Frank van der Goes Herinneringen Nieuwe Gids (1931)/1

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Litteraire herinneringen uit den Nieuwe-Gids-tijd van Frank van der Goes

1. Busken Huet en de Tachtigers

2


[ 7 ]

EERSTE HOOFDSTUK


BUSKEN HUET EN DE TACHTIGERS


I


Moest de schrijver dezer herinneringen zich van het toonen van enkele voor hem kostbare relieken laten terughouden door de bedenking, dat hij kon schijnen daarmee zijn eigen lof te willen verkondigen?

Het toeval heeft nu eenmaal beslist, dat hij, ofschoon volstrekt niet op een der eerste plaatsen, betrokken is geweest bij een litteraire beweging die haar tegenstanders spoedig tot zwijgen bracht en op haar terrein weldra de wet stelde. Iets van dien voorspoed door zijn vrienden van den Nieuwe Gids-kring verdiend, vindt men in het oordeel van sommige tijdgenooten over zijn bijdragen terug, en dit is de reden dat de vermelding van een bescheiden deel in het gemeenschappelijk streven den indruk kan maken van een onbescheiden poging.

Alleen uit dit oogpunt behoeft de publikatie van de hier volgende dokumenten over het begin van deze beweging eenige verontschuldiging. Zij sluit zich aan bij de groote verzameling van Huets brieven aan Potgieter, nu twee jaar geleden door prof. Albert Verwey bij Tjeenk Willink uitgegeven, en vervolgt de meedeeling van de korrespondentie van mevrouw Huet met Potgieters zuster, onlangs door Dr. Berg bezorgd in den Nieuwe Gids.

[ 8 ] De eerste bundels zijn zooals men weet te laat verschenen om de weetgierigheid te bevredigen van de tijdgenooten; daarentegen konden zij, gelijk in het bijzonder de lezers van Groot-Nederland weten,[1] nieuwe belangstelling wekken bij het nageslacht. Een welkome aanvulling van de vermeerderde kennis geven de brieven van de vrouw, die zonder een eigenlijke medewerkster van Huet te zijn geworden—zóó ver was zij haar tijd niet vooruit—toch ook geestelijk met hem meeleefde. Over de Indische jaren van Busken Huet bevatten de brieven van mevrouw Huet aan Sophie Potgieter, niet alleen belangrijke inlichtingen, maar ook menige gewichtige opmerking. Zelfs heeft zij eenmaal een volledig overzicht van zijn schrijversleven opgesteld, dat onder den naam van „C. Hasselaar" aangeboden, door de redaktie van den Gids geplaatst werd, zonder te weten, naar men zegt, van welke andere wakkere Haarlemsche die nog altijd zeer lezenswaardige bladzijden afkomstig waren.[2]

Met groote kennis van zaken over hem schrijvende bij zijn leven, kon Anna Busken Huet met eenig recht voortgaan voor haar echtgenoot te spreken na zijn dood.

[ 9 ]

II


Hoe het bericht van dat plotselinge overlijden op 1 Mei 1886—ons jongeren aangreep, heeft een der N. Gids-redakteuren uitgesproken in een door het weekblad De Amsterdammer opgenomen kort artikel, dat vervolgens nog eens werd geplaatst in de aflevering van Juni. Over de publikatie besliste de goedkeuring van Willem Kloos, aan wien de schrijver het stukje vertrouwelijk ter image had gegeven. In denzelfden geest schreef hem later o.a. zijn vriend Van Deyssel; de heer J.N. van Hall, daarentegen, kon zijn ergernis niet verzwijgen en noemde in de letterkundige kroniek van den Gids[3] ons In Memoriam, kort en goed, belachelijke bombast. Zoo ver liepen destijds de meeningen uiteen en zoo scherp bestreden elkaar de vertegenwoordigers der verschillende richtingen.

Anders dachten de weduwe en de zoon, voor wie de litteraire waarde van het geschrevene bijzaak kon zijn en die in ieder geval de uitdrukking van een sterke en eerbiedige genegenheid niet wilden miskennen. Misschien zelfs gevoelden mevrouw Huet en Gideon zich verrast door juist van onzen kant een betuiging te ontvangen, die althans in warmte van bewondering door geen der andere organen overtroffen kon zijn.

Aan haar neef, onzen vriend Charles van Deventer, schreef mevrouw Huet dezen brief, door [ 10 ] hem aan den schrijver van het artikel geschonken en hier met zijn goedvinden afgedrukt:


Parijs 11 Mei '86. 

107 Rue de l'Université
Waarde Charles,
Uw briefje was mij zeer welkom. Gij waart een soort van lieveling van uwen oom. En verdiendet dat ook wel.
Daarna is ons toegekomen het treffend stuk van uw vriend Van der Goes aan de nagedachtenis van onzen lieven doode gewijd. Er spreekt daaruit eene zoo hartstochtelijke liefde voor hem, dat het ons tot in het diepst der ziel heeft geroerd. Ik heb het blad op zijn doodbed neergelegd, omdat die ingenomenheid van het jonge Holland zijn hart zou hebben verrukt. Wij zijn er zoo dankbaar voor, Gideon en ik, dat wij wenschen ter herinnering uwen jongen vrienden een klein geschenk aan te bieden.
Op den laatsten dag van zijn leven begon Huet een nieuw artikel: De Romantiek in Nederland. Het eerste paragraafje is geëindigd, het tweede pas begonnen. Maar de geheele Huet is er toch in: schertsend eenigszins zelfs met zich zelven.
Wij wenschen die blaadjes, die wij in zijn schrijfportefeuille vonden, uwen jongen vrienden voor hun eerstvolgend nummer van De Nieuwe Gids aan te bieden. Van der Goes sprak er van dat ieder uwer een bloem zou medenemen van het afgeloopen feest. Welnu dit laatste, door [ 11 ] Huets hand zelf gelezen frissche tuiltje bieden zijn zoon en zijn vrouw u allen aan, als een dankbetuiging voor uwe liefde voor hem.
Van de blaadjes zelven kunnen wij natuurlijk niet scheiden. Wij zullen ze copiëeren. Zend mij een nauwkeurig adres, om ze te verzenden.

Uwe hartelijk liefhebbende tante 

Anna Busken Huet 


Deze beantwoording van hun gevoelens uit het verre sterfhuis, behalve nog de rijke belooning, moest den schrijver en zijn vrienden zeer verheugen. Zoo gebeurde het dat in de Juni-aflevering van hun tijdschrift dat zijn eersten jaargang nog niet voltooid had, eenige bladzijden verschenen die de auteur zelf wel niet met die bestemming was begonnen. Toch zal men het begrijpelijk kunnen vinden, dat de redaktie deze bijdrage niet als onrechtmatig verkregen beschouwde.

Van haar ontvingen de nabestaanden een op ander papier gedrukt en gebonden exemplaar van dit nummer, dat ook eenige regelen ter herdenking van mevrouw Bosboom-Toussaint bevatte, twee weken vóór Busken Huet gestorven.


