Socialistische Aesthetica, Frank van der Goes 1939

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Socialistische aesthetica van Frank van der Goes
'Socialistische aesthetica' werd oorspronkelijk gepubliceerd in De Nieuwe Gids in 1891. De hier weergegeven tekst is ontleend aan Uit het werk van Frank van der Goes, gepubliceerd in 1939 te Amsterdam bij De Wereldbibliotheek N.V.. Dit werk is in het publieke domein.


[ 53 ]
 

SOCIALISTISCHE AESTHETICA[1]


Aan Lod. van Deyssel.
 

I

 

Nu ik uw artikel nog eens goed gelezen heb en beginnen wil met er een antwoord op te schrijven, moet ik u op mijn beurt verzoeken niet kwaad te worden om wat ik mogelijk niet zal kunnen verzwijgen. Want meer dan eenig mensch die leeft, is mij waard het doel dat ik hoe langer hoe klaarder zie staan aan het eind van een weg waarop ik al geloopen heb zonder het te weten, en zonder verder te zien dan wat vlak voor mijn voeten lag. Ik vrees er niet voor, want wij zullen elkaar verstaan, maar al mochten uwe genegenheid en uwe goedkeuring mij verlaten zooals ik de goedkeuring en de genegenheid verloren heb van velen, ik zal er niet langzamer om gaan of minder vastberaden. Gij zijt met klompen geschreden door de bloembedden van mijn zorgvuldigst gekweekte meeningen en zij begonnen al zoo fraai te bloeien en zoo zacht te geuren, dat zelfs gij iets hebt bespeurd van reuk en kleur waar gij zoo roekeloos uwe voeten hebt gezet. Ik zal ze weer opbinden en besproeien en er eenige zonnestralen van koesterend betoog over laten schijnen; en ik zal u de paden aanwijzen die er langs gaan, zoodat ieder op zijn gemak en van nabij het groeisel kan bekijken. Dan zal ik u vragen terug te komen in mijn tuin, en wij zullen, denk ik, als vrienden wandelen en samen de bloemen prijzen, totdat ten slotte mijn lof zal verstommen voor uw roem van het paradijs. Dit alles zal ik nu niet tegelijk doen; ik bedoel dat ik eenige stukken zal schrijven over het Socialisme in het bijzonder en over de Sociologie in het algemeen, waarin gij een beschouwing van de economische en intellektueele evolutie-verschijnselen zult vinden die u zeker zal bevredigen; wat de oorzaken zijn van de veranderingen die wij zien in het denken van de menschen over zichzelf, over de natuur, over de samenleving; waarin die veranderingen bestaan, hoe sommige dingen er zullen uitzien als die veranderingen zoo[ 54 ] ver zijn tot stand gekomen als wij ons thans kunnen voorstellen—want er is ook een horizon aan onzen geestelijken blik—;en de maatregelen die wij moeten nemen om de verwachte veranderingen te bespoedigen, de belemmeringen die wij kunnen opruimen....

 

Maar nu moet ik u alleen hierover te woord staan, waarom kunst en socialisme elkanders vijanden niet zijn, want dit is mijne, aan de uwe tegenovergestelde meening.

Dat gij dit vindt is voor mij van meer beteekenis, dan de preciese waarde van uw betoog als polemisch geschrift. Ik heb rekening te houden met uw gevoelen in het groot, niet alleen met de fragmenten die gij er hier van hebt geschreven. Als ik er in geslaagd ware uw opmerkingen van nú te weêrleggen, en ik had uwe geheele opinie niet doen veranderen, dan zou ik nog niets hebben bereikt. Ik wil niet trachten u te overwinnen in het debat, ik moet probeeren u te overtuigen door eene redeneering.

 

II

 

Hier is iets aparts, dat dienen moet om te laten zien dat ik uwe bedoeling goed begrepen heb. In de aesthetiek die de uwe is, past het gevoelen dat Napoleon een mooier figuur is dan Nieuwenhuijs, de predikant, stichter van het Nut. Ik kan niet hard genoeg schreeuwen om te zeggen hoe óneens ik het daarmeê ben. Ik ben niet zoo erg ingenomen met den stichter van het Nut, omdat al mijn ingenomenheid opgebruikt wordt voor de beweging in het achttiende-eeuwsche intellekt waarvan de oprichting van die maatschappij een teeken geweest is; in mijn beschouwing van die dingen is bijna geen plaats voor de uitvoerige vermelding van de verdiensten van de personen die aan zulke teekenen hun naam verbonden. Dat is één reden waarom deze beschouwing volstrekt niet past in mijn denkwijze. En de tweede reden is, dat wat aan Napoleon moois kan wezen, voor mij geheel wordt uitgewischt door de leelijkheid van het verdriet dat hij in Europa heeft gebracht. Ik zeg het u en gij zult mij [ 55 ] gelooven, maar ik kan niet lezen over Napoleon en zijn heldendaden zonder de fyzieke onrustigheid en somtijds de daarvan groeiende walging te gevoelen, die het ruiken van stank of het hooren van een valschen vioolsnaar of het zien van een vies beest teweeg brengt. Voor zulke menschen als Napoleon ga ik in mijn lektuur uit den weg, als voor een wagen van de privaat-reiniging in de straat. De zuivere waarheid is, dat als ik hoor van zijn overwinningen en zijn krijgsroem, ik dadelijk zooveel vrouwen zie huilen over hunne mannen en aanstaande mannen en zoons, en tegelijk zooveel verbrande huisjes en geroofd eigendom van arme opspaarders, en mij zooveel angst en pijn van gewonden voorstel en de verliederlijking van zooveel fatsoenlijke menschen in de veldtochten verbeeld en de ontzettende ongerustheid van hun familie en de treurige vernedering van de verslagenen, dat ik den naam van den onvermoeibaren maaier van menschen, zoo afzichtelijk vind als Zwarte Dood en baarlijke Satan. Ik verbeeld mij dezen Napoleon als een van den duivel bezeten boozen boer uit de middeleeuwen, die des nachts zijn woning verlaat en met zware zakken beladen, de kwalijk beploegde akkers betreedt van zijn buren, waar het met groote moeite gewonnen zaad juist gestort is in de ongelijke vore; een doodend werk met gebrekkige gereedschappen, het eenige levensmiddel van ellendige dorpen vol hongerige menschen; de verwachting van een op zijn best schralen oogst; de magere hoop van de massa overgegeven aan de genade van de natuur, aan de verwoestingen van wilde dieren, aan de inbreuken van onstuimig edelvolk op de jacht. De behekste boer zet den voet op de velden door hoop en offer zoo eerbiedwaardig als een armoedig kerkje in een dorp van strooien hutten. Hij zet den voet op de velden en bestrooit ze rijkelijk met zaad van onkruid, branderig, vol vergif en woeker; de nacht ziet hem zwoegen met onveranderd gezicht, gebogen onder den verdervenden arbeid van zijn handen, met groote en snelle stappen de vernietiging voltooiend van wat de anderen in dagen en weken van moeilijke schreden moesten doen, en voor de ochtend geheel is [ 56 ] gerezen trekt hij terug in zijn huis, zwijgend en alleen, begeerig te hervatten in het donker wat hij moest staken in het licht. In plaats van met halmen, geel en vol, bedekt zich de bodem met een dicht gewas van onuitroeibaar wanloof, verslagen en met stille tranen zien de menschen, voor wie het voedsel moest groeien uit den akker, het wonder aan dat hun hongersnood brengt, zij weten niet dat een hunner een schrikkelijke zaaier van leed, in den nacht de kiemen van hun nooddruft heeft verstikt... Verdriet, dit staat mij zeker vrij, en dit is een socialistische aesthetiek, vind ik leelijk, en het verdriet van veel menschen leelijker dan het verdriet van weinigen. Gebrek is ook leelijk, niet het hebben van weinig geld, tijdelijk of op den duur, van menschen die van-zich-zelf meer bezitten dan een millionnair hun geven kan, maar het opgroeien en voortleven van gewone menschen in afwezigheid van het noodige, waardoor zij hun lichaam en hun geest nooit iets meer kunnen laten doen en worden dan bij een toestand van niet-sterven hoort. Zij sterven niet, dat is alles wat men van hen zeggen kan. Als zij niet gierig en nijdig en valsch zijn, zijn zij mal-verkwistend, kruiperig en bot. Zij zien er machteloos, bleek en mager, verflenst uit, of zij zijn vet, opgezet, rood en grof. Is er in de natuur, in de levende wereld, iets zoo leelijks als de geestelijke en de lichamelijke toestand van een lijdend proletariaat? Het allerleelijkste wat er in de wereld is, een door armoede verteerd volk, willen de socialisten verhelpen. Zooals sommige ziekten een menschengezicht veranderen in een afgrijselijk masker, verandert het gebrek een massa van menschen in een troep dieren zoo afschuwelijk van zeden en voorkomen als er geen dieren te vinden zijn. De socialistische aesthetiek getuigt hier van, de socialistische wetenschap verstrekt de middelen om te genezen.

