Iets over Prostitutie en Vrouwenarbeid, Frank van der Goes 1939

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Iets over Prostitutie en Vrouwenarbeid van Frank van der Goes
'Iets over Prostitutie en Vrouwenarbeid' werd oorspronkelijk gepubliceerd in De Nieuwe Tijd in 1904. De hier weergegeven tekst is ontleend aan Uit het werk van Frank van der Goes, gepubliceerd in 1939 te Amsterdam bij De Wereldbibliotheek N.V.. Dit werk is in het publieke domein.


[ 163 ]
 

IETS OVER PROSTITUTIE EN
VROUWENARBEID.
[1]

 

I

 

Weer op het dameskongres te Berlijn is gebleken dat ook onder de burgerlijke vrouwenbeweging er velen zijn die het feministisch verzet tegen de historische, normale ontwikkeling van de arbeidswetgeving, welke het eerst de uitbuiting aantast die het meest verderfelijk is, nl. bij den loonarbeid van kinderen en van vrouwen—een bespottelijk ding achten. Onze landgenoote Mevrouw Rutgers-Hoitsema, op hare wijze de belangen van het vrouwelijk proletariaat bepleitende, door als een recht te eischen hare verdrukking door het kapitaal zonder eenige beperking grooter dan die voor mannen, vond in een andere landgenoote, Mevrouw Henriëtte van der Meij (red. Belang en Recht) eene tegenstandster wier argumenten op de vergadering den indruk moeten hebben gemaakt dat zij, indien een van beiden, de socialiste was.

Inmiddels heeft de heer C.V. Gerritsen zich tehuis onledig gehouden met in het Sociaal Weekblad zijn meening te zeggen over de debatten tusschen eerstgenoemde en een der redaktieleden van de Nieuwe Tijd over hetzelfde onderwerp. Met zijne opvatting van waarheidsliefde acht de heer Gerritsen het vereenigbaar de zeer gedokumenteerde weerlegging van mevrouw Rutgers door Henriëtte Roland Holst[2], voor te stellen als een onzakelijken, om andere dan principiëele redenen ondernomen aanval. Doch indien zelfs buiten de arbeiderspartijen de damespraatjes over bescherming van vrouwen in loondienst, eigenlijk alleen in de kringen van sommige belanghebbenden, van het konservatiefste deel der industriëelen opgaan, zal de heer Gerritsen moeten begrijpen dat hij in onze organen (zoover men er zich ernstig mee bezig houdt) over deze feministische beuzelarij niet anders dan scherpe of bittere kritiek kan verwachten. Hij vindt het "zoo klaar als de dag" dat de oorzaak van "de scherpte en vinnigheid van toon", waardoor zijn ge[ 164 ] voelige ziel in de brochure van mevrouw Holst werd getroffen, iets anders is dan wij in de brochure te lezen krijgen. "Wij willen ons daarmede echter niet bezighouden," verklaart hij en rekent daarmee de zaak voor afgedaan.

Evenmin heeft de heer Gerritsen het noodig geacht zijn bezwaren tegen een bepaalde plaats van de brochure, waar de schrijfster over prostitutie en vrouwenarbeid handelt, nader te verduidelijken. Hij schrijft:

 
Als staaltje van "argumenteeren" van mevrouw Roland Holst, wil ik ten slotte nog memoreeren dat zij niet de prostitutie toeschrijft aan de lage loonen door vrouwen genoten, maar omgekeerd, "het feit dat de vrouw, behalve haar physieke of intellectueele kracht, nog iets anders verkoopen kan, haar lichaam, en van den prijs daarvan noodzakelijke of luxe behoeften bestrijden, houdt het vrouwenloon in bepaalde beroepen in alle gevallen ver beneden het mannelijke, in sommige beneden het minimum, noodig tot levensonderhoud."
De arbeidsters in fabrieken en werkplaatsen.... zullen zeker vreemd ophooren van deze oorzaken der kleine loonen en vooral de gehuwde arbeidsters, zullen zij zich thans kunnen verzoenen met aparte wettelijke beperking van hun arbeiden en het geringe inkomen daaraan verbonden, nu zij weten waaraan dit laatste mede is toe te schrijven?
 