III.


Hoe Busken Huet over de litteraire kunst van de toen opkomende generatie zou hebben geoordeeld indien hij haar snelle ontwikkeling had mogen [ 12 ] beleven, is een vraag, die hier onaangeroerd moet blijven.

Mevrouw Huet, bewogen door de ook later menigmaal herhaalde betuiging van onze onveranderlijke hooge achting voor zijn nagedachtenis, bleef van haar kant verzekeren dat de nieuwe beweging op zijn goedkeuring had mogen rekenen en zelfs reeds welwillend door hem was begroet. In antwoord op de toezending van een brochure tegen den geruchtmakenden aanval op Multatuli door Dr. Swart Abrahamsz, ontving de schrijver de volgende regelen.


Parijs, 22 Oktober '88. 
1 Rue d'Aguesseau
Waarde Heer Van der Goes,
Zeer opregt betuig ik U mijnen dank voor de toezending Uwer brochure. Met de grootste belangstelling en instemming heb ik haar gelezen. Het zeldzaam gedistingueerde der taal zal hoop ik, Dr. S. A. doen blozen over zijn kinderachtigen uitval tegen den „Nieuwe Gids".
Wat Uw oordeel over Douwes Dekker betreft, dat van Huet stemde volkomen met het Uwe overeen, in het jaar '64 schreef hij: „Multatuli is een onhandelbaar schepsel: erger misschien. Doch il a bien mérité de la patrie en daarbij is hij een forsch en oorspronkelijk talent." Hij zou zeker met Uw verdediging ten hoogste ingenomen zijn geweest.

[ 13 ]

U zeggen in welke mate mijn hart wordt verkwikt door de groote liefde door U hemzelven toegedragen, kan ik niet. Hij, die door zijn tijdgenooten dikwerf zoo verkeerd werd beoordeeld, hoezeer zou de levendige sympathie der jongeren hem gelukkig hebben gemaakt. Een voorproefje daarvan heeft hij toch mogen genieten. En dat het zijn ernstig streven was, zich haar meer en meer waardig te maken, mag blijken uit het volgend citaat uit een der laatste brieven zijner lieve hand, 17 Dec. '85: „Gij en ik, en de ouderen in het algemeen, wij voldoen die jongelieden blijkbaar niet. Zij zoeken iets anders en iets meer. Het beste wat wij doen kunnen is een onderzoek naar onze leemten in te stellen en op onzen ouden dag aan onze zelfverbetering te gaan werken. Op die wijze zullen zij ons niet te eenemaal ontsnappen en bestaat er kans dat zij ons hunne genegenheid blijven schenken".
Ga voort hem in liefde te gedenken, zooals ik het U doe. Komt gij immer te Parijs, vergeet dan niet ons op te zoeken. Met de grootste hartelijkheid zult gij ontvangen worden. Soms spijt het mij dat ik niet in Holland woon om U allen dikwijls bij ons te zien. Doch de omstandigheden verbieden het. Groet ook Van Eeden en zijn lief gezin van ons, en geloof mij,
Uwe zeer toegenegene en erkentelijke
Anna Busken Huet 
 
[ 14 ] Uit de twee jaar later verschenen Brieven[4] heeft in een van zijn N. Gids-kronieken Willem Kloos de door mevrouw Huet aangehaalde passage—te vinden in een schrijven aan Jan ten Brink,—overgenomen. Kloos vestigt in dit artikel de aandacht op het verschil tusschen die verklaring—een „merkwaardige aansporing tot zelfherziening"—en een iets oudere uiting, waarin Huet als zijn meening te kennen geeft dat voor een nieuw tijdschrift zoowel de lezers als de schrijvers ontbreken. „Er is voor iets nieuws geen publiek en er zijn geen krachten." De verschijning van het orgaan der jongeren, besloot hun woordvoerder, heeft Huet tot eenigszins andere gedachten gebracht. En van de latere verklaring zeide Kloos het volgende:
Deze woorden schreef Huet, nadat hij nauwelijks driehonderd bladzijden van dit tijdschrift had kunnen zien... Die passage bewijst voor ons heel weinig, maar alles voor Huet. Zij bewijst zijn zuivere flair van het komende, dat het toekomende zou zijn; zijn kritische eerlijkheid, om zijn meening niet te verbergen voor zichzelf en voor anderen, ter wille van kleinigheden; en een intieme bescheidenheid, die men van hem nog te eischen het recht niet had gehad.[5]

[ 15 ] Zonder de juistheid van deze opmerkingen in het minst te betwijfelen mag evenwel worden herinnerd dat het citaat, zooals het ook in den brief van mevrouw Huet te lezen stond, niet geheel volledig is. Er gaan n.l. de volgende woorden aan vooraf:

Sommigen dier jongelui zijn recht beminnelijk. onze neef Dr. Ch. van Deventer, de jonge arts Fred. van Eeden, staan wat karakter en kundigheden betreft, hoog bij ons aangeschreven. Met hun werk dweep ik vooralsnog niet, en de Lantaarn heeft tot heden meer geest, vind ik, dan de Nieuwe Gids. Maar wat zal ik er van zeggen? Gij en ik, en de ouderen in het algemeen, enz.

De vergelijking met het spoedig na de verschijning van de N. Gids opgerichte spotblad, dat voor onze vijanden partij koos, die vergelijking was naar ziet voor ons niet gunstig; en wie nu nog eens ziet dat lang verdwenen halfmaandelijksch orgaan in handen krijgt, zal moeten erkennen, dat daarbij niet naar een hoogen maatstaf was gegrepen.

Ook tegenover een van zijn andere korrespondenten in die periode, zijn ouden vriend Quack, heeft Huet zich over den Nieuwe Gids uitgelaten. Te vinden in een brief van November 1885, bewijst deze plaats ten minste, dat het Huet, die toen nog geen driehonderd en zelfs nog geen honderd bladzijden van het jonge tijdschrift had kunnen zien, aan belangstelling in de pogingen van het opkomende geslacht waarlijk niet ontbrak. Maar hoewel [ 16 ] hij er nota van nam en wel degelijk gevoelde, dat er iets van beteekenis achter stak, kon hetgeen voorloopig aan het licht kwam hem niet bekoren.

Wij hebben—schreef Huet aan Quack—uwe hand meenen te erkennen, en in elk geval uw geest, in de buitengewoon gepaste vermaning aan het adres van den Nieuwen Gids in de laatste aflevering van den Ouden.

