dat zij echter in die gevallen, waar ons nog verscheiden zaken duister zijn, wier kennis voor een volkomen juist inzicht vereischt wordt, slechts met moeite en met omzichtigheid kan worden doorgevoerd. In zulken toestand bevindt zich nu het onderdeel onzer wetenschap, dat wij op de volgende bladzijden moeten bespreken, en ik meen daarom aan mijne lezers geen ondienst te doen, zoo ik uit het voorhanden materiaal een eenigszins willekeurige keuze doe en hun slechts die zaken voordraag, welke tot een duidelijk algemeen inzicht kunnen lijden, zonder er daarbij waarde aan te hechten, of de medegedeelde regels aan uitzonderingen onderhevig zijn, of dat voor een toepassing op enkele afwijkende gevallen de gegeven voorstelling wijzigingen zou moeten ondergaan. Van de behandeling van al deze bijzondere gevallen moet ik hier afzien, daar zij geheel buiten mijn tegenwoordig doel gelegen zijn.

Het zij mij veroorloofd, vóór dat ik tot mijn eigenlijk onderwerp overga, in korte trekken eenige hoofdpunten uit de uitkomsten van onze vorige beschouwingen te recapituleeren, daar deze voor de tegenwoordige het noodzakelijke uitgangspunt vormen. Ik beperk mij daarbij tot de groene landplanten, daar zoowel de watergewassen alsook de woeker- en afvalplanten geen deel van onze beschouwingen zullen uitmaken. Onder de stoffen, die aan de samenstelling van het plantenlichaam deel nemen, komt aan het water de eerste plaats toe, zoowel wat de belangrijkheid van zijn rol, als vooral wat zijn hoeveelheid betreft. Zonder water is geen verrichting van het leven denkbaar; voor alle bewegingen, zoowel die van den [ 168 ] groei als de verplaatsing van voedingsstoffen en voor elke andere groote of kleine beweging die bij een levensfunctie wordt waargenomen, is water een onmisbare voorwaarde. De overige bestanddeelen der plant zijn deels organische, deels anorganische, die overal, en zoover men weet, onafscheidelijk aan elkander verbonden, in het plantenrijk voorkomen. De anorganische stoffen worden als zoodanig door de wortels uit den grond opgenomen, hetzij zij daar in dezelfde verbindingen voorkomen als in de plant, hetzij zij in andere, eveneens opneembare verbindingen worden aangetroffen. De organische worden door groene landplanten niet als zoodanig opgenomen, maar worden in het plantenlichaam uit anorganische stoffen voortgebracht. Dit proces, dat wij onder den naam van koolzuurontleding leerden kennen, geschiedt in de bladgroenkorrels, welke in de cellen der bladen en der groene stengeldeelen gelegen zijn. De anorganische materialen zijn het koolzuurgas der lucht en het water; deze worden onder den invloed van het licht en de groene kleurstof omgezet in een organische verbinding: het zetmeel. De daarbij vrij wordende zuurstof verlaat de plant en vermengt zich met de buitenlucht. Het zetmeel is bij verreweg de meeste planten de eerste vorm, waaronder de organische stof in de plant voor ons oog waarneembaar optreedt; het is het product der koolzuur-ontleding. Door omzettingen en veranderingen van dit zetmeel, door verbinding er van met verschillende andere stoffen, worden de tallooze organische stoffen gemaakt, die in het plantenrijk voorkomen. Wel is waar, is dit nog niet voor alle bewezen, doch uit al wat men omtrent deze verschijnselen weet, mag men deze gevolgtrekking als hoogst waarschijnlijk afleiden, zelfs voor die stoffen, die, zooals het eiwit, in hooge mate in samenstelling van zetmeel afwijken. Koolzuur en water zijn dus onmisbare voorwaarden voor het plantenleven, en daar in de eiwitachtige lichamen daarenboven nog stikstof en zwavel voorkomen, welke door de plant als ammoniakzouten of als salpeterzure zouten en als zwavelzure zouten worden opgenomen, zoo moeten ook deze verbindingen als onmisbaar beschouwd worden.

[ 169 ] Voor het plantenleven zijn dus drie groepen van anorganische verbindingen noodig: 1°. het water, 2°. die, welke de elementen der organische stoffen leveren, 3°. die, welke de elementen der anorganische stoffen in zich bevatten. Sommige van deze worden in de lucht aangetroffen, door welke tevens de voor de ademhaling onontbeerlijke zuurstof worden aangevoerd. Het zijn het koolzuur en in geringer hoeveelheid het ammoniakgas. De overige moeten echter in den grond aanwezig zijn, zal deze werkelijk het plantenleven kunnen onderhouden. Om later te vermelden redenen is echter ook de aanwezigheid van koolzuur en ammoniak in den bodem noodig. Men kan echter gemakkelijk inzien, dat de aanwezigheid van al deze stoffen op zich zelve nog niet voldoende is; zij moeten ook in zoodanigen toestand worden aangetroffen, dat zij door de wortels der planten kunnen worden opgezogen. Het spreekt van zelf dat ook de hoeveelheid, waarin zij voorkomen, bij de beoordeeling van een grondsoort in aanmerking komt. Een vruchtbare aarde moet dus alle voor het plantenleven noodzakelijke stoffen in genoegzame hoeveelheid en in opneembaren vorm in zich bevatten. Deze stelling kan als de hoofdregel beschouwd worden, waarom elke beoordeeling van de vruchtbaarheid van een bodem en dus ook de geheele leer der bemesting draait. Ter wille van de volledigheid is het wellicht goed op te merken, dat de doordringbaarheid van den grond voor de lucht, die de zuurstof aan de wortels moet toevoeren en eveneens de gelegenheid tot afvoer van het staande water met hetzelfde doel, buiten de beschouwing blijft; iets wat te minder schaadt, daar wij hierover in ons eerste hoofdstuk reeds het noodige hebben medegedeeld. In hetgeen nu volgt gaan wij van de onderstelling uit, dat aan deze beide voorwaarden steeds genoegzaam voldaan zij.

Voordat wij tot de beoordeeling van de vruchtbaarheid van een grondsoort kunnen overgaan, is het natuurlijk noodzakelijk ons allereerst van de samenstelling en den bouw van den bodem onzer bouwlanden en tuinen een juiste voorstelling te maken. Deze kennis toch is voor de beoordeeling van de waarde van een grondsoort van groot gewicht, ja zelfs van veel meer [ 170 ] lang, dan b.v. de nauwkeurige kennis van hare scheikundige samenstelling zoude zijn. De laatste toch leert ons wel de aanwezige stoffen kennen, maar laat het onbeslist, of zij in opneembaren of in onoplosbaren toestand daarin voorkomen.