De socialistische aesthetiek ziet aan den anderen kant van de vuurlijn die de menschen verdeelt ook veel leelijks.... Te lezen in de natuurlijke historie dat sommige insekten, spinnen of vliegen, bedekt zijn met luizen, die zij notabene weer als voedsel gebruiken, is een wonder [ 57 ] van leelijkheid. Parasieten in het algemeen, ik geloof dat dit een bekende sensatie is, en het bedrijf van parasieten, leven dat door ander leven wordt opgevreten, levend afval, wandelend vullis, niets anders geeft mij zoo den indruk van leelijkheid. De onderdrukking door het kapitalisme, de monopoliseering van alle middelen om aan den kost te komen in weinige handen, dat met het populaire woord uitzuiging zoo dikwijls wordt aangeduid, is even leelijk voor mijne oogen als de bezigheid van een bloedzuiger. Een paar duizend personen verdeeld over de wereld slurpen alles op wat de wereld zich afbeult om te produceeren; hoe harder de menschen werken, hoe magerder zij worden, evenals iemand die een lintwurm heeft, maar de lintwurmen groeien en worden vet en zij zijn moeilijk onschadelijk te maken, zoolang men den kop niet heeft, heeft men niets en het lichaam moet zich aan een hongerkuur onderwerpen alvorens men hopen kan het kapitalisme doodelijk te treffen. Noem een afzichtelijk en onverzadelijk roofdier, dat zich voedt met bloed uit felle wonden vloeiend van levende schepselen, dat de jongen niet ontziet en de grijzen niet versmaadt, dat niets doet als onafgebroken hunkeren naar altijd verschen prooi, een schubbig en vlekkig monster, van een vreemd lichaamstoestel, weinig meer dan een bek om te zwelgen en klauwen om te grijpen, zonder oogen, vadsig, onrein, en gij hebt het kapitalisme nog te beminnelijk genoemd. En dan sluipen er nog andere ongure wezens aan deze zijde van de klasse-grens: de onrechtvaardigheid, de huichelarij, de leugen, de achterklap, de schraapzucht; juist nu heeft de dood van den koning een bende van deze vleermuizen over ons land losgelaten. Zulk een schouwspel van ambtelijke verachting voor de waarheid is zoo leelijk als een danspartij van padden, zoo angstig-suggestief als een naar droomspook van Odilon Redon, en voor de socialistische aesthetiek heeft van de honderd kamerleden maar één aan billijke eischen van oprechtheid en ernst voldaan; ik weet niets fraaiers dan het opstaan en het spreken van den sociaal-demokraat tot negen-ennegentig van zijn medeleden, enkelen zeker uit sleur en [ 58 ] dus te goeder trouw van behoudzucht en onnadenkendheid, maar waarvan het grootste aantal dermate door de leugens van het officieele klasse-leven worden beheerscht, dat de waarheid hun zot en onbehoorlijk lijkt; ja het werd dezer dagen gezegd door een van hen die in het bijzonder in aanmerking komen om voor huichelaars te worden gehouden, wegens de geavanceerdheid van hunne liberale gevoelens, dat de oprechtheid van dien eenen man de anderen nog meer gesterkt heeft in hun onwaardig betoon van ongevoelden rouw. De socialisten bekommeren zich veel om de openbare zaak, quaesties van regeering achten zij zeer belangrijk, wegens de beginselen van de leer die hen tot socialisten maakt. De bourgeoisie is onverschillig voor het gemeenebest, gij kent het cynisme waarmede de bourgeois zich onder elkaar over politiek uitlaten, en wat de autoriteiten doen raakt hen niet zoolang het hun beurs niet raakt. De socialisten daarentegen worden in hun moreel en aesthetisch gevoel getroffen door de daden van de klasse-regeering, of kan men zeggen, van de regeerings-klasse; om hierbij te blijven, de uitbundigheid van den officieelen rouw en de geestdrift van de couranten vervult hen met een gelijksoortig afgrijzen als een kind vervult wanneer het merkt dat zijn vader een dwaas en zijn moeder een malloot is, juist zij dragen in zijn jonge dagen een mooi ideaal van wijsheid en goedheid; als wij ernst en oprechtheid verlangen, verlangen wij dat in de eerste plaats van de organen van het publiek en van de bestuurders van onze instellingen, omdat wij van een degelijk beheer en van de ontwikkeling van de publieke opinie veel verwachten voor het welzijn van alle particulieren....

Dit zijn, waarde vriend, eenige aanteekeningen die gij wel zult willen nemen zooals zij bedoeld worden: een kijkje op de manier hoe de socialisten hun mooi en leelijk verdeelen over de dingen die zij zien in de samenleving.

Uw aesthetiek van het openbaar leven, ik erken het, is vooralsnog anders. Op u maakt den indruk van mooi het groote geluk en de sterke macht van weinig personen, en eene algemeene armoede en onderworpenheid bij de [ 59 ] overigen. Deze aesthetiek gaat samen met een verouderd inzicht in het wezen van het openbaar leven, zooals ik moet aantoonen. Maar daarvóór wil ik u vragen of gij nu niet reeds toegeeft dat de socialisten er een zeer volledige aesthetiek op na houden. Niet dat ik haar zou hebben uitgelegd of zelfs maar aangeduid. Maar gij hebt aan het halve woord genoeg gehad en gij zult toestemmen dat de veranderde economische blik op de maatschappij, niet uitsluitend het oog van een rekenmeester of van een moralist onderstelt; het noodige en het mogelijke, het geoorloofde en het berispelijke, maar ook het schoone en leelijke zien wij anders dan de menschen vroeger deden. Het is geen stelsel zonder een schoonheidsleer, het socialisme; de schoonheidsleer is alleen verschillend van de tegenwoordige. Maar zoudt gij dan ook wezenlijk denken dat dit anders mogelijk zou wezen? Zoudt gij meenen dat er ooit een menschen-geslacht zou kunnen geboren worden, waarvoor de woorden mooi en leelijk hunne beteekenis verloren hadden? Mooi en leelijk, goed en slecht, zal men ooit beleven dat het onderscheid tusschen beide ophoudt te bestaan? Waar breekt gij eigenlijk uw hoofd mede? Al zou ik beweren dat naderhand de menschen ten aanzien van ons leelijk en mooi, wit zwart zullen noemen—wat ik niet beweer —; er is in het vinden van mooi en leelijk een evolutie van gevoelens waar te nemen die de geleidelijke ontwikkeling vertegenwoordigt van het vermogen om te onderscheiden; maar al zou ik dit beweren, dan zou geen een artist zich dat kunnen aantrekken, redelijkerwijze niet. Want het is toch niet te doen om wat men leelijk of mooi vindt, maar om het leelijk en mooi vinden zelf. En als—wij spreken immers alleen over de indrukken die het voorkomen van de samenleving op ons maakt—bij het veranderen van dat voorkomen, die indrukken zullen veranderen tegelijk met de menschen die de samenleving vormen, waarom vreest men dan dat de kunst zal lijden, die de beste uitdrukking is van den sterksten afkeer van het leelijke en van de hoogste ingenomenheid met het schoone. Voor de kunstenaars van later moet het een voortdurende bedwel[ 60 ] ming zijn, te zien hoe de wereld verlost is van de onreinheid die reeds nu de socialisten met verontwaardiging vervult, sommigen hunner met walging; zooals iemand met onafgebroken en onuitputtelijke tevredenheid rondziet in zijn kamer die vroeger vol spinrag hing en de vloer met vuil bedekt, nadat forsche en keurige handen het vertrek hebben schoongemaakt. Gij bespeurt weinig of niets van den vervuilden toestand van de maatschappij—maar gij zult mij vergunnen eene kleine verhandeling te houden over dit punt in een nieuw paragraafje, want dit antwoord begint de afmetingen aan te nemen van een artikel.

 

III

 