Spoedig daarop bezocht Huet de familie Quack te Amsterdam en hij kan bij die gelegenheid hebben vernomen welke redakteur van den Gids inderdaad de "letterkundige kronieken" placht te schrijven, waarvan hier spraak is. Ook de kroniek in de Novemberaflevering, waarin het optreden van den jongeren konkurrent wordt besproken, is blijkbaar van Mr. J.N. van Hall afkomstig. Het is zijn korrekte, maar niet zeer levendige of puntige stijl en het zijn ook zijn gematigde maar weinig diepe gedachten. Ziehier het voor de kennis der toenmalige verhoudingen niet onbelangrijke dokument:

De Gids komt op jaren. Het feit is niet te loochenen: 49ste jaargang staat er op den omslag... Raken wij zoo langzamerhand niet wat verouderd? Wij zelven weten het nog wel niet... Wij werken nog met opgewektheid aan de taak van elken dag...
Waar er van de jongeren tot ons komen met iets wakkers en flinks, met een nobele gedachte [ 17 ] in een frisschen, schoonen vorm gekleed, daar juichen wij het toe en stellen ons tijdschrift voor hunne bijdragen open. Toch zou het mogelijk zijn dat wij ons illusiën maakten. Mogelijk ook, dat er in ons vaderland een jonger geslacht is opgestaan met nieuwe idealen, een geslacht welks letterkundig streven afwijkt van den weg dien wij opgaan, en dat het talent bezit om aan zijne aspiratiën een schoonen en blijvenden vorm te geven.
Het verschijnen van een nieuw tijdschrift, dat den veelbeteekenden titel draagt van De Nieuwe Gids, bewijst althans dat er een uitgever en vijf jonge letterkundigen zijn die zoo denken. Een eerste aflevering van dat tijdschrift ligt voor ons. Het zou niet edelmoedig zijn, indien wij naar dezen proefrit de nieuwe onderneming beoordeelden. De heeren zijn pas van stal gereden en het is nog niet duidelijk welken weg zij uit willen. Zelfs de politieke boutade, welke onder de Varia voorkomt, geeft geen licht. Wij willen althans onzen confraters van De Nieuwe Gids de beleediging niet aandoen, deze ontboezeming voor hunne politieke geloofsbelijdenis te houden. Men zal derhalve verstandig doen zijn oordeel nog eenige maanden op te schorten.
Is er in deze dagen, gelijk vijftig jaar geleden, in de letterkundige wereld werkelijk behoefte aan een nieuw orgaan voor het jongere geslacht, dan zullen wij er ons zeker in behooren te verheugen, dat aan die behoefte wordt voldaan; geschiedt het met talent, dan zullen wij ons daardoor [ 18 ] aangetrokken voelen om den arbeid onzer jongere landgenooten belangstellend te volgen. Doch indien het mocht blijken dat er tusschen hun en ons letterkundig streven geen zoo groot verschil bestaat als zij het doen voorkomen; dat er ook voor hetgeen zij op litterarisch, wetenschappelijk of artistiek gebied te zeggen hebben plaats zou zijn in den Gids of in een der vele andere bestaande tijdschriften, dan zal het ons vergund wezen het te betreuren, dat in ons kleine vaderland, waar de gelijkgezinden het: „sluit de gelederen!" moesten doen hooren, door deze afscheiding de reeds zoozeer versnipperde krachten nog meer zullen worden verdeeld.[6]

Voor Busken Huet die zooals we herinnerden, indien hij al aan het bestaan van een litterarisch Jong-Holland gelooven kon, toch met de hem bekende proeven van zijn opkomst weinig ingenomen was, voor Busken Huet mocht deze aankondiging een gepaste vermaning schijnen. Ook de heer Van Hall heeft blijkbaar geen onvriendelijke houding willen aannemen tegenover een onderneming, die, als zij zou slagen, zijn eigen tijdschrift den steun van jonge krachten onthouden zou. Toch mag het vreemd schijnen, dat de kroniekschrijver van den Gids het deed voorkomen alsof deze eerste aflevering van het nieuwe orgaan ook slechts het eerste teeken was van een nieuwe beweging. Immers is het orgaan pas gesticht, nadat de voornaamste [ 19 ] dragers van de beweging, de jonge dichters en kritiekschrijvers, Willem Kloos en Albert Verwey, de gewone moeilijkheden hadden ondervonden[7] van ontluikende talenten, wier eerste bloei tevens het begin aankondigt van een tijdvak. Bij het meermalen aangehaalde en het sprekendste geval van dien aard, de afwijzing van Jacques Perk's meesterstuk, de Iris, was trouwens de heer Van Hall als redakteur van den Gids, persoonlijk betrokken geweest. Drie jaar geleden, verder, had Kloos in zijn voorrede bij de gedichten van Perk reeds de oorlogsverklaring gepubliceerd, welke in het gehalte van dit proza zelf haar rechtvaardiging vindende, ook reeds de zekerheid uitsprak van de overwinning. Op dit „époque"-makende dokument waren, naast eenige eigen gedichten, o.a. in den Spectator van Vosmaer, een reeks kritische beschouwingen over de werken van anderen verschenen, voornamelijk in De Amsterdammer van De Koo. Onder deze laatste artikelen vindt men een zeer karakteristieke bijdrage in een uitvoerig opstel over „Beets' laatsten bundel”, door Albert Verwey (Homunculus) in het najaar van 1884 geschreven. Omstreeks dezen tijd werden onzerzijds de hoofden bij [ 20 ] elkaar gestoken om de oprichting te bespreken van een eigen tehuis, waar men niet enkel van alle vreemde voogdij ontslagen zou zijn, maar dat ook als een verzamelplaats voor gelijkgezinden de gemeenschappelijke zaak zou kunnen dienen. Aan deze bedoeling heeft de uitgave van den Nieuwe Gids volkomen beantwoord; uit de behoefte aan een orgaan voor de jongeren geboren, heeft de stichting de behoefte bestendigd door haar te vervullen; en op het tijdstip van haar organisatie als een zelfstandige macht behoorde aan de beweging niet alleen de toekomst, maar bezat zij reeds een verleden. Een terechtwijzing, die het verleden voorbijzag en voor de toekomst geen oog had, kon haar toen niet meer treffen. Want hoewel het eerste nummer dat o.a. eenige mooie verzen van Kloos en van Verwey bevatte, en met het begin van Van Eeden's Kleine Johannes opende, stellig niet tot de beste afleveringen heeft behoord, behoefde toch zeker niemand te vragen naar de richting van de groep als zoodanig.

Spoedig genoeg, in ieder geval, erkende de oude Gids op zijn manier, die omdat de bestrijding niet heel aardig was, ook niet zeer waardig mocht heeten, het recht van bestaan der jonge onderneming. De redakteur-sekretaris heeft n.l. zijn gevoelen over de nieuwe poezie te kennen gegeven in eenige van tijd tot tijd verschijnende, als parodieën van Kloos of van Verwey bedoelde gedichten van eigen maaksel. Het recht om ook met de beste litteratuur den draak te steken, kan men natuurlijk niet betwisten—mits in haar soort de satire niet te ver onder het [ 21 ] model blijve. Maar in dit geval konden de flauwiteiten, onderteekend „Fortunio" en algemeen aan den heer Van Hall toegeschreven, alleen bewijzen, dat men in zijn gezelschap de Nieuwe Gids-gedichten slechts goed genoeg achtte om met prulverzen te worden beantwoord. Betere proeven van de soort leverden onze vrienden eenigen tijd later zelf door de parodieën van hun eigen werk in de uitgave van den vermaarden Julia-bundel. Van zijn kant betoonde Van Hall zich een tegenstander wien het niet aan loyaliteit ontbrak door zijn toejuiching van een list—waaraan hij zelf met meer geluk dan wijsheid was ontkomen. Onnoodig te zeggen, ten slotte, dat in het vervolg de Nieuwe Gids-richting nog onder zijn leiding ook in het oude tijdschrift zegevierde.


