Frank van der Goes Herinneringen Nieuwe Gids (1931)/2

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1 Litteraire herinneringen uit den Nieuwe-Gids-tijd van Frank van der Goes

2. De krisis in de „Nieuwe Gids"


[ 44 ]

TWEEDE HOOFDSTUK

DE KRISIS IN DEN „NIEUWE GIDS”

I

INLEIDING


Met de diepere oorzaken van de gebeurtenissen, die in de tweede helft van 1893 een eind maakten aan een bloeiend tijdschrift, laat het volgende verhaal van haar feitelijk verloop zich niet in. Zooveel is intusschen zeker, dat voor het juiste begrip van de inwendige toedracht men ook de uiterlijke omstandigheden moet kennen. En deze omstandigheden waren tot dusver niet of maar onvolledig bekend; bovendien is er reden om te gelooven, dat bij gebrek aan een authentieke uiteenzetting onnauwkeurige en zelfs onjuiste voorstellingen ingang hebben gevonden. Zoo hetgeen hier volgt, dus, geen eigenlijke geschiedenis mag heeten, zal het toch onmisbare bouwstoffen tot de geschiedenis bijdragen en hetzij een leemte aanvullen of een legende vervangen.

Dat hiermede een werk van eenige beteekenis wordt verricht, zullen ook zij niet willen ontkennen, die naar den gang van zaken niet nieuwsgierig meer zijn of zelfs gewenscht hadden dat men er over was blijven zwijgen. Daarvoor is echter alles wat met den Nieuwe Gids is voorgevallen te belangrijk voor die periode van onze letteren, en van de letteren niet alleen. De krisis die van zijn [ 45 ] vroeger zelf, na eenigen tijd als een beschamende karikatuur te zijn voortgezet, niet meer dan een flauwe schaduw overliet, ook die krisis verdient een beschrijving.

Want de Nieuwe Gids was meer nog dan een bloeiend tijdschrift, hij was het orgaan van geheel een generatie in litteratuur, kunst, politiek en enkele vakken van wetenschap. Of zonder de ramp die na een bijna tien-jarig bestaan de uitgave overviel, haar opgang nog lang zou hebben geduurd, mag men betwijfelen. Er bestond tusschen haar twee voornaamste rubrieken, de litteraire en de politieke, een tegenstelling, die reeds eerder de aandacht begon te trekken.[1] Als het kamp van de jeugd, als het loopveld van de oppositie, vereenigde de Nieuwe Gids socialisten en radikalen met de dichters en de kritici tot een gemeenschappelijken strijd. Weldra kreeg in de niet-litteraire afdeeling het socialisme de overhand, en ofschoon de antisocialistische gezindheid bij niemand der anderen al zoo sterk was geworden dat men daarom den inwendigen vrede zoude hebben verstoord, zou toch [ 46 ] aan het samengaan van socialisten en niet-socialisten ook in dit verband waarschijnlijk vroeg of laat een eind zijn gekomen. Andere groepeeringen dan door de saamhoorigheid van den leeftijd geboden, konden bij de ontwikkeling van de arbeidersbeweging niet lang uitblijven—welke beweging, bovendien, mettertijd aan een afzonderlijk theoretisch propaganda-orgaan behoefte kreeg. Aan den anderen kant mag worden herinnerd dat de dochter-tijdschriften van den Nieuwe Gids, door het verleenen van onbeperkte gastvrijheid aan socialistische medewerkers, getoond hebben een traditie uit den goeden ouden tijd te willen bestendigen. Een tegenstelling van geheel anderen aard moet voor den val van het moeder-tijdschrift aansprakelijk worden gehouden. Gebrek aan onderlinge waardeering en aan eensgezindheid bij de litteraire redaktie: onder dezen druk was in de laatste tijden een band verzwakt die toen eensklaps scheurde en zooals spoedig bleek niet meer kon worden hersteld. De bloei zelf van de onderneming, kan men zeggen, heeft haar ondergang verhaast. Immers toen de overwinning op de gezamenlijke tegenstanders was behaald, maakten de onderlinge geschillen zich voelbaar, die zoo zij al eerder bestonden, door de kameraadschap van de moeilijke beginjaren onderdrukt waren geworden. „De ontkenning der voorafgaande litteratuur": spoedig na de ineenstorting, Maart '95, schrijvende, verklaarde Van Deyssel dat de „N.G.-schrijvers, essentieel verschillende in geestelijke genealogie en kunst, [ 47 ] alleen dit negatieve gemeen" hadden. Geen wonder, dus, dat zoodra deze ontkenning hun niet meer werd betwist, de zoo sterk positieve invloeden van meeningsverschillen—en persoonlijke wrijving de samenwerking verstoorden.

Het zijn hoofdzakelijk twee redenen die den schrijver deden besluiten thans op te teekenen wat hem van deze zaak bekend is geworden. Ten eerste is hij van meening dat het verhaal van de scheiding niet wachten kan op de verdwijning van de direkt daarbij betrokken personen. Al zouden met hen wel niet de stukken verdwijnen waaruit het verhaal desnoods kon worden opgemaakt, is het toch zeker dat de beteekenis van sommige stukken en hun onderlinge samenhang het beste aangewezen kunnen worden door een der deelgenooten. Nog verscheidene deelgenooten en getuigen van de te beschrijven gebeurtenissen zijn in leven; een ander voordeel van de publikatie zonder verder uitstel kan men zien in de daarmee geboden gelegenheid tot verbetering indien het door een hunner gegeven verslag door anderen onjuist zou worden bevonden.

Maar behalve dat de tijd dringt om tot de uitgave over te gaan, dringt ook een persoonlijke overweging. Het verloop der gebeurtenissen heeft nl. in handen van den schrijver dezer bladzijden een aantal dokumenten achtergelaten, welke in andere handen waarschijnlijk minder bruikbaar zouden zijn dan in de zijne. Van nog meer gewicht misschien beschouwt hij de omstandigheid dat de krisis zelf in zekeren zin buiten hem om is gegaan, [ 48 ] immers stond hij geen partij in de artistieke meeningsverschillen en evenmin in de daaraan verbonden veeten tusschen personen. En ofschoon ook zijn partikulier belang zoowel als het belang van de zaak die hij in het bijzonder als mederedakteur van den Nieuwe Gids vertegenwoordigde, niet buiten het snoode spel zijn gebleven dat met het tijdschrift is gespeeld, behoort dit leed tot de ervaringen die lang vergeten zijn wijl het gevolg al zeer spoedig werd overwonnen. Zoo meent hij te kunnen zeggen het voorgevallene van nabij te hebben aanschouwd, zonder er zoo diep bij betrokken te zijn geweest dat een onpartijdige terugblik van hem niet kan worden verwacht... Nu of nooit—gij of niemand: tegen deze uitkomst van zijn overleg konden de bezwaren niet opwegen ook voor hem aan het schrijven over dit verleden verbonden.

Op volledigheid maakt het overzicht geen aanspraak, de lezer zal veeleer eenige keeren vernemen dat gegevens ontbreken en vragen onbeantwoord moeten blijven. Zooveel mogelijk is echter de nauwkeurigheid betracht, en werd niets met eenige stelligheid beweerd dat niet met het aanwezige materiaal bewezen kon worden.

Voor zoover het meedeelen van partikuliere brieven geen moeilijkheden ondervond, wordt daarvoor aan de schrijvers dank betuigd. Nog zij hier verklaard dat de welwillende ontvangst van deze bijdrage door de redaktie van het maandschrift Groot-Nederland de laatste bezwaren van den schrijver heeft weggenomen.

[ 49 ]

II

SCHEURING IN DE REDAKTIE


De eerste aflevering van den negenden jaargang, gedateerd Oktober 1893, verscheen onder de redaktie van Willem Kloos alléén. Verdwenen waren de namen van drie der oude redakteuren, waarbij behalve P.L. Tak, twee mede-oprichters en mede-eigenaren van het tijdschrift: Frederik van Eeden en F. van der Goes.

Eenige zakelijke mededeeling over deze nieuwigheid bevatte het nummer niet; eerst toen de jaargang voor de helft verstreken was en de lezers zich hadden kunnen overtuigen dat de verandering waarlijk niet alleen de titelpagina betrof, gaf de redakteur hun rekenschap van het gebeurde. Slechts in een aan het begin der aflevering gedrukt sonnet, gedateerd 20 September, had hij zijn vorige mede-redakteuren een afscheid toegeroepen dat blijkbaar ook voor anderen was bestemd:


ZELF-BEWUSTZIJN

DOOR

WILLEM KLOOS

Voor de jongste generatie.

Geslacht, dat was en thans verdwijnt, wees stil maar,
Raap niet dees vloeken voor uw voet gestrooid,—

[ 50 ] Verdorden zijt gij, zonder dat gij ooit
Hadt kunnen bloeien, schoon 't uw eigen wil waar.

Ik zal u allen, rakkers op de bil maar
Zoo even meppen, knaapjes, die daar gooit
Naar 't Hoog Gebouw dat door Mijn Zuivren Wil daar
Staat, Monument van 't Hollandsch volk vermooid

Door Hem, die is ons aller Heer en Koning,
Hem, onbegrijplijk, troonend in 't Onstoflijk,
Ondenkbre Zijn, waarvoor geen naam noch woord is,–

Dien ik belijd uit dees mijns diepst zijn Woning,
God, dien ik weet, dat Die mij altijd schoort, is,
Tot waar al zielen schittren, onverdoflijk.


Niet licht, intusschen, zal men uit dit klinkdicht—evenmin als uit het andere stuk: „inleiding tot de tweede reeks der Nieuwe-Gids-jaargangen”—de ware toedracht kunnen opmaken van een ommekeer welke binnen enkele maanden na het verschijnen van gezegde „inleiding” de uitgave zou doen staken.

Over een verandering in de redaktie hadden de leden reeds langer dan een jaar geleden met elkaar gesproken en zelfs reeds een afspraak gemaakt. De bedoeling was dat Herman Gorter, toen nog alleen als dichter bekend, de litterarische rubriek zou helpen verzorgen die onder het langdurig zwijgen van Kloos geleden had. De redakteur-sekretaris van [ 51 ] wiens hand in den geheelen jaargang '92—'93, behalve enkele verzen, slechts een stukje van twee of drie bladzijden als letterkundige kroniek was verschenen, had tegen deze uitbreiding van onzen kring in het begin geen bezwaar gemaakt. Ook Gorter zelf die als medewerker van den N. Gids onder de jonge poëten een eerste plaats had ingenomen, toonde zich niet ongenegen om aan onze wenschen te voldoen.

Gisteravond heeft de redaktie van den N.G. met vreugde vernomen, dat je genegen bent als redakteur op te treden... Je zult er van Kloos nader over hooren...

Zoo schreef ik op 24 September 1892 aan Gorter, hem verzoekende reeds voor de Oktober-aflevering een bijdrage af te staan, en zoo mogelijk de volgende redaktie-vergadering bij te wonen. Daarna, echter, bleek een der redakteuren, de sekretaris, van meening veranderd te zijn, en op zijn houding is het plan blijven stuiten dat althans den plotselingen val van het tijdschrift, mag men veronderstellen, zou hebben verhoed.

Naar de redenen die Kloos bewogen hebben het besluit van de redaktie onuitgevoerd te laten, kan men enkel raden; des te zekerder laten de gevolgen zich vaststellen van het feit dat over het lot van den Nieuwe Gids besliste. Na nog eens in een aparte bijeenkomst te Bussum, 15 Januari '93, de zaak onderling te hebben besproken, verklaarden de drie [ 52 ] overige leden in een op 28 April ten huize van den sekretaris gehouden redaktie-vergadering dat zij met de van hem ondervonden tegenwerking geen genoegen konden nemen. Blijkens een aanteekening in mijn agenda voegden Van Eeden en Tak er bij dat zij, om die reden, de geheele verantwoordelijkheid voor de leiding aan Kloos wilden overlaten en na afloop van den jaargang nog slechts als medewerkers hun naam zouden kunnen geven. Als het in 't bijzonder door Tak uitgesproken motief noteerde ik:


Autocratische handelingen van Kloos tegenover Gorter, als redakteur door de anderen gewenscht.


en wat mijn eigen houding betreft:


Heb mijn redakteurschap voor politiek gereserveerd.


Bij de samenstelling van de titelpagina voor den nieuwen jaargang, moet men besluiten, is willekeurig te werk gegaan: van het aanbod der twee afgetreden redakteuren om als medewerker vermeld te worden, heeft Kloos geen gebruik gemaakt en den naam van den derden heeft hij eigenmachtig geschrapt.

[ 53 ]

III

EERSTE POGING TOT HERSTEL MISLUKT


Een poging tot herstel is uitgegaan van den schrijver dezer herinneringen toen de eerste aflevering van den jaargang 1893—'94 einde Oktober of begin November was verschenen.

Te voren had ik onzen sekretaris schriftelijk nog eens verzocht met mijn hem bekende wenschen rekening te houden.[2]


Ik heb—schreef Kloos mij 11 Oktober terug — zooeven je brief gelezen. Ik kan je niets er op zeggen dan dit: Ik houd je voor een eerlijk man en zal, als je bij mij komt, je gaarne de hand drukken. Verder heb ik niets te zeggen dan: zie de werkelijkheid.


Op dit ontwijkend antwoord meende ik niet te moeten ingaan.

In een voor het dagblad De Amsterdammer bestemde meedeeling schreef ik over mijn spoedig mislukt plan o. a. het volgende:


In den zomer van het vorig jaar gaven de heeren Van Eeden en P. L. Tak te kennen, dat zij uit de redaktie van het tijdschrift wenschten te treden. Mijn plan was dit niet, gelijk ik wat later, [ 54 ]
toen de aflevering van Oktober '93, de eerste van den nieuwen jaargang, verschijnen zou, aan den vierden redakteur berichtte. Ik vertrouwde, dat de heer Kloos, met wien ik sedert 1885 samen werkte, daarvan nota zou nemen.
De Oktober-aflevering verscheen—zonder mijn naam op den omslag. Een poging om mondeling van den heer Kloos opheldering te verkrijgen, mislukte; een tweede deed ik niet. Ik wendde mij tot de heeren Van Eeden en Verwey, met Kloos en mij, oprichters-eigenaren van den Nieuwe Gids, om gezamenlijk maatregelen te nemen ten einde aan het machtsmisbruik van den sekretaris een einde te maken.
Van Eeden gaf mij volmacht te doen zooals ik wilde, Verwey wilde liever nog niet optreden. Daarmede was mijn initiatief voorloopig onmogelijk geworden...


Verkregen was de bedoelde toezegging, die ook in het vervolg van deze zaak ter sprake zal komen, bij een bezoek door mij op 17 November aan Van Eeden gebracht, met deze woorden toen opgeteekend:


Volmacht om als eigenaar van den N.G. te handelen, samenstellen van een andere redaktie.


Van zijn kant had Albert Verwey mij zijn inzichten te kennen gegeven als antwoord op een brief van 18 November.

[ 55 ] Omstreeks Juni—had ik hem geschreven—hebben Tak en Van Eeden op een bijeenkomst van de toenmalige N. Gids-redaktie hun plan meegedeeld tegen 1 Oktober hun lidmaatschap van de redaktie op te geven.[3] Ik heb toen gezegd mijn houding te zullen bedenken, dat ik geen redenen had om te doen als Van Eeden en Tak.

Tot Kloos speciaal zeide ik dat wij bij gelegenheid eens moesten konfereeren om de zaken te regelen. Daarvan is niets gekomen... en ik schreef circa half Oktober aan Kloos om hem mijn besluit mede te deelen dat ik mij niet terugtrok als redakteur. Ik ontving van hem een welwillend antwoord, maar zonder vermelding van den zakelijken kant van mijn brief.[4]

De vervolgens verschenen aflevering verbaasde mij daar aan het besluit van Van Eeden en Tak geen uitvoering was gegeven, nl. om hunne namen als medewerkers te plaatsen op den omslag. Mijn eigen naam vind ik buiten op de aflevering niet en binnen-in aangeduid op een desobligeante manier...

Na gezegd te hebben dat ik er niet aan dacht hem [ 56 ] op eenigerlei manier te hinderen en bij iedere schikking althans het stoffelijk belang van Kloos te willen behartigen, maar ik toch den ondergang van het orgaan niet werkeloos kon aanzien, deed ik een beroep op Verwey[5] als een der stichters en eigenaren om mijn poging te steunen. Ik legde hem ten slotte de vraag voor of hij geneigd zou zijn aktief op te treden bij de vorming van een nieuwe redaktie, of ten minste het voorbeeld van Van Eeden te volgen zoodat ik namens een meerderheid van rechthebbenden zou kunnen handelen.