Gij denkt u de zaak zóó: een maatschappij is rijk honderd gulden, en zij bestaat uit honderd leden; nu is de socialistische leer: geef elk één gulden, en de andere, de kapitalistische leer is, geef drie menschen elk dertig gulden en laten de overige zeven en negentig maar zien hoe zij met de resteerende tien gulden rondkomen... Houd mij ten goede, er is niets onjuister dan deze voorstelling van het socialisme. Maar, om nog even op de socialistische aesthetiek-zelve terug te komen, al ware zij juist, dan zou ik toch dezen toestand verkiezen boven den tegenwoordigen, de instelling van algemeene en gelijke armoede boven de uitersten van weelde en gebrek; want dan zou er maar één leelijk ding zijn tegen twee nú: de ontbering; nú hebben wij ontbering en zelfzucht bovendien, zelfzucht tegenover de samenleving is zoo strijdig met de schoonheidsleer van de socialisten als met hunne moraal; omdat zelfzucht tegenover de samenleving onnut, schadelijk, vergiftigend, moordend en monsterachtig is. Maar de voorstelling is niét overeenkomstig de waarheid. De keus is niét, meenen de socialisten, tusschen algemeene armoede en deze uitersten. De socialisten willen voor de honderd gulden gereedschappen en grondstoffen aanschaffen en nu alle honderd leden laten samenwerken, de een in dit vak en de ander in dat, elk naar zijn kracht [ 61 ] en aanleg, om, terwijl iedereen datgene doet wat hij het beste kan en allen samenwerken om zoo veel en zoo goed mogelijk het kapitaal van honderd gulden te doen rendeeren, onder elkander de opbrengst van den arbeid te verdeelen. In zooverre zal er in die maatschappij geen eigendom zijn als er geen middelen om te werken aan de leden worden gelaten, alle middelen zullen gezamenlijk eigendom en in gezamenlijke exploitatie zijn. De honderd gulden zullen op deze manier gebruikt honderd maal honderd gulden afwerpen, vergeleken bij de tegenwoordige wijze zal de winst, men kan zeggen, oneindig zijn. Verbeeld u eens, dat al die kranige handelslui, geniale fabrikanten, directeuren van al de private ondernemingen van tegenwoordig, dat alle menschen in een woord die zich nu bezighouden met de productie, zich vereenigden; dat hunne rijen vergroot werden door de duizendtallen van hen die door een veel eenvoudiger stelsel van distributie zouden vrijkomen om op hunne beurt direct-nuttigen arbeid te verrichten, namelijk negentig percent van de tusschenpersonen: winkeliers, grossiers, makelaars, commissionnairs, depôthouders, nog vermeerderd met negentig percent van hen die zooals het nu is bezig zijn met direct en indirect voor de veiligheid en het bewaren van de producten te zorgen; bovendien versterkt met honderd percent van de tegenwoordige ambtenaren die op den ruil van producten toezien en de belastingen in ontvangst nemen,—verbeeld u dat al deze menschen zich vereenigden om samen te werken voor allen en voor elkander, gij hebt er evenmin als ik of iemand anders, een flauw idee van hoeveel meer dan thans er voortgebracht zou worden en hoeveel meer er te verdeelen zou zijn. Maar ik wil geen economische verhandeling schrijven, gij hebt over deze onderwerpen in Bellamy's boek al het noodige kunnen lezen. Ik bedoel dat de socialisten niet willen een andere, eene gelijkmatige verdeeling van de thans bestaande rijkdommen, zij willen door een beter stelsel van voortbrenging de rijkdommen verduizendvoudigen. Nu verschillen de niet-socialisten van ons hierin, dat zij daar niet aan gelooven, zij meenen dat zulk [ 62 ] een stelsel onmogelijk gebruikt zou kunnen worden, zij willen óók wel de rijkdommen doen toenemen, en zij meenen ook dat het socialistische stelsel daar op een wondere wijze in zou voorzien, maar zij denken dat het nooit te verwezenlijken is en dat pogingen om het te verwezenlijken overbodig, nutteloos en gevaarlijk zijn. Maar wij, die niet alleen die mogelijkheid inzien, maar zelfs van meening zijn dat de geheele geschiedenis ons niet anders zegt dan dat wij deze verwezenlijking steeds naderbij komen, dat de menschen zonder het te weten en dikwijls terwijl zij het afkeurden en er elkander voor waarschuwden, het stelsel van ons hoe langer hoe meer in toepassing hebben gebracht; wij, die er van overtuigd zijn dat de toepassing compleet zal worden als de menschen er zich de voordeelen van bewust worden, die zij tot heden eenigszins instinktmatig hebben gevoeld; wij die meenen dat de tegenwoordige toestanden niet enkel verkeerd zijn maar voor verbeteringen vatbaar waarvan wij de evolutie dagelijks gadeslaan; wij hebben onze denkbeelden van zedelijk goed en kwaad, van aesthetisch mooi en leelijk zich naar onze inzichten zien wijzigen. Ja, als het niet anders kón, als de opeenhooping van rijkdom en geluk en de vernedering van de massa in armoede en ellende, de wet ware van ons bestaan; als deze noodzakelijkheid voltrokken werd met de onverbiddelijkheid en het indrukwekkende van groote natuurverschijnselen, het aandringen van den zee-vloed, het invallen van den winter, het opgaan van de zon; dan zou er deze ééne en algemeene aesthetiek zijn die de grootheid en heerschappij van dit noodlot maakte tot haar mooi, zooals alle heerschappij en grootheid, van zon en zee en winter, schoonheids-genot geeft. En dit is eenigszins úwe aesthetiek.... Ik druk mij niet compleet uit, ik ben, door uw artikel, plotseling voor het onderwerp gesteld; ik voel, als Adam, een Engel met een vurig zwaard achter mij, en nu keer ik mij om, en zeg, niet zonder stotteren: waarde Engel, laat ons bedaard samen praten, neem een oogenblik plaats, gij hebt den verkeerde voor, doe mij het plezier en leg uw sabel zoolang weg,—ik heb wel gegeten [ 63 ] van dien boom, maar als ik u nu óók eens mocht vertellen het onderscheid tusschen goed en kwaad, zooals ik het geproefd heb in den appel dien Eva en ik samen hebben geschild, een appel overigens zoo zuur, dat de kennisse van wel en wee mij zal blijven branden op de tong met een scherpte en een vlam, waarbij de gloed en de snede van uw wapen zijn als die van het blikken speeltuig dat gij met Sint Niklaas in de winkels ziet hangen,—waarde Engel, het is uiterst delikaat, maar als gij wist wat ik nu weet, dan zoudt gij u geneeren voor het boschwachterschap dat de Eeuwige u heeft opgedragen en gij zoudt omhoog vliegen naar zijn troon en het zwaard met de billijke ostentatie der verontwaardiging terugbrengen en zeggen: voorwaar, deze Adam is zoo kwaad nog niet, het was ook geen slang die de menschen verleidde, maar de lektuur der waarheid heeft hen wijs gemaakt, roep hen voor het te laat is in uw paradijs terug, want gewapend met het oordeel des onderscheids maken zij anders zelf een paradijs waar zij op hunne beurt u, den Schepper aller dingen, buitensluiten.... Hoe wilt gij dat wij de Ongelijkheid bewonderen, die wij een domheid, een misverstand, een getuigenis van de geringheid van de menschen, van hun zelfzucht en van hun eerbied voor den sleur achten? De Ongelijkheid is een ziekte, naar onze meening, een roode puist op een blanken vrouwe-rug, hoe wilt gij dat wij de Ongelijkheid mooi zullen vinden? Wij lachen haar uit, wij bespotten haar, wij wijzen naar haar met den vinger, wij dreigen haar met den vuist, wij schelden haar uit, wij vervolgen haar met onze woorden en met de voorspelling van onze daden, hoe wilt gij dat wij de Ongelijkheid zullen beminnen? Zij is voor ons geen groot natuurverschijnsel, maar een blâgue, geen onwankelbare wet, maar een misbruik; men jaagt kinderen naar bed met dat spook, maar brengt geen mannen van de wijs, hoe wilt gij dat wij de Ongelijkheid zullen vereeren?

Zie hier wat ik u in de tweede plaats heb willen zeggen: de onbruikbaarheid en de onhoudbaarheid van het tegenwoordig heerschende economische stelsel is een socialistisch axioma. Daarnaar is ons begrip van mooi en leelijk [ 64 ] gewijzigd. Die nog gelooven aan de noodzakelijkheid van het kwaad, aan de onbereikbaarheid van grondige verbeteringen, hebben begrippen van mooi en leelijk overeenkomstig aan hun geloof, zooals dat ook in het godsdienstige is. En gij, die nog geen kennis hebt genomen van wat er aangevoerd is om het socialistisch axioma tot een axioma te maken, gij moet wel ten aanzien van het openbaar leven, zoo gelooven en gevoelen als zij. Als gij over het maatschappelijke denkt, komt gij niet tot socialistische conclusies, daarvoor is een opzettelijke overweging van sommige waarheden noodig, waarop gij uw aandacht nog niet hebt gevestigd. Dat het onderzoek van deze dingen de hedendaagsche maatschappij heeft veroordeeld, is u niet zoo volledig bekend dat gij er aan gewend zijt, haar aan te zien met de meewarige minachting waarmede een ingenieur een fabriek beschouwt die met een verouderd en afgekeurd systeem van machines werkt. Hij heeft zulke andere teekeningen in zijn hoofd en schetsen in zijn portefeuille, dat het hem alleen bevreemdt hoe men volgens zoo'n gebrekkig stelsel nog iets kan doen, hoe wilt gij dat hij zulk een fabriek zal bewonderen?

 

IV

 