Arbeidsters—antwoorden wij—gehuwde en ongehuwde, hebben al zoo dikwijls zich uitgesproken voor wettelijke beperking (die alleen soms en als tijdelijk, in ieder geval als een kleiner kwaad voor weinigen, met loonsverlaging gepaard gaat) dat men haar opinie werkelijk niet nóg eens behoeft te vragen. Ook mag men aannemen, meenen we, dat bij haar althans deze oorzaak van lage loonen maar al te zeer bekend is: de mogelijkheid van bijverdiensten door 's avonds de straat op te gaan.... Merkwaardig, intusschen, dat de heer Gerrit[ 165 ] sen een "staaltje van (verkeerd) argumenteeren" meent te vinden in de bloote formuleering van een inzicht, dat met het zijne niet schijnt overeen te komen. En nog merkwaardiger, dat hij, mede-eigenaar van een beroemde speciale bibliotheek, zoo weinig thuis blijkt te zijn in de diskussie over deze vraag, dat hij het thans door mevrouw Roland Holst uitgesproken gevoelen aanziet voor een persoonlijke meening, zóó dwaas maar ook zóó oorspronkelijk, dat hij zonder een enkel woord van weerlegging volstaan kan met het te vermelden, om haar aanstonds voor alle verstandige lieden beschaamd te maken. De heer Gerritsen weet niet of wil niet weten, dat het in de geciteerde plaats aangeduide verband van vrouwenloonen en prostitutie de door de socialisten algemeen aangenomen voorstelling is—een voorstelling, trouwens, evenzeer te vinden in de geschriften van bekende burgerlijke geleerden.

 

II

 

Indien men de feministen van de soort des heeren C.V. Gerritsen gelooven moest, dan zou het heele verschijnsel van lage vrouwenloonen te wijten zijn aan de beroemde oorzaak, die volgens hen moet opkomen voor al het leed en al het verkeerde dat het feminisme zoekt te verhelpen:—n.l. de kwaadwilligheid van de mannen. Lage vrouwenloonen zijn voor hen geen ekonomisch gevolg waarvan de gronden in bepaalde ekonomische gesteldheden liggen, onafhankelijk van den wil van personen; de patroons, meestal mannen, verdraaien het eenmaal aan arbeidsters zooveel te geven als aan arbeiders, tegen alle rede en billijkheid dikwijls, want het werk van de eersten is dikwijls volstrekt niet minder dan dat van de laatsten. En zoo zijn dan de vrouwen, die toch even als de mannen een bepaald bedrag noodig hebben om te leven, wel gedwongen zich te prostitueeren. De redeneering is eenvoudig genoeg, en heeft slechts het bezwaar dat zij den schijn neemt voor het wezen.

Zooveel mag reeds dadelijk als zeker worden aangeno[ 166 ] men, dat het vinden van bijverdiensten door prostitutie, vraag naar of behoefte aan prostitutie onderstellen doet. De prostitutie is niet een uitvindsel van behoeftige jonge vrouwen, wier vernuft, door den nood gescherpt en door armoede van keurigheid beroofd, op dit denkbeeld zich heeft geworpen om brood te krijgen. Uiterlijk verschijnt deze gesteldheid der dingen in dier voege, dat de meeste meisjes tot dit bedrijf geraken op een manier die aan geen ander bedrijf eigen is. Zij behoeven, in het algemeen, de broodwinning van de prostitutie niet te zoeken; maar zij worden door de prostitutie gezocht: in den vorm somtijds van hare kliënten en somtijds van hare ondernemers.

Aan den anderen kant staat vast dat er prostitutie bestond in vóórkapitalistische tijden. De prostitutie, al heeft zij steeds een eng verband gehouden met den loondienst, is niet uit den loondienst voortgekomen. Veeleer kan men zeggen dat zij, in het algemeen en oorspronkelijk een vorm van geslachtelijk verkeer naast het huwelijk en anders dan het huwelijk, geboren is uit de omstandigheden waaruit ook het huwelijk is ontstaan. Wanneer in en door het huwelijk eene vroegere vrijheid van geslachtelijk verkeer aan beperkingen onderworpen wordt, blijft de vrijere instelling buiten den echt een maatschappelijke behoefte voor een deel van de bevolking, en verschijnt, bij het grooter worden van de geslachtelijke tucht, ook de ontucht. Het zal afhangen van de maatschappelijke gesteldheid die het huwelijk bepaalt, welke elementen van de bevolking aan deze en welke aan de vrijere relatie de voorkeur geven. Zoo is bekend dat in de oude wereld seksueele verhoudingen buiten het huwelijk hebben bestaan die met de moderne prostitutie alleen den naam gemeen hebben, doch die geen prostitutie vertegenwoordigden in eenigen vernederenden zin. Niet altijd, verder, zijn de wettelijke voorschriften die bepaalde maatschappelijke gevolgen verbinden aan de vervulling van lichamelijke en van zielsbegeerten, voor het geluk bevorderlijk dat hare wijze een schoone bevrediging vermag te geven. Sommigen doen [ 167 ] hunne neigingen geweld aan, of achten haar niet bij anderen, wijl ze, hetzij de maatschappelijke gevolgen van een huwelijk wenschen, hetzij vreezen. Verkeerde huwelijken komen tot stand en goede blijven ongesloten, om de maatschappelijke gevolgen; iets van het vernederende eener werkelijke prostitutie is uit dien hoofde van oudsher aan vele huwelijken verbonden.