Het antwoord van Albert Verwey, gedateerd 2 November, Noordwijk aan Zee, laat ik hier onverkort volgen:


Je vraagt me in je brief iets waar ik zelf ook al dikwijls over heb nagedacht. Je begrijpt wel dat ik niets liever wenschen zou dan dat de N.G. weer een bruikbaar tijdschrift werd. Maar ook nu, nu ik de laatste paar dagen weer alles in mijn hoofd er voor onderste boven heb gehaald, kan ik tot geen andere conclusie komen dan dat het afzetten van Kloos daar niet de goeie weg toe is.
Ten eerste: zonder Versluys is het onmogelijk. Ten tweede: met Versluys zal het zoo vol verdriet en moeilijkheden wezen dat het ons spijten zou het te hebben aangehaald. Ten derde: Kloos en N.G. hooren samen—hij was altijd het hoofd er van—de schrijver van de „leading articles”—de aesthetische toets. Een formeel [ 57 ] recht als dat van ons als eigenaars heeft tegen dat zedelijk recht voor mijn gevoel weinig in te brengen. Daar komt bij: jij zou de eenige zijn met een zuivere positie—noch Van Eeden, noch mij zou het fraai staan eerst uit de redaktie te gaan, en dan voor den dag te komen, als de overgebleven redaktie onzen zin niet doet.
Kloos zijn doen is mij uiterst onaangenaam en zijn optreden tegen jou vind ik, ja te min om bestraft te worden—en verdere leelijkheden voorkomen, ik deed het graag als ik een beter middel er toe zag dan dit.
Naar mijn meening zal het beste zijn af te wachten—Kloos beleedigt grootere belangen dan onze persoonlijke door zijn dichterlijke eigenmachtigheid, en ten slotte zal de gezonde behoefte van schrijvers en lezers hem en ons brengen op onze behoorlijke plaats.
Ben je dit met me eens, dan zul je net als ik je kracht besparen om liever door je werk positief goed te doen, dan door tegen hem op te treden mogelijk nog grooter kwaad.


Geheel in denzelfden geest schreef mij L. van Deyssel, wien ik dit voorstel had gedaan:


Ik geef je het volgende in overweging: wil je deel uitmaken van een redaktie van het tijdschrift den Nieuwe Gids wanneer je daarvoor door de meerderheid van de eigenaren wordt uitgenoodigd?

[ 58 ]

De positie is zoo: Van Eeden heeft mij zijn volmacht gegeven, van Verwey wacht ik nog bericht. Ik zal mijn best doen dat namens de eigenaren een nieuwe redaktie wordt samengesteld, de tegenwoordige redakteur zal m.i. het bestaan van de N.G. in ernstig gevaar brengen. Afgescheiden van andere bedenkingen, is dit feit voldoende om ons te dwingen maatregelen te nemen. Wanneer je mijn vraag toestemmend beantwoordt, zal ik die vraag later herhalen zoodra ik zeker ben van de medewerking van anderen, om je in de gelegenheid te stellen na te gaan of je met het lijstje tevreden kunt zijn.


Blijkens zijn antwoord wenschte Van Deyssel, om zoowel persoonlijke als litteraire redenen geen deel te hebben aan eenige oppositie tegen Kloos; echter verklaarde hij zich bereid toe te treden tot een eventueel uit te breiden redaktie waarvan Kloos de sekretaris zou moeten blijven.

Op den zelfden dag dat ik de medewerking vroeg van Van Deyssel, riep ik de bemiddeling in van den uitgever Versluys.

De heer Versluys, moet men weten, was slechts de administrateur, niet de eigenaar of mede-eigenaar van het tijdschrift. Een in rechten geldig kontrakt tusschen de oprichters-eigenaren onderling en van hen met den uitgever, bleek echter, toen een zoodanig stuk nuttig had kunnen zijn, niet te bestaan. Daarom kon de heer Versluys die voor zijn bemoeiingen een zeker percentage van de [ 59 ] abonnementsgelden ontving, gebruik maken van het voorwendsel dat hem de eigendomsverhoudingen van den Nieuwe Gids onbekend waren, en dat hij enkel de orders had uit te voeren van den redakteur-sekretaris, den eenigen persoon die tot dusver tegenover hem, den administrateur, als eigenaar was opgetreden. Zooals ook Verwey mij deed opmerken, kon in deze omstandigheden niets ondernomen worden buiten Versluys om en nog minder kon iets beslist worden tegen zijn zin. Een ander gevolg van zijn houding was dat de overige oprichters-eigenaren, van alle beschikking over het onderpand beroofd, niet te min tegenover de aandeelhouders of geldschieters aansprakelijk bleven voor de door of namens hen opgenomen sommen; inderdaad kwamen van dien kant, na de opzienbarende verandering van redaktie, enkele reklames in, waarvan echter na verkregen inlichtingen geen verder werk werd gemaakt.

Terecht gevoelende, waarschijnlijk, dat het door hem ingenomen standpunt iedere aanraking met de niet erkende redakteuren verbood, liet de heer Versluys mijn verzoek onbeantwoord—dat ik, na de adviezen te hebben ontvangen van Verwey en Van Deyssel niet herhaalde.

Ziehier wat ik o.m. had geschreven:

De schikking die ik voorstel is:
Kloos trekt zich terug als redakteur, hij ontvangt jaarlijks vast ƒ 600 en een nader te bepalen honorarium als medewerker. Hij richt geen ander [ 60 ] tijdschrift op, noch werkt aan een ander tijdschrift mede op verbeurte van zijn toelage. De volgende aflevering vermeldt de namen van de nieuwe redakteuren en bericht dat Kloos als redakteur is afgetreden en als medewerker aan de N.G. verbonden blijft. Ik heb eerst aan een andere schikking gedacht en Kloos daarover geschreven. Maar hij heeft mij niet geantwoord, daarna zijn een paar weken verloopen die ik noodig had om mij tot den door hem gewilden strijd klaar te maken.
Dringend noodig ik u thans uit in den bedoelden zin als bemiddelaar op te treden. De meerderheid van de eigenaren kunnen (geloof ik) Kloos niet dwingen als redakteur af te treden, maar zij kunnen de aflevering maken zooals hun goeddunkt, wat voor Kloos hetzelfde is als geen redakteur te zijn. Bovendien kunnen zij hem ontslaan als sekretaris (natuurlijk zonder finantieele schade). Is het in die omstandigheden niet beter dat hij uit eigen beweging heengaat? Als Kloos meent dat het noodig is, laat hem dan een eigen orgaan vestigen.[6]Ik begrijp niet hoe hij het met zijn waardigheid kan vereenigen: de resultaten die door ons aller jarenlangen arbeid zijn verkregen, te willen gebruiken voor zich zelf. Niet de geldelijke maar de andere resultaten, meen ik. Laat hij eerlijk aftreden, en niet [ 61 ] de groote meerderheid naar zijn hand willen zetten, wat hem in geen geval zal gelukken.
Ik heb aan Clausen meegedeeld, dat wat hij van heden af doet, niet is voor rekening van de N.G.-eigenaren. Zoo noodig zal hem dit per deurwaarder worden aangezegd. Deze soort middelen zijn onaangenaam, maar van deze soort heeft Kloos zich bediend toen hij bij Mr. B. informeerde of hij mij zonder gevaar uit de redaktie kon stooten. B. heeft geantwoord: ja, als v.d. G. niet procedeert.—Geweld gebruiken zal ik niet als het niet noodig is. Het is geen onderwerping die ik van Kloos verlang, het is geen nederlaag die hij zal lijden, het is een treden uit een kring waarvan hij de meesten haat en veracht.


Voorloopig was hiermee de korrespondentie over deze zaak gesloten.

Hoe het kwam dat dit eerste initiatief juist van den tegenwoordigen schrijver is uitgegaan, vereischt wellicht nog een woord van opheldering.

Gelijk men gezien heeft, had ik mij van het begin der wrijving in de redaktie af, mijn houding voor de politieke rubriek gereserveerd. En om dezelfde reden dat ik mijn rechten wenschte te handhaven, gevoelde ik in 't bijzonder de verplichting om het tijdschrift te helpen redden; de Nieuwe Gids was nl. tevens het orgaan geworden van het onder de jongere intellektueelen opkomende socialisme. Onze vriend Tak, wiens politieke [ 62 ] overzichten sedert eenigen tijd zeer opgemerkt waren geworden, maar die in deze jaren nog niet de eigenlijke socialistische beginselen vertegenwoordigde, had bovendien evenals Van Eeden, reeds vrijwillig afstand gedaan. Mijn positie was dus niet alleen, zooals Verwey zeide, zuiverder, maar zij bracht ook, als die van een buiten den N. Gids niet op die wijs vertegenwoordigde richting, grootere aansprakelijkheid mee.


IV

EEN TWEEDE POGING INGESTELD


Een half jaar later, toen de gevolgen van het gebeurde niet meer door iemand konden worden betwijfeld, en de zaken van den N.G. een voor alle vrienden van het tijdschrift diep beschamend aanzien hadden verkregen, een half jaar later hervatte ik mijn poging—ditmaal niet alleen gesteund maar aangespoord door mijn vriend Verwey. Het verschil bij vroeger was dat zij nu in onzen kring algemeene instemming en medewerking vond; alleen de veranderde houding van een der oude redakteuren deed de thans vereenigde poging mislukken.

Over het begin van dit tweede optreden noteerde ik in mijn boven genoemde uiteenzetting:

„Einde April ontving ik bezoek van den heer Verwey, die toen den tijd gekomen achtte. Wij begaven ons naar den heer Versluys, den [ 63 ] uitgever-administrateur van het tijdschrift, en spraken met hem of dat hij en Verwey met Kloos zouden gaan spreken over een te maken schikking. Dit onderhoud leidde tot niets dan tot de overtuiging dat geen schikking mogelijk was". Bijzonderheden over deze bespreking kunnen niet worden meegedeeld.

Uit twee brieven die Willem Kloos ongeveer tegelijk moet hebben ontvangen, kan men opmaken wat de schrijvers zich voorstelden en waarom zij juist toen weer van zich lieten hooren.

Albert Verwey schreef 23 April het volgende:

Ik ben vandaag Versluys wezen spreken over deze aangelegenheid.
Ik heb indertijd aan Tak verklaard mee te willen werken tot een regeling, waarbij ik mijn eigendom in den Nieuwe Gids aan jou overdroeg.
Ik verwachtte toen dat er spoedig een onderling overleg tusschen eigenaars, uitgevers en Tak als administrateur zou plaats hebben, waarbij de zaak dan wat mij aanging beklonken werd.
Ongelukkig heb jij kort daarop door je met Goes te brouilleeren, dat gemeen overleg onmogelijk gemaakt. Ik vond dat jammer, maar begreep dat wachten het beste was, in de hoop dat de toestand zoo zou worden dat we met elkander konden beraadslagen.
Maar nu ontving ik eergisteren een bericht van je, waarbij je me kennis geeft dat je 't secretariaat van de N.G. aan P. Tideman hebt overgedragen. Terwijl nog niets geregeld is, terwijl ik voor mijn deel en Goes en Van Eeden voor [ 64 ] het hunne, nog aansprakelijk zijn tegenover de aandeelhouders, terwijl Tak nog verantwoording schuldig is aan jou en ons gezamenlijk, terwijl Versluys nog met vier eigenaars heeft af te rekenen, draag jij het ambt dat de trait d'union is tusschen al die belangen en betrekkingen over aan dien tot ons in geen betrekking staanden vriend.
Wil jij morgen heelemaal er uitgaan, of sterf je, dan is het pand waarop geld geleend is, het pand voor het onderhoud waarvan Versluys, Tak en wij vieren alleen aansprakelijk zijn, in handen van iemand die, van ons onafhankelijk, meenen kan aan ons niet verantwoordelijk te zijn.
Dit is, dunkt me, onverdedigbaar.
En naar mijn meening—en dat heb ik Versluys gezegd—is Versluys niet gerechtigd het tijdschrift uit te geven onder een redaktie die zich buiten de eigenaars om heeft gekonstitueerd. Naar mijn meening ook zou het zelfs onverantwoordelijk van hem zijn als hij met het uitgeven van het tijdschrift voortging zonder dat in de onderlinge belangen is voorzien.
Als ik je een raad mag geven—en dit schrijven wil niets als een raad zijn—wees jij dan de eerste om zoo'n regeling voor te stellen. Spreek er dan met Versluys over als hij bij je komt.


De eigendomskwestie in het reine brengen en de daarbij betrokken verplichtingen van den uitgever [ 65 ] vaststellen: dit, dus was wat naar het inzicht van Verwey vooraf moest gaan aan maatregelen die hij voorloopig ongenoemd liet.

Welke maatregelen ik zelf op het oog had liet ik aan Kloos weten in dezen brief van 24 April:


Ik wil niet zonder uw voorkennis handelen in zaken waarbij gij betrokken zijt en geef u dus bericht dat ik niet langer genoegen neem, als mede-eigenaar van den N. Gids, met de wijze waarop gij als redakteur-sekretaris de redaktie sedert 1 Oktober 1.1. voert. De boodschap dat voortaan P. Tideman dat ambt zal waarnemen, is slechts de direkte aanleiding tot de stappen die ik wensch te nemen, zoodat, ook al werd zijn benoeming ingetrokken, ik evenwel zou handelen.
Ik hoef niet terug te komen op wat gebeurd is, en gij zult dienaangaande geen enkel onaangenaam woord van mij hooren. De maatregelen die ik dadelijk in Oktober-November wilde nemen, kon ik niet doorzetten omdat er geen eenheid was bij de andere eigenaren van den N.G. De voornaamste medewerkers wisten niet wat zij doen moesten, wilden afwachten wat gebeuren zou in en met het tijdschrift zelf. Nu is bij allen wien het aangaat overeenstemming gekomen; de algemeene opinie is dat de N.G. nog maar een karikatuur schijnt van wat hij was...; en Versluys heeft mij als zijn vaste overtuiging gezegd dat tegen Oktober a.s. zooveel inteekenaren zouden bedanken, dat het bestaan van den N.G. [ 66 ] onmiddellijk bedreigd zou zijn. Gij kunt wel denken dat het de plicht is van de eigenaren—ook tegenover de aandeelhouders waarvan sommige mij lastig vallen—den ondergang van het tijdschrift te voorkomen. Bovendien kunt gij hun niet kwalijk nemen, dat zij er geen lust in hebben om het tijdschrift waaraan zij zooveel jaren hebben gewerkt, dat zij met elkaar groot gemaakt hebben, zonder zich te bewegen zullen laten verloopen, en allerminst nu werkeloos blijven, nu gij als redakteur-sekretaris iemand hebt aangesteld dien zij in geen enkel opzicht vertrouwen.
De overeenstemming tusschen de eigenaren onderling en met de vroegere medewerkers zal er toe leiden dat zij, liefst in overleg met u, een nieuwe redaktie benoemen. Ik heb Versluys verzocht je hierover te spreken. Ik kan alleen raden dat je dit overleg niet afwijst. Er kan niets goeds uit voortkomen dat een zich verzet tegen drie die elk zooveel recht hebben als een. In het midden latende hoe ge over deze drie moogt denken, gij kunt hun niet zooveel lankmoedigheid toeschrijven dat zij zwijgende zullen aanzien hoe hun gemeenschappelijk aandeel verroekeloosd wordt. Versluys kan noch mag op deze manier voortgaan. Hij handelde met u als sekretaris, dat is als gemachtigde van de redakteuren-eigenaars, niet met u als eigenaar-alleen. Moet het nu zoo ver komen, dat de meerderheid van de redakteurs-eigenaars hem een anderen sekretaris aanwijst? Dat de meerderheid, buiten [ 67 ] u om, een redaktie benoemt en een aflevering bezorgt? Ik zeg uitdrukkelijk dat ik dit niet verlang. Dat is in uw handen. Meent gij niet met de anderen verder te kunnen samenwerken, trek u dan terug en probeer niet te dwingen wat zich niet dwingen laat. Kunt gij die realiteit niet zien zooals ze is? Denkt ge dat menschen die minder spreken over hun wil, er daarom geen hebben? Doe dus van twee dingen een: accepteer ons recht en onze bevoegdheid; of, leg u neer bij het onvermijdelijke en neem een ander orgaan.
Zoolang de N. Gids het eenigszins betalen kan, blijft uw toelage[7] verzekerd, laat dus dit element buiten beschouwing.
Ik heb vroeger geen reden gevonden de quaestie te komen bespreken, omdat in de gegeven omstandigheden met praten niets was te doen, en slechts de feiten konden beslissen. Het feit is nu, dat eigenaren en medewerkers den tijd gekomen achten voor een reorganisatie van den N. Gids. Deze brief is een uitsluitend persoonlijke poging om overbodige onaangenaamheden te voorkomen.


De aanstelling van een redakteur-sekretaris—en welken!—, het eigenmachtig leggen van de leiding in andere—en juist in die—handen, dit, blijkt het, was de daad geweest die de maat van de ergernis had volgemeten en de laatste aarzeling verdreven. Het andere feit door deze beide brieven [ 68 ] vastgesteld, is dat met den uitgever in overleg was getreden en hij eindelijk de beteekenis had ingezien van een toestand welke voor hem enkel uit zijn koopmansboeken kon spreken.

Ook ditmaal antwoordde Kloos met het voorstel tot een mondelinge bespreking—een voorstel dat mij, na het optreden van den onuitsprekelijken kollega, bij wien onze vriend, in het naburige Sloterdijk, zijn intrek had genomen, minder dan ooit aannemelijk moest schijnen.


Naar aanleiding van je brief—schreef mij Kloos—zou ik je gaarne eens willen spreken. Ik ben hier gevestigd. Als je me je trein seint, kom ik je van 't spoor halen en kunnen we rustig praten.


Den dag na de ontvangst van deze briefkaart, 27 April, verzond ik nogmaals een uitvoerig epistel, opgesteld na een nieuw gesprek met den heer Versluys dat aan den loop van zaken, naar wij dachten, een beslissende wending had gegeven.

Verdere bespreking met den afgetreden redakteur-sekretaris hield ik, in die meening, voor overbodig. Immers had de heer Versluys ons verklaard dat hij de April-aflevering niet meer onder de nieuwe redaktie wenschte uit te geven. Ook aan den drukker was meegedeeld dat hij geen andere kopie had aan te nemen dan hem namens de rechthebbenden zou worden toegezonden.