Wanneer wij een zandgrond, b.v. het zand onzer duinen, of dat van de op voormalige heidevelden aangelegde korenvelden, in water goed omroeren, zoo wordt het water troebel en zoo wij nu deze troebele vloeistof van het bezonkene zand afgieten en in een ander vat overgieten en daar in rust laten, zoo zet zich daaruit langzamerhand een laagje slib af, dat na droging gemakkelijk tot een uiterst fijn poeder gewreven kan worden. Dit slib noemt men klei; de zandgrond is dus een mengse van zand en klei. Wasschen wij het zand met veel water uit, zoo kunnen wij al de klei er uit verwijderen en houden het zuivere zand over, dat dan uit kleine, ronde korreltjes bestaat, die meestal met het bloote oog, soms echter slechts met een loupe, goed te onderscheiden zijn. Onderwerpen wij een kleigrond aan dezelfde bewerking en kiezen wij daartoe b.v. de klei, die langs de oevers onzer rivieren de bovenste dunne laag van de aardschors uitmaakt en aan die streken hare bekende vruchtbaarheid, vooral voor graangewassen, verleent. Bij het roeren van deze in water, nemen wij dezelfde splitsing waar, met dit onderscheid, dat er hier veel meer slib opgenomen wordt en slechts een geringe hoeveelheid zand terstond bezinkt. Een leembodem zou behalve deze twee deelen nog een derde vertoonen, namelijk hoekige steenbrokjes, die van verschillende grootte zijn, doch meestal iets grooter dan de zandkorrels. Grootere en kleinere steenbrokken komen in de meeste grondsoorten voor en worden vooral in het zand onzer heidevelden in groote hoeveelheid waargenomen. Al deze deelen, van de groote steenen en het grind af, tot de fijne bijna onzichtbaar kleine korreltjes van de klei, zijn van anorganische natuur. Behalve deze komen er echter in elken bodem, die van plantengroei niet geheel ontbloot is, nog overblijfsels dezer planten voor, die uit organische verbindingen bestaan en onder de inwerking van lucht en water voortdurende veranderingen ondergaan. Aan de aanwezigheid van deze verrotte en half [ 171 ] vergane plantendeelen heeft de bovenste laag van den grond onzer heidevelden en duinen die donkere, soms meer grijze, soms bijna zwarte kleur te danken, die haar zoo scherp van het er onder liggende heldere, lichtgele zand onderscheidt. Gelijk iedereen weet, wordt de dikte van deze korst bepaald door de diepte, tot op welke de wortels der meest algemeene daar groeiende plantensoorten in den bodem indringen. Dat zulk een donkere korst op onze bouwlanden niet eveneens aangetroffen wordt, moet eenvoudig aan het omploegen en de verdere bewerkingen van den grond worden toegeschreven. De organische overblijfsels van de plantenwortels komen ook in dezen voor, maar worden door de bedoelde bewerkingen meer met den bodem vermengd. De fijnverdeelde, halfvergane plantenoverblijfsels in den grond vormen datgene, wat men gewoon is humus te noemen. In zuiveren toestand, d.i. niet vermengd met klei of zand, is deze stof in den tuinbouw als bladaarde bekend, die, gelijk men weet, uit afgevallen bladeren onder den invloed van vochtige lucht ontstaat en verkregen wordt. In groote hoeveelheid met zand of klei vermengd, komt deze humus in de gewone tuinaarde voor, waaraan de grijsachtig zwarte kleur van deze te danken is. Voor sommige doeleinden is een bepaald mengsel van zandgrond en humus noodig, zoo b.v. voor de cultuur van bloembollen. In de omstreken van Haarlem, waar deze cultuur in het groot gedreven wordt, wordt de grond daartoe bereid door vermenging van duinzand met veengrond, welke laatste onder deze omstandigheden spoedig door de zuurstof der lucht aangetast wordt en zoo den gewenschten humus levert.

Naast de opgenoemde grondsoorten mogen wij niet verzuimen nog het kalkzand te vermelden. Dit vertoont bij omroering met water dezelfde troebeling als gewoon zand, doch de samenstelling zijner korrels in een geheel andere. Het meest valt dit onderscheid in 't oog, zoo men de met water afgewasschen en dus van slib bevrijde korrels met een verdunde oplossing van gewoon zoutzuur behandelt. Op het zand onzer duinen en heidevelden heeft dit zoo goed als geen invloed, hoogstens lost het enkele kleine kalkstukjes er uit op; het kalkzand lost [ 172 ] er echter geheel of grootendeels in op, terwijl een groote hoeveelheid ontwijkende gasbellen op de afscheiding van koolzuur wijzen. Is de werking van het zuur opgehouden, dan is al de kalk opgelost, terwijl de overblijvende stukjes in samenstelling met gewoon zand, zoogenoemd kiezelzand of kwartszand, overeenkomen. Landstreken, wier bodem uit dit kalkzand bestaat, kenmerken zich dikwijls door de helder witte of grijze kleur van den grond, een eigenschap die vooral bij het stof, dat de wegen bedekt, zeer sterk in het oog loopt.

Klei, zand, kleinere en grootere steenstukken en grind, verder kalkzand (koolzure kalk) in grootere en kleinere korrels en humus zijn dus de voornaamste vaste bestanddeelen van den bodem, met welke niet zelden ijzerroest (ijzeroxyde) en enkele andere stoffen, ofschoon meest in geringe hoeveelheid, vermengd zijn. Zeer zelden bestaat een grondsoort zuiver uit één dezer bestanddeelen, meestal is zij een mengsel van twee of meer der genoemde stoffen en draagt dan haar naam naar die, welke er in de grootste hoeveelheid in voorkomt. Gelijk men uit de voorgaande mededeelingen ziet, is het niet moeilijk de samenstelling van een grondsoort te leeren kennen; een loupe tot onderscheiding der fijne korrels, zoutzuur tot herkenning der kalk en hoogstens nog het gloeien tot verwijdering van den humus, zijn in het algemeen voldoende hulpmiddelen.

Behalve deze vaste stoffen komen in elken vruchtbaren of ten minste plantendragenden bodem nog een aantal andere verbindingen voor, die door de planten kunnen worden opgenomen. Behandelt men de grondsoort met veel water, dat door toevoeging van een zuur zwak zuur gemaakt is, zoo gaan deze stoffen langzamerhand in oplossing in het water over en kunnen dus na volledige bezinking van zand en slib afgescheiden worden. Op deze wijze komt men tot de kennis van een aantal stoffen in den bodem, waarvan de voornaamste kali, natron, ammoniak, kalk, magnesia en ijzeroxyde zijn, die echter niet vrij, doch in verbinding met zuren, worden aangetroffen. Onder deze zuren behooren phosphorzuur, kiezelzuur, zwavelzuur, salpeterzuur, zoutzuur en vooral koolzuur genoemd [ 173 ] te worden. Al deze stoffen spelen bij de voeding der planten een rol, gelijk uit een vergelijking met de opgaven in ons vorige hoofdstuk kan blijken. Behalve deze komen niet zelden nog organische zuren in het waschwater onzer proef voor, die van den humus afkomstig zijn en daarom veelal humuszuren genoemd worden. Verder zijn een aantal andere deels onverschillige, deels zelfs schadelijke stoffen in verschillende grondsoorten aangetroffen; hare opnoeming zou te dezer plaatse echter weinig nut hebben.