Met de uitbreiding van warenproduktie en de opkomst van het kapitalisme, moet ook het buitenechtelijk verkeer steeds meer commercieele vormen aannemen. Aan den eenen kant wordt het getal grooter van de mannen, die de maatschappelijke verplichtingen van het huwelijk niet wenschen te dragen of niet kunnen nakomen. Aan den anderen, dat van de vrouwen die hun levensonderhoud moeten zoeken. Voorbijgaande en uitsluitend lichamelijke bevrediging wordt door de mannen meer en meer gezocht, naarmate de wisselvalligheden en moeilijkheden van het stoffelijk bestaan grooter worden, en tegelijkertijd de proletariseering ook van de vrouwelijke bevolking het geslachtelijk genot algemeen op die wijze verkrijgbaar stelt. De proletariseering die de massa van alle eigen produktie-middelen berooft, maakt steeds meer vrouwen van het op deze wijze verworven onderhoud afhankelijk. Maar tevens, indien zij door dezelfde oorzaken gedwongen worden én hare arbeidskracht én haar schoonheid tot koopwaar te maken, ligt in deze omstandigheid de oorzaak van de enorme verlaging en de sterke ontaarding welke in het buitenechtelijk verkeer in de laatste eeuwen zijn op te merken. Wij noemen deze diepe vernedering van vrijeren seksueelen omgang de eigenlijke, moderne prostitutie. Het kapitalisme heeft den meest verbreiden vorm van zoodanigen omgang en heeft de vrouwen, wijl het haar verplicht er een uitsluitend beroep van te maken, eerst recht geprostitueerd.

Inderdaad heeft het kapitalisme voor de mannen van elke klasse, en hoofdzakelijk voor die van de bourgeoisie, een reserve-leger van geproletariseerde vrouwen beschikbaar gesteld, naast de vrouwen waaruit zij hunne echtgenooten kiezen, die in de toenemende behoefte [ 168 ] hebben te voorzien van hetgeen juist deze vrouwen kunnen leveren. De mannen verlangen geen andere bekoring dan voor hen gelegen is in de korte, altijd naar nieuwe voorwerpen zoekende, precies getarificeerde en door openbaar toezicht beveiligde, uitsluitend fysieke aanraking. Zij verlangen niet en hebben integendeel leeren schuwen, elke vastere, meer bindende, ook door eenige geestelijke gemeenschap verlevendigde of verfijnde betrekking. De mannen van de bourgeoisie, die het trouwen uitstellen, in finantieele en andere zaken opgaan, veelal een gedeelte van hun leven in den vreemde doorbrengen, begeeren de konversatie met een klasse van vrouwen die zij omhelzen zonder genegenheid, die zij liefhebben zonder verplichting, die zij winnen zonder moeite, die zij kunnen vergeten zonder wroeging, die zij mogen verachten zonder verwijt.