Wat nu nog een vraag blijft is dus alleen: zult [ 69 ] gij nog als mederedakteur uw rechten gebruiken of daarvan, tijdelijk of voor goed, afstand doen? Van uw rechten als eigenaar kan noch wil men natuurlijk u ontzetten. Ook geloof ik niet dat iemand onzer bezwaar zou maken u als mederedakteur te blijven beschouwen; als redakteur-sekretaris evenwel zullen wij u niet meer kunnen erkennen... Trouwens—gij hebt zelf ten bate van Tideman afstand gedaan.


De N. Gids, ging ik voort, ligt op sterven; in het eerste halve jaar hebben honderdvijftig geabonneerden het tijdschrift opgezegd; zelfs moet men verwachten dat de loopende jaargang wegens gebrek aan kopie gestaakt zal moeten worden: voor de aflevering die op 1 April had moeten verschijnen is nog maar 2 of 3 vel aanwezig.


Gij hebt de medewerkers, op wier hulp de N.G. in goede en minder goede tijden gedreven heeft: Gorter, Van Eeden, Verwey, Veth, Van Deventer, Van Deyssel, Ary Prins, Van Looy, Aletrino, Tak, Van der Goes, en eenige lateren, o. a. juffr. Van der Schalk, vervreemd van het tijdschrift. Literarisch mogen de motieven die u hebben geleid zoo achtenswaardig mogelijk zijn, men vult de afleveringen niet met motieven maar met kopie. Gij kunt als kritikus mogelijk gelijk hebben, als redakteur hebt gij zeker gefaald. Literarisch wil ik niet twisten, maar ik vraag wat de lezers van den N.G. aan intellektueel gehalte [ 70 ] hebben gekregen? God—Oranje—anti-socialisme—moffenhaat: zij waren, zoo niets beters, dan toch iets anders gewend. Wat hebt gij u van het N. Gids-publiek voorgesteld?... Dit publiek rekent zich zelf tot het meest geavanceerde, tot het beste van de Hollandsche beschaving, en nu moet het plotseling genoegen nemen met idealen en ideeën die nu eenmaal als reactionnair of zelfs als inhoudsloos bekend staan... In één woord, om den N.G. te behouden, moeten wij zelf weer de leiding nemen.


Nogmaals drong ik er bij Kloos op aan dat hij zou erkennen als leidend redakteur in gebreke te zijn gebleven—een beschouwing, herhaalde ik, die zijn litteraire persoonlijkheid in al haar waarde kon laten. De brief eindigde met deze meedeeling:


In plaats van een partikuliere bespreking, waarvoor ik ook waarlijk geen tijd zal kunnen vinden, moet ik u namens de overige eigenaren-redakteuren van den Nieuwe Gids verzoeken, Maandag 30 April om 8 uur 's avonds, een vergadering van de eigenaren-redakteuren bij te wonen, bij mij aan huis: Nicolaas Beetsstraat 1 (N. Amstel). Mede uitgenoodigd zijn de uitgever Versluys en Tak, als administrateur.


Agenda:
1. Samenstelling van de April-aflevering,
2. Benoeming van een voorloopige redaktie,

[ 71 ]

3. Meedeelingen van Versluys en van Tak.
etc.
(Ik denk niet dat Van Eeden zal komen, die mij generale volmacht heeft gegeven).


Men ziet het: aan de overtuiging dat de zaak thans gewonnen was, ontbrak weinig of niets meer; inderdaad waren, zooals men hooren zal, enkele redaktioneele werkzaamheden reeds verricht; als het eenige onzekere element in den toestand beschouwde men de door Willem Kloos aan te nemen houding. Verzekerd als men was van den steun der medewerkers, van de bereidwilligheid van den uitgever en van de eensgezindheid onder drie der eigenaars, scheen dit geen gewaagde onderstelling. Dat op het beslissende oogenblik de laatste beide houvasten zouden wegvallen, kon niet worden vermoed.


V

HET TIJDSCHRIFT BIJNA GERED


De op 30 April gestelde bijeenkomst is niet doorgegaan, en deze zelfde dag die verwacht werd de billijke wenschen van het Nieuwe Gids-gezelschap te zullen vervullen, voltooide het noodlot dat zijn orgaan, reeds geschonden en ontwijd, om het leven bracht.

In de eerste plaats werd zekerheid verkregen omtrent de gedragslijn van Kloos—maar dit was niet meer of niet anders dan men had voorzien.

[ 72 ] Van zijn hand ontving ik deze regelen:


Bij deze deel ik je mede dat ik op je kantoor ben gekomen om je de nieuwe redaktie van De Nieuwe Gids officieel voor te stellen.
Ik voeg er bij, dat mijn opvolger als redakteur-sekretaris is geworden de heer P. Tideman, wonende huize „Meer en Vaart”, te Sloterdijk, aan wien ik u verzoek voortaan uwe bijdragen voor het tijdschrift te doen geworden. Eventueel verdere tegenwerking van een geregelden voortgang van het tijdschrift zal door de maatregelen die er door de redaktie zijn genomen worden tegengegaan en ik vertrouw dus dat ge voortaan verstandiger, d. i. met de eischen der omstandigheden overeenkomende, zult handelen, dan ik meen te mogen opmaken uit enkele dingen dat tot dusverre uwe bedoelingen zijn geweest.
Uwe korrespondentie met mij in den laatsten tijd gevoerd is in handen van den sekretaris der redaktie.


De bedoeling, in ieder geval, was duidelijk; en, nog altijd in de meening dat met de door mij gemiste vertooning het laatste bedrijf van het droevige kluchtspel zou zijn afgespeeld, antwoordde ik op staanden voet dat ik om de grollen van „Meeren-Vaart”, die eerder aan „Meer-en-Berg" deden denken, voortaan alleen zou kunnen lachen... Maar wie op dien dag het laatste konden lachen, waren helaas niet wij.

[ 73 ] Om begrijpelijk te maken wat verder is voorgevallen op dien laatsten Aprildag, die, wat dat betreft ook de eerste had kunnen zijn, moet nog iets worden gezegd van het overleg met den heer Versluys in de vorige bladzijden eenige keeren genoemd. Hij, weet men, had zich onmiddellijk met het initiatief van Albert Verwey vereenigd en getracht Kloos tot rede te brengen. Niet geslaagd, bleef hij bij ons beiden aandringen, en zelfs beraamde hij in een konferentie van Donderdag 26 April een plan waarvan door mij het volgende is opgeteekend:


De heer Versluys zeide ons overtuigd te zijn dat de nu volgende jaargang, Oktober 1894, niet zou kunnen worden uitgegeven wegens gebrek aan inteekenaren om de kosten te dekken. Van ruim 800 abonné's is de lijst nu reeds tot 700 geslonken, terwijl naar zijn meening een algemeen bedanken met het einde van den loopenden jaargang moest worden verwacht.
Op zijn verzoek zouden wij tot hem een schrijven richten waarbij de meerderheid (3 van de 4) der eigenaren hem verboden de N.G. anders dan met hunne goedkeuring uit te geven. Wij deelden den heer Versluys mede dat het ons voornemen was een nieuwe redaktie samen te stellen en dat wij van den steun der oude medewerkers verzekerd waren.


Inderdaad werd de brief, die den uitgever zou [ 74 ] moeten dekken tegenover den kant dien hij op het punt stond te verlaten, door mij geschreven en mede namens Verwey en Van Eeden geteekend, den heer Versluys toegezonden.


In verband met ons onderhoud op Donderdag ll. bevestigen wij hiermede de toen gemaakte afspraak dat door u voortaan geen afleveringen van den N.G. zullen worden uitgegeven, dan die u vanwege de meerderheid der eigenaren worden bezorgd.
Wij wenschen dat deze regeling onmiddellijk van kracht wordt, en berichten u dat wij u zoo spoedig mogelijk een April-aflevering zullen ter hand stellen.


Zoo gezegd, zoo gedaan. Onmiddellijk na ons gesprek met Versluys hadden Verwey en ik ons op weg begeven om den abonne's van den Nieuwe Gids weer een leesbaar nummer te leveren. Albert Verwey die een groote aktiviteit ontwikkelde, nu al toonende wat hij spoedig daarna als tijdschriftredakteur zou worden, schreef mij uit Haarlem, zijn toenmalige woonplaats, over het gevolg van zijn pogingen:[8]


Ik heb van Van Looy een „Feest" en een groot gedicht, van Thijm een boekbeoordeeling naar de drukkerij gestuurd. Wil jij zonder [ 75 ] mankeeren of persoonlijk of door een briefje, Clausen je goedkeuring tot het drukken sturen? Vergeet het vooral niet, anders heeft hij een pretext tot uitstellen.
Karel [Thijm] neemt het redakteurschap aan, Van Looy en Veth zullen voor deze aflevering iets geven. Gorter veroorlooft ons zijn naam te geven als meewerker. Van Eeden (bij wie ik na Versluys geweest ben) zal ons laten begaan. Ben jij bij Van Deventer en Aletrino geweest?
Heeft Clausen je wat gezonden? Wil je mij vandaag even er op antwoorden en mij een en ander sturen? Is er Maandag vergadering? En bij jou? Antwoord mij daar ook vandaag nog op.
Heb je Tak gevraagd of hij ook als redakteur weer wil optreden? Veth wil dat voorloopig niet, ten minste niet officieel. Karel was voor dadelijke redaktievorming ... Ik hoorde van Gorter dat 't stuk van Van Deventer door hem is opgehouden na de beleediging door Tideman[9]. Dat kan dus gebruikt. Er is tot nu toe ongeveer 5 vel. Als Tak dus een vel schrijft en Aletrino heeft wat, dan is dit nummer dik genoeg.


Inderdaad: dank zij de nu in onzen kring algemeen geworden overtuiging dat het met den N.G. zoo niet langer ging, was het sukces volkomen. Des te zwaarder moest de slag ons treffen die plotseling het reddingswerk ongedaan maakte, en [ 76 ] waarvan Verwey in dit bericht van den heer Versluys, gedateerd 28 April, kennis kreeg:


Van Clausen vernam ik dat er reeds voldoende kopie is voor de aflevering. Onder dankzegging voor uwe welwillendheid, verzoek ik u daarom, geen moeite te doen voor nieuwe kopie.


Onmiddellijk stuurde Verwey het briefje aan mij door.


Ik krijg—schreef hij op den achterkant—dezen brief. Als hij geschreven was voor Clausen de kopie kreeg die ik van morgen van hier gezonden heb, begrijp ik er niets van. Heb jij zooveel kopie gestuurd? Waarom ook die dankzegging voor mijn welwillendheid, zou hier iets achter schuilen? Als jij 't ook niet begrijpt, ga dan dadelijk naar Clausen, en vraag Versluys als dat noodig is...


Hoe noodig, en tevens hoe nutteloos, de poging is geweest om rekenschap te vragen van den man die twee dagen te voren de regeling had voorgesteld waarvan hij nu de uitvoering belette, blijkt uit hetgeen dien dag, 28 April, was gebeurd—en dat ik als volgt in mijn stuk voor „De Amsterdammer" beschreef:


De (van Van Looy en Van Deyssel ontvangen) kopie werd Vrijdag (27) door Verwey bij den drukker bezorgd, maar Zaterdag door den heer [ 77 ] P. Tideman... ter drukkerij ontvreemd, ondanks het protest van den heer Clausen.
Dit vernamen Verwey en ik Maandag 30 April, nadat ons gebleken was dat de heer Versluys, om redenen ons toen volkomen vreemd en thans nog maar gedeeltelijk bekend, aan de hier meegedeelde afspraak zich niet meende te moeten houden. Onmiddellijk wendden zich de heeren Alberdingk Thijm en Van Looy tot de betrokken personen om te beletten dat hunne bijdragen zouden verschijnen in een aflevering onder de tegenwoordige redaktie, maar zonder gevoig ... Hetzelfde werd door ons [Verwey en V. d. G.] aan den heer Versluys schriftelijk bericht, na een vergeefsche poging om het mondeling te doen.[10]
Vervolgens kwam er eenig licht in de houding van Versluys. Hij had nl. Zaterdag te voren den heer Van Eeden gesproken en van hem dingen vernomen die hem hadden doen omkeeren als een blad op een boom. Welke dingen precies kan ik niet zeggen. Alleen dit is zeker, dat de heer Van Eeden ons gezamenlijk optreden, voor het oogenblik althans, verijdelde door in een brief dien ik Maandag ontving, zijn aan mij gegeven volmacht in te trekken.

[ 78 ]

VI

DE REDDING VERIJDELD


Hoewel in mijn verzameling deze brief niet aanwezig is, laat over de strekking van het daarin vervatte besluit de aangehaalde plaats van mijn notities geen onzekerheid bestaan. Evenmin is twijfelachtig wat er de uitwerking van was, nl. het terugtrekken van Versluys: verraad aan personen en verderf van de zaak. Over de vraag of dit ook in de bedoeling heeft gelegen, zal straks nog iets worden gezegd.

Dat Van Eeden met den uitgever gesproken en wat hij hem meegedeeld heeft, blijkt nader uit een tweeden brief (van 2 Mei) nadat ik hem over zijn eersten het mijne had geschreven. Bovendien kan het wel niet anders of Van Eeden heeft Zaterdag aan Versluys mondeling doen weten wat hij mij Maandag schriftelijk had bericht, nl. dat hij mij niet langer beschouwde als zijn gevolmachtigde voor de zaken van den Nieuwe Gids.

Van Eeden's antwoord, voor het verband der zaken van meer belang dan mijn eigen brief, luidde als volgt:


Ik had het bij het briefkaartje willen laten en maar berusten in het leelijke denken over mij door een oud vriend, liever dan nog langer in dezen boel te zitten.
Want ik wil maar één ding: er uit zijn, en met [ 79 ] rust aan mijn werk gelaten worden. Ik meen dat ik daar recht op heb. Zou men zich links en rechts moeten laten uitschelden en dan nog niet eens mogen zeggen: maar heeren, bemoei je dan ten minste niet met zoo'n être.
Ik heb nooit iets anders gewild dan buiten de zaken gehouden te worden. Ik voel niet het minste boos opzet tegenover Verwey noch Kloos, en ik wil mij vooral van alle aktieve inmenging onthouden om niet door eenige onbewuste wraakzucht of antipathie te worden geïnfluenceerd.
Mijn brief aan je was te scherp, onverstandig scherp, in den toon waarop ik tegen X[11] of tegen Gorter, die mij kennen, sprak. Want jij bent van mij vervreemd, en begrijpt mijn bitterheid, zooals Verwey die zou begrepen hebben als ik ze hem getoond had: als boosheid en rancune.
Maar die had ik eerder kunnen toonen, en meen ik lang overwonnen te hebben. Ik was bitter om het karakterlooze van iemand die je openlijk voor een knoeier en een onoprechten werker uitmaakt, en je onmiddellijk daarop komt vragen om je gewaardeerde medewerking. Hij heeft mij zelfs voorgesteld weer redakteur te worden. Is dit niet of men onder kleine kinderen zich beweegt?
Ik heb van het stuk van Verwey [tegen Ellen en Johannes Viator] niet anders dan den aanhef [ 80 ] gelezen, juist om vrijer met hem te kunnen blijven omgaan. Ik heb alleen gehoord hoe hij in hoofdzaak over mij denkt. Naar iemand waar men zóó over denkt, gaat men niet heen om zijn medewerking te vragen.
Ik heb nooit de minste bedoeling gehad Verwey's plannen te hinderen. Hij stelde het voor alsof Versluys de opdracht van twee eigenaren zou uitvoeren. Toen hij wegging was ik overtuigd dat hij slagen zou en ik vond dat goed. Voor veel medewerkers en ook voor Versluys zelf.
Maar ik wilde er niet de hand in hebben. Verwey heeft mij nog gevraagd of ik ook mijn eigendom zou willen afstaan, en een van de weinige antwoorden die ik hem gaf was: dat ik dat verkiezen zou boven alle andere maatregelen.
Persoonlijk is het mij onverschillig wat er met den N. Gids gebeurt. Ik zal wel niet meer in litteraire tijdschriften medewerken. Maar om anderen had ik het succes van je plannen graag gezien. Toen ik van de mislukking hoorde, en begreep dat mijn rol minder negatief was geweest, dan ik bedoelde, heb ik getracht dat te verhelpen, en ik hoop dat mijn voorstel zal worden aangenomen en ik eindelijk vrij zal zijn. Zou je heusch verlangen dat ik zou blijven hangen of partij zal kiezen tusschen twee ambitieuse en mij en mijn werk even essentieel antipathiek gezinde karakters?
Je voelt dat wat ik ondervonden heb heel iets [ 81 ] anders is dan een zuiver litterairen of ideeënstrijd, maar dat personen en karakters hier in 't spel zijn geweest, en ook jij zou deze leelijke gedachten niet in je gekregen hebben, als je niet eenigszins onder den invloed van al het gelezene had gedacht: „kijk, daar heb je 'm weer, den zelfbedrieger, boosaardig onder een mooien schijn, tot in zijn diepste wezen onoprecht".
Deze karakteraantasting is een gif, waarvoor geen tegengif bestaat. Het kan altijd toegediend worden.
Ik schrijf dit dan ook zonder veel hoop je tot beter inzicht gebracht te hebben, meer uit een soort plichtbesef, tegenover een oud vriend.
Maar laat ons dan ten minste handelen als volwassenen en toonen diep de strekking te voelen van wat wij zeggen.
En doe mij ten minste de eer niet te denken dat ik het aangenaam vind als menschen die zoo over mij denken, zich toch verwaardigen mijn hulp en gedachten-omgang te zoeken.
Bewijs mij verder nog dezen vriendendienst door zooveel mogelijk te zorgen dat ook anderen zich hier aan houden. Ik heb mijn werk en val niemand lastig. Al mijn wenschen ten opzichte van deze zaak kan ik hierin samenvatten: Denk en schrijf wat je wilt, maar laat mij buiten dit gedoe. Ik heb er genoeg van.