De gelijkheid die ik bedoel is geen volstrekte gelijkvormigheid, noch is zij een gelijkheid van een hoogeren dan een stoffelijken aard. Hier komt het op neer, de socialisten begeeren geen andere gelijkheid dan ten aanzien van zaken waarin het een schande voor fatsoenlijke menschen is óngelijk te zijn. Die misselijke en duffe ongelijkheid, die iemand belet te ontbijten met oesters en een glas drooge sherry als hij den vorigen nacht wat laat naar bed gegaan is, die iemand weerhoudt van elken dag een warm damp-bad en vervolgens een koude douche te nemen, die het onmogelijk maakt dat iemand 's winters een pels en 's zomers dun zijden gewaden draagt, die iemand verhindert drie maanden te gaan studeeren in de National Library te Londen, daarna een veertien dagen [ 65 ] door te brengen in Parijs, en dan eenigen tijd uit te rusten aan de Italiaansche meren; het pooverige en smadelijke gebrek dat ons verbiedt de eenvoudigste inspraken van een ingetogen gemoed en de eischen van de best-bestuurde zinnen op te volgen, ja, in dit opzicht willen wij de menschen gelijk maken, dat zij zulke dingen niet behoeven te laten om het geld. Zulke aardige prulletjes als diamanten sieraden, zulke onbeduidende genoegens als een tijgerjacht op Java of een reis naar de Noordpool, zulke goedkoope liefhebberijen als een stoombootje om de rivieren en meren van Middel-Afrika te bevaren, of een buitenverblijf aan de oevers van den Ganges; dit moet inderdaad iedereen toegestaan kunnen worden die het verlangt. Het verlaagt een gentleman als hij bekennen moet zoo iets niet te kunnen bekostigen, het is verschrikkelijk armelui's-achtig, en wij, de socialisten, houden niets van armelui's-manieren. Het beste middel om daarvan af te komen, is, dunkt ons, de arme lui zelf af te schaffen, en er nette personen van te maken, die, om een paar armzalige guldens, zich in hun sport of andere ordentelijke bezigheden niet behoeven te bekrimpen. De socialisten zijn aristocratischer van smaak en neigingen dan eenige andere partij. Zij verafschuwen zoozeer de ploertigheid en het vulgaire, dat zij in de eerste plaats uit de geheele wereld het vulgaire en ploertige willen verdrijven dat reeds uit sommige kringen van de maatschappij verdwenen is. Gij kent die voorname welwillendheid, die beleefde gulheid van den wedijver om elkander te helpen, aan tafel, in gezelschappen, op straat, die niet ziet op kleinigheden, die niet maant om geleende sommetjes, die niet vergeet ze terug te geven, die gaarne de kans waarneemt om gastheer te zijn, die van alles het beste aan een ander overlaat en zich verheugt in elke gelegenheid om van dienst te kunnen wezen, die geen onaangename dingen zegt, die niet boos wordt, die eigen voordeel achter stelt bij het belang van anderen; en gij weet dat deze deugden maar schaarsch kunnen voorkomen en nooit ongehinderd kunnen opbloeien in deze maatschappij van schunnige ontbering. Het varken van het kapita[ 66 ] lisme steekt zijn snoet in elken trog en slobbert alles in zijn maag, waar het wordt omgezet in spek en andere zwijnerij. Welnu, wij willen den goeden toon maken tot het timbre waarin ieder zijn lied zal zingen. Allen zullen even fatsoenlijk en even welopgevoed moeten zijn, en hoe kunt gij welopgevoed en fatsoenlijk leven zonder geld? Dit is de gelijkheid die het socialisme begeert, een gelijkheid die gij en ik voor niets bijzonders houden, het eerste begin van beschaving, de grondslag van alle verdere ontwikkeling, niets positiefs nog, enkel de aanvulling van iets negatiefs, iets waarover het werkelijk de moeite niet waard is te praten, en althans de moeite niet waard van de serieuze besprekingen die gij en anderen er tot mij over richten. Gij stelt u dan wonder wat van die socialistische gelijkheid voor! Waarde vrienden—hoe is het mogelijk! Gij ziet ons al aan het werk, gij denkt en vreest dat, als wij op een goeden dag gemerkt hebben dat de meerderheid op onze hand is, wij morgen zullen decreteeren: nu is voortaan iedereen gelijk, iedereen even wijs, iedereen even kundig, iedereen even talentvol, iedereen even braaf; gij zoudt, met respect voor uw aller beter inzicht, even goed kunnen verwachten dat wij afkondigden van onzen socialistischen troon: iedereen even blond, even dik en even oud. Dit is allemaal gekheid, daar wordt door geen een capabele socialist aan gedacht, dat wordt door niemand gewild. Dat wij ongelijk geboren worden, van aanleg en karakter, waarlijk, het is open deuren forceeren, om ons daarop te wijzen. Maar wij verlangen een maatschappij waarin die ongelijke vermogens zich vrij kunnen ontwikkelen, niet belemmerd door ondergeschikte hinderpalen die de verplichting om aan den kost te komen ons in den weg stelt. Het is onberekenbaar en een eindelooze tragedie, hoeveel talent en karakter onderdrukt worden in het roovershol dat wij onze maatschappij noemen. En als wij zeggen dat de wetenschap ons leert dat de menschen gelijk zijn, dan doet men een vergeefsche moeite als men met idioten en Vuurlanders en alcoholisten aankomt om het tegendeel te bewijzen. Wij hebben het over normale personen in de beschaafde wereld en [ 67 ] wij zeggen, in zooverre zijn dié gelijk, als er geen goddelijk of eerbied-waardige voorschriften bestaan die hen verdeelen in een klasse die tot eeuwige ellende en hulpeloosheid gedoemd is, en in een andere die bestemd is tot regeeren en overvloedig genot. Dat heeft men vroeger gedacht en dat denken velen nog, nu zeggen wij dat dit niet berust op wetenschappelijke waarnemingen maar dat dit wordt ingegeven door behoudzucht en bestendigd door egoïsme. Egoïsme en behoudzucht nu zijn onze ergste vijanden, en óf zij het weten.... Het werkelijk bestaande verschil in begaafdheid en goedheid willen de socialisten niet wegcijferen; de betere en de geniale lieden zullen altijd hun weg blijven maken naar de toppen van de menschheid, zonder de blokken die velen hunner thans moeten sleepen aan het been. Maar wij achten het een maatschappij van geestelijke dwergen, waarin men de uitstekende menschen wil beloonen door fijnere spijzen en fraaiere kleeren. Denkt gij dat zij zich een dergelijke onderscheiding zullen laten welgevallen? Doen zij het nú dan? En gij, vindt gij dat de menschen om u heen lager of hooger staan dan gij, naar gelang zij minder of meer geld hebben dan gij? Is het uw maatstaf om te zeggen of de menschen gelukkig of ongelukkig zijn? De bergen van geluk en macht, staan daar dan tegenwoordig de paleizen op van de groote kunstenaren, van de menschen-vrienden, van de geleerden? Van de honderd dergelijke paleizen worden er negen en negentig bewoond door gelukkige dieven en schaamtelooze volksvijanden. Eenige deugden uit het gezin willen wij in de grootere samenleving overbrengen. Wat is het voor een vader die zijn kinderen huisvest en kleedt en voedt naar gelang van hun aanleg, van hunne vorderingen op school, van hunne gehoorzaamheid aan zijn wil? Hij is een primitieve opvoeder als hij geen andere middelen heeft om de verdiensten te beloonen, de traagheid aan te wakkeren en de ondeugd te bestraffen. En zouden wij de menschen kinderachtiger behandelen dan de kinderen? Dat menschen als menschen moeten behandeld worden, willen wij van hen geen ónmenschelijke dingen verwachten, is [ 68 ] een stelregel waarvan wij niet zullen afwijken. Uit moet het zijn met dat schunnige en leelijke gebrek aan de gewoonste zaken van het leven; als wij de wereld willen ingaan om te doen zoo fraai en zoo goed als wij kunnen, moeten wij toch minstens geen leege maag en geen kapotte schoenen hebben. Als gij een vriend ontmoette, mij bij voorbeeld, en gij begont te spreken over zoo'n quaestie als waar wij nu over praten, en wij brachten den halven dag door in ernstige woordenwisseling, probeerende om bij stukjes en brokjes de waarheid samen te stellen, zooals kinderen over een moeilijke legkaart zitten,—en gij merkte dan na eenige uren dat ik geen sokken aan had en niet had gegeten uit geldgebrek, dan zoudt gij niet alleen groot medelijden gevoelen, maar tevens door een soort van schaamachtige walging overvallen worden, en gij zoudt mij de guldens en kwartjes uit uwe portemonnaie in de handen duwen, stotterende en blozende en mij haast niet durven aanzien, huiverende wegens de leelijkheid van het voddige hongerlijden, en in mij die uw vriend was en bijkans uw gelijke in de ernstige verstandsoefening, zoudt gij plotseling een inferieur wezen ontdekken, een schepsel die niet eens zijn lijf behoorlijk kon voeden en bedekken,—en zeggen zoudt gij: "man, ga eerst eten en koop kousen en laten wij dan nog eens praten over politiek...." Dit nu zeggen de socialisten tot alle arme menschen: eet en drinkt en schaft u kleeren aan, dat hebt gij allen noodig en dat moet gij allen kunnen doen, ieder naar zijn behoefte en zijn begeerte—kom dan bij elkaar en wij zullen die ernstigere dingen bespreken die ons leeren zullen wat leelijk is en mooi, wat goed is en slecht. En dit zeggen de socialisten, niet omdat zij voor alle arme menschen vriendschap gevoelen, maar omdat zij van alle arme menschen willen maken het beste wat zij kunnen worden, maar omdat het roepen van de maag, en het krijten van kinderen die honger hebben, overstemt het geweten en het verstand.

En nu is er nog die andere onwaardige ongelijkheid die wij bestrijden, dat de eene mensch zou moeten doen wat de ander zegt. Hoe kunnen wij verwachten dat de [ 69 ] betere qualiteiten van het ras zullen overwinnen en in den staat zullen heerschen, zoolang het ras verdeeld is in slaven en meesters? Het opgedrongen gezag, de gestolen macht, de verwerpelijke invloed van geld en van geboorte, zijn leelijke vogelverschrikkers in onzen bloeienden tuin. In ieders belang en met ieders goedvinden, zal bij de verdeeling van den arbeid aan sommigen het toezicht en de regeling worden opgedragen. Het gezag van talent en goedheid zal nooit worden miskend; alleen zal de eerbied van menschen voor menschen zuiverder zijn en de macht van menschen over menschen rechtvaardiger, als de eerbied onmiddellijk uit het gemoed komt en de oefening van macht voortvloeit uit eene vrije en belangelooze keuze.... Wat zoudt gij van mij denken als gij van mij merktet, dat ik de gewoonte had mij te onderwerpen aan de grillen van een of ander rijk man, als gij bespeurdet dat ik een bijgeloovig respect gevoelde voor de uitspraken van een administratieve of maatschappelijke grootheid? Gij weet dat ik de literaire opinie of het politiek inzicht of de practische bekwaamheden, of de levenservaring van dezen en genen boven de mijne stel, en dat ik in sommige dingen handel naar de voorschriften van hen die het recht hebben mij voorschriften te geven; en gij weet op welke gronden dat recht berust en om welke goede redenen ik de kundigheden en de meening van die anderen waardeer; maar dit is dan ook de eenige ondergeschiktheid die bij fatsoenlijke menschen te pas komt. Ik bedoel hier de politieke gelijkheid, zooals de beschikking over de noodige zaken voor het levensonderhoud, de sociale gelijkheid is. De socialisten willen ook niet een maatschappij maken waarin ieder precies evenveel te zeggen zou hebben, zij willen enkel die minne en vernederende ongelijkheid afschaffen, die berust op oogendienst van rijken en bijgeloof in de voorrechten van een tot heerschen geboren kaste. In dit opzicht ook is het socialisme vrij van die gevreesde nivelleerende strekking die haar dikwijls wordt toegeschreven; als wij het kruipen en beven hebben afgeschaft, het naar-den-mond praten en het huichelen van een onwaarachtigen eerbied, dan [ 70 ] begint eerst de erkenning van verdiensten en het respect voor echte grootheid. Ik herhaal ten aanzien van dit punt wat ik straks heb gezegd; die gelijkheid die onder beschaafde lieden pleegt te heerschen, de onafhankelijkheid van iets anders dan van dieper inzicht en hoogere begaafdheid, willen de socialisten verbreiden over de geheele wereld. Zij hebben geen apart gevoel voor het gezin of den kleinen kring van hunne maatschappelijke conversatie, en de wereld om hen heen; geen aparte aesthetiek ook. Wat zij goed achten onder elkaar, achten zij ook goed voor de geheele maatschappij; geen andersoortige, alleen een sterkere huivering bekruipt hen als zij staan tegenover een geheele klasse van berooiden, dan wanneer zij een vriend zien gebrek lijden. Enkelen hunner loopen te sprokkelen in maagdelijke wouden van sentiment dat op de hooge bergen van de toekomst groeit, waar de menschheid hare woningen zal stichten wanneer zij de moerassige laagvlakte zal verlaten hebben; maar aan de takjes die nu reeds zijn geraapt, is te zien dat de ceder van den Libanon en de dorre dennen van de zandige heide, geen grooter verschil toonen van edel en onedel, dan het socialistische sentiment en het andere.