Aan den eigenaardigen toestand, waarin zich deze oplosbare bestanddeelen bevinden, moeten wij thans voor eenigen tijd hoofdzakelijk onze aandacht wijden.

Op een vruchtbaar land vormt de aarde een poreuse massa, in welke de tusschenruimten tusschen de zandkorreltjes, de fijne kleideeltjes, de overblijfselen der planten en de overige vaste deelen, worden ingenomen door lucht. Voor den groei der wortels zijn deze luchthoudende poriën noodzakelijk, daar de vrije beweging van de lucht daarin aan de wortels de voor de ademhaling noodige zuurstof toevoert. Staat op een bouwland het grondwater tot dicht onder de oppervlakte, zoo sterven de wortels in dit water af, daar zij geen genoegzame hoeveelheid zuurstof kunnen opnemen, een gevaar, dat men steeds door draineeren of door andere middelen tracht te voorkomen. In normalen toestand bevat dus de grond tot op eenigen afstand onder de wortels, en wel gewoonlijk tot op groote diepte, in zijne poriën geen staand water, doch lucht, en zoo de natuur dezen toestand niet van zelf geeft, tracht men zich dien door de kunst te verzekeren. Zoo dikwijls het nu regent en de fijne poriën der bovenste aardlaag zich met water vullen, zakt dit langzamerhand in den ondergrond weg en er blijft slechts zooveel achter, als, om het zoo eens uit te drukken, aan de oppervlakte der korrels en in de allerfijnste tusschenruimten der kleine vaste deeltjes, hangen blijft. Dit water is het, dat door de wortels kan worden opgezogen en dat in regel in zoo groote hoeveelheid in deze poriën achterblijft, dat het langen tijd aan de behoeften der planten voldoen kan. Is deze voorraad na een langen tijd van droogte opgebruikt, [ 174 ] zoo verraadt zich dit spoedig door het fletsch worden van de bladen en de jeugdige stengeldeelen der planten. In dit water is het tevens dat de boven besprokene oplosbare bestanddeelen van den grond werkelijk opgelost en in dien toestand gebracht worden, waarin zij door de planten kunnen worden opgenomen.

Wat zal er nu met deze opgeloste stoffen gebeuren, zoo een zware stortregen alle poriën van den grond met water vult en dit water daarna langzamerhand wegzakt in den ondergrond, die voor de plantenwortels niet meer bereikbaar is? Op het eerste gezicht zou men allicht meenen, dat dit regenwater zich met het vooraf in den grond aanwezige moet vermengen en daaruit de opgeloste stoffen grootendeels overnemen. Bij zijn verdwijnen in den ondergrond zou het deze medevoeren en de bovenste aardlaag er dus van berooven. En zoo dit zich bij elken regen herhaalde, zou de bovenlaag weldra als het ware uitgewasschen en leeggespoeld zijn en geen oplosbare bestanddeelen meer bevatten. Zetten wij deze redeneering verder voort, dan komen wij tot de conclusie, dat regens na verloop van tijd de bovenlaag der aarde, d.i. die laag waarin zich de wortels der planten bevinden, zouden berooven van al die stoffen, die juist door de wortels moeten worden opgenomen en dus, m.a.w. dat zij weldra een streek onvruchtbaar zouden moeten maken. De dagelijksche waarneming van alle, niet door den mensch bebouwde en toch rijkelijk met planten begroeide streken, leert ons het tegendeel, en er moet dus in onze redeneering een fout schuilen, die slechts daarin liggen kan, dat wij ten onrechte aannamen, dat het regenwater de oplosbare stoffen met zich in den ondergrond voert. M.a.w. bewijst ons het feit, dat de bovenlaag der aarde bij voortduring in staat is aan de wortels de noodige oplosbare bestanddeelen aan te bieden, dat deze aardlaag het vermogen bezit deze stoffen tegen de uitspoelende werking van regenwater in zich vast te houden.

Een gemakkelijk middel om ons rechtstreeks van de juistheid van deze conclusie te overtuigen, leveren de draineerbuizen. Het water toch, dat in deze wegloopt, is door de [ 175 ] bovenste aardlaag heengedrongen, voor dat het de buizen bereikte. Onderzoekt met het scheikundig, zoo blijkt het uit den bodem slechts zeer geringe hoeveelheden van diens oplosbare bestanddeelen opgenomen te hebben. Men kan deze proef ook in 't klein herhalen. Hiertoe brengt men in een trechter een stuk filtreerpapier, zoo gevouwen, dat het in den vorm van een wijd peperhuis juist in den trechter past, en daarbij noch van onderen, noch aan de zijden eenige zichtbare opening heeft. Men zet nu den trechter met de buis verticaal, b.v. in den hals van een leege flesch, of hangt hem op een of andere wijze in dien zelfden stand boven een glas of bakje op. Giet men den trechter vol water, zoo loopt dit door de onzichtbaar fijne poriën van het filtreerpapier in de buis, en valt in het bakje er onder. Neemt men in plaats van zuiver water een oplossing van eenig zout, of van suiker, of van kleurstoffen, zoo loopt de vloeistof er steeds onveranderd door. Vult men nu den trechter b.v. ter halver hoogte met tuinaarde, en giet men nu weer water op, dan zal men het afloopende water kunnen onderzoeken, en nagaan of dit de zouten uit den grond heeft opgenomen. Even als in het water der draineerbuizen treft men ook hier slechts geringe hoeveelheden dier stoffen in het doorgefiltreerde water aan.