„Mijn rol is minder negatief geweest dan ik het bedoeld had"—in deze erkenning ligt, zakelijk [ 82 ] gesproken, de korte zin van het niet zeer korte betoog. Immers blijkt er uit dat de opzegging van de volmacht niet slechts was beteekend aan mij zelf, maar ook daar ter plaatse waar deze op zich zelf „negatieve" handeling een maar al te positief effekt moest hebben: op het uitgeverskantoor van de firma W. Versluys.

Wat, mede uit zakelijk oogpunt, van het onderhoud met Albert Verwey te zeggen valt, schijnt minder eenvoudig... Verwey, zagen we, had mij geschreven dat Van Eeden „ons begaan liet". Daarmee klopt de meedeeling van zijn kunstbroeder (tevens schoonbroeder) dat hij, Van Eeden, bereid was zijn eigendomsrechten op het tijdschrift geheel af te staan, wellicht uit de overweging dat dit geestelijke bezit dan toch in de familie zou blijven. In ieder geval staat vast dat onder het weinige wat Verwey overigens van zijn voormaligen mede-redakteur mocht vernemen, geen woord is geweest dat de gedachte aan eenig gevaar van den kant van Van Eeden bij hem wekte. Natuurlijk had hij dan in de eerste plaats mij gewaarschuwd—en men behoeft niet te denken dat in dit „stille toernooi" de latere schrijver van den aldus genaamden bundel zich iets op de mouw heeft laten spelden. Neen, de eene jonge dichter had geen enkele reden om te vreezen dat de andere, subiet toen hij de hielen had gelicht, hem de poets zou gaan bakken die den armen Nieuwe Gids het leven zou kosten. „Toen hij wegging", schreef Van Eeden, „was ik overtuigd dat hij slagen zou"— [ 83 ] welnu, uit al wat Van Eeden gezegd en niet gezegd had moest ook Verwey hebben opgemaakt dat zijn bezoek ver van vruchteloos was geweest.

Dat de verzekering die Van Eeden liet volgen: „en ik vond dat goed", ernstig gemeend is geweest, mag men betwijfelen. Van Eeden, onmiddellijk juist het eenige doende wat hij om het „slagen" mogelijk te maken, ongedaan had moeten laten, heeft niet kunnen gelooven hiermee iets onschuldigs te doen. Ook als Verwey zijn boodschap zoo gebrekkig zou hebben verricht dat hij den ander te verstaan had gegeven, dat medewerking als eigenaar niet meer noodig was—inderdaad moet Van Eeden dit verkeerd hebben begrepen—ware het intrekken van de volmacht en het verwittigen van Versluys slechts als een tegenwerking te beschouwen. Immers is iedere tusschenkomst overbodig wanneer de medewerking gemist kan worden. Van Eeden „wilde er de hand niet in hebben", zeide hij. Maar Verwey verklaarde hem, voegde hij er bij, dat om de zaak te doen marcheeren, het optreden van twee eigenaren, Verwey en Van der Goes, voldoende was; dat dus zijn hand niet werd vereischt. Een reden te meer daarom voor Van Eeden, indien hij eerlijk onze poging niet had willen dwarsboomen en enkel voor zich zelf er buiten wenschte te blijven, nu ook verder zijn handen thuis te houden. In dat geval zou geen meedeeling hem meer welkom hebben moeten zijn dan precies die meedeeling die hij van Albert Verwey wil hebben vernomen: het bericht dat de [ 84 ] kwestie van de N.G. buiten hem om kon worden geschikt. Maar van het standpunt in zijn brief betoogd, zou die meedeeling hem ook van alle interventie hebben moeten doen afzien—en het toeval doen zegenen dat hem veroorloofde „met rust aan zijn werk gelaten te worden". Nu hij in plaats daarvan in het gesprek met Verwey aanleiding vond om zijn tot dusver gevolgde politiek te laten varen, brieven ging zitten schrijven en konferenties houden; hij aktief en positief optrad door zijn invloed te doen gelden en van zijn eigendomsrecht gebruik te maken: nu is geen andere gevolgtrekking mogelijk dan dat Van Eeden moedwillig het streven heeft willen verijdelen waar hij nu eenmaal niets meer voor gevoelde.

Zelf, trouwens, heeft hij zoo niet den opzet, dan toch de uitkomst van zijn bemoeiing erkend door het doen van het nieuwe voorstel in zijn brief van 2 Mei aangeduid.[12] Wat dat voorstel inhield kan ik niet zeggen; van zijn schrijven aan den uitgever, genoemd in de briefkaart van Van Eeden, even vóór zijn brief aan mij verzonden, heb ik uiteraard geen inzage gehad. Eenig praktisch gevolg kon zijn bemiddeling, hoe ook bedoeld, thans niet meer opleveren. De heer Versluys, wiens redenen nooit volkomen opgehelderd zijn geworden, kon het zich voor gezegd houden dat op Frederik van Eeden, [ 85 ] den verreweg populairsten onder de litteratoren van zijn generatie, voor den snel verloopenden Nieuwe Gids niet meer te rekenen viel. Aan den anderen kant hadden wij verleerd op een man te rekenen wiens redenen, naar mate zij ons begrijpelijker werden, ons minder achtenswaardig voorkwamen.

Zijn redenen echter, waren mij uit den eersten brief van Van Eeden volkomen duidelijk geworden, en zijn weerlegging van mijn opvatting in den volgenden schijnt mij nog steeds veeleer een bevestiging te zijn.

Hoe wilt gij, vroeg hij, dat ik kiezen zal tusschen twee mij evenzeer kwalijk gezinde personen? Inderdaad zou Van Eeden, door ons te „laten begaan", door zijn handen buiten het spel te houden, partij gekozen hebben voor Verwey en tegen Kloos. Het is waar dat door Verwey te steunen, wat hij nu eenmaal niet verkoos, hij het tijdschrift gered zou hebben—zoo althans moest het toen schijnen—het tijdschrift dat hij groot had helpen maken. Maar niet minder waar, en ook geenszins minder begrijpelijk is, dat hem, gelijk hij het ronduit zeide, de Nieuwe Gids onverschillig was geworden. Zoo konden ook mijn opmerkingen en aansporingen hem niet tot andere gedachten brengen.


Ik geef toe—had ik geschreven—dat een prachtige gelegenheid om wraak te nemen, voor jou openstaat: Kloos stikt van zelf in de boel en [ 86 ] jij laat Verwey sukkelen in zijn streven om de zaken op gang te brengen.
... Daal in je binnenste of en je zult ontdekken dat je brief niets anders bevat dan deze bekentenis: op wie van beiden ik nu meer gebeten ben: op Kloos of op Verwey, weet ik zelf niet... Maar dan ben jij het ook die den N.G. den laatsten slag toebrengt... Ik zal het hierbij laten; je zult noch voor je zelf, noch voor het publiek, noch voor de oude vrienden van den N.G. de man willen zijn die in dit hachelijk oogenblik dwingt tot tijdverlies en schandaalmakende openbare kibbelarijen.—Wat is er veranderd sedert November ll.? Er is veel meer reden om nu te doen wat je mij toen toestond. Stuur mij een telegram tot herstel van de volmacht, en dan is tenminste aan dit incident in de N.G.-geschiedenis een einde.

Ofschoon wel niet het verzochte bericht, kreeg ik toch een antwoord, indirekt maar afdoende, op de in zekeren zin onnoozele vraag wat na November (toen ik gerechtigd werd om mee namens Van Eeden te handelen) veranderd was. Want er was een boekje verschenen—tegen Frederik van Eeden, en de schrijver van het boekje was—Albert Verwey.[13] Over deze kritiek op zijn twee jongste werken, op zijn gedicht Ellen en zijn prozastuk [ 87 ] Johannes Viator, is het dat Van Eeden in dien brief te spreken komt, de scherpe kritiek die hij maar gedeeltelijk heeft gelezen en die hem volkomen vervult... En nu kwam zijn strenge beoordeelaar hem raadplegen, hem de hand drukken, en in den arm nemen, hem winnen voor een gemeenschappelijke litteraire aktie, hem vragen om zijn „gewaardeerde medewerking”... Was het een wonder dat dit bezoek, uitloopende op dat verzoek, Van Eeden hevig „verbitterde"? Was het vreemd dat hij den ouden kameraad met weinig woorden afscheepte, en dadelijk na diens vertrek naar de pen greep om, van alle dingen, het eene te doen wat den ander op dat oogenblik het gevoeligst zou treffen? Het eene en het eenige, ook—we meenen het straks te hebben aangetoond—dat hij ongedaan had moeten laten en bovendien zoo gemakkelijk ongedaan had kunnen laten, als de gevoelens welke hij ontkent hem werkelijk niet hadden bewogen.

Niet, dus, dat hij aan die gevoelens gehoor gaf, maar dat hij ze ontkende, zou zijn houding in dat tijdsgewricht blootstellen aan het oordeel waarop Van Eeden zelf in waarlijk niet te zachte termen vooruit liep... Zóó, echter, wenschen wij niet deze plaats in ons verhaal te besluiten. Want wat het zakelijke betreft vergete men niet dat juist op dit voor het lot van den Nieuwe Gids beslissende moment, de doodelijke tegenstelling zich deed gelden die het voortbestaan onmogelijk maakte nadat het zijn bestaan sedert geruimen tijd had [ 88 ] bemoeilijkt. Op zijn beurt achtte Verwey zich verplicht zijn geringschatting van een bondgenoot, en daarmee het feit dat aan de oneenigheid in den Nieuwe-Gids-kring niets ontbrak, wereldkundig te maken. En om zich onherroepelijk te vervreemden van den man, als tegenstander onkwetsbaar, als medestander onmisbaar, koos hij, van alle oogenblikken, het tijdstip dat men zich gereed maakte om, hoofdzakelijk onder zijn leiding, voor het publiek te verschijnen met de herboren eenheid van den Nieuwe Gids...

De waarde van de bij deze veeten betrokken artistieke inzichten te beoordeelen, staat niet aan den schrijver van deze bladzijden. Evenmin wil hij betwisten dat de hernieuwers van de Nederlandsche litteraire kunst het recht hadden van naar hun inzichten te handelen, en het orgaan op te offeren zoodra dit middel hun toescheen niet meer bruikbaar te zijn voor het doel. Maar dat recht, wil hij zeggen, bezat niet één van hen alléén; en Frederik van Eeden, door het herstel te beletten, heeft niets anders of niet ergers gedaan dan de overigen. Eigenlijk was het ook niet meer dan toevallig dat op een bepaald tijdstip de uitspraak tusschen Leven en dood bij hem kwam te liggen. Een ander had den aanslag bedreven, nog een ander het herstel bemoeilijkt: een grief wegens de latere houding tegenover zijn mede-schepping kan dus nooit een bijzondere grief tegen Van Eeden zijn. Naar een hier eenigszins oneigenlijke uitdrukking schijnt voor hem veeleer de verzachtende omstandigheid te [ 89 ] gelden, dat juist in zijn Bussumsch hoekje toen de meeste slagen vielen. [14]

En mag men ten slotte Van Eeden kwalijk blijven nemen dat hij zijn werkelijke en zoo begrijpelijke motieven voor zich zelf en anderen niet wilde weten? In zijn bijna beminnelijk onhandig betoog stelt hij waarheid en verbeelding voor iederen lezer zichtbaar naast elkaar: hij is niet enkel verontwaardigd maar verbitterd door wat hem is overkomen—en tegelijkertijd wijst hij de beschuldiging af dat hij in boosheid en wraakzucht zou hebben gehandeld. Tegen het oorlogsrecht dat het leven van de menschen tot dusver grootendeels beheerscht, [ 90 ] kunnen wij niet zien dat Van Eeden gezondigd heeft; hij heeft, ja, kwaad met kwaad vergolden, maar men weet dat naarmate het gemoed meer verbitterd is, de wraak zoeter smaakt. Nogmaals is het niet anders dan zeer gewoon dat, toen de nasmaak kwam, Van Eeden ging pleiten dat hij de daden uit die stemming geboren niet zoo kwaad had bedoeld.

Ook gelooven wij niet dat Verwey dat recht zou hebben overtreden. Openlijk had hij Van Eeden als dichter gekritiseerd, maar wilde dit zeggen dat Verwey hem als redakteur niet zou mogen gebruiken, toen hij Van Eeden als redakteur juist zoo goed gebruiken kon? Immers neen, de uitnoodiging welke hij Van Eeden ook namens anderen kwam brengen was goed bedoeld en eerlijk gemeend. Verwey mag uit een praktisch oogpunt spijt hebben gehad van zijn aanval die niet twijfelachtig maakte welk antwoord hij zou krijgen. Maar zijn stap bij den schrijver van Johannes Viator, die ook de schrijver was van den Kleine Johannes, kon alleen beteekenen dat naar het algemeen gevoelen en ook naar het zijne, het onder de toenmalige omstandigheden een dwaasheid zou zijn geweest Frederik van Eeden voorbij te gaan.


VII

VERONTWAARDIGDE MEDEWERKERS


De aktie voor zoover zij nog gevoerd werd, beoogde niet langer den uitgever Versluys over te [ 91 ] halen den Nieuwe Gids weer ter beschikking van de rechthebbenden te stellen, ze richtte zich nu rechtstreeks tegen den man die door een gewelddaad te dekken er zelf een beging. Het andere verschil bij vroeger bestond hierin dat thans ook de medewerkers in beweging kwamen en sommigen zich zelfs in het openbaar lieten hooren.

Toen eindelijk, dank zij hun onvrijwillige medewerking, de April-aflevering kon verschijnen, en zij hun aan Verwey ter hand gestelde kopie daarin ondanks hun verbod zagen opgenomen, wendden Van Deyssel en Van Looy zich tot het dagblad de „Telegraaf" om in het openbaar hun protest te herhalen.

In het ochtendblad van 9 Mei opende Van Deyssel de reeks:

In de gisteren, 7 Mei, verschenen aflevering van het tijdschrift „De Nieuwe Gids", komt een door mij geschreven opstel voor. Dit is tegen mijn wensch.
Per aangeteekenden brief van 2 Mei deelde ik den redakteur-sekretaris van dit tijdschrift mijn verlangen mede, dat dit door een misverstand in handen van deze redaktie gekomen artikel niet zou worden geplaatst.
Was het wellicht reeds te laat om de plaatsing te voorkomen, dan doet het mij toch leed dat de redaktie geen gelegenheid heeft gevonden om met een enkel woord haren lezers mijn gevoelen omtrent de plaatsing van dit artikel kenbaar te maken.

[ 92 ]

Overigens bevat dit opstel, waarvan ik geen drukproef ontving, zooveel ernstige, geheel de bedoeling des schrijvers vervalschende drukfouten, dat ik het, zooals het daar ligt, eigenlijk niet als door mij geschreven kan erkennen.


Jac. van Looy volgde en publiceerde een geheele korrespondentie:


Mijnheer de Redakteur,


Naar aanleiding van het verschijnen van mijn werk in de aflevering voor Mei van de „Nieuwe Gids”, verzoek ik u bijgaande brieven te publiceeren.

U bij voorbaat dankzeggende 

Jac. van Looy


 No. I. Soest, 1 Mei 1894

Aan den heer P.L. Tideman


Zooeven krijg ik het bericht dat u u wederrechtelijk de kopie hebt toegeëigend die ik op verzoek van den heer Versluys heb afgestaan voor een N. Gids-aflevering, uit te geven door de eigenaars en niet voor een door u geredigeerd. Mag ik u vriendelijk verzoeken mij die p.o terug te zenden?
Jac. van Looy
[ 93 ]

 No. 2. Donderdagmiddag 3 uur (3 Mei)

Aan den heer P.L. Tideman
Het verschijnen van mijn werk in de eerstdaags te verschijnen aflevering onder uw sekretariaat verbied ik ten stelligste. U weet mijn wil.
Hein Boeken die mij zooeven bezocht, vertelde dat mij dit gebeuren zal omdat het reeds is afgedrukt. Herhaaldelijk heb ik hem gezegd dat dit niet mag. Tegelijk nu schrijf ik den heer Clausen om zoo mogelijk de daad ongedaan te maken.
Jac. van Looy

 No. 3. 6 Mei 1894

Aan den heer P.L. Tideman
Ik ontving zooeven een briefkaart van Kloos, waarin hij mij meedeelde dat er 7 pagina's van mijn stuk waren afgedrukt. Ik heb over dit onaangenaam geval niets meer te melden dan nog dat ik gisteren den heer Versluys deze uitgave tegen mijn wil verbood.
Jac. van Looy
No. 4.
Aan den heer P.L. Tideman
Nu het feit gebeurd is verzoek ik u nog eens de kopie terug, volledig, ook wat nog niet is afgedrukt.
Tengevolge van het nare geval, waardoor het noodzakelijk nazien van mijn werk mij natuurlijk [ 94 ] moest onthouden worden, verschijnt het bovendien nog slecht.
Jac. van Looy

Aldus in het publiek ter verantwoording geroepen, mocht de heer Versluys niet geheel zwijgen; maar wat hij te zeggen had kon niet anders dan een onwaarheid zijn:


Geachte Redaktie,
In een der briefjes van den heer Jac, van Looy in uw ochtendblad van 9 dezer, wordt meegedeeld dat ik hem om kopie voor de „Nieuwe Gids" verzocht heb. Ik heb dat evenwel niet gedaan, ook aan niemand opgedragen het uit mijn naam te doen. De zorg voor de samenstelling van de „Nieuwe Gids" ligt trouwens geheel buiten mijn werkkring.
Hoogachtend

W. Versluys

10 Mei

Dit was natuurlijk te veel. Onmiddellijk diende dan ook Verwey hem van een antwoord—waarop elk weder-antwoord wel achterwege moest blijven.