De vrouwen van het onder den druk van het kapitalisme meest verkommerd deel der andere klasse (met een kontingent van verongelukten uit alle standen) verschaffen het gehalte en verkeeren in de omstandigheden, die deze mannen zoeken in hunne gezellinnen van het uur en minnaressen van het oogenblik. Zij weten niet door eenige kwaliteiten te boeien voor een langeren duur, of zich meer bekoorlijk te maken voor een ander doel. Zij verdubbelen de volgzaamheid tegenover den kooper met de gehoorzaamheid aan den man en de onderworpenheid aan den meester. Tusschen kooper en verkooper bestaat uit dien hoofde geen andere betrekking dan het betalen eenerzijds en het leveren andererzijds van de gekochte waar; en dat deze waar de geheele mensch is, vertegenwoordigt geen afwijking van den regel omdat de mensch hier slechts als zinnelijk genotmiddel in aanmerking komt. Zoolang deze relatie voortduurt en telkens als zij wordt vernieuwd, moet zij zijn en blijven wat zij wegens de maatschappelijke gesteldheid waaruit zij voortkomt wezenlijk is: de koop en verkoop van zuiver geslachtelijke bevrediging. Ontwaakt bij de partijen het besef dat aan deze wijze van bevrediging de meer duurzame vreugde ontbreekt die het verkeer van [ 169 ] man en vrouw vermag te schenken, dan zal de gekochte genieting hem een onrein vermaak schijnen, en haar de verleende beschikking een onoverkomelijke schande. Bij een zoo groot mogelijk maatschappelijke afstand tusschen beiden is ook de waarschijnlijkheid het grootst, dat de aanraking bepaald zal blijven tot de prostitutie, die het kapitalisme van geslachtsgemeenschap buiten het huwelijk heeft gemaakt. De klassentegenstelling laat inderdaad weinig anders toe dan gemeenschap van de lichamen, en doet partijen in den koop overigens vreemdelingen voor elkander zijn en blijven.

 

III

 

Het kapitalisme dat de vrouwen geheel afhankelijk maakt van de mannen, en haar het huwelijk als eenig bestaansmiddel heeft gelaten, heeft de geslachtelijke vrijheid van de vrouwen vóór het huwelijk volstrekt opgeheven.

De geprostitueerden zijn niet vrij, zij moeten hare liefde verkoopen. De eerbare vrouwen zijn evenmin vrij, zij mogen hare liefde niet wegschenken. Alle seksuëele vrijheid is voor de mannen alleen die reeds vóór het kapitalisme de kostwinnaars waren, en de vrouwen de huishoudsters, maar die door het kapitalisme zooveel macht over de vrouwen hebben gekregen, als de maatschappelijke beteekenis van de kostwinning die van de huishouding nu te boven ging. Het kapitalisme heeft aan de mannen de beschikking gegeven over de vrouwen in en buiten het huwelijk. De willekeur van het heerschende geslacht, dat in de ekonomische gesteldheden den grondslag en de instrumenten van zijn overmacht bezit, bepaalt naar zijn welbehagen en behoeften de zeden van het andere. De man geeft aan sommige vrouwen een broodwinning die hem door hare onkuischheid moeten behagen, en aan sommigen het levensonderhoud wier plicht de kuischheid is. De eenen, om te leven van zijn hand, zijn genoodzaakt zich te geven en weg te gooien vóór haar tijd; de anderen, zich te onthouden tot [ 170 ] haar tijd voorbij is; in beide gevallen is het de mannelijke willekeur die de wet stelt aan de vrouwelijke natuur. De hoeveelheid vrouwelijke kuischheid ter eene, de hoeveelheid onkuischheid ter andere zij, wordt door de mannelijke willekeur—werkzaam als het beslissende motief krachtens de ekonomische oorzaken die de vrouwen hebben onderworpen—vastgesteld. Waren alle vrouwen eerbaar, de man zou zijn gading niet vinden vóór en buiten het huwelijk; en zijne gade niet erin, waren zij allen oneerbaar. Eerbaar is wat hem behaagt in zekere gevallen; oneerbaar, wat hem in andere gevallen aantrekt. Van partikuliere omstandigheden hangt af welke vrouwen zullen behooren tot de eerste, en welke tot de tweede kategorie; doch in de maatschappij, die de behoefte aan de onregelmatige en aan de regelmatige betrekking bij de sekse wekt welke over de bestaansmiddelen van de andere beschikt, zullen beide kategorieën altijd aanwezig zijn.