Al deze feiten bewijzen ons dus, dat aarde het vermogen bezit de voor het plantenleven noodige stoffen in zich vast te houden, en ze niet aan doorsijpelend water af te geven. Deze eigenschap, die behalve aan verschillende grondsoorten nog aan enkele andere fijn-poedervormige of poreuze stoffen eigen is, is, gelijk men gemakkelijk inziet, van het hoogste belang, zoowel in de huishouding der natuur als in den land- en tuinbouw. Zonder haar toch zou het leven van landplanten zoo goed als onmogelijk zijn. Deze groote belangrijkheid noodzaakt ons eenigszins langer bij haar stil te staan. Vooraf deelen wij mede, dat men haar met den naam van absorptie- of opslorpings-vermogen bestempelt, en dat men dien overeenkomstig zegt, dat de opgeloste zouten in den grond geabsorbeerd zijn. Nu is het absorptievermogen van de meeste grondsoorten veel aanzienlijker, dan men vermoeden zou, zoo [ 176 ] men uitging van de geringe hoeveelheden van de verschillende stoffen, die onder gewone omstandigheden in den grond geabsorbeerd zijn. Om dit te bewijzen maken wij van de zoo even beschreven inrichting gebruik en gieten op de aarde in den trechter nu geen zuiver water, doch een oplossing van het een of andere zout, en wel van een bepaalde sterkte. Nemen wij b. v. een oplossing van phosphorzure kali, een stof, die in elken vruchtbaren bodem voorkomt, en waarvan de elementen tot de voor het plantenleven noodzakelijke behooren. Over de rol, die phosphorzuur en kaliumverbindingen in het plantenleven spelen, hebben wij in ons laatste hoofdstuk gesproken. Vergelijkt men nu de sterkte van de opgegoten oplossing met die van het doorgevloeide vocht, zoo ziet men dat de laatste veel geringer is. M.a.w. de aarde heeft uit de doorzakkende vloeistof een zekere hoeveelheid phosphorzure kali opgenomen, of, zooals men het noemt, geabsorbeerd. Giet men nu weer zuiver water op, zoo neemt dit slechts een zeer klein gedeelte van het zout op, en loopt dus eveneens bijna zuiver af. Hetzelfde geldt van de overige stoffen, die in den grond gewoonlijk voorkomen. Slechts door zeer langdurig uitwasschen, met groote hoeveelheden water; is het mogelijk de geabsorbeerde zouten uit aarde te verwijderen. Een zeer goede methode, om het absorptievermogen van grondsoorten te demonstreeren is het gebruik maken van gekleurde vloeistoffen, b.v. van water, dat door de aanwezigheid van rottende plantaardige deelen een bruine kleur heeft aangenomen. Het is goed de vloeistof eerst in een anderen trechter enkel door filtreerpapier te laten loopen, ten einde alle zwevende deeltjes er uit te verwijderen, en zich te overtuigen, dat de bruine kleurstof werkelijk opgelost is. Deze bruine vloeistof, op de aarde in onzen eersten trechter gegoten, loopt helder of ten minste bijna helder af. Men ziet hier dus het feit voor oogen, dat de aarde deze kleurstof absorbeert, en behoeft geen verdere onderzoekingen, om zich van het bestaan dezer eigenschap te overtuigen.

De belangrijkheid van dit absorptievermogen van bouwgronden voor de leer van het leven der planten, zoowel als voor [ 177 ] de theorie van den landbouw, moge het verontschuldigen, dat ik hier in korte woorden een praktisch gebruik van deze eigenschap wensch in herinnering te brengen. Ik bedoel het filtreeren van het drinkwater, dat, na in de duinen in kanalen en bassins verzameld te zijn, door onze waterleidingen aan verschillende steden, in ons vaderland o. a. aan Amsterdam en 's Gravenhage wordt toegevoerd. Het water, dat in de bassins en kanalen aan de open lucht gestaan heeft, waarin door afgevallen bladen of afgestorven planten en dieren rottende stoffen gekomen zijn, dat in één woord verschillende stoffen bevat, die zijn waarde als drinkwater vermindert, moet, voor dat het in de buizen aan de verbruikers wordt toegevoerd, zuivering ondergaan. Deze bestaat daarin, dat men het door zand filtreert, waarbij het zand de bedoelde stoffen absorbeert en dus aan het doorsijpelende water onttrekt. Daartoe gebruikt men groote, vlakke bassins, wier bodem met een laag zand bedekt wordt, waarop men water laat vloeien. Dit zakt langzaam door het zand heen, en geeft zijn schadelijke stoffen hieraan af. Het door het zand heen gefiltreerde water wordt verzameld en is gereed om in de buizen geperst te worden. Het behoeft wel geen vermelding, dat het zand van tijd tot tijd verwijderd en door nieuw vervangen moet worden, daar het slechts een beperkte hoeveelheid van elke stof kan absorbeeren, en deze daarna bij voortgezet gebruik ongehinderd zou laten doorvloeien.

Het absorptievermogen is niet voor alle grondsoorten hetzelfde en kan, door toevoeging van bepaalde stoffen, verhoogd worden. Zeer gering is het bij compacten leemgrond en bij zulke zandgronden, die arm aan klei, bijna geheel uit zandkorrels bestaan. In een fijn poreuzen grond daarentegen is het in den regel zeer groot. Boschaarde bezit slechts een gering opslorpend vermogen voor verschillende stoffen, b.v. voor kiezelzure kali (zoogenoemd waterglas). De oorzaak hiervan is in het groote gehalte aan humus te zoeken; vermengt men deze aarde met fijn gestampt krijt, zoo neemt het absorptievermogen toe. Voegt men 10 % van dit krijt toe, zoo verkrijgt zulke aarde niet zelden het vermogen van 70—80 maal [ 178 ] meer kiezelzure kali op te nemen, dan zij zonder krijt absorbeeren kon. Ook andere stoffen zijn in staat deze eigenschap belangrijk te wijzigen. Van daar dat men op de landerijen, waar de grond door onvoldoende absorptie der zouten onvruchtbaar is, door toevoeging van krijt of kalk, of van een andere geschikte stof, deze fout herstellen en zoodoende den grond weer bruikbaar maken kan. Van de verschillende doeleinden, waarmede bemestingen plaats vinden, leeren wij dus hier reeds eene kennen. Daarop komen wij echter later terug.

Een volkomen voldoende verklaring van de absorptie van verschillende stoffen door grondsoorten kan tegenwoordig nog niet gegeven worden. Liever dan een uiteenzetting te geven van de verschillende zienswijzen over dit onderwerp, of van voorstellingen omtrent den aard van het verschijnsel, die misschien ten deele juist, doch zeker in menig opzicht nog onjuist of onvolledig zijn, wil ik dit punt geheel met stilzwijgen voorbijgaan. Hoe belangrijk de kennis van een voldoende verklaring ook zijn zou, voor een juist inzicht in de beginselen van de leer der bemesting kan men zich met de empirische kennis tegenwoordig tevreden stellen. Alleen wensch ik op te merken, dat het als vrij zeker mag worden aangenomen, dat de absorptieverschijnselen onderling van zeer verschillende natuur zijn en dat sommige stoffen daarbij ontleed worden, of met in den grond reeds aanwezige lichamen verbindingen aangaan, terwijl andere zonder verandering en in haar geheel worden opgenomen.

Wanneer al het water uit een hoeveelheid aarde verdampt en deze dus volkomen droog wordt, gaan de opgeloste stoffen natuurlijk ook in drogen toestand over en hechten zij zich daarbij aan de vaste, onoplosbare deelen van den grond. Deze vasthechting kan men vergelijken met die van kleurstoffen op de vezels van linnen of katoen en de groote kracht waarmede deze vastkleven en aan de oplossende werking van water weerstand kunnen bieden, kan ons eenigzins ter verklaring van het absorptievermogen van grondsoorten dienen.