„De heer Albert Verwey las men in de „Telegraaf" van 13 Mei—verzocht ons plaatsing van het volgend schrijven aan den heer W. Versluys":


WelEdele Heer,
U schrijft in de „Telegraaf" van gisteren dat [ 95 ] u niemand verzocht hebt den heer Van Looy om kopie te vragen en dat de samenstelling van de „Nieuwe Gids” buiten uw werkkring ligt.
Dit is de letterliefde wat ver gedreven en de fiktie van een advokaat tot den regel van een fatsoenlijk man gemaakt.
Met u hebben de heer Van der Goes en ik afspraak gemaakt een April-nr. samen te stellen; op uw raad hebben wij den drukker mondeling en u schriftelijk kennis gegeven dat dit gebeuren zou; met uw voorkennis, instemming ja, zichtbare verlichting en ingenomenheid is, na overleg met u en in uwe tegenwoordigheid het verzoek aan den heer Van Looy beraamd. Van u ook ontving ik, nadat u van inzicht veranderd was, een briefje waarin u mij onder dankzegging voor mijn welwillendheid, verzocht geen moeite meer te doen.
U hebt gemeend dat het u vrij stond de kopie die ik u al gezonden had door de redaktie te doen uitgeven. U hebt me geschreven dat ik niet boos moest worden als u niet antwoordt op mijn verzoek om die kopie terug, want dat u op raad van uw advokaat de houding aannam als wist u van den inhoud nooit iets af. Nu, dat moet u zelf weten. Deze fiktie is zoo goed als een andere. Maak er verzen van. Ga er geharnast in tegen de artikelen van het Burgerlijk Wetboek. Verheug u dat ge op grond van die fiktie zoo juridisch als moreel u verantwoorden wilt. Alleen ...
U weet wel dat een fiktie een fiktie is.

[ 96 ]

Geloof me, met de beste wenschen voor uw beterschap.

Uw dwe. 

Albert Verwey 


Ook Jac. van Looy, een der bedrogen en beroofde schrijvers, kon zijn verontwaardiging niet bedwingen en zond nog deze repliek aan het Amsterdamsche blad, in het nr. van 15 Mei afgedrukt:


Het berichtje van den heer W. Versluys in uw ochtendblad van 11 Mei eischt antwoord.
Het verzoek om kopie werd mij gedaan door de eigenaars, den heer Albert Verwey, namens den heer Versluys. Mij werd toen medegedeeld dat de eigenaars in overleg met de heer Versluys een reorganisatie-aflevering voorbereidden. De eerste stappen waren al gedaan. De heer Verwey had met den heer Versluys, den uitgever, een bezoek gebracht aan den heer Kloos waarbij ook de heer Tideman tegenwoordig was. Een week later toen ik den heer Versluys de uitgave van mijn werk verbood, schreef hij mij dat hij noch juridisch noch moreel aansprakelijk kon worden gesteld.
Het ontwarren van deze zaak laat ik aan belanghebbenden over.


Een derde onder onze vrienden, Charles van Deventer, had zich met zijn grief van eenigszins anderen aard tot de redaktie van het weekblad De [ 97 ] Amsterdammer gewend, die in haar nummer van 13 Mei dit bericht plaatste:


Dr. Ch.M. van Deventer verzoekt ons mede te deelen, dat zijn artikel over Plato's Symposion, in de laatst verschenen N. Gids-aflevering gepubliceerd, zonder voorkennis van den schrijver is geplaatst. Reeds verscheidene maanden geleden had de schrijver aan den heer Kloos te kennen gegeven, dat hij zijn betrekking tot hem als verbroken beschouwde.
Het thans verschenen stuk is het tweede gedeelte van een artikel dat de schrijver in zijn geheel aan den toenmaligen redakteur-sekretaris had aangeboden, nadat hem door dezen de formeele toezegging was gedaan dat de bijdrage in haar geheel zou geplaatst worden.


De geheele hier opgenomen korrespondentie liet De Amsterdammer achter dit stukje volgen.

Aan den staat van zaken iets veranderen, konden deze protesten niet; als bevestiging van het hier verhaalde en vooral als teekenen van het oordeel in onzen kring over de tusschenregeering Kloos-Tideman, mochten ze echter niet onvermeld blijven.

Op welk bezwaar de ook later nog ingestelde poging om den Nieuwe Gids uit haar handen te halen, moest afstuiten, is reeds gezegd. De raadsman van den heer Versluys had den rechtstoestand maar al te goed beseft toen hij hem verzekerde dat hij de [ 98 ] eischen van de eigenaren zonder gevaar kon afwijzen. Ook ons werd geadviseerd dat een proces tegen den uitgever weinig kans van slagen zou hebben. En volkomen hopeloos werd het geval, toen een meerderheid onder de eigenaren niet meer gevormd kon worden. Tegen Kloos in rechten op te treden, gesteld al dat daarvoor termen te vinden waren geweest, was een gedachte die nimmer ernstig overwogen is.

Welken indruk de gewekte verwachtingen in den wijderen N.G.-kring maakten, kan men nog nagaan uit dit briefje van Aletrino, Zondag 29 April geschreven:


Ik heb vernomen dat er verandering op til is. Wanner de oude redaktie weer in eere hersteld is ben ik dadelijk bereid mijn bijdrage, die ik heb liggen, voor de nieuwe aflevering te geven. Schrijf mij dus wanneer jullie die wilt hebben, 't is een schetsje en zoowat acht korte quarto bladzijden groot.


Eenmaal meester van zijn bijdrage—een prijzende beoordeeling van Een Passie, roman van „Vosmeer de spie”—ontzag de redaktie zich niet Van Deyssel te hoonen met de aanteekening dat zij het artikel, hoewel zij de strekking niet beaamde, had opgenomen „met groote vreugde om den langen tijd van afwezigheid van den heer Van Deyssel te dezer plaatse”.

[ 99 ]

VIII

EEN INLEIDING TOT DE TWEEDE REEKS


In de tweede helft van den jaargang vindt men eenige sporen van de geschetste gebeurtenissen.

De aflevering die wel nooit verschenen zou zijn indien het niet gelukt ware aan drie van de vorige medewerkers een bijdrage te ontfutselen, opende met de door Kloos geschreven aankondiging dat de Nieuwe Gids voortaan het orgaan zou zijn van de jongste generatie—zooals ook de eerste helft van dezen jaargang geopend was geworden met een schimpdicht op de oudere.

Het schimpen op haar vertegenwoordigers met openlijke of naamlooze uitvallen, in proza of poëzie, maar altijd meer liederlijk dan dichterlijk, was in dat en volgende nummers voortgezet; eenige verdere opheldering van het gebeurde met de redaktie had men, gelijk reeds gezegd, niet gegeven. Nu echter, na de voorvallen waaruit hem had kunnen blijken dat hij van zijn oude vrienden niets meer te hopen had, verscheen de verklaring die met hen en met al het verleden volkomen brak.

Kloos verhaalt eerst hoe het aftreden van de vroegere redakteuren zich zou hebben toegedragen; men mag echter aannemen dat hij gedacht heeft aan de meerderheid van den N. Gids-kring in 't algemeen. Zoo had Kloos ook in het bedoelde sonnet niet slechts dezen of genen, maar het gansche geslacht dat gaat, „verdord zonder gebloeid [ 100 ] te hebben”, mede in naam van de aankomende generatie hartelijk uitgevloekt.

Niet hij heeft hen, leest men in dit latere stuk, uitgeworpen, maar zij zijn vrijwillig afgetreden en deze eigen beweging is het bewijs van een prijzenswaardige bescheidenheid. Immers hebben zij, die nooit meer waren dan de „helpers" van den „stichter”, zich verwijderd in het juiste besef dat hun werk thans is afgeloopen. De Nieuwe Gids, mede door hun toedoen tot „het eerste moderne tijdschrift van het land geworden" staat voor een nieuwe taak; en voor deze „ernstiger en gewichtiger diensten" komt deze generatie, ook volgens haar eigen verstandig inzicht—„wetend dat er niets meer te doen viel voor hun handen"—niet meer in aanmerking. „Acht jaar geleden" had hij, die toen „alleen stond in het nog te ontginnen letterkundige Nederland", „het geluk de heeren om hun hulp te durven vragen", een hulp waarvoor hij hun dankbaar is en levenslang dankbaar blijven zal. Nu begrepen zij echter dat het „hun plicht was jegens hen zelven en jegens het tijdschrift, zich in hun eigen minder openbaren werkkring terug te trekken"...

De redaktie van den Nieuwe Gids—leest men verder—ontbond zich vriendschappelijk en liet aan den oprichter en eersten ideeën-aangever, de plaats die zij wisten dat hem rechtens toekwam: het opperbestuur over den toestand, door hem altijd voorzien en voorzegd, en [ 101 ] gedreven met hun lofwaardigen hulp en onwaardeerbaren raad.
...van harte wordt door hem aan de nu afgetreden helpers een vriendelijke hand tot afscheid gedrukt en een ik-dank-u gezegd...

Het manifest eindigt met de aanduiding van een toekomst welke, alleen onder de „ouderen", Willem Kloos bekwaam is te leiden en waardig te beleven:

De jongere Hollandsche generatie komt op den voorgrond en de stichter, reeds ouder schoon, hij gelooft het, nog niet verouderd, is zoo blijde op zijn eigene, het publiek bekende en door de jaren misschien niet verminderde, manier mee te mogen en te kunnen en te willen werken aan wat er opkomt aan kracht en talent en grootheid, onder het thans zich voortstuwende jongere geslacht.
Hij wordt ouder, dat is waar, maar hem is gegund te blijven voelen met de jongeren, en hij aanvaardt zijne thans nog ernstigere dan vroeger, verantwoordelijkheid met een onwetend (?) maar kalm gemoed. Hij noodigt de jongeren in Nederland, die iets willen, omdat zij iets kunnen, zich gerust bij hem aan te sluiten, om zich gerust bij zijn tijdschrift aan te melden...

Zoo ver, dus, was het met de zelfverblinding gekomen; zelfs het feit dat hij deze kreupele [ 102 ] volzinnen niet had kunnen laten verschijnen zonder de onvrijwillige medewerking van de als onnutte dienstknechten gesmade oude vrienden—thans waarlijk zijn „helpers” uit den nood—, zelfs dit feit heeft den schrijver niet tot inkeer kunnen brengen. Dat de door hem gegeven voorstelling de ware toedracht omkeerde, was toen nog niet algemeen bekend. Men heeft echter hier kunnen zien dat de vertegenwoordigers der „oude” generatie, wel ver van met vertrouwen de leiding aan Kloos te willen overlaten, hem niet meer geschikt achtten om aan het hoofd van het tijdschrift te staan. Het eerste teeken van die meening was de poging om de redaktie met nieuwe krachten aan te vullen; het openbare protesteeren tegen het verschijnen van hun bijdragen in de N.G. van Mei '94 was een ander teeken; en de groepeering van de beste krachten nog voor het eind van dit jaar om het door Verwey en Van Deyssel gestichte nieuwe orgaan, sprak in het vervolg, ditmaal letterlijk zelfs, boekdeelen.

Van verdere polemiek tegen de stelling dat een nieuw geslacht was opgestaan, bestemd om de groep der Tachtigers niet slechts te vervangen maar te overtreffen, kan worden afgezien. Wat Kloos om zich heen zag opkomen, was geen jonge generatie, en latere jonge dichters hebben zich niet om Kloos geschaard. Blijft over de vraag of inderdaad van de „Tachtigers” weinig of niets meer te verwachten is geweest—een vraag die schrijver dezes alleen met de tegenvraag kan beantwoorden, [ 103 ] wat ter wereld juist aan Kloos het recht heeft gegeven aldus te richten over zijn genooten waaronder zijn gelijken waren. Kloos, het is waar, was het erkende en geëerde hoofd van de dichterschool als welker orgaan de Nieuwe Gids onmiddellijk een grooten opgang maakte. Maar indien gelijk meer dan eenmaal is beweerd geworden, de eigenlijke bloeitijd van deze nieuwe kunst niet zeer lang heeft geduurd en reeds na een halfdozijn jaargangen van het tijdschrift zichtbaar ten einde liep, heeft men waarlijk—dit is voor het leekenoog duidelijk merkbaar—geen enkele reden om voor Willem Kloos een uitzondering te maken. Integendeel moet worden gezegd dat, indien bij iemand van deze bent, juist bij hem een plotselinge en diepe inzinking verscheen, dieper nog bijna dan eenmaal zijn verheffing hoog was geweest.[15] Minder dan ooit voor de taak van leider en kunstrechter bekwaam, of althans nu eerst recht onbekwaam, was hij, toen in dit manke proza en met zijn vele [ 104 ] nietswaardige gedichten in dezen beruchten jaargang hij personen trachtte te hoonen die zijn kameraden geweest waren, die zijn evenknieën zouden blijven. Niet alleen heeft hem de geschiedenis, ook hij zelf heeft zich ongelijk gegeven, toen nog met een half jaar na het drukken van de verklaring, die een „inleiding tot de tweede reeks der Nieuwe Gids-jaargangen" moest verbeelden, het offer volbracht was geworden en de uitgave door Versluys werd gestaakt. Want tegelijk met de ineenstorting van het tijdschrift, verdween ook de gedrochtelijke verschijning die voor Kloos, onder een aantal pseudoniemen, het geslacht van jonge kunstenaars had verpersoonlijkt—en moest hij blijde zijn, nadat de uitgever Van Looy zich over de resten van orgaan en redaktie had ontfermd, dat nog deze en gene van zijn tijdgenooten en oud-kollega's hem af en toe aan eenige kopie wilden helpen.


IX


„DE EZEL VAN BILEAM"


Ook de knaap, dien Kloos tot zich had geroepen en aan wien hij zijn post als redakteur-sekretaris afgestaan had, reageerde aan het slot van deze aflevering op de late poging om het tijdschrift aan zulke onwaardige handen te ontnemen.

In een voorloopig woord van „De Redactie aan den lezer” —met een afzonderlijk te verschijnen [ 105 ] geschrift zal op de zaak worden teruggekomen—zinspeelt hij op het voorgevallene:

... het moeien [van enkele litteratoren en critici] politiekelijk in het ondermijnen van anderer maatschappelijken ondergrond; zij doen—het is verkeerd daar doekjes om te winders—zij doen aan politiek niet ter handhaving hunner artistieke overtuiging, zij doen aan politiek... om den broode.

In dezen echt „Meer- en... Vaartschen" trant vervolgt de schrijver:

Al mochten wij om de volgende woorden die niets met litteratuur hebben te maken, het litterair vertrouwen van het Volk verliezen, enkele sluijers van maatschappelijke verdorvenheid en onoprechtheid moeten opgelicht worden. Men versta elkander wel, en trachte niet met een: dit-gaat-niemand aan, zaken te bedekken, die slechts getuigen van karakter-slapheid of verkeerde berekening bij menschen die,—het respekt voor dezen een oogenblik te zij de—met maatschappelijke middelen hebben gewerkt en misschien nog werken om de maatschappelijke stelling van den Nieuwen Gids zooals die thans is te ondermijnen, d.w.z. zooals die, een gevolg der litteraire regeneratie die het tijdschrift in den zomer van '93 onderging, noodwendig heeft moeten maken ...

[ 106 ] Welken zin de lezers aan dezen poespas hebben gehecht, valt moeilijk te raden; en ook uit de dan volgende regels over den „bijna gelukten" opzet van twee stichters van de N.G. om een eigen aflevering „buiten de bestaande redactie om" uit te geven, zal men weinig anders hebben kunnen opmaken dan dat de valsch-vriendelijke woorden in het begin van hetzelfde nummer aan de vroegere redaktie en medewerkers gewijd, slechts moesten dienen om de waarheid te verbergen.

Leesbaar zijn van de toegezegde brochure[16], Mei-Juni gedateerd, alleen de bladzijden over de tusschenkomst van de oude redakteuren in de laatste dagen van April, waar ten minste voor enkele oogenblikken het gezwets over kunst, de Hollandsche litteratuur, haar jongste verleden en haar naaste toekomst, enz. plaats maakt voor eenige zakelijke meedeelingen. Lezenswaard, anders, is het geheele stuk als een monument van zelfbedrog... Jongelieden die hun vermogens overschatten of zich vergissen in hun aanleg, of wel die, ondanks aanleg en vermogens, door de omstandigheden spoedig een geheel anderen weg worden opgedreven: zij zijn zooals men weet niet zeldzaam, en ook in den Nieuwe Gids-kring heeft men van beide gevallen voorbeelden gezien. Maar zonder voorbeeld zal men het geval van dezen Amsterdamschen student mogen noemen, die eensklaps op een der hoogste en meest verantwoordelijke plaatsen [ 107 ] van de toenmalige letterkundige wereld verschenen, daarna nog sneller en voor altijd uit het oog verloren werd. Jongmensch zonder verleden en zonder toekomst, begon en eindigde hij zijn litterarischen loopbaan in enkele maanden; en niet meer dan eenige weken liggen tusschen het toppunt, de uitgave in Juni van deze brochure, en het tijdstip van zijn plotselingen en reddeloozen val met de laatste aflevering van den N.G. in September.