Ik heb in de derde plaats willen zeggen, dat het socialisme niet verlangt een maatschappij waarin de deugd zou gelijk zijn aan de ondeugd, het talent aan de botheid, het inzicht aan de blindheid, de menschenliefde aan de zelfzucht, het hooge aan het lage, het groote aan het geringe, het ongemeene aan het alledaagsche; noch eene maatschappij die wilden uit andere werelddeelen, krankzinnigen uit de gestichten of dronkaards van de straat, zou opnemen onder hare stemgerechtigde burgers. In dit opzicht kunt gij, kan iedereen, en kan de wetenschap gerust zijn. Ook willen wij niet eens een maatschappij waarin allen eene gelijke portie eten en drinken dagelijks wordt voorgezet, zooals aan de geabonneerden van een table-d'hôte, of eene gelijke hoeveelheid jassen en broeken thuisgebracht, zooals aan de geabonneerden van een kleermaker, al de gelijkheid in het sociale die wij begeeren, is de voor iedereen open te stellen gelegenheid [ 71 ] om van deze noodige maar onbeduidende zaken zooveel te kunnen nemen als hij verkiest. Als de menschen in zooverre gelijk zijn, dat niemand hoeft honger te lijden of met leelijke of te weinig kleeren gaan, dan begint de ware ongelijkheid pas, deze van tegenwoordig is een smerige en bovendien kunstmatige ongelijkheid, en gij kunt háár niet bedoelen als gij met bewondering spreekt van bergen en dalen in het geluk van de menschen. Ik heb u willen zeggen waarom ik deze veracht en verafschuw, zij is in alle deelen en van alle zijden verwerpelijk in een allerhoogste en een overtreffende mate; zij is door de staatslieden en de moralisten en de wijsgeeren en de kunstenaren nog nooit beschermd of geprezen, zij is onfatsoenlijk, onzedelijk, onverstandig, onchristelijk, onschoon in den sterksten zin van elk afkeurend woord. Zij geeft de macht aan de domheid, de glorie aan den leugen, het genot aan den menschenvijand, het geluk aan den stoutmoedigen valschaard en aan den behendigen kruiper; zij doet de besten sterven van honger, of, nog erger, zij sloopt hun talent en hun karakter. Onvermengde eerbied voor het respectabele, zuivere liefde voor het schoone, hooge zetels voor de goeden en grooten, kunnen alleen worden verzekerd in een socialistische maatschappij, waarin een gelijkheid heerscht die de gelijke kansen geeft voor de ontwikkeling van elken aanleg en van iedere deugd. Nu gij mijn woord hebt dat dit en geene andere de socialistische gelijkheid is, zult ge wel willen toegeven, denk ik, dat zij door een zeer verschillend sentiment gevoed wordt, dan waar gij in uw opstel op zinspeelt. Wij hebben in onze gedachte-wereld een geheel andere maatschappij opgebouwd dan de hedendaagsche, en aan haar aspect ontleenen wij de motieven voor de zedelijke en aesthetische veroordeeling van de hedendaagsche, die ik mijn best doe u thans te ontvouwen.

 

V

 

En dit is eigenlijk alles wat men u zeggen kan. Er zal altijd een mooi en een leelijk blijven, de kunstenaars zul[ 72 ] len blijven de menschen die dit onderscheid het sterkst gevoelen en dus het beste kunnen uitdrukken; van de tegenwoordige samenleving vinden wij dit leelijk en dat mooi, omdat de samenleving die wij ons verbeelden, er zus en zoo uitziet. De afschaffing van huishoudelijk gebrek, de invoering van die onbelangrijke maar onontbeerlijke gelijkheid, die voedsel en dekking voor het lijf van ieder mensch in elke begeerde hoeveelheid en soort verkrijgbaar stelt, achten wij, minder directe verfraaiing van het menschelijk bestaan dan wel onmisbare voorwaarden om van een menschelijk bestaan te kunnen spreken; en het zou met de menschen al zeer ellendig gesteld moeten zijn, als de pessimisten gelijk hadden en de wereld een doodelijk-vervelende plaats en een voor hooger leven onvatbare samenkomst zou worden, enkel omdat iedereen verzadigd zou wezen en niemand meer de slaaf van een ander.... Dit is eigenlijk alles wat men u zeggen kan. En bij deze recapitulatie van de vorige bladzijden kan nog worden herhaald de reden waarom gij, wat het aesthetische, en anderen, wat het wetenschappelijke aangaat, de strekking van het socialisme zoozeer miskennen. Gij meent namelijk, op welke gronden weet ik niet recht want in het boek van Bellamy staat het toch niet, dat het socialisme een verdeeling wil van de tegenwoordige bezittingen van het menschdom, een waar arremoedje, zoodat ieder een klein portietje zou krijgen en de gelijkheid vooral een gelijkheid van gebrek zou wezen; gij onderstelt, bij dit voornemen, ons plan om alle overdaad en weelde te verbannen, wat logisch van u gedacht is, want als iedereen van de hedendaagsche rijkdommen wat zou moeten hebben, dan zouden de weelde en de overdaad natuurlijk spoedig moeten verdwijnen; uwe economische premisse is onjuist; de waarheid is, meenen wij, dat er duizendmaal meer zal worden voortgebracht dan thans, wanneer de coöperatie de concurrentie zal vervangen hebben, en als dat waar is, vervalt alle vrees voor de gevolgen van eene inrichting die gedwongen zou zijn alleen op het direct-nuttige te zien. Ook heeft het geen zin ons te verwijten dat wij de klaarblijkelijke ongelijkheid van [ 73 ] de menschen wegcijferen, wij spreken voorloopig alleen over de normale personen die het zoover gebracht hebben om een sociale quaestie te maken in het land waarin zij leven. Wij zeggen dat, als de burgerij, ook hare laagste klasse, zich begint te roeren en haar deel wil ontvangen in de grovere levensvreugde en niet langer onderworpen wil zijn aan een klein getal uit haar midden, dat het dan niet aangaat zich op eenige voorschriften buiten ons te beroepen, om te bewijzen dat hier iets onrechtvaardigs wordt verlangd; de wetenschap leert, zeggen wij, dat dergelijke voorschriften geen waarde hebben, dat er niets respectabels is wat de menschen verbiedt om te streven naar vrijheid en genot en dat hetgeen men vroeger hield voor de beschikking van een goddelijke Voorzienigheid en de rechtsoefening van een door haar aangewezen klasse, niets anders is dan het egoïsme van een bent die door vroegere lichtgeloovigheid van de groote menigte, de genot- en de machtmiddelen in beslag heeft kunnen nemen en niet geneigd is daar afstand van te doen, nu een beter onderlegd nageslacht komt eischen wat hem toekomt.

Ik eindig nog niet omdat uw artikel mij gelegenheid geeft in eenige bijzonderheden van het algemeene onderwerp te treden, die dikwijls als bezwaren tegen het socialisme worden aangevoerd; vergun mij eerst nog eene uitweiding over de beoordeeling van bestaande toestanden, ook naar het mooie en leelijke er van, met een toekomstkritiek.