Wij zijn over den bouw en de samenstelling van bouwgrond [ 179 ] zeer uitvoerig geweest. Wij hebben gezien, dat deze uit vaste, onoplosbare, grof- en fijnkorrelige deeltjes bestaat, waartusschen andere stoffen in gemakkelijk oplosbaren of zelfs in opgelosten toestand voorkomen. Het zijn juist deze laatste, die de planten door hare wortelharen uit den bodem opzuigen en die zij, ten deele ten minste, voor haar normale ontwikkeling volstrekt noodig hebben. Elke grondsoort, die deze laatste stoffen of geheel mist of in slechts onvoldoende hoeveelheid bevat, ja zelfs elke grond, die een dezer noodzakelijke stoffen niet genoegzaam aan de plantenwortels kan aanbieden, is voor een krachtig plantenleven ongeschikt en dus onvruchtbaar.

Het is nu gemakkelijk hieruit af te leiden wat men doen moet, om aan zulk een grond zijn vruchtbaarheid terug te geven, m.a.w. waarin voor hem de bemesting bestaan moet. Hierbij doen zich verschillende gevallen voor:

1°. Bepaalde, voor het plantenleven noodzakelijke stoffen komen in een grondsoort in het geheel niet of in onvoldoende hoeveelheid voor. Zij moeten dus daaraan toegevoegd worden en wel in een opneembaren vorm.

2°. Zulke stoffen komen niet in den oplosbaren, doch wel in den onoplosbaren toestand voor. In dit geval is het zeer dikwijls mogelijk ze door toevoeging van andere stoffen in den eerstgenoemden toestand over te voeren.

3°. Het absorptievermogen is onvoldoende en de meststoffen worden dus niet geabsorbeerd. Door toevoeging van bepaalde stoffen moet eerst dit absorptievermogen hersteld worden, eer de toevoeging van andere meststoffen nut kan hebben.

Van deze drie gevallen speelt het eerste in de praktijk der bemesting de hoofdrol; het derde komt zeldzamer voor. Terwijl wij dus over het tweede en derde kort kunnen zijn, moeten wij aan het eerste eenigszins langer onze aandacht wijden.

Blijkt een land onvruchtbaar te zijn, of ook slechts in vruchtbaarheid af te nemen, zoo eischt het welbegrepen belang van den landbouwer een nauwkeurig onderzoek van den grond. Blijkt daarbij de aanwezigheid van het laatste geval, zoo [ 180 ] moeten, al naar gelang der oorzaken, verschillende meststoffen worden toegevoegd, die het absorptievermogen verhoogen. Is b.v. de aanwezigheid van zuren humus de oorzaak, zoo is de toevoeging van krijt of kalk, die het zuur afstompt, een goed middel, waarbij echter dikwijls een betere drooglegging van den te vochtigen grond noodig is om op den duur zijn doel te bereiken. Is het eerste geval voorhanden, zoo wijst het scheikundig onderzoek natuurlijk aan, welke stoffen in voldoende hoeveelheid aanwezig zijn en welke ontbreken of in ongenoegzame hoeveelheid voorkomen. Daar men nu, gelijk wij in onze vorige verhandelingen uitvoerig uiteengezet hebben, gemakkelijk weten kan welke stoffen een plant noodig heeft, zoo behoeft men slechts na te gaan welke van deze ontbreekt. Deze stof zal het zijn, die door bemesting moet worden toegevoerd. Veel algemeener komt het echter voor, dat de voor de plant noodzakelijke stoffen wel in den grond in voldoende, ja dikwijls in overgroote hoeveelheid aanwezig zijn, doch dat zij daarin in den onoplosbaren toestand voorkomen. Dan komt het er op aan een zekere hoeveelheid uit dien staat over te voeren in een toestand, waarin zij door de planten kunnen worden opgenomen. Deze verandering kunnen de bedoelde stoffen óf onder de werking van verschillende zouten ondergaan, óf onder die van het koolzuur. Om het laatste in den bodem te brengen, moet men natuurlijk dezen met stoffen vermengen die langzamerhand in koolzuur veranderen, daar het koolzuur zelf, als een gasvormig lichaam, tot bemesting ongeschikt is. De gemakkelijkste en rijkelijkste bronnen van koolzuur zijn, gelijk bekend is, half verrotte overblijfselen van planten of dieren, die langzamerhand vergaan. Bij dit vergaan toch gaan zij onder opname van zuurstof uit de lucht in koolzuur, water en enkele andere verbindingen over. Zie daar de reden van de bemesting met organische stoffen, een wijze van bemesting, die langen tijd bijna de eenige gebruikelijke was en thans nog verreweg de belangrijkste rol speelt. Te meer komt haar die rol toe, daar de gebruikelijke dierlijke uitwerpselen, behalve de organische stof, nog verschillende anorganische verbindingen bevatten, wier toevoeging [ 181 ] aan het land slechts voordeelig, ja niet zelden volstrekt noodzakelijk is. In den loop van den zomer vergaat de organische meststof langzamerhand, zij is dus een voortdurende bron van koolzuur, dat in het door den grond geabsorbeerde water zich verspreidt en oplossend op een aantal der belangrijkste bestanddeelen werkt. Eiken dag lost het van deze een zekere hoeveelheid op, en terwijl steeds de opzuiging door de wortels de hoeveelheid opneembare stoffen in den bodem vermindert, bewerkt het koolzuur bij voortduring een vermeerdering van deze lichamen, ten koste van de vaste bestanddeelen, die zonder den invloed van dit koolzuur onoplosbaar en dus voor het plantenleven geheel nutteloos zouden zijn.

In deze oplossende werking kan, gelijk wij mededeelden, het koolzuur door andere stoffen vervangen worden. Zoo kunnen de moeilijk oplosbare phosphorzure zouten door toevoeging van keukenzout of salpeter in den opgelosten toestand worden overgevoerd. Ook deze methode wordt, in bepaalde gevallen, gebruikt, en heeft het voordeel dat deze meststoffen niet zelden, gelijk b.v. de laatstgenoemde, ook zelf door de planten opgenomen en nuttig verwerkt kunnen worden.