Doch de bekoring van de eene soort is als zoodanig het volkomen tegendeel van die der andere. Het zijn de maatschappelijke oorzaken die de scheiding in de levenswijze teweeg brengen en daarmee de tegenstelling scheppen van ondeugd en deugd. De instelling van het huwelijk heeft tevens de betrekking van eene vrije liefde in het leven geroepen, uit welke warenproduktie en kapitalisme, door vrouwen te dwingen van hare genegenheid een koopwaar te maken en haar de beschikking over andere waren te ontnemen, zoowel de vrijheid als de liefde hebben verdreven. Het kapitalisme is de oorzaak, niet van het ontstaan van andere betrekkingen naast het huwelijk, maar van het ontaarden zoodaniger betrekkingen tot de moderne prostitutie. Gelijk de deugd van de zedigheid bij sommige vrouwen slechts bestaat krachtens het maatschappelijk moment dat andere vrouwen tot ongebondenheid voert, is het moderne huwelijk slechts bestaanbaar door de prostitutie. De oneerbaarheid van een zeker getal waarborgt de eerbaarheid van het overig getal. Gelijk in het kapitalisme zóóveel arm moeten wezen, opdat zóóveel rijk kunnen zijn, is de eerbaarheid een plus hier, [ 171 ] overeenkomende met en beantwoordende aan het minus van de oneerbaarheid ginds. En zoo is het gebeurd dat de jonge vrouwen in deze maatschappij in twee elkander tevens bedingende en uitsluitende helften striktelijk gescheiden zijn. Dezen, hare kuischheid bewarende tot zij trouwen als een schat kostbaarder dan eenige andere, verbleekende bij de gedachte dat een haar rooven, of (erger nog) zij in de verzoeking zouden komen haar ontijdig weg te schenken. Genen, slechts aan den prijs denkende dien ze voor hare bekoorlijkheden kunnen maken, en voor de rest de omhelzingen van de mannen minder tellende dan de liefkoozing van een hond. Van oudsher heeft in het kapitalisme als motief dat men de prostitutie van overheidswege niet te zeer moest belemmeren, de overweging gegolden dat ten behoeve van de mannen men een deel van de vrouwen bij hare kuischheid alleen kon bewaren, door hun een ander deel zonder eenig voorbehoud prijs te geven[3].

Steeds zal men vinden dat daar waar de door het kapitalisme op de kuischheid van de aanstaande bruiden gestelde premie het hoogste is opgevoerd, de prostitutie den grootsten omvang heeft gekregen. De welgeboren vrouwen tooien zich met het handwerk waarbij de arbeidsters hongeren, en zoo ook prijken ze met de bloesems van een zedigheid om harentwil door dezen vroegtijdig afgelegd. Dit vindt men in de hoogere klassen van elk ontwikkeld kapitalistisch land. De arbeidende bevolking daarentegen hecht niet zoo zeer aan volkomen onthouding vóór het huwelijk, en zij kent niet de met deze onthouding korrespondeerende instelling van de prostitutie. De reden is de grootere maatschappelijke gelijkheid van man en vrouw, op haar beurt gevolg van de grootere beteekenis der ekonomische positie van de vrouw in het gezin waarvan zij feitelijk het hoofd is. Ook buiten het gezin is zij van de mannen niet afhankelijk. De behoefte aan eene vrijere geslachtelijke verhouding [ 172 ] dan het huwelijk in deze maatschappij kan zijn, bestaat ook onder het proletariaat, maar zij ontaardt er niet tot de prostitutie zooals bij de bourgeoisie. Uitzonderingen leveren eenige beroepen waarbij de dienst van het kapitalisme tot een in die klasse ongewoon uitstel van het trouwen verplicht, als dat van militairen en zeelieden. Evenmin is er, bij afwezigheid van een sterker geslacht, een dubbele geslachtelijke moraal, een milde voor het sterke en een harde voor het zwakkere. Mannen die vrouwen welke naar hen geluisterd hebben, laten zitten, worden er strenger beoordeeld dan vrouwen die zich lieten verleiden.

 

IV

 

De klassieke verschijningswijze van de prostitutie in het kapitalisme is het bordeel—het onder strenge tucht en schier geheel rechteloos samenwonen van vele vrouwen, door een kapitalist bevolen en uitgebuit.