Toen de heidenen—ja, gij zijt eigenlijk een Heiden, een andere Koning Radboud, die zijn been uit het doopvont terugtrekt als hij bedenkt dat hij in den Christelijken hemel zijn vrienden niet zal vinden en die liever verdoemd wil zijn, gezelligheidshalve, dan zalig te worden en zich te vervelen. Gij zijt zoo een Heiden en uwe lasteringen doen mij de haren te berge rijzen, maar toch verkies ik de oprechtheid en de rechtuitheid van den smaad waarmede gij ons nieuw Christendom overlaadt, boven het belangzuchtige opportunisme van de menigte en den vromen achterklap van de dienaren van het oude geloof. [ 74 ] Een éénige ducdalf wenscht gij te zijn boven den lagen vloed der gemeenschapsideeën—en gij zijt het. Weldra zal de beurt aan de Heidenen komen om voor de wilde dieren te worden geworpen, maar dan zult gij nog onbewogen in het midden van den arena staan en dreigend uw vuist ballen op hoog geheven arm naar de zetels van den opper-socialist en zijn staf. Zooals een Heiden den lof zingt van den strijd en zijn eerbied voor de dooders van menschen, en zijn vergoding van de wraak, en bij vrouwen, noch bij wijn, noch aan den disch van maat houden weet en wil weten, en den ingetogenen en zachtmoedigen een gruwel is,—zoo komt gij thans aan met uw individualistisch cynisme om te zeggen dat het ongeluk van velen u dierbaar is, en dat gij de beperking van het geluk tot eenige hoofden schoon vindt. Gij zegt het zoo brutaal-bedaard, zoo bewust-in-tegenspraak, zoo halsstarrig-oorspronkelijk, als een Heiden-hoofdman voor eene inquisitie van monniken, met de brandstapel in het gezicht. Niet waar, gij ziet dat ik hier overdrijf, dat ik aanvul, en uw eigen uitdrukkelijke classificatie van uw artikel in den wind sla, om er een groot-hartstochtelijke vereering van het Individualisme van te fantaseeren, maar de elementen die ik nu aanduid, zitten er toch in en ik proef ze op de tong als ik goed dóórproef. Ik bedoel met deze karakteristiek, dat uwe aesthetiek van de samenleving er eene is die tegenover de mijne staat, als die van de Heidenen tegenover die van de Christenen, wat den aard van die sentimenten aangaat en hunne groepeering. Want toen de Heidenen het Christendom zagen binnendringen in hunne landpalen, als een dijk die eenige druppelen, dan een straal en eindelijk een zee doorlaat, toen meenden ook zij dat hun wereld van mooi en leelijk, van goed en kwaad, overstroomd zou worden en boven de onafzienbare plassen geen enkele van de Olympiërs op zijn voetstuk zou blijven staan. Een machtiger God dan Jupiter, een wijzer man dan Socrates, zouden hemel en aarde beheerschen en al de geleerdheid die gedacht was en de schoonheid die was gemaakt, gekeerd worden door de haveloozen en vagebonden die den Nazarener [ 75 ] predikten op de straat en in de tempelen, den Joden een ergernis en den Grieken een dwaasheid. Maar het was geen nieuwe leer die zij brachten. Want dit was de verkondiging, die van den beginne gehoord was, dat de menschen elkander zouden liefhebben; niet met woorden, noch met de tong, maar met de daad en de waarheid. Alleen was de toepassing nieuw en in overeenstemming met de omstandigheden die veranderden, en de toepassing zou niet zijn aangedrongen als de omstandigheden dezelfde gebleven waren. De strijdbare helden die de gemeenebesten hadden gesticht en bewaard, de goden die de voorvaderen hadden geholpen in den oorlog en het staatsbestuur, zouden door geen Kind geboren in een stal, tusschen moordenaars later gekruisigd, en door geen Vader die alle schepselen gelijkelijk bemint, vervangen zijn in de verbeelding van de menschen, zoolang aan de antieke maatschappij de ordening en vastheid ontbrak, die bloedstorting en eene dagelijksche door hoogere machten geleide worsteling met naburen nutteloos gemaakt had. Een instelling komt niet in algemeene kleinachting eer zij overbodig wordt, en zij die het eerst hare aanstaande overtolligheid bespeuren, gevoelen de minachting vóór de anderen. En nog is de werkelijkheid van het Christendom nooit gezien, de complete werkelijkheid is alleen mogelijk als het socialisme voltooid zal wezen. De oude gruwelen in de gezinnen van het geslacht van Tantalus, de erfelijke bloeddorst die wel afkomstig moest zijn van een door een zwaren vloek getroffen voorzaat om zoo schrikkelijk en onuitroeibaar te wezen; de doodslag van Kaïn reeds bij het eerste broederpaar bedreven, de naaste werking van de erfzonde begaan in het paradijs; deze met moord beladen herinnering van het eerste samenleven der menschen dateert uit den tijd toen de maatschappelijke regeling niet zooveel orde had gesticht, als voldoende was om althans onder de leden van een gezin den vrede te handhaven; en zij is te boek gesteld in een stadium van gevorderde organisatie toen krijg en oorlog nog roemruchtig en eerlijk was; maar broederveete en oudermoord reeds waren achtergesteld.... Gij, [ 76 ] met uw individualistisch welbehagen, die niet hebt bedacht dat de formatie van de samenleving op weg is een organisch geheel te worden zoo zeker als eertijds de familie en de stam zijn ontstaan, gij hebt met ons gemeen, geloof ik, uwe begrippen van de schoonheid van het individualisme in de kleinere organisatie van het gezin. De menschen in de wereld, die mogen nog zeer arm en zeer rijk zijn, volgens u: maar wat vindt gij van de leden van één gezin? Mag de vader in overvloed leven en zijn kinderen laten verhongeren? Mogen de kinderen als zij groot geworden zijn en de ouders zijn gebrekkig, hun vader en moeder laten omkomen? Móeten zij dat doen om uw schoonheids-gevoeligheid aangenaam te wezen? Gij zult niet willen dat ik verder vraag, gij. Onbekeerde! Waarom dan wel in de wereld wat gij in het gezin niet verlangt en niet zoudt prijzen? Hier is het antwoord. Omdat gij niet weet dat de wereld een gezin is even goed als uw huishouden. En de socialisten weten dat de wereld een gezin is; het is niet dat zij dit enkel wenschen, dat zij aannemen wat zij wel zouden willen, dat zij gelooven wat zij hopen; neen zij weten het. Zij weten dat de drie economische kenmerken van het gezin: het werken voor elkander en voor alle leden, de verdeeling van den arbeid, en het verbruik naar behoeften, eenigszins volgens aanspraken en vrij wel met gelijke rechten,—ook eenmaal de kenmerken van de wereld zullen worden. Want, ten eerste, hebben wij een duidelijke evolutie in deze richting waargenomen, en het is meer overeenkomstig de menschelijke ervaring en onze daaruit geboren denkwijze, om te verwachten dat deze evolutie eindelijk compleet zal worden dan dat zij bij een willekeurig vast te stellen punt onvoltooid zal blijven; en ten tweede, ook als wij deze evolutie-theorie er een oogenblik buiten laten, achten wij het waarschijnlijker dat de menschen de voordeelen van deze economische methode die in het huisgezin proefhoudend gebleken is, later in het groot zullen toepassen, dan dat zij zich tegen de toepassing zullen blijven verzetten. Dit is wat wij weten noemen. Weten, mathematisch weten, is in deze dingen niet mogelijk; wij kunnen niet [ 77 ] weten dat ook in 1891 de lente zal volgen op den winter, er kan eene verandering in het zonnestelsel komen die dit belet; maar in deze dingen spreken wij van weten wanneer de waarschijnlijkheid dat iets is of gebeuren zal, grooter is dan de kans dat iets niet gebeuren zal of niet is.

 

VI

 

Gij zult zeggen, waarde vriend, dat gij schrikkelijk veel over Socialisme hoort en heel weinig over Aesthetiek. Maar dan verzoek ik u te bedenken, dat ik boven deze bladzijden wel geschreven heb. Socialistische Aesthetiek, maar daar niet meê bedoel dat met de ontwikkeling van het socialisme een andere, een nieuwe wijsbegeerte van het Schoone zal opgroeien. In dien zin is Socialistische Aesthetiek een uitdrukking zonder beteekenis. Er is in het socialisme niets, waaraan een nieuwe theorie van het Schoone zou kunnen worden vastgeknoopt, niets wat een nieuwe theorie zou noodig maken. Ik houd mij hier aan deze eenvoudige definitie, dat schoonheid de naam is dien men geeft aan het vermogen van sommige dingen om het schoonheids-gevoel te bevredigen, dat kunst het hiervoor met bewustzijn door menschen gemaakte is, en dat kunstenaren zijn de menschen die dit het beste kunnen doen omdat zij de bijzondere geaardheid bezitten van een uiterst ontwikkeld schoonheidsgevoel. De aesthetiek, die de eigenschappen en de historie van dit onderscheidingsvermogen tusschen mooi en leelijk beschrijft, heeft met het socialisme, dat de naam van een maatschappelijke inrichting is, niets te maken. Daarom kan Socialistische Aesthetiek alleen beteekenen dat de ontdekking van de voordeelen van deze inrichting en het besef dat deze inrichting bezig is de oude te verdringen, een zeker getal nieuwe meeningen over de tegenwoordige maatschappij aan de hand doen en eenige verwachtingen voor de toekomst, die reflecties werpen in de donkere kamer van onze ziel op den wand van het schoonheids-gevoel. Andere reflekties, maar krachtens een volkomen overeenkomstig procédé. Daarom spreek ik niet over dit [ 78 ] procédé, dat onkenbaar of ongekend mag zijn, den uitslag weten wij; het zijn de zelfde instrumenten, bij socialisten en bij niet-socialisten, maar zij brengen verschillende dingen te voorschijn. Vergeef mijne breedsprakigheid—maar ik herhaal dat Socialistische Aesthetiek enkel beduidt dat ten aanzien van de openbare samenleving, de socialisten, met behoud van de orthodoxe leer omtrent het wezen van schoon en onschoon, de oude sentimenten van leelijk en mooi gaandeweg vervangen. Ten aanzien van de openbare samenleving, zeg ik, niet van de particuliere of intieme, en ook niet ten aanzien van kunst, het door menschen gemaakte. Een mooi loflied van den oorlog, van de onverdraagzaamheid, van de aristocratie; van welk verschijnsel of sentiment ook van het ancien régime, zullen zij niet leelijk vinden. Het menschelijk bewustzijn is al zoo ontwikkeld, dat wij, om nieuwe plaatsen te maken, geen beeldstormers behoeven te zijn; er is plaats voor de oude en voor de nieuwe in de hallen van onze verbeelding; wij weten dat de nieuwe ons mooi zijn en de oude het mooi van vroeger, dat een wonderbaar werktuig van onzen geest ons in staat stelt nog te waardeeren. Zoolang de menschen nog weinig bewustzijn hebben, meenen zij dat hún mooi niet is een aanwinst van het verzamelde mooi op de wereld, een uitbreiding van de collectie die zij te danken hebben aan de verbetering van de werktuigen waarmede zij een diepere laag van het leven hebben ontgonnen,—maar zij meenen dat nu húnne vondsten al het andere en overige te niet doen en leelijk maken. Zoo hebben de Christenen gewoed tegen de Heidensche beschaving, de Protestanten tegen Katholieke kunst en de democraten in sommige streken en tijden tegen de verfijning van de aristocratie. Maar tegenwoordig heeft zich bij de menschen een vaardigheid ontwikkeld om achterwaarts en voorwaarts te zien, die nieuw is, en wij passen wel op dat er geen oude en kostbare vazen van den schoorsteen vallen elken keer als wij met een nieuw ornament thuis komen.... Zoodat, voor de laatste maal, de Socialistische Aesthetiek geen bedreiging is dat wij de artisten zullen overvallen met een [ 79 ] revolutie in hunne ateliers; alleen durven wij vragen, als, hoe lomp waarschijnlijk ook in het begin, wij uit de taaie klei van het tegenwoordig menschelijk samenleven, eens een poppetje hebben gefatsoeneerd dat er anders uitziet dan tegenwoordig, wat zij er van vinden, zonder te rekenen dat de vermoeidheid van onze handen in aanmerking worde genomen. Als wij een andere maatschappij hebben gemaakt, zullen wij de artisten beleefd uitnoodigen eens te komen kijken of het hun bevalt, het laatste woord is altijd aan hen. Wij zullen aan geen nieuwe Aesthetica onze vingers gaan branden, wij staan voor vuren die reeds heet genoeg zijn.