Trachten wij nu de gevondene regels toe te passen, niet op gronden, die voor het eerst in cultuur gebracht moeten worden en dus nog geen bewerking door den mensch ondergaan hebben, maar op velden, die sedert lange jaren door den mensch bebouwd worden. Was de methode van bebouwing steeds goed, zoo komt het er slechts op aan, voortdurend den goeden toestand van den bouwgrond te behouden en te zorgen, dat deze door de cultuur niet vermindere. Is echter de vruchtbaarheid slechts een geringe, hetzij dit in de natuur van het veld zijn oorzaak heeft, hetzij zij door onvoldoende zorgen langzamerhand is afgenomen, dan is het noodig haar weer tot haar grootst mogelijken trap terug te voeren. Het komt er dan op aan om den bovengrond te onderzoeken en na te gaan, welke de oorzaak van de mindere vruchtbaarheid is. Is deze oorzaak gevonden, zoo moet zij, door bemesting of andere bewerking van den bodem verwijderd worden; de beginselen waarop dit berust, hebben wij hierboven reeds [ 182 ] aangegeven. Gaan wij het andere geval eenigszins uitvoeriger na, n.l. dat, waarin het er slechts op aankomt, een goeden bouwgrond in dien toestand met zoo weinig mogelijk veranderingen te behouden.

Teneinde voor dit geval met juistheid te kunnen beoordeelen, waarin de zorg van den landbouwer zal moeten bestaan, is het noodig na te gaan, welke veranderingen de akker gedurende den loop van een jaar van bebouwing onvermijdelijk ondergaat. Onder deze is wel in de eerste plaats het wegvoeren van den oogst te noemen. Het aan den akker toevertrouwde zaad is onder den invloed van warmte en vochtigheid ontkiemd, de jonge planten zijn allengs tot een groot en krachtig gewas aangegroeid en hebben een rijken bladerdosch ontwikkeld, of in tal van vruchten, in wortels of andere organen een groote hoeveelheid voedsel opgezameld. Hiertoe bereidden zij, gelijk wij weten, de organische stof zelf, en wel uit het koolzuur der lucht. De anorganische stoffen echter, waarvan wij in een vorig hoofdstuk de onmisbaarheid voor het plantenleven aantoonden, ontnamen zij aan den bodem en zetten zij in hare bladen, stengels en vruchten af. Ook een paar der voor de vorming van eiwitachtige stoffen noodige bestanddeelen werden geheel of grootendeels aan den grond ontleend. Wanneer nu in den zomer of in het najaar de oogst wordt afgemaaid of gerooid en van den akker weggevoerd, verliest deze daardoor de geheele hoeveelheid der anorganische bestanddeelen, die de gewassen uit hem opgenomen hadden, m.a.w. de asch der cultuurplanten. Werden zoo jaar op jaar oogsten weggevoerd en deze asch niet telkens teruggegeven, zoo zou de akker weldra uitgeput raken en dat wel juist van die bestanddeelen, welke voor het plantenleven het meest noodzakelijk zijn. In geringe mate verliest de grond eveneens van zijne anorganische bestanddeelen door regens, welke kleine hoeveelheden der opgeloste stoffen mede in den ondergrond voeren. Hoe sterker bepaalde stoffen door bemesting toegevoegd zijn, hoe grooter dit verlies zal zijn; van die stoffen echter, die niet als mest worden toegevoegd is dit verlies slechts onmerkbaar klein, gelijk ons hierboven de [ 183 ] beschouwing van den wilden plantengroei op onbebouwde, droge velden leerde. Enkele stoffen kunnen ook door verdamping in de lucht opgenomen worden en zoo voor den bodem verloren gaan, dit is o.a. het geval met het koolzuur en met sommige stikstofverbindingen.

In de tweede plaats verliest de akker voortdurend organische stof. Deze wordt als humus in den grond gebracht en vergaat daar langzamerhand onder voortdurende productie van koolzuur. En daar dit koolzuur de onmisbare voorwaarde is voor de oplossing der anders onoplosbare bodembestanddeelen, dat is dus voor de overbrenging van deze in dien toestand, waarin de plant ze kan opnemen, is het verlies van organische stof niet alleen onvermijdelijk, maar zelfs een nuttig en gewenscht verschijnsel, dat men moet trachten te bevorderen. Hieruit volgt dus, dat de bemesting met organische stoffen een even noodzakelijke voorwaarde voor de blijvende vruchtbaarheid van een akker is. Slechts in zeer enkele gevallen kan het koolzuur door anorganische zouten worden vervangen en is dus de toevoer van organische mest overbodig, of is de bodem van nature zoo rijk aan deze stoffen, dat van een kunstmatige toevoeging geen sprake behoeft te zijn, gelijk b.v. op veengronden het geval is.

Tegenover deze oorzaken van toenemende onvruchtbaarheid moet nu de landbouwer even krachtige oorzaken van toenemende vruchtbaarheid plaatsen. Hij zou dit kunnen doen, door nauwkeurig te onderzoeken, welke organische stoffen in den loop van het jaar uit zijn akker verdwenen waren en in welke hoeveelheid, en door eveneens de vermindering van het humusgehalte van zijn grond te bepalen. Hij zou dan elk dezer stoffen afzonderlijk in de vereischte hoeveelheid kunnen toevoegen en zoodoende den oorspronkelijken toestand volkomen herstellen. Het is echter duidelijk, dat deze methode even omslachtig als moeilijk uitvoerbaar zou zijn, of liever, dat zij veel te groote onkosten zou veroorzaken. Vandaar dat een geheel andere weg gewoonlijk wordt gevolgd. Deze wordt als het ware van zelf aangewezen door de natuur van de organische mest, die in den landbouw het gemakkelijkst kan worden verkregen. Deze [ 184 ] is van tweeërlei aard: de stalmest en de zoogenoemde groenmest, of de door de ondergeploegde stoppels en het onkruid geleverde organische stoffen. De stalmest bevat het grootste gedeelte van de anorganische stoffen, die in klaver en hooi van den akker weggevoerd en aan het vee tot voedsel gegeven zijn, en is daarenboven rijk aan de stikstofverbindingen, die door haar vlugtigheid in kunstmatige plantenasch ontbreken en toch voor het plantenleven onmisbaar zijn, daar zij tot de vorming van eiwitachtige stoffen dienen. De groenmest bevat diezelfde verbindingen voor zooverre zij opgenomen waren door die planten en plantendeelen, die niet met den oogst zijn weggevoerd.

Vandaar dat het lage onkruid in koornvelden volstrekt niet als uitsluitend schadelijk mag beschouwd worden en op een vruchtbaren akker eer voordeelig dan nadeelig is, zoolang het zich slechts zoo weinig ontwikkelt, dat het aan de cultuurplanten geen ruimte voor haren groei ontneemt. Dit onkruid levert bij het omploegen een niet te verachten organische mest. Ook vindt men hierin de reden, waarom koornlanden korten tijd na den oogst geploegd worden en men hiermede niet tot in het volgende voorjaar wacht. Want zoo men dit laatste deed zou het onkruid, in de lucht blijvende, afsterven en grootendeels vergaan, wat door het tijdig onderploegen zeer beperkt wordt. Het belang van deze groenmest wordt op sommige plaatsen in Duitschland zoo hoog geacht, dat op de koornlanden terstond na het afmaaien wikke gezaaid wordt, die dan in het late najaar tegelijk met de stoppels wordt ondergeploegd en als groenmest dient. Een dergelijk nut heeft ook het braakliggen, ofschoon hier nog andere zaken in het spel zijn, zooals b.v. de langzame overgang van vaste bestanddeelen uit den onoplosbaren in den, voor het plantenleven noodzakelijken, opneembaren toestand.