Evenmin heeft Tideman behoord tot de jeugdige genieën wier spoedig uitdooven hun vrienden teleurstelt, nadat een kortstondige schittering hooge verwachtingen heeft gewekt. Bijna geen enkel genre, in het tijdschrift beoefend, heeft hij onbeproefd gelaten: gedichten, kunstbeschouwingen, litteraire en politieke kronieken—maar van niet één zijner talrijke bijdragen behoeft men meer dan zes regels gelezen te hebben om te erkennen dat deze auteur een snelle en volkomen vergetelheid ruimschoots heeft verdiend. Naar vorm en inhoud is zoo goed als alles wat van Tideman's hand in dezen jaargang is opgenomen een onwillekeurige parodie van het werk der ouderen. Hij is de virtuoos van de baldadigheid, die alles aandurft, omdat, nu ja, de manier waarop hij verzen maakt, kritiseert, filosofeert, politiseert enz. inderdaad geen de minste moeite kost. Brutale studenten, de schrik en ook de roem van hun generatie, zijn of waren vroeger althans niet zoo zeldzaam, evenmin als studentdichters enz. zonder begaafdheid. Aan den jongen Tideman was het echter gegeven volkomen [ 108 ] talentloos te zijn en tevens weergaloos onhebbelijk; zoo als anderen van zijn soort straatbellen moerden, herrieschopten in koffiehuizen of theaters, met de klabakken vochten, professoren pestten—zoo ging voor de afwisseling Tideman, waarbij hij ook soms een effen gezicht kon zetten, te keer in den Nieuwe Gids, voor de lol poseerende als de jonge reus, die het verouderde orgaan zou helpen herscheppen. En toen bij dit wreede spel de N.G. onder zijn handen dood was gebleven, stond hij op, schrok misschien even om wat hij had uitgevoerd, zette het op een loopen en niemand die hem ooit heeft weergezien.

Men zegt (maar men zegt zoo veel) dat de student T. en de latere advokaat van dien naam een en dezelfde persoon moeten zijn, en in het betoog, waarmee de schrijver van de brochure over de „jongste generatie" zijn houding tegenover Van Deyssel en Van Looy verdedigt, zou men een aanwijzing voor de waarheid van dit gerucht kunnen vinden. De kopie, redeneert hij, door Verwey naar de drukkerij gezonden, was bestemd voor den Nieuwe Gids... welnu,

... de redakteur-sekretaris van het eenige tijdschrift „De Nieuwe Gids" op dat oogenblik in Holland in wezen, vond die kopie bij den drukker en deed zijn plicht door ze te naasten, ze aan de redaktie van zijn tijdschrift voor te leggen, die met algemeen goedvinden besloot een deel ervan te plaatsen, met eenige [ 109 ] ondervoegingen aan den tekst, die de aanwezigheid van juist die kopie in die aflevering ten zeerste toejuichten ...


Onder welke wettelijke termen de opzettelijke beschikking door een redaktie over niet voor haar bestemde bijdragen valt, zal iedere jurist—Mr. P. Tideman b.v.—stellig zonder eenige moeite weten te zeggen; en niet gaarne zouden wij verzekeren dat hij de vinding bewonderen zal volgens welke niet de klaarblijkelijke en bekende bedoeling van de auteurs voor de bestemming beslissend was, maar de omstandigheid dat inderdaad (en ongelukkig genoeg) op dat oogenblik geen andere „Nieuwe Gids" bestond dan het tijdschrift waarin zij niet wilden schrijven. Met dat al, schijnt evenwel het voeren van de verdediging: er was nu eenmaal geen ander tijdschrift van dien naam, de bewering te wettigen dat indien de student Tideman, door de fraaie letteren (om studentikoos te blijven spreken) uitgekotst, eens niet zich aan de advokatuur had mogen wijden, hij zijn carrière zou zijn misgeloopen.

En nog was dit niet alles wat de aanstaande pleitbezorger te zeggen had over deze zaak, de eerste en ongetwijfeld ook de slechtste welke ooit aan hem is toevertrouwd.


Dat de heeren Van Deyssel en Van Looy —leest men verder—hunne kopie niet wenschten afgedrukt te zien in het milieu van dezen [ 110 ] Nieuwe Gids kon de redaktie van haar eensgenomen beslissing het voor De Nieuwe Gids ingezondene gedeeltelijk wel te plaatsen niet terugbrengen, daar zij meende te weten wat goed was voor De N.G. en zeer goed voor de letterlievende landgenooten, en de sinds door feiten gestaafde overtuiging had, dat genoemde heeren de dupen geworden waren eener niet-bestaande werkelijkheid, van een truc, die men met een beter woord als litteraire oplichterij kon betitelen.

Waar deze laatste gauwigheid: herinnerend aan den vervolgden boef die mee „houdt-den-dief” roept, betrekking op heeft, wordt men gewaar uit de vorige bladzijde, het verslag behelzende van het gebeurde na de „naasting” van de bewuste kopie. Er zou nl. bedrog zijn gepleegd door de aan den heer Versluys gegeven verzekering dat drie van de vier eigenaren der uitgave de door ons gewenschte verandering verlangden. Deze beschuldiging berust op het niet te loochenen feit dat door het vervallen van de volmacht, krachtens welke door een der anderen tot dusver namens Van Eeden was gehandeld, er niet langer een meerderheid voor die verandering bestond. Maar ten eerste bestond die meerderheid nog toen op 26 April Versluys, klagende dat het tijdschrift bezig was te verloopen, met Verwey en Van der Goes de afspraak maakte welke wij, door het vragen om kopie aan onze oude medewerkers, den dag daarop uitvoerden. En ook vervolgens, na de weigering van Van Eeden om [ 111 ] zijn aan mij gegeven woord gestand te doen, werd het publieke schandaal van het régime Kloos-Tideman voortgezet op den naam van slechts één der rechthebbenden. Bedenkt men bovendien dat het hier aangehaalde geschreven is na en in weerwil van de verklaringen der verontwaardigde auteurs — werd ooit een redactie openlijk zóó geblameerd? — dan beseft men dat met de bewering van Tideman: zij zijn dupe geworden van een verkeerde voorstelling, de vrijmoedigheid „in het milieu van dezen Nieuwe Gids” de ontoerekenbaarheid nabij was gekomen. Van het zelfde gehalte was de bewering waarmee aan het slot van het (op 7 Mei verschenen) April-nr. de redaktie haar meedeeling „aan den lezer” eindigde: hem verzekerende dat de „gezondheid van dit tijdschrift” niets te wenschen overlaat, en „dat onder gunstige omstandigheden een nieuwe faze schijnt ingetreden”.


X


„IK LAG EEN BOM OP JOU VERVLOEKTEN STOEP”


Nog eenmaal, op 12 Mei ten huize van den tegenwoordigen schrijver, kwamen eenige vrienden van den Nieuwe Gids bij elkaar om te overleggen wat hun in de gegeven omstandigheden te doen stond.

Aanteekeningen over het verhandelde zijn niet in mijn bezit, evenmin kan ik met zekerheid zeggen of behalve Herman Gorter, Van Deventer, Aletrino en ik zelf nog anderen aan de bespreking [ 112 ] hebben deelgenomen. Van Deyssel, door ongesteldheid verhinderd, had mij bericht dat hij bereid was als redakteur of als medewerker de plannen van onze groep te bevorderen. Henriëtte van der Schalk, de jonge dichteres wier eerste werk kort geleden in den N.G. was verschenen, had verzocht dat de uitslag van de vergadering haar zou worden meegedeeld. Albert Verwey, niet aanwezig, had mij geschreven: „Ik heb hoofdpijn en ben moe en zal dus waarschijnlijk vanavond thuis blijven”.

Als er over oprichting van een tijdschrift gesproken wordt, dan is mijn positie deze dat ik als mede-redakteur wil optreden zoodra de medewerking van een meerderheid van vroegere N.G.-medewerkers verzekerd is. 't Is dunkt mij het wijst de N.G. aan zijn lot over te laten en te zorgen voor organisatie van de losloopende krachten.

Desgelijks berichtte mij Van Deventer onlangs over zijn herinnering aan de vergadering van 12 Mei: „wij zouden Kloos met de nieuwe redaktie van de N.G. zijn gang laten gaan en geen nieuw tijdschrift oprichten of trachten op te richten. De N.G. was toch vooral de zaak van Kloos en hij moest nu maar zien of hij het volhouden kon”.

Bij het besluit om verder niets tegen de Sloterdijksche redaktie te ondernemen, gaf, naar mijn eigen herinnering, de gedachte den doorslag dat dit alleen mogelijk zou zijn bij wijze van een [ 113 ] proces; en zooals reeds gezegd heeft men onzerzijds altijd gemeend dat enkel tegen den uitgever Versluys eenige aktie van dien aard in aanmerking zou kunnen komen. Bepaalde maatregelen van anderen aard zijn in deze bijeenkomst, zooal besproken, niet vastgesteld geworden; trouwens stond reeds zoo goed als vast dat men den Nieuwe Gids als verloren te beschouwen had, en niet de hervatting maar de vervanging van het oude orgaan was de eenige vraag die een praktische beteekenis kon hebben. Nog voor het einde van het jaar is door de stichting van het Tweemaandelijksch Tijdschrift onder Verwey en Van Deyssel deze vraag opgelost. En nog voor het scheiden van de konferentie werd den aanwezigen het advies van Verwey, dat men de tegenwoordige redaktie moest laten uitrazen, nog eens zeer nadrukkelijk als de wijste partij onder het oog gebracht. In den loop van den avond bezorgde de post nl. een brief met het volgende adres:

Aan de bourgoisconspiratie ten huize van den Heer

 F. v. d. Goes,
 Nicolaas Beetsstraat,
 Amsterdam


In het kouvert was een gedicht gestoken, door P. Tideman vervaardigd en ten overvloede met zijn naamletters onderteekend:

Een feit, smeerlappen dat niet te verbloemen is,
Is dat je laatste leugen is verloren, [ 114 ] O honden die Pet Tideman woudt smoren,
Ik wijd je allen ter verdoemenis.
Ik ben Goddichter die te roemen is,
In alle tijden en ik laat me hooren,
Mijn bliksem bloedstem uit den ijz'ren toren
Van mijn Godsboosheid. Weet je hoe men is
Als men gaat sterven? Daadlijk zul je 't weten,
Ik lag een bom op jou vervloekten stoep,
En je gaat stikken honden in je vuilheid,
Hyena's ben je die met dichters muil bijt,
Hier ben ik Pet en in je flauw geroep
Om 't leven zal mijn lol zich rood staan zweeten.

P. T.
 

Of de schrijver dit sonnet in zijn verzamelde werken heeft opgenomen, is mij niet bekend, en zelfs niet of een verzameling van zijn werken verschenen is. In ieder geval scheen het mij wenschelijk deze misschien onuitgegeven proeve hier een plaats te geven. Den dichter die in dezen trant dozijnen heeft geleverd voor de regeneratie van de N. G., doet men daarmee geen onrecht.


XI


REKONSTRUKTIE EN NIEUWE STICHTING


In den zomer van dit jaar '94 was de ineenstorting een feit geworden en raakte het bekend dat een nieuwe jaargang, althans bij dezen uitgever, niet zou verschijnen. In een brief aan Albert [ 115 ] Verwey over de medewerking aan het spoedig te verwachten „Tweemaandelijksch", schreef ik hem op 14 Aug.:


Versluys heeft aan Van der H. gezegd dat hij geen verdere jaargangen van de N.G. met de tegenwoordige redaktie zou uitgeven.


Dat thans de keus niet meer aan hem lag, en dat de voortzetting nu ook een materieele onmogelijkheid was geworden, bleek weldra toen tegelijk met de voorbereiding van het nieuwe orgaan, pogingen in het werk gesteld werden om het oude te rekonstrueeren.

Het eerste teeken van deze plannen, einde September, vernam ik door de uitnoodiging van een gemeenschappelijken vriend, Willem Witsen, den schilder, om hem te Ede te bezoeken. Kloos en Boeken, schreef mij Witsen, zijn hier „die je ook gaarne eens zien zouden”; „op verzoek van Kloos, eindigde hij, sluit ik inliggend briefje in”.

Mag ik mijn verzoek—schreef Kloos—bij dat van Witsen voegen? Ik zou graag eens met je willen spreken en je een voorstel doen, dat naar ik hoop in je smaak zal vallen.

Wat dit voorstel zou hebben ingehouden, ben ik toen niet in de gelegenheid geweest te vernemen; en zoo ver ik mij thans kan herinneren, of uit [ 116 ] ken opmaken, duurde het verscheidene weken voor ik opnieuw van dien kant iets te hooren kreeg. Dat toen reeds sedert eenigen tijd sprake was geweest van een reorganisatie, kan ik afleiden uit den volgenden ongedateerden brief van den heer S.L. van Looy, blijkens de verdere korrespondentie einde November of begin December ontvangen:

Ik hoop dat de mededeeling niet alleen u zal verrassen maar tevens aangenaam zijn, dat het zoo goed als zeker is dat ik de uitgever zal worden van een tijdschrift De Nieuwe Gids. Door (Mr. W.A.) Paap namens Kloos en Boeken ben ik daartoe aangezocht. Ik vernam tevens van Paap, die u niets naders kon zeggen, dat uwe medewerking verzekerd is. Onze verhouding doet zeker verder elk voorbehoud wegnemen en de eigen glazen zullen niet meer worden ingegooid, integendeel zal met dubbele zorg voor het behoud worden gewaakt. Maar het is van belang den titel te behouden en vraag ik u mij omgaand te willen melden of daartegen bij u bezwaar bestaat, zoo niet dan mag ik zeker aannemen dat van oppositie uwerzijds geen sprake meer is.
Uw antwoord zal ik ook Mr. Calisch[17] mededeelen; ik wil hem adviseeren om elke [ 117 ] onaangenaamheid te verwijderen. Laat alles voorloopig nog onder ons blijven, dat is zeer noodig.

Tegen de beschikking over den ouden naam kon ik inderdaad geen bezwaar maken, evenmin als tegen het verzoek om medewerking waarover naar het schijnt ik reeds met Mr. Paap had gesproken. Verder wenschte ik echter niet op deze plannen in te gaan, ook niet toen in een brief van 8 December de uitgever Van Looy daarvan zijnerzijds een voorwaarde maakte.


De N. G.—schreef hij—zal door mij worden uitgegeven wanneer u plaats neemt in de redaktie.
De redaktie zal dan zijn: Kloos, Boeken en Van der Goes. In zaken van geschil treedt Mr. Paap mede namens ondergeteekende op. De werkzaamheden der redaktie onderling te verdeelen... De aanvang is moeilijk en de risico vrij groot; maar u zult begrijpen dat uwe belangen steeds door mij zullen worden behartigd.
Wij beginnen 1 Februari. Ik reken op uwe toestemming, er kan weer een tijd van heerlijke samenwerking aanbreken ...


Blijkens een verder schrijven van den heer Van Looy had hij zich ook tot den oud-redakteur P.L. Tak gewend, die zich bereid verklaarde met mij te overleggen. Of Tak, wiens nieuw weekblad De Kroniek met Januari zou verschijnen, zelf nog over [ 118 ] de N.G. heeft gedacht, is mij niet bekend. Bij mij stond echter vast dat ik, nog afgezien van alle bedenkingen die het verleden zouden betreffen, tegenover den N.G. geen verplichtingen op mij kon nemen die mij zouden binden voor de toekomst. Niet een, maar drie tijdschriften stonden voor mij open, en, wederom afgezien van persoonlijke overwegingen, had ik waarlijk geen reden om de voorkeur te geven aan het orgaan van Kloos boven dat van Verwey en Van Deyssel.[18] De manier waarop nog eenige samenwerking tusschen de nu voor goed verspreide leden van den N. G.-kring mogelijk zou zijn, was hun medewerking aan de verschillende periodieken welke uit de krisis van het moedertijdschrift waren voortgekomen. Ook om partikuliere redenen wenschte ik vrij te blijven: uit mijn vroeger bedrijf teruggetrokken, had ik mij in Den Haag als propagandist en publicist gevestigd, en, bij gebreke voorloopig aan een uitsluitend socialistisch orgaan, was de relatie mij welkom met iedere uitgave die socialistische bijdragen zou opnemen.

Zoo konden de in die dagen ontvangen regelen van Willem Kloos,


Mag ik u zeggen, dat het geheel met mijne wenschen zou strooken als ge er toe besluiten zoudt samen met H. J. Boeken en mij de redaktie van De Nieuwe Gids te wezen,


mij niet van gedachte doen veranderen. Een ten [ 119 ] huize van Paap belegde konferentie heb ik dan ook niet bijgewoond en schriftelijk aan Van Looy mijn besluit te kennen gegeven.

Op dezen brief, waarvan ik geen kopie bezit, antwoordde Van Looy, 29 December, o.a. met de volgende opmerkingen:


Het „Tweemaandelijksch” is opgericht toen Kloos ziek was; maar nu hij hersteld is, de oude kwestie of liever het geschrijf daar over jammer vindt; de hand toesteekt, de sympathie en hooge achting voor hem onverminderd zijn gebleven; hij de hoofdman nog is, dit wil toonen en daarom zijn N.G. vervolgt, daar is mijns inziens de meening niet juist dat een ander tijdschrift de plaats van het zijne heeft ingenomen, en hij geen recht meer zou hebben den N.G. te vervolgen op den ouden goeden voet...
Zij die ik gesproken heb juichen de voortzetting toe, één meende zelfs dat Van Deyssel eventueel zou toetreden...