IV


In den tijd voor de oprichting had Kloos zich eenmaal met Busken Huet zelf beziggehouden. Heeft de koning der letterkundige kritiek, zooals Kloos hem noemde, zich dezen aanval herinnerd toen hij ruim vier jaar daarna verklaarde dat hij en zijn tijdgenooten de jongeren niet konden voldoen? Men moet erkennen, dat de latere leider van de Nieuwe Gids-bent hem er alle reden toe had gegeven. Want niet alleen heeft Kloos in dit stuk—Juli 1881 in den Spectator verschenen—zich vermeten Huet vierkant tegen te spreken en de juistheid, van zijn litterair oordeel te ontkennen, maar [ 22 ] zelfs beweerd, dat zijn oordeel in een bepaald geval niet onpartijdig was geweest.

Bitter kwalijk, moet men weten, was Huet door sommige bewonderaars van Vosmaer een scherpe kritiek genomen op zijn in 1880 uitgekomen roman Amazone. En toen nu in hetzelfde jaar Huet een prijzende aankondiging had geschreven van Geen Zomer, den tweeden bundel van een jongen dichter, wiens eersteling[8] den schrijver een plaats in de redaktie van den Gids had bezorgd, toen greep de nauwelijks tweeëntwintig-jarige student-dichter naar de pen, zoowel om het mishandelde talent te wreken als om te protesteeren tegen de onverdiende goedkeuring[9]. Welke beschouwing van de Amazone door het latere oordeel is bevestigd, kan hier niet worden uitgemaakt; daarentegen mag de tegenover die van Huet gestelde meening over de gedichten van Honigh typisch worden genoemd voor de richting in de litteraire kritiek waarvan dit Spectator-artikel een der eerste uitingen was.

Hoe sierlijk, in den trant zelf van Busken Huet, de jonge Kloos toen reeds schrijven kon, bleek o.a. uit deze zinspeling op de recensie van den roman:

...gedachtig aan zeker handig, schoon scheef verslag, over een toen pas verschenen Nederlandsch kunstwerk uitgebracht, durfde men zelfs vragen of het dan zoo verwonderlijk was, dat [ 23 ] dezelfde voetganger zijn nooddruft aan den voet van het Parthenon legde—kon hij het helpen, dat hij juist op dat oogenblik zijn sterfelijkheid moest toonen? —die straks, verder getrokken, in keur van bewoordingen den smaak en rijkdom des gastheers prees, van wiens gestreelde ijdelheid hij zich een allerminzaamst onthaal beloofde?

Dat voor deze laatste vraag, die aan Huet de bedoeling toeschrijft van Honigh te hebben geprezen om bij de redaktie waartoe hij behoorde in de gunst te komen, dat voor die vraag eenige reden bestond, kan thans niet worden volgehouden. Voor letterkundige bijdragen van Huet was na zijn terugkeer uit Indië in 1876 geen der Nederlandsche tijdschriften gesloten en bovendien zou hij, indien hij zich vrienden had willen maken met zijn kritieken, zeker niet de voornaamste persoonlijkheid van den Spectator-kring hebben gegriefd.

Beter laat zich hooren, wat de jeugdige medewerker van Vosmaer tegen de al te loffelijke vermelding van de minder dan middelmatige gedichten weet aan te voeren. Tegelijk bespreekt hij een anderen verzenbundel van dezelfde soort en ongeveer gelijke waarde. Aan deze twee voorbeelden verduidelijkt de kritikus het onderscheid tusschen de „potsierlijke of prozaische zeggingswijze", waarin zoowel de eene als de andere poëet zijn oppervlakkige aandoeningen berijmt en de zuivere uitdrukkingen van een echt en diep gevoel, dat toch [ 24 ] ook bij deze schrijvers blijkens enkele toonbare regels, de teekenen van een „getemperde, flauwpoëtische stemming" niet geheel afwezig is.

Op een bespreking van de door Kloos en Vosmaer bezorgde gedichten van Jacques Perk heeft Huet de jongeren vergeefs laten wachten. Wie de in het personenregister der verzamelde werken vermelde plaats opslaat, vindt den voorlooper van de Nieuwe Gids-dichters slechts terloops genoemd. In 1884 heeft n.l. de schrijver een noot toegevoegd aan een twaalf jaar eerder uitgegeven artikel over Byron en Shelley.

Hoewel in de laatste jaren—leest men daar—ook door het voorbeeld van den te vroeg weggenomen Jacques Perk, wiens poësie zoo veel schoons beloofde, Shelley onder de jongeren ten onzent warme vereerders is gaan tellen, missen de nederlandsche letteren tot heden een monografie over hem. Perk's Iris, eene vrije navolging van The Cloud, doet van Shelley's talent maar eene zijde kennen.[10]

Zoowel de tijd als de onmiddellijke indruk van de eerste kennismaking laten zich uit de gepubliceerde Brieven vaststellen. Aan Jan ten Brink schrijft Huet op 4 Februari '83 dat Perk's gedichten hem nog niet ter hand zijn gekomen[11]. Dat dit [ 25 ] toen niet lang meer duren zou, blijkt uit deze woorden in een brief van 27 Februari aan Franciska Gallé:

Met genoegen las ik Vosmaer's biografie van Jacques Perk en de inleiding van W. Kloos. Doch ik vind niet dat die heeren den dichter een dienst hebben bewezen. Hen lezend verneemt men eene inwendige stem, die „la pièce, la pièce!" roept; en wanneer men dan genaderd is aan la pièce zelf, dan valt zij tegen. Kloos en Vosmaer hadden zich moeten bepalen, dunkt mij, tot het bezorgen van een nette tekstuitgaaf, en niet zulke hooge verwachtingen moeten opwekken.

„Kloos en Vosmaer hadden zich moeten bepalen"... sprak misschien in deze aanmerking tegen een uitgaaf van dien kant onwillekeurig eenige vooringenomenheid wegens het vroeger voorgevallene, waaraan een kritische toespeling op Huet zelf in de Voorrede kan hebben herinnerd[12]? Doch [ 26 ] in de eerste plaats bedenke men dat deze inleiding niet alleen deze gedichten aankondigde. „La pièce", weten we, heeft waarlijk niet lang op zich laten wachten. Maar dit kon Huet niet weten en nog minder was hij geneigd het te verwachten; de waarheid dat Jacques Perk inderdaad een voorganger was, moest bovendien nog blijken uit het andere feit, dat er opvolgers kwamen.