En nu, na op deze wijze den engen kring van mijne redeneeringen nog eens te hebben omcirkeld, wensch ik te besluiten met sommige détails uit uw kritiek van nabij te beschouwen.

Ten eerste dan over Bellamy. Ik heb Looking Backward vertaald omdat ik meende dat het boek voor leeken en deskundigen nuttig zou zijn. Leeken kunnen met de geheele voorstelling van de maatschappij, deskundigen met de beschrijving van sommige onderdeelen hun voordeel doen. Dit is, dunkt mij, eene geoorloofde bedoeling. Voorstanders van koud-water zullen met geen ander oogmerk een verhandeling over baden en zwemmen uitgeven; de algemeene en de bijzondere werking van het water zal den gewonen lezers en zal den specialiteiten belang inboezemen. Als men van het socialisme heil verwacht, dan is het raadzaam een lektuur te verspreiden die over het socialisme vele goede dingen bevat. Naar ons begrijpen en weten heeft Bellamy een voorstelling van de toekomst gemaakt die zeer zuiver is. Wij houden het er niet voor dat de beschrijving van Bellamy precies zal uitkomen in de werkelijkheid, maar zij bevat alles wat wij op dit oogenblik ons kunnen voorstellen; als nú eene socialistische maatschappij kon worden verwezenlijkt, zou zij er zoo uitzien. Hij bouwt, kan men zeggen, het huis van de toekomst met de materialen die nu beschikbaar zijn, terwijl het zeker is dat het werkelijke huis van de toekomst alleen met materialen van de toekomst zal wor[ 80 ] den gebouwd. Dit moet men niet vergeten bij de beoordeeling van het boek, en iemand die ongeduldig wordt of ongerust als hij aan dien gevel hier of daar een ouderwetsch motief bespeurt, windt zich ten onrechte op. Bellamy heeft een fraai compendium van socialistische wetenschap gemaakt, men is aan hem verplicht een leesbare samenstelling van wat wij nu weten van den aard van de sociëteit als werk-inrichting; hoe, naar ons tegenwoordig beste weten, de maatschappelijke arbeid geregeld moet worden, dat, en niets meer dan dat, kan men in Looking Backward vinden. Wie er een complete voorstelling van het Leven in zoekt, raakt natuurlijk in de war. De Arbeid is immers maar een onderdeel, een onbeduidend fragment van Het Leven. Als het Leven een dag is, dan is de Arbeid het aankleeden, iets waar men niet naar informeert, iets dat men mechanisch doet, iets noodzakelijks wel, maar iets dat, eenmaal gedaan, in het geheel geen beteekenis heeft en geen invloed op de verrichtingen des daags. De één gaat, als hij zijn hoed opgezet heeft, naar zijn kantoor, de ander naar zijn atelier, de een gaat wandelen en de ander aan het werk, maar bij niets wat verder wordt uitgevoerd is het van belang of hij een of twee overhemdsknoopjes draagt, en of hij bottines of rijglaarzen aanheeft. Zooals het nu is, is dit geringe maar noodige begin van den dag, de Arbeid, zoo miserabel geregeld dat verreweg de meeste menschen er voortdurend onder lijden; dit willen de Socialisten verhelpen; met de zooveel gewichtiger quaestie, hoe men den dag zelf zal doorbrengen, bemoeien zij zich niet, dat wordt aan ieders eigen keus en goedvinden overgelaten. Die zich beklaagt dat Looking Backward een vervelende of onbeduidende maatschappij bevat, verstaat het Socialisme niet. Het Socialisme is geen plan om van de menschen engelen te maken, verlichte, amusante, welopgevoede engelen; geen schets van een Duizendjarig Rijk onder eene drie-eenheid van Geest, Kennis en Deugd.... Het is een eerlijk en rationeel voorstel om eerst met elkaar gauw en goed het werk af te doen, opdat iedereen zooveel mogelijk tijd en gelegenheid zal overhouden voor zijn [ 81 ] hoogere bezigheden. Kinderen die vacantie hebben, maar beginnen met 's ochtends een paar uur te leeren om verder den heelen dag vrij te zijn; dat wil het Socialisme maken van de groote menschen. Nu spreekt Bellamy alleen over die paar uur lessen leeren en thema's maken; over de vacantie praat hij niet, of nauwelijks, en op dat weinige de aandacht te vestigen, nog erger, naar dat weinige het boek te beoordeelen, ergst van alles, het boek af te keuren, bewijst dat men de hoofdzaak niet begrijpt. Gij komt in een schoenwinkel, gij wilt naar een museum en vervolgens naar een concert, maar gij wilt eerst een paar goede laarzen koopen om geen last te hebben van natte voeten; nu zult gij in den winkel u tevreden stellen met laarzen, en niet verlangen muziek te hooren of schilderijen te zien; een muziek-doos om de bezoekers op te vroolijken bij het passen, een gravure aan den wand, zullen u niet brengen op aesthetische bespiegelingen. Zoo heeft Bellamy zijn beschrijving van het werken vluchtig gecompleteerd tot een schets van een samenleving die, voor zoover zij bestaat uit deze oppervlakkige mise-en-scène, niet essentieel is. Het essentieele is de werk-inrichting op de economisch-wetenschappelijke hoogte van dezen tijd; hier en daar iets hooger zelfs, want in zeer recente staathuishoudkundige geschriften worden de nieuwheid en juistheid van eenige van zijne denkbeelden vermeld als belangrijke verbeteringen van het socialistisch systeem. Ernstige bespreking van Looking Backward behoort tot het essentieele van het boek te worden beperkt.

En nu vraagt gij mij of ik het mooi vind? Ja, ik vind het schouwspel van verfijning van ons denken mooi, de verfijning-zelve nuttig en verdienstelijk, en het gadeslaan van het aanbrengen van de verfijning mooi. Bij voorbeeld, wat ik denk dat het beste is van Bellamy: de gelijke aanspraken van iedereen op stoffelijke dingen; gij herinnert u dat hij iedereen een even groot crediet geeft. Dit voorstel is zoo eenvoudig en beteekent zulk een hevige verachting voor quaesties waar quasi-geleerde schrijvers diepzinnige en uitvoerige werken mede vullen, dat [ 82 ] iemand die iets gelezen heeft van dat onedele en onverstandige geklets, er zeer opgeruimd en behagelijk van wordt. Gij moet weten dat de economen en de staatslieden de menschen altijd hebben voorgesteld als beesten, die geen grooter plezier en geen anderen prikkel kenden dan vechten om het grootste brok. Als men nu maar eens kon komen met een flinke verdeelingstheorie, die hunne "wetenschap" en tevens "de menschelijke natuur" bevredigde, dan zou het socialisme een eind opschieten, maar het zou wel onmogelijk wezen.—Kom, zegt Bellamy, het is niet de verdeelings-theorie die wij noodig hebben, het zijn de dingen óm te verdeelen, laten wij daar eerst voor zorgen, en als die er zijn, geef dan ieder zooveel als hij wil hebben en zooveel als het kan lijden. Na een afschuwelijken kwakkelwinter van mist en modder is dit een lichte lente-dag. Zijn echt-wetenschappelijk optimisme, zijn scherp inzicht dat de euvelen die wij bestrijden geene inhaerente menschelijke gebreken zijn, zooals een verouderde en bekrompen geleerdheid ons wil laten gelooven, maar de overblijfselen van een barbaarschen tijd die opgeruimd moeten en kunnen worden, en dat onder die resten het blanke menschenlichaam verborgen zit als een meisjes-lijf onder de stijve en grove plunje van een provinciaalsche ingénue,—de inzichten en het optimisme zijn prijzenswaardig en nuttig, de tegenstelling met de dwarsheid en vitterijen van de officieele wetenschap is een indruk van mooi. Bellamy lost zeker geen hoogste levens-raadselen op, een al-omvattend filosoof van menschelijk meest verfijnd bedrijven is hij niet, maar hij marcheert zoo zegevierend door de rijen van penne-helden en verslaat, met een blooten ezelskinnebak, zoo vele cohorten van economische Philistijnen, dat het voor mij, die het omgekeerde van een dichter ben, een genoegen is hem van verre te bewonderen. Zijn muziek-telefoons, zijn Dickens, zijn romans over liefde, zijn winkel-paleizen onder den horen des overvloeds,—ik heb dit allemaal getrouw overgezet, omdat ik niet de geringe zelf-voldoening wou begaan van te peuteren aan het bijwerk. Ook zonder de pedanterie die in eene correctie zou ge[ 83 ] legen hebben, moest de vertaling doen wat zij bestemd was te verrichten. Men had mij uitgelachen om de bezorgdheid over zulke bijomstandigheden.