Nog mag hier de groote bedrijvigheid worden vermeld door Paap bij deze voorbereiding ontwikkeld; niet onmogelijk heeft hij zijn eigen litterarische plannen in verband gebracht met de herleving van het tijdschrift waarvan hij, mede-oprichter, een jaar redakteur was geweest.[19] O.a. had Mr. Paap, sedert eenigen tijd als advokaat [ 120 ] gevestigd, een ontwerp-kontrakt opgemaakt, dat althans in één der vroeger bestaande gebreken zou voorzien. Dit ontwerp, gesteld als een overeenkomst tusschen de andere drie belanghebbenden, Kloos, Boeken en S.L. van Looy, met F. van der Goes, bedoelde in de eerste plaats een deel van de door mij gevoelde bezwaren weg te nemen. O.m. bepaalt het dat aan laatstgenoemde de redaktie is opgedragen voor de „politieke en ekonomische rubriek”, met voorbehoud van het recht der redaktie als geheel om bij meerderheid van stemmen over de opneming van stukken te beslissen; hierover zou de uitgever kunnen meestemmen. Eenmaal als redakteur opgetreden, zou hij dat kunnen blijven, zoolang de „ondergeteekenden ter eene of hun rechtverkrijgenden” het tijdschrift uitgeven; nog een ander artikel zegt een honorarium toe van 35 gl. of bij 500 inteekenaren van 40 gl. per vel, en stelt ook een winstaandeel in het vooruitzicht.

Wel mocht de ijverige jonge vakman, die nu eenigen tijd het kommercieele deel van de uitgave verzorgde, spreken van de moeilijkheden die men te overwinnen zou hebben. Hoe diep de val geweest was, kan men reeds uit het eene cijfer opmaken dat een prospektus voor een geldleening aan het einde van den eersten jaargang der nieuwe serie vermeldt. Een getal van „300 getrouwen”, leest men, heeft „den voortgang mogelijk gemaakt”. Of deze driehonderd al bij het begin van den jaargang aanwezig waren, is niet duidelijk; met de mogelijkheid dat het cijfer op een niet ongebruikelijke [ 121 ] manier bij zoodanige opgaven naar boven min of meer aanmerkelijk is afgerond, zal in ieder geval gerekend moeten worden. Maar ook in het beste geval was dit een inderdaad rampzalig overschot te noemen van de acht- of negenhonderd geabonneerden waarmee het jaar '93—'94 opende.

Met „innigen dank" aan allen, medewerkers en inteekenaren, die het nieuwe resultaat hielpen bereiken, meenden de stellers van het prospektus, Kloos en Boeken, te kunnen verklaren dat het „recht van voortbestaan opnieuw krachtig was gebleken”—„zij het ook met belangrijke opofferingen onzerzijds”. Voor den volgenden jaargang, verzekerden zij, „was een krachtige hulp van vele kanten toegezegd”. Een en ander deed hen besluiten tot een voorstel waarvan de bijzonderheden, als de kondities van een keine geldleening, verder worden omschreven. Voor iedere 25 gl. als aandeel in die leening ten bedrage van 2500, zal men 4 proc. rente ontvangen, onder persoonlijken waarborg van den uitgever, bovendien 20 proc. korting genieten op den abonnementsprijs, en bij winst allereerst mogen rekenen op de uitkeering van 10 proc.; de hoofdsom zal elk jaar ten getale van 8 aandeelen bij loting worden afgelost. Nog garandeeren de stellers dat de op te nemen gelden niet bestemd zijn voor de dekking van reeds gemaakte kosten, en evenmin gebruikt zullen worden als loon voor redaktie en administratie, voor welke werkzaamheden eerst dan een vergoeding zal worden gegeven, wanneer de onderneming winst oplevert. Als om te [ 122 ] doen zien, dat men in dit opzicht nog geen hooge verwachtingen had, keerden de stellers de formuleering van deze bepaling om: „eventueele uitkeering aan redaktie en uitgever—schreven zij—zal gelden als winst". En opdat men niet zou kunnen zeggen dat dit alles zich zeer fraai liet lezen maar toch geen feitelijke zekerheid bevatte voor de aandeelhouders, die sommige voorvallen met een gelijknamig tijdschrift nog niet vergeten waren, eindigden de onderteekenaren van het prospektus met deze meedeeling:


Dr. H. G. Samson[20] en S.L. van Looy, als uitgever, dragen zorg voor de stipte naleving dezer bepalingen.


Of de bescheiden poging tot het financieren van de onderneming geslaagd is, kan hier niet worden gezegd. Echter mocht een dokumentje niet achterwege blijven dat iets van den toestand opheldert door de voorafgaande gebeurtenissen geschapen.

Bij de stichting van het nieuwe tijdschrift uit die gebeurtenissen voortgekomen, ben ik niet betrokken geweest. Doch juist deze omstandigheid heeft het onderwerp uitgemaakt van een korte korrespondentie die eveneens eenig licht werpt op den toestand van het oogenblik.

[ 123 ] Onmiddellijk na afloop van onze tusschenkomst in de zaken van den Nieuwe Gids was, zooals men weet, Albert Verwey aan het werk gegaan om te voorzien in een leemte die zich spoedig zou moeten doen gevoelen. Op het zelfde moment dat W. Versluys de uitgave van den N.G. staakte, deed Scheltema en Holkema's Boekhandel het eerste nummer verschijnen van een tijdschrift waarin men niet anders dan de voortzetting van het verdwenen orgaan der Tachtigers kon zien[21]—ook omdat toen van een herleving nog geen spraak was geweest.

Voor de nieuwe onderneming waren reeds twee maanden geleden de plannen vastgesteld geworden.

Verwey—de redakteur die steeds met mij over deze zaken de korrespondentie voerde—schreef mij op 1 Juli:


Karel Thijm en ik zijn met Groesbeek (van Scheltema en Holkema) overeengekomen omtrent het oprichten van een nieuw tweemaandelijksch tijdschrift. Hij en ik zouden alleen de hoofdredaktie uitmaken. Veth zal de rubriek Schilderkunst verzorgen; Van der Horst zullen we vragen voor 't Tooneel, Tak voor 't Politiek Overzicht. Jou verzoeken we 't zelfde te willen doen wat je vroeger in de N.G. deed.
Door onze overeenkomst met Groesbeek zullen we den voornaamsten medewerkers een [ 124 ] ordentelijk honorarium kunnen aanbieden. Daaromtrent zullen wij het wel nader eens worden. Als het kan willen we 1°. September verschijnen. Antwoord mij gauw want wij willen de namen in 't prospectus zetten.


Eenige dagen later schreef Verwey mij verder:


Ik hoorde van Groesbeek dat je een stuk voor het eerste nummer had. Dit zou ons zeer veel genoegen doen. Maar waarom schrijf je niet even? Je vindt misschien dat ik wel wat gauw alle N.G.-plannen in den steek gelaten heb. Maar ik wist wel dat wij 't daarover niet zoo dadelijk eens zouden worden, en ook dat iedereen later blij zou zijn als er een soliede tijdschrift was dat gelegenheid gaf tot rustig doorwerken.


Dat ik mij inderdaad eenigszins als voor een „voldongen feit” gesteld zag, heb ik Verwey niet verzwegen, evenmin dat ik, ter wille van mijn richting, en voortbouwende op de ook in dit opzicht door den Nieuwe Gids gelegde grondslag—„gelijk het heele orgaan profiteeren zal van die grondslagen”—een plaats in de redaktie zou hebben aangenomen. Ik voegde er bij in het gebeurde geen reden te zien om mijn medewerking te weigeren of mij persoonlijk gekrenkt te voelen. Trouwens was volkomen begrijpelijk dat de voor het welslagen van het Tweemaandelijksch Tijdschrift verantwoordelijke personen met het plaatsen van socialistische [ 125 ] artikelen meenden te moeten volstaan, en voor hun nieuwe onderneming den naam van een socialistischen redakteur niet begeerden. En eenige maanden later had ik zelf alle reden om met den loop der zaken volkomen tevreden te zijn. Intusschen had ik met genoegen van Verwey, in een brief van 16 Augustus, de volgende verklaring ontvangen:


Ik ben nog altijd verhinderd in mijn voornemen je op te zoeken. Ik had je graag zelf gezegd hoeveel genoegen je brief me deed, hoe ik zelf als onaangenaam gevoeld heb wat ik begreep dat er voor jou onaangenaams in mijn manier van doen moest zijn, maar ook hoe ik toch geloofde niet anders te kunnen doen en hoe ik hoopte dat je er geen kleinachting van jou door mij in zou zien...


Voor het eind van dit jaar werd een tamelijk kurieuze poging gedaan die een inlichting geeft over de plannen met den Nieuwe Gids en waarbij nog eenmaal melding is gemaakt van—P. Tideman. Al wat mij daarvan bekend is geworden, vindt men in deze plaats uit een brief van Verwey van 28 Oktober:


Je hebt zeker gehoord hoe wenschelijk het zou zijn als de N.G. nog tenminste het onderhoud van Kloos kon blijven opleveren. Van der H. vertelde me dat Witsen jou daarover wou gaan spreken. Thijm kreeg van Tideman een voorstel [ 126 ] om N.G. en Tw.T. te doen samengaan. Dat heeft geen gevolg gehad. Zeker is het dat een overname van abonnees, als ze spoedig plaats had, en de eigenaars van de N.G. bestemden de opbrengst voor een fonds voor Kloos, terwille van het doel ook door Groesbeek goed opgenomen zou worden.


Geen gevolg gehad heeft ook deze laatste gedachte die aan het andere tijdschrift voor aitijd een eind zou hebben gemaakt. Dat de eerste, de vereeniging van beide, onuitgevoerd moest blijven, zal den lezer wel niet verwonderen.


XII


DRIE PROSPEKTUSSEN


Het bondigste was de kennisgeving waarmee de heer C. M. van Gogh, eerste maar geenszins laatste uitgever van De Kroniek—het is merkwaardig hoe vlug de periodieken van deze richting haar uitgevers wisten te verslijten—de verschijning van dit weekblad, op 29 December 1894, aankondigde. De redaktie van het Tweemaandelijksch daarentegen, heeft een verhandeling van een half dozijn bladzijden, waarin men zonder moeite de hand van Albert Verwey herkent, noodig bevonden om het publiek rekenschap te geven van haar voornemens en inzichten. Het midden hield de cirkulaire van den Nieuwe Gids, een paar bladzijden groot, die, [ 127 ] anders dan de twee vorige, van geen medewerkers gewag maakte. Het blaadje van de Kroniek noemde als zoodanig maar weinige namen: Jan Veth, Berlage, Diepenbrock, Frans Coenen, Andre Jolles e.a.; het prospektus van Verwey pronkte met een lijst van meer dan veertig personen, waarbij ongeveer alle vroegere schrijvers in den Nieuwe Gids: Aletrino, Bolland, Van Deventer, Erens, C.V. Gerritsen, F. van der Goes, Herman Gorter, C.F. van der Horst, D.G. Jelgersma, Helene Swarth, Hugo Muller, Allard Pierson, Henriette van der Schalk, Veth, F.M. Wibaut.

Wat deze drie stukken gelijkelijk kenmerkt en hen tezamen doet verschillen van het prospektus indertijd voor den Nieuwe Gids geschreven, is de afwezigheid van alle streven om de uitgave voor te stellen als het orgaan van eenige bepaalde richting; integendeel wordt nadrukkelijk verklaard dat men zijn of worden wil wat de Kroniek ook in zijn ondertitel van „algemeen” weekblad te kennen gaf. Het tijdschrift van deze leiders heeft opgehouden in de eerste plaats een strijdschrift te zijn; voortaan, schijnt het, willen haar vertegenwoordigers niet werken op het publiek maar vóór het publiek werken, den lezer meer tegemoet komen dan hem leiden en allerminst eenigen lezer afstooten.

Verwey spreekt deze verandering het duidelijkst en zoo beslist mogelijk uit:


Dit tijdschrift—begint hij—wil zijn een verdediging van het goed recht van alle gezindten. [ 128 ] Wat mooi is in Kunst of belangrijk in Idee zal er gelijkelijk zijn plaats krijgen; en de Kunst zullen wij er niet naar een school-leer, en de Idee niet naar haar overeenstemming met een andere idee beoordeelen.


En nog eens schrijft hij aan het slot:


Zoo zal het best zijn wat het wezen moet: een spiegel van onzen Tijd.


Een spiegel, koude en beweginglooze vlakte die enkel het licht weerkaatst, niet een vlam die licht en warmte verspreidt—dit, ziet men, is voor den nog jongen tijdschriftleider het zinnebeeld geworden. En zooals een spiegel slechts teruggeeft, zoo verklaarden ook de woordvoerders voor Kroniek en Nieuwe Gids dat zij hoofdzakelijk refereerend zouden te werk gaan. „Meedeelen en bespreken”, „vermelden en bespreken" zal het weekblad de onderwerpen van het oogenblik. De „groote maatschappelijke en politieke verschijnselen” zal de Kroniek hen beoordeelen, en er leiding aan trachten te geven?—gezegd wordt alleen dat zij „binnen de grenzen liggen die dit weekblad zich afbakent”.

Hetzelfde wat Verwey geschreven had in Augustus, schreef Kloos in December:

Voor alles zullen wij vermijden den schijn aan [ 129 ] te nemen, als waren wij partijdig of exclusief. Alles wat zuiver is gevoeld en goed is uitgedrukt, wat helder is gedacht en voor iedereen duidelijk is gemaakt, alles wat den beschaafden Nederlandschen lezer kan boeien en gaande houdt, zal altijd bij ons vinden een welkom onthaal.
Wij rekenen daarom op den gewaardeerden steun van onze bezadigde en verder-willende landgenooten en bevelen ons bij die allen vriendelijk aan.


Op den stijl van deze boekverkooperscirkulaire een satire te schrijven, zou natuurlijk gemakkelijk genoeg zijn.

Het merkwaardigste is echter dat deze redaktie, die enkel dan iets zal kunnen presteeren als het haar gelukt uit de ruïne van het jongste verleden eenige toonbare brokstukken op te delven, zich geroepen voelt te beloven wat zij niet kan geven en wat ook van haar niet wordt verlangd.

Er is in ons land—schrijft ze—geen periodieke uitgave, die maandelijks hare lezers in de gelegenheid kan stellen, een overzicht te ontvangen, zoo oordeelkundig mogelijk samengesteld, van wat er gebeurt en gedaan wordt in onze letteren en onze staatkunde, onze wetenschap en onze kunst.
Een algemeene revue, die den beschaafden lezer op de hoogte tracht te houden van alles wat hem interesseeren kan in eene of weer dezer vier [ 130 ] hoofdstroomingen van ons nationaal leven, bestaat tot dusverre in ons land niet...


Een algemeene revue die den beschaafden lezer op de hoogte tracht te houden... het behoeft, wel niet gezegd te worden dat van deze toezeggingen niemendal terecht is gekomen; daarentegen heeft de redaktie, van het begin af door eenige oude en jongere geestverwanten[22] bijgestaan, een „Nieuwe Gids” op kleinen voet weten te produceeren, die in de rij der tijdschriften, als één uit vele, zich staande hield en ten slotte meer dan een konkurrent overleefde.

Ook het tijdschrift van Verwey en Van Deyssel heeft nooit het karakter aangenomen dat de schrijver van het prospektus in het vooruitzicht stelde. Dit is zoo waar dat toen tien jaar later naar het oordeel van den zelfden redakteur het werkelijke karakter gevaar ging loopen, hij het op een breuk liet aankomen met zijn mede-redakteur en met de uitgevers en nogmaals, en thans alleen, een nieuw orgaan stichtte. Niet zonder weemoed afscheid nemende, gaf Albert Verwey aan de onderneming van 1894 den naam dien zij zeker met eere had gedragen: het was, schreef hij, „het orgaan van een geestelijke beweging”. Die funktie, schreef hij verder, had dit tijdschrift, dat hij duidelijkheidshalve [ 131 ] met een hoofdletter spelde, van andere tijdschriften onderscheiden, en uit het feit dat het andere lid van de redaktie tegenwoordig niet meer alleen voor „het” Tijdschrift werkte, leidde Verwey af dat voor zijn konfrater een kenmerkend verschil niet meer bestond en zelfs, dus, die beweging, wederom met een hoofdletter aangeduid, geëindigd zou zijn. Vandaar zijn besluit om de overeenkomst niet te verlengen, en voor de uitgave welke onder zijn leiding deze bepaalde beweging zou blijven dienen, den naam te kiezen van „De” Beweging.

Ten overvloede maakte Verwey in het vervolg van zijn prospektus of „Inleiding” zijn bedoeling nog duidelijker door te zeggen dat hij „niet de geestelijke beweging in het algemeen” in de bladen van zijn tijdschrift wilde „vasthouden”—een wellicht oneigenlijke doch in dit verband toch geen dubbelzinnige uitdrukking—maar de „ééne bizondere geestelijke beweging die van onzen tijd het wezen is”; „ter wille van ééne Geestelijke Beweging wordt dit tijdschrift door mij opgericht”.