Nog iets anders kan men uit de aanteekening van 1884 afleiden: op het gezegde over den invloed van Shelley in het algemeen en over de navolging van „The Cloud" in 't bijzonder is Huet waarschijnlijk gebracht door de genoemde voorrede, waarin de bekende plaats voorkomt over de „eeuwig vloeiende wel van aandoening en zaligheid, den onvergelijkelijken „Epipsychidion"...


V


Tot de stukken over de betrekkingen tusschen Busken Huet en de Tachtigers behoort een brief van hem zelf aan een der redakteuren van den Nieuwe Gids, zeer kort voor den dood van den meester geschreven. In antwoord op de toezending van het eerste deel zijner studie over den tijd „Toen de Gids werd opgericht" ontving Albert Verwey een antwoord dat in de in 1890 uitgegeven bundels ontbreekt en met vriendelijk verlof van den eigenaar hier voor eerst in zijn geheel wordt afgedrukt.

[ 27 ]

Parijs II April 1886. 

107 rue de l'Université
Weledele Heer,
Ik ben gevoelig voor de beleefde toezending van uw overdrukje, en houd mij zeer aanbevolen voor het vervolg.
Met weemoedig welgevallen zie ik U een tijdvak der Hollandsche Letteren beoefenen, dat ook mij indertijd toescheen te zeer verwaarloosd te zijn.
Maar het blijft een ondankbaar arbeidsveld en ik bewonder uw moed.
Omtrent maar één punt verschil ik met U van meening.
Heeft Onno van Haren de „dichttaal" geschreven, „die zich in die eeuw had gestereotypeerd"? Is Onno ooit „populair" geweest, zelfs in het voorbijgaan?
Willem wèl; getuige de lofdichten op sommige zijner politieke gelegenheidsverzen. Zelfs maakte één zijner bewonderaars zich aan het distichon schuldig:
„God bescherme vele jaren
Den WelEdelen Heer van Haren!"
Maar Onno?
Het is mij nooit duidelijk willen worden waarom J. M. Kemper en Jo. de Vries zich zooveel moeite gegeven hebben om Onno te doen herleven. Doch zeker niet omdat hij populair was of geweest was. Bij zijn Leven bleef hij ongelezen [ 28 ]
of bijna ongelezen, geloof ik; en haast zou ik durven verzekeren dat al de oudste uitgaven der „Geuzen" door hem betaald zijn uit eigen zak.
Wat zijn dichttrant betreft, Onno kende geen ander hollandsch (dunkt mij) dan het toen voor verouderd doorgaande van Bor, Van Meteren, Hooft, Valentijn, enz. Dit oud-vaderlandsche vokabulair vermengde hij met zijn fransche zinbouw, en op die wijs ontstond eene poësie welke de tijdgenooten onverstaanbaar moest toeschijnen.
Doch U zult in deze aanmerking wel niets anders willen zien dan het blijk dat uw arbeid mij belangstelling inboezemt. Moeilijk zult U het bewijs kunnen leveren dat de hollandsche poësie uit de tweede helft der 18e eeuw den naam van litteratuur verdient. Of laat mij liever zeggen: ik hoop van harte dat Gij met die bewijsvoering beter slagen moogt dan ik weleer. Een litteratuur voor welke een nieuw tijdperk aanbreekt met de vertaling van een handboek over esthetiek moet zich laten welgevallen dat men haar opdelft als eene kuriositeit.
Hoogachtend, 
Uwe dienstwillige
Cd. B. Huet 


Men ziet het: de belangstelling door het lezen van die enkele bladzijden van den beginnenden schrijver bij Huet gewekt, was echt, en even welgemeend de dankbetuiging voor de „beleefdheid", [ 29 ] door hem met een proeve van zijn schrijftrant, bijna een kleine verhandeling, beloond... Maar ach, elf April was deze brief gedateerd, en op denzelfden dag van reeds de volgende maand schreef de weduwe de regelen, die nog slechts van een nagedachtenis konden spreken, toen alle belangstelling en alle dankbaarheid van ons en anderen voortaan enkel den persoon van een doode konden gelden en de werken uit een verleden.

Gelukkiger nog dan zijn kameraad, de eenige uit den kring die met Huet in briefwisseling heeft gestaan, gelukkiger nog is Frederik van Eeden geweest, de eenige, die met hem in persoonlijke aanraking is mogen komen. Wij hoorden in den brief aan prof. Ten Brink van December '85 Huet spreken over den gunstigen indruk door Van Eeden, den jongen medikus, „wat karakter en kundigheden betreft", bij zijn bezoek te Parijs achtergelaten. In een der andere aangehaalde stukken, den brief van November aan Quack, had Huet, na zijn opmerking over de aan zijn vriend toegeschreven bespreking van onze eerste aflevering in den Gids, over die ontmoeting reeds iets gezegd:


Gisteren hadden wij een der redakteuren van het nieuwe tijdschrift te dejeuneeren: den jongen medicus Frederik van Eeden, geëngageerd met de oudste dochter van Van Vloten.
Tot zijn lof moet ik zeggen dat hij onze plagerijen, die vooral niet malscher waren dan de uwe, zegevierend doorstaan heeft. Hij vertoeft [ 30 ] eenige dagen te Parijs met het oog op zijn dissertatie (een onderwerp uit de psychiatrie[13], geloof ik).


Waarom een Hollandsche vriend, die Van Eeden naar Parijs vergezelde niet tevens van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om den vereerden man van aangezicht tot aangezicht te ontmoeten, kan de tegenwoordige schrijver, ofschoon hijzelf die vriend was, niet ophelderen. Alleen is zeker dat toen men bij Busken Huet zijn opwachting zou maken, hij alle reden heeft gehad om den anderen Nieuwe Gids-redakteur als een meer waardigen representant van het gezelschap te laten voorgaan.

Wanneer en waar hij zijn vereering het eerst gelucht heeft, is hem door de uitgave van Jacques Perk's brieven aan Charles van Deventer, met toelichting door Van Deventer zelf, herinnerd. In de drukke konversatie over die soort van onderwerpen, meestal in het door Jacques als werkkamer gebruikte sousterrain van het groote woonhuis aan het Haarlemmerplein gevoerd, blijkt over Huet niet alleen dikwijls gesproken maar warm gedebatteerd te zijn geworden. „Van der Goes dweept met je oom Koen—schreef Perk in Mei 1879—helaas!" voegde hij er bij. Waarom helaas? zal men [ 31 ] vragen —het antwoord op deze ook door zijn Dordrechtschen vriend gestelde vraag luidde als volgt:

Dat „helaas" is, meen ik, een bloot lyrische uitroep, die betrekking heeft op de verhouding tusschen mijn vriend en mij. Dat je oom afkeurt en gispt en terechtwijst wat hem niet goeddunkt, wel, laat hij zich daarmee vermaken, nooit krijgt hij gedaan dat ik af zal keuren, wat ik goed keur; al schold hij zelfs op mij arme... maar hij heeft zijn smaak op mijn vriend gegoten. Die jonkman sympathiseert zonderling met hem en komt mij tot vervelens toe aan met: ja, en zooals Busken Huet zoo aardig, zoo fijn, zoo geestig opmerkt: je moet in verzen alleen zeggen wat je niet in proza zeggen kan" of zooiets. Ik heb niets tegen den lof, je oom Koen toegewierookt—zelfs stem ik in met die van geest, fijnheid, scherpzinnigheid, maar ik vind het vervelend—dat is 't woord—om hem steeds aangehaald te hooren als iemand die mijn meeningen (die toch evengoed deel van mij zelven uitmaken als de zijnen van hem) zoo maar in eens met het grootste recht kan vernietigen door een: „'t is niet zoo"...[14]

„Ziedaar—besloot Perk—de oorsprong van dat helaas!" Heeft inderdaad het andere twintigjarige jongmensch zijn dweepen met wat hij van Huet gelezen (en begrepen) mag hebben den zoo [ 32 ] gevoeligen vriend willen opdringen—of misschien tegenover den jongen dichter zelf een Busken Huet in-het-klein willen spelen? In ieder geval blijkt nogmaals dat Huet, als zij zelfs niet konden nalaten met elkaar over hem te kibbelen, bij de toenmalige jeugd in hoog aanzien stond. „Perk”, schrijft Van Deventer nog, „zegt naar waarheid hier dat hij Huet als man van stijl en geest waardeerde; hij las graag van hem, en het laatste boek door mij—tijdens zijn ziekte—in zijn handen gezien, was een deeltje der Fantasieën.

Aan een voor hem merkwaardig toeval eindelijk, is het te danken dat de eenige keer dat men in de door Huet zelf uitgegeven geschriften den naam vindt van een der Nieuwe Gids- redakteuren, een opstel betreft van den schrijver dezer aanteekeningen. Met de jonge litteratuur had dit opstel, uit zijn prille jeugd afkomstig, echter niets te maken. Opgenomen in een door bekende letterkundigen gesticht tijdschrift voor dramatische kunst en letterkunde[15], genoot zijn bijdrage over Amsterdamsche tooneelgeschiedenis de eer van in een overzicht der Nederlandsche tijdschriften in 1878[16] met de volgende woorden te worden herdacht:

Een sprekend voorbeeld van het onbelangrijke der nederlandsche tooneelgeschiedenis levert de als anekdotenreeks niet kwalijk geslaagde bijdrage van den heer F. van der Goes over de [ 33 ] akteursfamilie Bouhon. Welk een troep! Inderdaad, wij moesten met het opdelven van bijzonderheden, zoo vernederend voor onze nationaliteit, wachten tot wij iets toonbaars zullen geleverd hebben, vleiend voor onze tooneelspelers en voor ons publiek...


Met Huet over deze laatste raadgeving te willen debatteeren, viel den jeugdigen schrijver natuurlijk niet in; door Huet, hoe dan ook, te zijn opgemerkt bekroonde zijn vreugde wegens de plaatsing van zijn geschrift naast artikelen o.a. van Allard Pierson. Een verrassing van anderen aard bracht hem onlangs de verschijning van een historische studie over dezelfde „akteursfamilie" uit de laatste helft van de achttiende eeuw, waarvan de samensteller het vijftig jaar geleden ingestelde onderzoek over 't hoofd had gezien.


VI


De meedeeling van een bezoek aan Allard en mevrouw Pierson te Roosendael beantwoordde mevrouw Huet met deze regelen:

Parijs, 16 Dec. '88. 
1 Rue d'Aguesseau
Waarde Heer Van der Goes,
...Het heeft mij zeer getroffen, dat gij op dien zekeren September-dag zoo trouw aan Huet hebt gedacht. O neen, hij heeft niet lang genoeg

[ 34 ]

geleefd. Hij had nog voor lange jaren arbeidsplannen vóór zich. En zeker zou hij de rigting van zijn tijd steeds hebben begrepen en met haar zijn medegegaan. Toch is het voor hem beter, dat van hem niet kan gezegd worden dat hij zich heeft overleefd. Met hoeveel mannenmoed hij ook het onvermijdelijk leed dezer wereld wist te dragen, die beproeving zou voor hem bijna te zwaar zijn geweest.
Het is zeer jammer dat hij U niet persoonlijk heeft mogen kennen. Hij zou voor uw edelmoedig en zelfvergetend streven veel sympathie hebben gehad. Ook hij had het volk zoo lief en was met zijn lot zoo begaan.
Ik ben bezig zijne correspondentie te verzamelen,—wij zijn voornemens die uit te geven. Holland, wel overtuigd van zijne litterarische gaven maar niet altijd evenzeer, schijnt het, van zijne zielegrootheid, mag daaruit zien, welken strijd van zijne vroege jeugd af, hij tegen zichzelf heeft gestreden, en hoe hij tot het einde toe naar de overwinning heeft gestreefd. Indien gij, met mij, den glans had mogen zien, die op zijn voorhoofd lag, toen hij was heengegaan, dan zoudt gij gelooven, dat hij haar had behaald.
Het doet mij veel genoegen dat gij het graf van Genestet hebt bezocht. Gij weet niet, welk een beminnelijk wezen het was. Wij zagen hem veel in de eerste jaren van ons huwelijk. En ook Pierson: de liefste herinneringen zijn voor mij verbonden aan de uren en dagen die wij te zamen [ 35 ]
met hem hebben doorgebragt. Gij deedt wel hem te gaan opzoeken.
Zoo gij Van Eeden ziet, zeg hem dan s.v.p., dat ik zijn gedicht aan zijne vrouw delicieux gevonden heb. Een vrouw kan niets hoogers wenschen dan zoo geliefd te zijn. Ikzelve weet daar ook iets van.
Mijn zoon en ik, wij beiden groeten U hartelijk. Komt gij ooit te Parijs, vergeet dan Rue d'Aguesseau met.
Uwe zeer toegenegen 
A.D. Busken Huet 


Ook voor haar korrespondent behoort het samenzijn met Allard en mevrouw Pierson gedurende een of twee dagen, in 1890 herhaald, tot zijn aangenaamste herinneringen. Niet alleen de volmaakt vriendelijke en zelfs vriendschappelijke ontvangst in de familie stelde den zoo veel jongeren bezoeker aanstonds op zijn gemak. Van alle oudere tijdgenooten is Pierson ongetwijfeld de man geweest, die in tegemoetkoming aan de nieuwe generatie het verst is gegaan. De Nieuwe Gids-redaktie telde hem tot haar vrienden niet alleen, maar tot haar medewerkers. Evenmin als hij in 1887 had geschroomd met de socialisten te protesteeren tegen de gevangenhouding van Domela Nieuwenhuis, aarzelde hij om zijn goedkeuring te hechten aan de uitgave van Bellamy's bekend propagandawerkje. En zoo konden dan ook eenige jaren later een aantal van Pierson's jongere tijdgenooten, toen de staat van [ 36 ] zijn gezondheid hem noodzaakte zijn Amsterdamsch professoraat op te geven, in een gezamenlijk schrijven hem met deze woorden toespreken:

Hooggeachte, zeer gewaardeerde, zeer beminde Allard Pierson.
Tal van jongeren in Uw land achten zich aan U verplicht voor de opwekking tot denken en gevoelen van U in Uw veelzijdige werkzaamheid uitgegaan.
Wij allen zijn overtuigd dat Gij ons en onze tijdgenooten zeer groote diensten bewezen hebt; wij stellen er prijs op, nu Gij Uw openbare betrekking hebt moeten nederleggen, U van deze erkentelijkheid te doen blijken, en hopen dat Gij deze oorkonde, als bewijs van onze oprechte dankbaarheid, bewondering en genegenheid, zult willen aanvaarden.
Wij vergeten U niet.