Deze methode van organische bemesting geeft dus aan den akker reeds een zeer belangrijk deel zijner anorganische bestanddeelen terug, ja men zou deze volkomen terug kunnen geven, door de toevoeging van stalmest slechts groot genoeg te maken.

[ 185 ] Waar dit laatste niet mogelijk is, of waar op deze wijze enkele anorganische bestanddeelen in te geringe hoeveelheid worden toegevoerd, terwijl de overige in dezelfde hoeveelheid mest in voldoende mate gevonden worden, daar is de noodzakelijkheid van anorganische bemesting duidelijk voorgeschreven. In dit geval moet men dus gebruik maken van anorganische of minerale mest, gewoonlijk kunstmest genoemd. Welke soort van kunstmest de vereischte is, wordt natuurlijk bepaald door de scheikundige natuur van dat bestanddeel, dat in de stalmest slechts in onvoldoende hoeveelheid op den akker kan worden gebracht. In de meeste gevallen zijn dit phosphorzuur-, kali- en stikstofverbindingen, die dus ook de hoofdbestanddeelen der kunstmest uitmaken.

Niet elke plantensoort groeit even goed op elken bodem. In de vrije natuur heeft elke grondsoort haar eigenaardig plantendek. De flora onzer lage weilanden, die op veen aangelegd zijn, is een geheel andere dan die der duinen, en deze onderscheidt zich weer door een aantal bepaalde plantenvormen van die der heidevelden. Ofschoon ongetwijfeld de natuurkundige toestand van den bodem, zijn vochtigheid of droogte, zijn meerdere of mindere poroziteit enz. grooten invloed op dit verschil hebben, zoo speelt toch het verschil in de oplosbare bestanddeelen hier eveneens een groote rol. Wel is waar hangt dit zelf weer, tenminste gedeeltelijk, van de natuurkundige eigenschappen van den grond, en wel vooral van diens absorptievermogen af, doch wij weten, dat men in den landbouw ook dit laatste onder de macht van den mensch gebracht heeft. Evenals met de wildgroeiende planten, is het ook met de cultuurgewassen. Ook bij deze is voor de eene soort een zandige, voor de andere een veenachtige bodem, voor een derde een kleigrond voordeeliger. Men kan dit onderscheid echter nog verder vervolgen en vindt dan dat verschillende cultuurgewassen, die op dezelfde soort van grond gekweekt worden, toch aan de opneembare bestanddeelen van deze verschillende eischen stellen. Zoo hebben beetwortels meer kaliumverbindingen, tarwe en andere granen meer phosphorzure zouten, en klaver meer stikstof houdende stoffen noodig. [ 186 ] Hetzelfde geldt bij een vergelijking van de cultuurplanten met de schadelijke onkruiden. Niet zelden gedijen deze onder andere omstandigheden dan het verbouwde gewas en zijn dan als het ware een aanwijzing van de gebrekkige verhouding van de voedingsstoffen in den bodem. Zoo is het b.v. met de kleine wilde zuring of het zuurzaad (Rumex Acetosella), dat op ijzerhoudende gronden dikwijls zoo menigvuldig is, dat het koorn er onder lijdt en dat het geheele veld de roode tint zijner bladen reeds op een afstand vertoont. IJzerrijkdom en kalkarmoede van den grond begunstigen zijne ontwikkeling; kalkrijkdom bevoordeelt de koornplanten tegenover dit onkruid. Van daar dat men zulke landen geheel genezen kan door ze eenvoudig met kalk te bemesten.

Welke stoffen een cultuurplant vooral in den grond moet aantreffen om een rijken oogst op te leveren, kunnen wij op zeer eenvoudige wijze nagaan, zoo wij van rijkelijk ontwikkelde planten derzelfde soort de asch scheikundig onderzoeken. Juist de daarin voorkomende stoffen heeft de plant natuurlijk het meest noodig. Echter moet men daarbij letten op de stikstofverbindingen, die in de asch niet gevonden worden en wier gehalte daarom afzonderlijk moet worden bepaald. Hierin ligt het belang, dat de asch-analysen der cultuurplanten voor den wetenschappelijken landbouw hebben. Door de vergelijking van de uitkomsten der talrijke onderzoekingen, die in een lange reeks van jaren hieromtrent gedaan zijn, komt men tot de juiste kennis van de voornaamste eischen, die de verschillende planten aan de bestanddeelen van den bodem stellen. Om dus van een gewas een zoo groot mogelijken oogst te verkrijgen, moet men o.a. zorgen, dat de samenstelling der opneembare bestanddeelen van den bodem overeenkomstig zij aan die van de asch der te kweeken soort. Wilde men dezen regel in praktijk brengen, zoo zou in verreweg de meeste gevallen de bemesting veel te groote onkosten vereischen, hetgeen door een zeer eenvoudig middel geheel overbodig gemaakt wordt. In plaats van den bodem naar de keuze der plant in te richten, richt men de keus van het te kweeken gewas naar de eigenschappen van den bodem. Hoogstens zal [ 187 ] men, zoo de laatste keus niet tot voldoende overeenstemming voert, door toevoeging van enkele bestanddeelen in den vorm van kunstmest deze overeenkomst volledig maken. Doch men gaat hiertoe niet over, dan na zich overtuigd te hebben, dat de gekozen plant onder de heerschende omstandigheden het meeste voordeel belooft.