Van een tijdschrift „voor alle gezindten”, de leuze van 1894, is thans, in 1904—dit alleen wenschten we te doen uitkomen—geen spraak meer. Het is waar dat Verwey de „ééne” beweging die hij verstond en die hij voorstond, aangemerkt wil hebben als de eenige „die de richting van onzen tijd is”. Maar in geen geval zal een periodiek geschrift dat deze en geen andere richting wil bewandelen, zich kunnen uitgeven als voor alle gezindten geschikt. Want wat men de richting van [ 132 ] een tijd noemt is immers nooit meer of anders dan de denkwijze van een bepaalde groep van tijdgenooten; en het is gewoonlijk zoo gesteld dat uit de omstandigheden van den tijd verschillende en tegenstrijdige denkwijzen voortkomen. De vertegenwoordiging van één richting in een tijdschrift sluit andere richtingen—tenzij dan bij wijze van polemiek—meestal uit. In den regel zoeken de redakteuren hun medewerkers, en de uitgevers hun abonnees, in een kleineren en een grooteren kring van geestverwanten. In den tijd waarvan wij thans spreken stonden inderdaad verscheidene groote tijdschriften naast en soms ook tegenover elkaar: „algemeene revuen” in dien zin dat zij verschillende onderwerpen behandelden, maar toch doorgaans alle onderwerpen uit een bijzonder oogpunt beschouwden.[23] Zoover onder het lezend publiek min of meer duidelijk aanwijsbare schakeeringen bestonden, kon iedere „gezindte" niet slechts in de dagbladen haar gading vinden; en met het zelfde recht zou iedere redaktie van een der maandschriften, als zij slechts op den vernuftigen inval ware gekomen, het hare „de Beweging" hebben kunnen [ 133 ] noemen. Welke speciale artistieke richting den redakteur Albert Verwey als haar hoofd erkende, vermeldt de jongste geschiedenis van onze letteren.

Waarom tien jaar geleden anders was gesproken, schijnt niet moeiiijk te verklaren: uit de litteraire richtingen behoefde men niet, uit de politieke of sociale wist of wilde men althans niet een keus doen. Er komt, wat het eerste betreft, een tot op zekere hoogte persoonlijk motief bij, dat voor Verwey van groote beteekenis moest zijn en dat hij zeer aannemelijk en niet zonder scherpheid ontwikkelt.

De richting van den Nieuwe Gids, weet men, had een overwinning behaald die niet meer werd betwist; zij had school gevormd en haar hoofden beheerschten, elk in zijn bepaalde kunstsoort, het terrein... Hoe, dus, zou het nieuwe tijdschrift zich kunnen opwerpen als de banierdrager van het nieuwe, nu dat nieuwe, om algemeen te behagen, niet anders behoefde te zijn dan een voortzetting van het oude? Neen, de eisch van het oogenblik had veeleer een tegenovergestelde strekking: nu de strijd naar buiten volstreden was, moest, om de vruchten van den vrede te kunnen genieten, gebroken worden met de inrichting die in en voor den strijd was ontstaan. Te meer was dit laatste noodig nu aan de hand die haar het eerst opgestoken en met goed gevolg zoo lang gevoerd had, de banier ontvallen was—zonder dat men zeggen kon in welke andere hand zij thans moest overgaan... Strijd om een gewonnen doel niet meer vereischt, strijd op de oude manier niet langer mogelijk; zoo [ 134 ] in weinig woorden, laat zich het betoog van Verwey samenvatten, en in dien zin zijn konklusie begrijpelijk maken: wij schrijven voortaan een tijdschrift voor alle gezindten, wij willen niet anders zijn dan een spiegel van dezen tijd. Natuurlijk: andere gezindten dan die de suprematie van de Nieuwe Gids-richting erkenden, bestonden er niet of kwamen ten minste niet in aanmerking. En wat, mag men vragen, zou de spiegel anders te zien kunnen geven dan het schouwspel van eigen onbetwiste macht en roem?

De tegenwoordige lezer, onderstellen we, zal verlangend zijn te hooren hoe in dit voor de kennis van een afgesloten periode belangrijke dokument, Albert Verwey zelf heeft gesproken.

Op den zooeven geciteerden aanhef laat hij, met een toespeling die wij reeds hebben verduidelijkt, o.a. deze woorden volgen:


Het tijdschrift zal niet het orgaan zijn van één dichter of één prozaschrijver... Want wij ontkennen dat de geest van een tijd noodzakelijk altijd door één mensch moet worden uitgedrukt, en dat hij alleen de aandacht verdient, die de geestesstrooming van een oogenblik het scherpst verpersoonlijkt. De ezel van Bileam was op een tijdstip zeker het opmerkelijkste, maar hij was niet het eenige orakel van Israël...

Na met een voorbeeld van andere orde—hoe hij aan dit voorbeeld was gekomen, behoeven we na [ 135 ] zekere citaten in het hier voorafgaande niet te vragen—deze gedachte te hebben toegelicht, gaat Verwey voort met een uiteenzetting van de vroegere omstandigheden. Het geringe getal jongere kunstenaren dat zich afscheidde, zegt hij, vormde een soort van krijgsstaat—daartoe door de noodzakelijkheid gedreven.


En als in alle krijgshaftige organisaties werd het gezag er onfeilbaar en diktatoriaal...
Van de neiging tot zulk een militär-staat mag nu wel iets over zijn; maar de tijd er voor is voorbij. Open, meer dan open zijn de ooren van onze landgenooten voor al wie een plaats weet te veroveren op een katheder waarvan hij te hooren valt...


En, na ook die stelling nader te hebben gestaafd, besluit de schrijver dit deel van zijn betoog met deze vraag:


Wat wil men meer? Stormloopen op deze vriendelijke menigte? Laten wij hun liever gezamenlijk een gastmaal aanbieden van het beste wat elk van ons heeft.


Verder behoeven wij den gedachtengang van het stuk niet in bijzonderheden te volgen. Verwey erkent dat de litteraire beweging waaraan hij deel neemt niet wezenlijk bestaat in de uiting van enkel individueele gevoelens, maar dat die gevoelens te [ 136 ] beschouwen zijn als de „afzonderlijke en gedeeltelijke explosie van een gestolten wereld die in vloed ging gaan". Hij erkent ook dat tusschen de speciale beweging en andere geestelijke stroomingen van den tijd verband bestaat, en komt zoo te spreken over de maatschappelijke en politieke beweging—echter in bewoordingen die niet een zoo duidelijke voorstelling geven van zijn gedachten als de voorafgaande uiteenzetting. Het is hem, zegt hij, alsof de geheele wereld in kunst, wijsbegeerte en maatschappelijk leven naar „het tegenwoordige" aan het zoeken is. Het oude Christendom, het socialisme, het occultisme—dit en nog veel meer stelt men aan de orde: en zijn Tijdschrift zal pogen „van dat zoeken het mooiste en beste te vereenigen", „een beeld te zijn van (dezen) tijd". Evenwel moet daarbij ook gerekend worden met een achtenswaardige gehechtheid aan het oude, „het voorbijgaande". Zoo zal in het nieuwe orgaan niet enkel de „toekomst-mensch", maar ook de „behoudsman" het woord kunnen krijgen—mits het „enkel liefde (zij) die hen drijft". En uitdrukkelijk wordt ten slotte nogmaals verzekerd dat ook „in staat- als staathuishoudkunde", gelijk in de overige rubrieken, het „goed recht van alle gezindten" bij deze redaktie veilig is... [24] Met de onderstelling dat de [ 137 ] schrijver van deze regelen zelf op menig gebied, buiten het letterkundige dan, nog tot de „zoekenden" behoorde, komt men, gelooven we, het dichtste bij de waarheid, en tevens de waardigheid van den toenmaligen dichter-denker niet te na.


NASCHRIFT


Kort voor zijn heengaan was ik in de gelegenheid van Herman Gorter te vernemen hoe hij zelf zich zijn aandeel voorstelde in de hier beschreven gebeurtenissen. Het stuk was toen nog niet verschenen, maar toch had ik den inhoud met hem kunnen bespreken en er zijn meenig over gevraagd. Daarna gaf ik Gorter de verzekering dat bij een mogelijken herdruk de door hem noodig geachte aanvulling zou worden vermeld.

Men vindt de bedoelde plaats waar, in § II, gesproken wordt over het in 't najaar van 1892 gemaakte plan om Gorter als mede-redakteur voor het tijdschrift te winnen: een versterking van het litteraire element dat vooral wegens de toenemende onthouding van Willem Kloos noodig werd geoordeeld. Dit, en wat er geschiedde met het besluit van de redaktie dat Gorter uitgenoodigd zou worden, is in dezelfde paragraaf verhaald—en ook dat hij, naar de redaktie verwachtte, niet zou weigeren. Op dit punt echter, verklaarde mij Gorter dat hem voornemens zijn toegeschreven, vaster dan hij zelf er had gevormd. Daarmee wilde hij niet zeggen dat hij een verzoek stellig zou hebben [ 138 ] afgeslagen, alleen dat er bij hem volstrekt geen verlangen bestond om onder de toenmalige omstandigheden een plaats te krijgen in de leiding van den Nieuwe Gids. Gorter voegde er bij dat het vooral Frederik van Eeden moet zijn geweest die voor zijn door hem zelf nimmer begeerde kandidatuur bij de andere redaktieleden heeft geijverd en een te sterke voorstelling gegeven van zijn bereidwilligheid; en wel, omdat Van Eeden van Gorter steun zou hebben gehoopt tegenover Kloos met wien hij, Van Eeden, reeds op niet al te goeden voet stond.

Over de waarde van deze laatste onderstellingen heeft de schrijver van deze herinneringen niet te oordeelen; hij voldoet slechts aan een billijken wensch van den man die niet meer voor zich zelf kan spreken, door een opmerking mee te deelen zoo als hij haar heeft ontvangen.

Een onjuisten indruk, verder, kon de bewoording maken van het geschrevene dat, in § VI, over de verhouding tusschen Van Eeden en Albert Verwey handelt: nl. alsof Verwey die toen, April 1894, pogingen aanwendde om den stervenden Nieuwe Gids te doen herleven, en daarvoor de hulp van Van Eeden, mede-eigenaar en mede-redakteur, niet kon missen, juist dat oogenblik zou hebben uitgekozen om, door het publiceeren van een scherpe kritiek op „Ellen" en „Johannes Viator", zich van hem te vervreemden. Zakelijk komt het gebeurde inderdaad hierop neer. Immers is het kwalijk denkbaar dat de op die wijze beoordeelde schrijver zich aanstonds met den vroegeren kameraad had willen [ 139 ] verstaan om het gezamenlijk opgerichte en thans tot een even plotseling als ergerlijk verval geraakte orgaan op de been te brengen.

Evenwel heeft Verwey dat tijdstip niet in eenigen letterlijken zin gekozen om zijn recensie te doen verschijnen. Dit samentreffen was meer een ongeluk dan iets anders. Om zich daarvan te overtuigen behoeft men slechts de data na te gaan die hier in aanmerking komen. Het bedoelde stuk tegen Van Eeden is oorspronkelijk, eind Januari en begin Februari van het genoemde jaar, uitgekomen als artikelen in een toen nieuw en thans vergeten weekblad, getiteld „De Kunstwereld". Zij werden even later als brochure herdrukt en vonden in dien vorm waarschijnlijk de meeste lezers. Van een opzettelijk tarten van zijn kunstbroeder is zooals men ziet bij Albert Verwey—trouwens een op zich zelf reeds onaannemelijke verdenking—geen spraak geweest. Evenmin als wie ook kon Verwey toen weten dat hij zeer spoedig daarna, in April, aanleiding zou vinden om over een gemeenschappelijke litteraire onderneming met Van Eeden overleg te plegen, en dat onder omstandigheden welke niet hij maar Van Eeden beheerschte. Uit den door mij opgenomen brief blijkt ten overvloede dat bij het voorwerp van zijn uitvoerig en diepgaand onderzoek, de gevoeligheid nog geenszins was geweken...

„On le serait à moins"—gelijk de Franschman zegt.

 

  1. Bij sommige jonge kunstenaars uit onzen kring leefden socialistische sympathiëen, die later niet geheel verdwenen zijn. Jan Veth, b.v., bewerkte Walter Crane's Claims of decorative Art onder den titel „Kunst en samenleving”. Men kan uit dit boekje leeren, schreef H.P. Berlage, de architekt, dat de sociaal-demokratie geenszins beteekent „een brutalen moord aan alle kunst, een opvatting, die ook in ooze litteratuur tot zeer lezenswaardige artikelen aanleiding heeft gegeven; ik bedoel Van Deyssel kontra v.d. Goes en omgekeerd”.
  2. Deze brief ontbreekt aan mijn dossier.
  3. Waarschijnlijk is de redaktie-vergadering van 28 April bedoeld.
  4. Blijkens een aan mij geschreven briefkaart van 2 Oktober had Van Eeden nog een „officieelen brief” gericht tot de redaktie; van dit stuk heb ik geen inzage kunnen nemen.
  5. Albert Verwey had reeds in 1888 de redaktie verlaten.
  6. Bedoeld is het geval dat K., eerder dan zich met de anderen te verstaan, geheel met hen zou wenschen te breken.
  7. In het kopieboek onleesbaar, de zin is echter duidelijk.
  8. Deze brief is niet gedateerd.
  9. Van Deventer had aan Kloos voor de eerste aflevering een bijdrage afgestaan.
  10. Uit een andere aanteekening blijkt dat ik Zondag (29) dadelijk na ontvangst van zijn door Verwey mij toegezonden schrijven tot tweemaal toe den uitgever te spreken trachtte te krijgen, maar aan zijn deur werd afgewezen.
  11. Hier is door mij een naam geschrapt.—V.d. G.
  12. Deze briefkaart luidde:
    Ik verzoek je kennis te nemen van een door mij hedenmorgen aan den heer Versluys gezonden brief.
    Bussum, 2 Mei' 94.
  13. Letterkundige Kritiek. Frederik van Eeden, „Ellen— Johannes Viator", door Albert Verwey; Amsterdam, D. de Voogd, 1894.
  14. „... de kunstenaars werden.... nijdig.... om die blasphemie tegen de gloednieuwe realistische en naturalistische kunst... om die bedenkelijke sublimatie van den hartstocht en den geheelen aposteltoon van het boek, die hen werkelijk half dol maakte.
    Deze man, dien zij aan hun boezem gekoesterd hadden, bleek eensklaps niet een adder, maar, wat veel erger was, een blikken dominee, alleen in talent en zeggingskracht van de vroegeren verschillend...
    Een volkomen breuk is dan ook spoedig gevolgd".
    (Frans Coenen, Studiën van de Tachtiger Beweging, over den indruk van Johannes Viator op de andere N. Gids-schrijvers).
    In zijn hier afgedrukten brief aan mij heeft Van Eeden moeten bedoelen, behalve dan de door hem genoemde beoordeeling door Verwey, ook het artikel van Kloos, „Gedachten en Aforismen over Frederik van Eeden", in de tweede N.G.-aflevering 1893—94 verschenen. De litterator P. Tideman volgde met eenige bladzijden onder het opschrift „Jan de Schenner, Het boek der verdommenis".
  15. Over de latere gedichten van Kloos in de eerste reeks van den N.G. schrijft Frans Coenen in het reeds aangehaalde werk: „... zij zeggen niets nieuws meer, en het oude, de zelfverhooging en de verguizing van anderen, mijns inziens, minder goed. En dan is het einde snel nabij. In 1894 is het reeds vrijwel alles tot karikatuur geworden van den vroegeren Kloos, naar vorm zoowel als naar inhoud".
    En ofschoon de dichter—besluit Coenen—later „nog menig treffend vers” heeft geschreven, „bereikte hij de hoogten van vroeger nimmermeer en zijn kunstontwikkeling ligt blijkbaar binnen de jaren '80 en '94 besloten.
  16. Een jongste Generatie en de Nieuwe Gids, door P. Tideman; Amsterdam bij W. Versluys, 1894.
  17. Mr. N.A. Calisch en C.V. Gerritsen hadden als leiders van de radikale beweging den N.G. geldelijk gesteund. De eerste was tevens onze raadsman, en toen hij de rechtskwestie had nagegaan, had hij zijn aanspraken als aandeelhouder opgegeven.
  18. Begonnen te verschijnen 1 September 1894.
  19. Eigendomsrechten op de N.G. heeft voor zoover mij bekend, Paap nooit laten gelden.
  20. De te Amsterdam gevestigde Arts Samson als student een van onze bentgenooten, heeft later als kunstverzamelaar eenige bekendheid verkregen.
  21. Een der oude aandeelhouders van den N.G. toonde zich er ietwat gevoelig over dat hem niet een gratis-abonnement verstrekt bleef.
  22. Voor het litteraire hebben in de eerstvolgende jaren meegewerkt o.a. Van Looy, Eerens, Frans Mijnssen, J.H. Leopold, Andre Jolles; voor het politieke P. L. Tak, Henri Polak, J.J. de Roode, Van der Goes.
  23. De Gids had zich, ook door in het litteraire den N.G. te volgen, als het voornaamste maandschrift, goed burgerlijk liberaal in het politieke, kunnen handhaven. Onze Eeuw, meer christelijk deftig gekleurd, werkte voor een speciaal publiek. De Vragen des Tijds, uitsluitend politiek, vertegenwoordigden de radikaal-liberalen. Na het toetreden van Henriëtte Roland Holst en Herman Gorter was de socialistische Nieuwe Tijd een politiek en litterair orgaan geworden.
  24. Ongeveer hetzelfde las men in het prospektus van den Nieuwe Gids;
    Wat de staatkunde betreft onze lezers kunnen verzekerd zijn, dat het maandschrift zal wezen in den meest uitgestrekten zin van het woord: liberaal voor iedere gezonde opine, op doeltreffende wijze geuit en gestaafd.