De hier bedoelde oorzaak van zijn aftreden dwong tot een verhaaste aanbieding van het huldeblijk waarvan op 12 Februari een afschrift en op 11 Mei het origineel, werk van Lion Cachet, den lijdenden hoogleeraar werd toegezonden. En toen de uitvoerders van het plan in de volgende maand dit aan de andere deelnemers berichtten, moesten zij reeds spreken van Pierson, „nu wijlen”.[17] [ 37 ] Zestien dagen na de toezending was hij, op 27 Mei 1896, gestorven.

De meeste persoonlijke herinneringen aan Allard Pierson betreffen zijn aanraking, nu en dan, met de arbeidersbeweging. Bij het eerste bezoek te Roosendael liep het gesprek o.a. over de in den vorigen brief van mevrouw Huet genoemde Multatuli-brochure. Na ontvangst van de beantwoording schreef Pierson dit briefje:


Roosendael, 23 Sept. '88
Waarde Heer,
Ik dank U zeer voor de toezending van Uwe interessante brochure. Uwe uiteenzetting van de wijze waarop mensch en kunstenaar uit elkander moeten worden gehouden, komt mij voortreffelijk voor, zij is én nieuw én overtuigend.
Maar, even openhartig, uw „bombarie” van Da Costa gebezigd, ligt en blijft mij loodzwaar op het hart. Die man heeft, in de wonderlijkste vormen, den goeden strijd mede gestreden, waarin ook wij ons wenschen te enroleeren. Lawaai is nog geen bombarie. Maar over dit alles liever mondeling als ik weer het genoegen zal hebben van U te ontmoeten.
A. PIERSON


VII.


De wensch van mevrouw Huet dat de jongeren zouden voortgaan met den onvergetelijken man in [ 38 ] liefde te gedenken, is zooals ook deze aanteekeningen mogen getuigen, niet onvervuld gebleven. Gelijke genegenheid gevoelden wij voor andere talenten van dien tijd. Tusschen het verlies van Busken Huet en van Multatuli (1887) en het heengaan van Pierson ligt, in 1889, de dood van Alberdingk Thijm. Natuurlijk wisten zijn geestverwanten beter te zeggen, wie en wat hij was geweest; maar dat zij hem een grootere bewondering toedroegen zal niemand hebben kunnen zeggen, die bij de opstellen aan zijn nagedachtenis gewijd, het artikel had gelezen door den schrijver van deze bladzijden (in De Amsterdammer) bijgedragen.

Dat het den „Tachtigers” aan eerbied voor hun uitmuntende voorgangers zou hebben ontbroken, is trouwens een lang weerlegde legende.


NASCHRIFT


Over het onderwerp van dit hoofdstuk: de betrekkingen tusschen Conrad Busken Huet en het gezelschap van den Nieuwe Gids, hebben verdere nasporingen een en ander aan het Licht gebracht dat—althans in het raam van deze „herinneringen”—niet van alle waarde ontbloot schijnt.

Tijdens het verblijf te Parijs in het najaar van 1885 waarover in de vorige bladzijden iets is gezegd, ontving schrijver dezes een brief van Willem Kloos met eenige meedeelingen over de samenstelling van de tweede aflevering van ons tijdschrift:

[ 39 ]

Waarschijnlijk—schreef Kloos bovendien—ben je wel niet naar Huet geweest: ik vind de gedragingen van dezen onzen oom zeer verklaarbaar. Hij, sinds jaren, troonende in de verte over de Nederlandsche litteratuur, als een koninklijke rechter wiens uitspraken wetten zijn, waartegen men in stilte morren kan of het er niet mee eens zijn, maar die toch langzamerhand door een jonger geslacht als legitieme vonnissen schenen erkend te zullen worden,—hij ziet daar plotseling een vijftal jongelui waarvan twee hem scherper en één (dat ben jij) principieeler dan iemand anders aangevallen hebben, een tijdschrift oprichten dat op zeer besliste wijze de allures van het tijdschrift der toekomst aanneemt. Hij had gehoord dat die onderneming tot stand zou komen, eerst eenigszins ongeloovig wellicht, maar in alle gevallen meer gestemd om tegen dan voor ons te zijn. En daar ziet hij eindelijk inderdaad de eerste aflevering voor zich, en bemerkt dat daar over een gedachtenkring gesproken wordt en op een manier die volstrekt niet met zijn tradities samenvalt, zoomin als onze literaire producten overeenstemmen met hetgeen hij voor goed en fraai meent te moeten houden. Wat wonder dat hij, een man in zijn laatste levensjaren, met groot misnoegen ziet dat een jongere generatie die de literatuur der toekomst naar haar hand tracht te zetten, hem volstrekt niet voor onfeilbaar houdt en hem alleen in zooverre duldt als zijn streven met het [ 40 ] hare gelijkloopt. Als wij winnen, dit ziet hij zeer goed in, is zijn oppermachtige positie, die hij door jarenlangen arbeid zich verworven heeft of meent zich verworven te hebben (dat komt voor de quaestie op hetzelfde neer) vernietigd, en zal hij in de naaste toekomst niet beschouwd worden als de man „die het weet” maar alleen als een verdienstelijk schrijver, zooals er meer en betere zijn geweest.
Dat staat hem waarschijnlijk niet alles zoo helder voor den geest, maar hij gevoelt het toch, meer of min onbewust.


Het herlezen van dit stuk heeft mij attent gemaakt op een paar artikelen door mij zelf enkele weken te voren geschreven voor het weekblad De Amsterdammer, en het herlezen van die artikelen voor mij een nieuw licht geworpen op een plaats in een brief van Huet.