Deze algemeene regel van den landbouw, de te kweeken plantensoorten naar de gesteldheid van den grond te kiezen, leidt tot een gevolgtrekking die tegenwoordig dezen tak van nijverheid bijna geheel beheerscht, ik bedoel de wisselcultuur. Veronderstellen wij dat een akker, na een rijkelijke bemesting met stalmest, die alle vereischte bestanddeelen bevat, gedurende een jaar met klaver bebouwd is geweest. De klaver neemt de oplosbare bestanddeelen in een geheel andere verhouding op, dan waarin zij in den bodem gevonden worden; zij verbruikt b.v. veel meer stikstofverbindingen dan phosphorzure zouten. Na het wegvoeren van den oogst van klaver vindt men dus den grond in dezen veranderden toestand terug, waaruit volgt, dat hij nu voor den groei van klaver veel minder geschikt geworden is. Daarentegen zal rogge of tarwe, die voornamelijk phosphorzure zouten, en in verhouding tot klaver veel minder stikstof behoeven, op dezen grond zonder verderen toevoer van anorganische mest zeer goed kunnen groeien. Is daarbij door de rijkelijk ontwikkelde klaverwortels en het onderploegen van de stoppels en het onkruid ook voor de organische bemesting op voldoende wijze gezorgd, zoo zal men van dit land zonder bemesting een koorn-oogst kunnen verkrijgen, terwijl een nieuwe klaver-oogst een vrij zware bemesting zou eischen. Dit is het beginsel van de wisselcultuur, die dus daarop berust, dat in verschillende jaren na elkander plantensoorten gekweekt worden, die verschillende anorganische stoffen in groote mate vereischen, zoodat zij als het ware te samen den bodem van alle bestanddeelen in gelijke mate berooven. Is de reeks dezer planten op het veld gekweekt, dan zal het in eens door rijkelijke toevoeging van stalmest geschikt gemaakt worden om in een gelijk aantal opvolgende jaren dezelfde reeks van planten weer te voeden, vóór en aleer een [ 188 ] tweede bemesting noodig is. Het voordeel van deze methode, dat én in de besparing van mest, én in het gelijkmatige gebruik van alle verschillende stoffen van den grond gelegen is, springt dadelijk in het oog. Ik behoef slechts op te merken, dat elke andere wijze van bebouwing, met dezelfde wijze van bemesting gepaard, noodzakelijk tot een nuttelooze opeenhooping van bepaalde mestbestandeelen in den grond aanleiding zou geven, nl. van die, welke in geringe mate door de plant verbruikt, doch in groote mate in de mest toegevoerd zouden worden.

De belangrijkheid van de wisselcultuur eischt, dat wij hare werking door een voorbeeld nog duidelijker trachten te maken. Op losse gronden, die aan lucht en water gemakkelijk den doorgang verleenen, vindt men niet zelden deze opéénvolging van gewassen: 1° aardappelen, 2° rogge, 3° klaver, 4° erwten, 5° boekweit, waarna de reeks op nieuw aanvangt. Bij deze opeenvolging wordt na den oogst der aardappelen het veld met stalmest sterk gemest, en heeft dan gedurende vijf jaren in den regel geen bemesting meer noodig. Op den sterk gemesten grond groeit de rogge met zijn klein wortelstelsel bij uitstek goed, en neemt vooral de phosphorzure zouten op: de klaver is veel rijker beworteld en heeft dus een dikkere aardlaag als bron van haar voedsel; zij verlangt minder phosphorverbindingen, doch meer stikstofhoudende stoffen. Daarvoor geeft zij in hare talrijke wortels aan den grond een zoo ruime organische mest, dat deze voor den aanbouw van erwten overvloedig voldoende is; deze hebben zoowel de stikstof- als de phosphorverbindingen noodig en vinden die in een gunstige verhouding in den grond. Zij zijn rijk bebladerd en verhinderen daardoor het te snelle vergaan van den humus, daar zij de toetreding der lucht tot den bodem verminderen; er blijft dus nog genoeg humus over voor de boekweit, die aan de anorganische bestanddeelen gelijke eischen stelt als de erwten, doch een veel uitgebreider stelsel van wortels heeft, en zijn voedsel dus van plaatsen kan nemen, die door de wortels der erwten niet bereikt konden worden. Op den nu bijna uitgeputten bodem groeien nog slechts aardappelen weelderig [ 189 ] genoeg om een voldoenden oogst op de leveren, en dan is weer een bemesting noodig geworden. Het behoeft wel geen vermelding, dat al naar gelang van den bodem en van de beschikbare meststoffen deze opeenvolging een verschillende is, en dat daar, waar aan den grond slechts weinig mest tegelijk kan worden toevertrouwd, omdat anders de kans op verlies te groot zou zijn, niet eens, doch meerdere malen in de reeks van jaren met verschillende cultuur, moet worden gemest.

De grondbeginselen van den landbouw, van welke wij hier getracht hebben een kort overzicht te geven, berusten zoowel op de praktische ondervinding, die gedurende den loop der eeuwen werd opgedaan, als op de wetenschappelijke onderzoekingen, die aan deze studie in de laatste tijden in bijna onoverzienbaar aantal werden gewijd. Toch is het aan de vereende krachten dezer beide richtingen nog niet gelukt ons een volledig inzicht te geven in de eigenschappen van den bouwgrond, en de veranderingen, die deze gedurende de cultuur ondergaat. Slechts eenige hoofdzaken weten wij; over de bijzonderheden heerscht tusschen verschillende onderzoekers bijna in alle gevallen nog verschil van meening. Daarenboven biedt de bouwgrond zelf een zoo groote verscheidenheid van soorten, en wijken de uitersten van deze zoo zeer van elkander af, dat wat van de eene geldt, daarom voor de andere nog volstrekt niet zeker is. Men heeft getracht door rechtstreeksche bemestingsproeven op scheikundig onderzochten grond, en door nauwkeurige bestudeering van den gewonnen oogst, zoowel wat waarde, als wat gehalte aan verschillende scheikundige bestanddeelen betreft, een stap nader tot de oplossing van het groote vraagstuk te komen, en zoo mogelijk de moeilijke en tijdroovende theoretische studie der oorzaken daarbij als het ware overbodig te maken. Doch de talrijke invloeden, die op zulk een proef inwerken en wier regeling men niet in zijne macht heeft, zijn oorzaak, dat ook deze onderzoekingen, nog tot geene algemeene resultaten geleid hebben. Van een zuiver wetenschappelijke landbouwkunde kunnen toch nog slechts de allereerste beginselen als vaststaande beschouwd worden, doch reeds heeft de praktijk belankrijke voordeelen van de [ 190 ] tegenwoordige wetenschappelijke richting der onderzoekingen op dit gebied getrokken. Wel is waar is de overoude methode van bemesting met stalmest niet omvergeworpen, zoo als in de eerste helft dezer eeuw menigeen meende dat zou moeten geschieden, doch, terwijl zij nog steeds hoofdzaak blijft, is naast haar de kunstbemesting opgetreden, die ons in staat stelt hare gebreken te herstellen. Zuivere bemesting met stalmest geeft licht aanleiding dat de bodem langzamerhand armer wordt aan eenige der voor het plantenleven onmisbare stoffen; waar dit gevaar schijnt te bestaan, moet een scheikundig onderzoek van den grond uitspraak doen, en zoo het vermoeden blijkt juist te zijn, moet de ontbrekende stof als minerale mest of als kunstmest worden aangebracht. Hoe meer langzamerhand de verschillende voorschriften, door de wetenschap gegeven, in de praktijk ingang vinden en de ondervinding over hunne juistheid beslist, hoe breeder telkens de grondslag zal worden, waarop de verdere onderzoekingen kunnen worden opgebouwd, en hoe eerder de tijd zal aanbreken, dat een wetenschappelijk onderzoek het antwoord zal kunnen geven op alle vragen, die zich in de praktijk omtrent den bouwgrond en de bemesting voordoen.