Ik ga nu voort met het bespreken van aparte punten uit uw artikel. De Kunst in den Socialistischen Staat. Gij zult voor de Kunst wel niet bezorgd meer zijn, nu ik u gezegd heb dat het Socialisme alleen met den arbeid te maken heeft. Gij zijt overigens de eerste niet die Socialisme tegenover individualisme stelt, zeer ten onrechte naar mijne meening. Socialisme staat tegenover Anarchie en tegenover Kapitalisme; het gezamenlijk bezitten en gebruiken van de arbeids-middelen, tegenover het ordeloos arbeiden met middelen die door een kleine groep van kapitalisten worden geëxploiteerd. Het is een zeer platte opvatting van Individualisme wanneer men daarin het omgekeerde van Socialisme bespeurt. Individualisme, de leer dat iedere individualiteit in de wereld zoo veel mogelijk gerespecteerd moet worden, Individualisme, de zorg voor de onafhankelijke ontwikkeling van ieders beste eigenschappen, Individualisme, de liefde voor het groote en hooge in de menschenziel, Individualisme, de erkenning van het Persoonlijke, de lof van het bestierend-menschelijke, de eerbied voor het buitengewone, Individualisme kan alleen waarlijk bloeien en verwezenlijkt worden in eene socialistische maatschappij. De beste menschen moeten eten en drinken en hebben kleeren en een woning noodig, zoo goed als de minder voortreffelijke. Over die dingen en over de middelen om ze te krijgen, daar mag in een rationeele samenleving in het geheel geen sprake van wezen. En, in de hoeveelheid van die geringe zaken te willen uitmunten boven anderen, en dat zeggen te doen in naam van het Individualisme, dat is een wilde onbeschoftheid en een ontzettend misverstand. Het is het schoenepoetsen voor men 's ochtends de deur uitgaat. Te beweren dat eene theorie die een eind wil maken aan het verschil tusschen arm en rijk, een aanslag doet op het Individualisme, is beweren dat de individualiteit te loor gaat bij menschen die met even-fraaie glimmende laarzen loopen.... zoodat, als Kunst [ 84 ] een onbelemmerd Individualisme noodig heeft, de vorderingen van het Socialisme door de artisten moeten worden toegejuicht. De eenige oprechte vrienden van het Individualisme zijn de socialisten. De individualiteiten van tegenwoordig zijn de spoorwegkoningen, de suikerlords, de steenkool-baronnen, de geldvorsten, de landheeren, de monopolisten in olie, katoen, koper, diamant, ijzer,—nu, de indrukking van dit sjagger-individualisme zal zeker niet erg betreurd worden. Dan pas kan het eenig-ware Individualisme opstaan.

Maar, ten aanzien van deze quaestie, de Kunst in den Socialistischen Staat, doet gij mij een vraag, die ik direct beantwoorden wil. De meening van mijne partij-genooten over de literaire kunst van onzen tijd, en voor zoo'n geval als het besteden van drie honderd duizend gulden voor het schilderij van Millet.

Daar kan ik dit van zeggen. Ten eerste zijn de socialisten van nu geen bewoners van den socialistischen staat van later. Er zijn weinig tegenstanders die dit verschil in het oog houden. De socialisten van nu bestaan uit twee soorten; de personen die, omdat zij zelf het meeste last hebben van de verkeerde werk-inrichting, een andere in de plaats verlangen: de woordvoerders van die personen, èn de enkele leden van de geprivilegeerde klasse die de doelmatigheid van de gewenschte instellingen erkennen en bij zich zelf het klassegevoel hebben weten te verstikken, dat bij de grootere meerderheid al het denken en getuigen beheerscht. Nu zult gij toegeven dat de socialisten van de eerste soort, de arbeiders, niet veel gelegenheid hebben gehad de literaire bekwaamheden te verzamelen, die noodig zijn om de dichters te verstaan die gij bedoelt. Ik vrees dat gij onder hen bijna niemand zult vinden, die deze verzen lezen of begrijpen kan. Maar dat is hun gebrek als arbeiders, niet als socialisten; en bij de bergbewoners van geluk en macht zult gij even weinig vereerders van die poëzie aantreffen; in den regel zullen de arbeiders zwijgen en erkennen dat het te hoog voor hen is, maar de meeste rijken en de meeste geletterden zullen nog juichen in hunne dwaasheid en hardop zeggen, [ 85 ] dat wat zij niet verstaan, onverstaanbaar is. Het weekblad De Amsterdammer, Uilenspiegel, het Handelsblad, Studenten-geschriften, De Gids, De Spectator, allemaal bourgeois-organen, hebben hunne onnoozelheid niet weten te verbergen. In arbeiderskringen is een veel grootere bescheidenheid. Het verwondert mij dat gij deze onbevoegdheid juist bij hen ter sprake brengt. De werklieden hebben ten-minste een goede verontschuldiging; als men u op uw tiende jaar in een katoenspinnerij had gezet, zoudt gij nu misschien voor een cent een vers maken als een van uwe kameraden ging trouwen. Maar weten wij dan niet, dat zelfs het bezit van geld, dat in staat stelt van hoogere dingen eenig begrip te krijgen, tegenwoordig maar bij zeer weinig personen een gewenscht effect heeft? Het versterkt wat ik heb gezegd, dat juist wij in de gelegenheid zijn geweest om op te merken, dat de geld-beschaving van onzen tijd een schijn-beschaving is.

Wat Millet aangaat, het besteden van eenige tonnen gouds voor een schilderij door een of anderen particulier, acht ik een gebeurtenis die alleen in onzen toestand van betrekkelijke barbaarschheid mogelijk is, omdat ik haar in alle opzichten afkeur. Ten eerste: er is geen enkele reden om te gelooven dat de beste betaler ook de beste kenner zal zijn, er zijn vele redenen om aan te nemen dat dit niet het geval zal wezen. De kooper geeft dus zeer waarschijnlijk niet zooveel geld om zijn kunstzin te bevredigen, maar uit ijdelheid en modezucht. Ten tweede: het is verkeerd dat in particuliere verzamelingen de beste schilderijen komen; want wie weet wat hun lot zal zijn als de verzamelaar dood is, en dikwijls worden zij in zulke collecties voor langen tijd begraven. Zooals de zaken nu staan, kan het aanleggen van een kabinet, het met zorg en opofferingen volgen van een zuivere kunsthefde, de voornaamste bezigheid van een welbesteed leven zijn; maar het is dit immers gewoonlijk niet, en de grillen van een mode en de onartistieke eischen van een onopgevoeden geldadel hebben al veel kwaads gesticht. Ten derde: zulk eene buitensporige belooning van [ 86 ] een kunstenaar, er komt bij dat het geld dikwijls voor een zeer groot deel door hebzuchtige tusschenpersonen wordt opgestreken, is lang niet onschuldig. Ik bedoel niet dat de belooning te groot zou zijn, ik weet geen maatstaf om dat te bepalen. Maar ik meen dat de prijs van zulk een kunstvoorwerp uitbetaald moest worden in verbruiksartikelen en bons voor verbruiksartikelen. Voor mijn part heeft een schilder die een bijzonder mooi werk maakt, voor zijn heele leven gratis aanspraak op zooveel nuttige en aangename dingen als er maar te krijgen zijn. Hij woont, leeft, reist, alles op kosten van den staat, zoo weelderig als hij verkiest. Maar men geve hem geen geld; geld, waarmede hij zaken kan gaan doen, ondernemingen beginnen, dat wil zeggen, leven op kosten van een grooter of kleiner aantal personen; geld, dat hij beleggen kan in rentegevende aandeelen, hypotheken, effecten, en dus op een andere, nog veiliger en gemakkelijker manier den arbeid van een zeker getal menschen exploiteeren; geld, dat hij kan nalaten en waarmede dus vele jaren na zijn dood de onheil-stichting kan worden voortgezet. En, als gij zoo vriendelijk bent geweest dezen kleinen cursus in socialisme geheel te volgen, zult gij mij begrijpen als ik zeg, dat voor het socialistisch gevoel het honoreeren van een groot kunstenaar met een groote som gelds, gelijk staat aan het beloonen van een bijzonder vlijtig en oppassend kind met de vrijheid zijn broertjes en zusjes klappen te geven en hem de koek van hunne boterham te laten eten. Geloof mij, in eene hoogere maatschappelijke ontwikkeling dan de onze, gesteld al dat zulk een bod dan mogelijk ware, zal niemand een artist een kapitale som durven bieden; en nu al zouden velen, als zij wisten wat zij deden, zulk een bod niet aannemen.... Gij ziet in elk geval dat in de socialistische denkwijze over het feit dat gij genoemd hebt, nog andere overwegingen passen dan de aanstootelijkheid van zulk een duren lap beschilderd linnen. De aanstoot die zoo iets geeft is de verwonding van het socialistisch instinkt, en ik heb alleen uitgeplozen de bestanddeelen van de samengestelde ergernis.

 
[ 87 ]

VII

 

Gearmd ben ik met u geschreden over den drempel van het versterkte blokhuis mijner socialistische meeningen. Ik heb u de inrichting laten zien, het weerstandsvermogen gewezen, de bewapening, de bergplaatsen van mondvoorraad en ammunitie, en ik heb u gevoerd naar den wachttoren op het dak, zooals de gastheer in Looking Backward den ontwaakten slaper meenam naar het plat boven de kamers van zijn woning. Ziet gij nu ook, zooals hij deed, neêr op een geheel veranderd Boston van meeningen en voorstellingen? Ik vlei mij met de hoop dat het zoo is. Kijk, waar het op aan komt: of, met onze begrippen, wij ons een socialistische werk-inrichting kunnen voorstellen; of het waar is, dat de maatschappij van af het begin eener geschreven geschiedenis, bezig is in dezen zin steeds socialistischer te worden; met andere woorden, de economische en de historische hoofdvragen betreffende het Socialisme, die zijn hier natuurlijk maar aangeduid kunnen worden. Tot een overtuigden Socialist heb ik u dus niet kunnen maken, al had ik een twintigvoudige overredingskracht bezeten. Dat weet ik. Maar op de wijde akkers van de menschelijke gedachte zijn de duizenden socialistische arbeiders bezig in alle richtingen te arbeiden, onverpoosd en vol toewijding. Gij hebt tot dusver dit een onhandig ploeteren en onvruchtbaar afbeulen gevonden; uwe oogen hadden de waarheid niet gezien. Ik ben een van die werkers, en het wordt, langzamerhand, mijn taak op te passen dat de anderen ongestoord aan den arbeid kunnen blijven. Wij, sprekers en schrijvers, moeten hen bewaken en beschermen, de een weert zich met de spade, de ander met het geweer, als de verdeeling van den pionier-arbeid op de grenzen van de beschaafde wereld. Daarom kan ik spreken van een versterkt blokhuis dat ik heb gebouwd, het eerste, hoop ik, van een reeks versterkte plaatsen. Telkens zal ik u verzoeken den toren te bestijgen en mij te zeggen of gij op de gravers in de velden niet een ander gezicht krijgt....

 

  1. Voor het eerst gepubliceerd in "De Nieuwe Gids" (1891)