Dezen brief, gedateerd 17 December 1885 en bestemd voor Jan ten Brink, den Leidschen professor, vindt men in Dl. II der bij Tjeenk Willink in 1890 verschenen verzameling. Maar het was mevrouw Huet die in haar schrijven aan mij van 22 Oktober'88 (men zie hierboven het derde hoofdstukje) de hier bedoelde plaats meedeelde. De door mevrouw Huet niet geheel volledig geciteerde plaats luidt als volgt:


Maar wat zal ik U zeggen? Gij en ik, en de ouderen in het algemeen wij voldoen die [ 41 ]
jongelieden blijkbaar niet. Zij zoeken iets anders en iets meer. Het beste wat wij kunnen is, een onderzoek naar onze eigen leemten in te stellen, en op onzen ouden dag aan onze zelfverbetering te gaan werken. Op die wijs zullen zij ons niet te eenemaal ontsnappen, en bestaat er kans dat zij ons hunne genegenheid blijven schenken.


Deze woorden, voorafgegaan door de verklaring dat de Lantaarn „tot heden" meer geest heeft dan de Nieuwe Gids, deden Kloos besluiten dat de verschijning van het orgaan der jongeren op Busken Huet toch wel eenigen indruk had gemaakt, ofschoon hij, schrijvende aan Ten Brink, hoogstens de eerste en de tweede aflevering in handen kon hebben gehad. Een andere vraag is echter of er eenige direkte aanleiding voor Huet kan zijn geweest om in dezen zin te spreken. Het is waar dat de blijkbaar al te bescheiden gestelde opmerking, een verzuchting bijna, in algemeene termen is gehouden en niet behoeft te doen denken aan iets als een persoonlijke ervaring. Dat men bij den N.G.-kring te maken had met een opstandige jeugd, was natuurlijk aan Huet niet onbekend, maar had hij een bepaalde reden om te meenen dat het jongere geslacht zich ook tegen zijn gezag zou verzetten?

In het bovenstaande opstel is gewezen op een artikel van den jongen Willem Kloos, Juli 1881 in den Spectator geplaatst, dat werkelijk een scherpen aanval deed op den zoowel gevierden als [ 42 ] gevreesden kritikus. Maar dit was ruim vier jaar geleden, en, indien Huet aan uitingen van dien kant eenige aandacht heeft geschonken, moet hem eerder een latere verklaring zijn bijgebleven. N.l. de door Kloos in zijn hier afgedrukten brief bedoelde artikelen, Augustus en September 1885 in De Amsterdammer verschenen.

Inderdaad bevatten deze stukken zeer „principieel” opgezette beschouwingen, door schrijver dezes gewijd aan de kritische methode van den auteur der Litterarische Fantasieën. De vorm moet Huet, die zelf wel eens in het Weekblad schreef, hebben doen glimlachen om de tamelijk plompe navolging van zijn eigen stijl door zijn jeugdigen bediller. Toch mag ook dit geschrijf als een teeken van den tijd in meer dan een opzicht worden aangemerkt. Want hoewel het van de hooge achting getuigt in onzen kring hem toegedragen, bewijst de vrijmoedigheid van den aanval dat onze strijdbare meening niemand ontzag. De strekking van het betoog bewijst naar ik geloof nog iets anders. Immers werd tegenover de manier van Huet die de te beoordeelen werken meestal uit den persoonlijken aard van den schrijver trachtte te verklaren, de historische methode gesteld waarbij voornamelijk naar algemeene, niet-individueele oorzaken wordt gezocht. En hoewel de medewerker aan De Amsterdammer zeker niet bij machte was het positieve bestanddeel van deze kritiek behoorlijk te ontwikkelen, vertegenwoordigden toch zijn aanmerkingen op de psychologische methode van Busken Huet, [ 43 ] hoe gebrekkig ook uitgedrukt, ongetwijfeld een eerste stap in een andere richting. In die richting heeft, zooals men weet, Herman Gorter vele jaren later gewerkt, toen hij in de „Litteraire bewegingen van '80", den invloed van algemeene of maatschappelijke oorzaken op de Nieuwe Gids-kunst onderzocht.

Dat Huet het weekblad van De Koo en Justus van Maurik ontving is wel zeker, en iets van een ernstig pogen in de tegen hem gerichte opstellen zal hij niet hebben miskend. Zoo kon hij er toe komen zijn korrespondent te Leiden in vertrouwen te vragen of het voor de ouderen niet tijd werd zich zelf te herzien. Men weet evenwel dat de jongeren, Busken Huet nemende zooals hij was, niet opgehouden hebben zijn nagedachtenis te eeren.

 

  1. Het geval Huet, door J. Saks. Groot-Nederland, Jaargang 1926, door de firma Brusse afzonderlijk uitgegeven.
  2. „Een schrijversleven", De Gids, Maart 1880.
  3. Afl. Juni, 1886.
  4. Brieven van Cd. Busken Huet, uitgegeven door zijne vrouw en zijn zoon. Haarlem. H. D. Tjeenk Willink, 1890; II, 346.
  5. Veertien jaar Litteratuur-Geschiedenis, 1904; II, blz. 196.
  6. De Gids, afl. November 1885.
  7. „De Gids weigerde Iris. Schimmel wees voor „Nederland” Persephone af met een gedrukt briefje, waarop hij eenige vriendelijke woorden schreef; de artikelen aan de Amsterdammer gezonden kwamen in den laatsten tijd wel eens met zeer dikke en boosaardige aanteekeningen van Dr. Pijzel terug".
    (Prof. Albert Verwey, Voor veertig jaar. „Handelsblad" van 30 September '25).
  8. Mijne Lente, door C. Honigh.
  9. Veertien Jaar Litteratuur-Geschiedenis, door Willem Kloos; 3e dr. 1904. I, 64.
  10. Verzamelde werken, X, bl. III.
  11. Huet zat omstreeks dezen tijd verdiept in de bronnenstudie voor zijn Land van Rembrandt. „Ik heb geen tijd", schreef hij nog aan Ten Brink, „om aan de pennevruchten van den dag meer dan vlugtig aandacht te schenken. Al mijne vrije uren gaan heen aan lezen van en over de 17e eeuw".
  12. „De toongever onzer critici—schrijft Kloos—voelde zich nog onlangs genoopt het liefste onder onze latere nieuwe bundeltjes als een aanprijzing der „kalverliefde" te kenschetsen". Het door hem bedoelde boekje is het Lied der Liefde door G. W. Lovendaal, niet ongunstig door Huet gerecenseerd in dezelfde verhandeling waarin Honingh's Geen Zomer wordt besproken: Nieuwe Nederlandsche Letteren 1885.(Verzamelde Werken, XX, bl. 192).
  13. Dat de latere beoefenaar van de psycho-therapie in zijn gesprek met de familie Huet tot deze vergissing aanleiding heeft kunnen geven, is begrijpelijk. Gelijk men weet, is Van Eeden gepromoveerd op een verhandeling over een toen nieuwe bestrijding van de longtering.
  14. De Gids, Jrg. 1916, afl. Augustus.
  15. Het Tooneel.
  16. Verzamelde Werken X 184.
  17. In het Tweemaandelijksch Tijdschrift, aflevering juli van dat jaar, is Pierson door Albert Verwey herdacht geworden. Op den omslag van dit nummer komt zijn naam nog voor onder de medewerkers.