In het bordeel vindt de bezoeker al zijn eischen vereenigd. Het tarief is bekend, staat vast, en de eenigszins geroutineerde gast kan het gelag zoo goed vooruit berekenen als den prijs van welke andere waar ook. De vrouwen zijn er naamloos, even weinig als zij hunne vrienden kennen, kennen dezen hun minnaressen. Behalve dat, is er de waarborg van slechts vluchtige verbintenissen zonder konsekwenties, in het feit van een voortdurende afwisseling van het personeel. Zoodra van de bewoonster het nieuwtje voor de meerderheid der kliënten af is, verlaat zij het huis, waar het aanknoopen van vastere relaties (behalve natuurlijk bij gevallen van bedrog waarin hij de hand heeft) niet ligt in het belang van den ondernemer. Zeldzaam zijn de vrouwen afkomstig uit de stad of streek, dikwijls zelfs niet eenmaal van het land. Dit vergroot haar afhankelijkheid, en assureert tevens de verbruikers tegen onwelkome ontmoetingen met vrouwen die hen in het geregelde leven hebben gekend: of later zouden kunnen herkennen. De publiekheid van de plaats, verder, sluit aan weêrskanten de ge[ 173 ] dachte van een blijvende betrekking haast volstrekt uit; of liever, maakt iets dergelijks feitelijk onmogelijk. Bijna evengoed zou men kunnen verlangen dat een omnibus andere passagiers of een gaarkeuken andere gasten weigerde, als een bordeelvrouw andere minnaars. Elke andere vorm van gekochte liefde heeft zijn fraaieren schijn en de mogelijkheid van redding en terugkeer; slechts deze niet die zonder genade is en zonder illusie. Het bordeel is wat de fabriek uitdrukt in de nijverheid. Met de kazerne is het de derde inrichting waar het kapitalisme een deel van de bevolking onderbrengt, tot gemakkelijke beschikking voor sommigen, tot voordeelige exploitatie voor anderen.

Tot op onzen tijd hebben vrijere en minder vernederende, wijl minder uitsluitend tot den lichamelijken handel beperkte, en aan de kapitalistische onderneming vreemde vormen van prostitutie naast het bordeelwezen zich gehandhaafd, ofschoon ook deze in de kapitalistische maatschappij wel niet anders dan van kommercieelen aard kunnen zijn. Daargelaten wat het kapitalisme van het huwelijk zelf heeft gemaakt in een groot deel van de burgerlijke wereld, kunnen vrouwen zich buiten het huwelijk in geen ongeregelde betrekking begeven, die niet tevens een materiëelen kant zou hebben. Die eigen middelen bezitten komen gewoonlijk eerst in en door het huwelijk tot grootere seksueele vrijheid, en de anderen zullen moeten leven van de middelen zich verworven door het prijsgeven van de hare. Werkelijk vrij geslachtelijk verkeer bestaat er onder het kapitalisme voor de vrouwen niet. Uitgezonderd zijn alleen de getrouwden van de hoogere klassen, en de vrouwen die de weinige bedrijven uitoefenen welke deze vrijheid haar laten. Voor alle anderen vertegenwoordigt het buitenechtelijk verkeer een gedwongen onderwerping aan den man, die haar betaalt. Zij heeft bijna alle verplichtingen te dragen van het huwelijk, en geniet geen van zijn rechten. De meest voorkomende en in de hoogere bourgeoisie zeer gezochte vorm van deze prostitutie is het onderhouden van eene maîtresse, tijdelijke minnaressen [ 174 ] van een lageren maatschappelijken stand, die voor de mannen een huwelijk onnoodig maken of van eenmaal gesloten huwelijken de lasten helpen verlichten. Zij behoeven niet tevoren tot de publieke prostitutie te behooren, maar zij zullen er later veelal toe overgaan. Wijl de bijzit geen rechten heeft, niet uit eigen beweging haar minnaar is gevolgd, en zij voor haar zelve (en hare kinderen) afhankelijk blijft van zijn goeden wil, die in den regel niet langer duurt dan de lichamelijke bekoring waarom hij haar heeft genomen, is ook deze verhouding een vorm van prostitutie, slechts minder diep en hopeloos dan de geheel openbare van het bordeel, die van een vrijer geslachtelijk verkeer niets dan volkomen ontaarde trekken heeft overgehouden. Prostitutie is tegelijkertijd verslaving en ongebondenheid, en sluit daarmee het begrip van vrijheid uit. De man alleen geniet haar in het geringere gehalte van willekeur.

De onder de werking van warenproduktie en kapitalisme te weeg gebrachte verwording van vrije liefde tot prostitutie (in en buiten het huwelijk) laat zich eenigszins nagaan in zekere veranderingen op te merken aan de publieke bordeelen.

Het karakter van een verkoophuis voor seksueele bevrediging waarbij de vrouwen niet anders beschouwd of hooger aangeslagen worden dan de andere genotmiddelen voor geld verkrijgbaar gesteld, is, naar het schijnt, zelfs in den lateren tijd het bordeel niet altijd in die volstrekte mate eigen geweest. Sporen van eene inrichting die aan den oorsprong van de prostitutie herinneren, de behoefte aan een verkeer waarlijk vrijer dan het huwelijk kon zijn, maar dat niet enkel fysieke bevrediging bedoelde, zijn in een nog niet zeer verwijderd verleden aanwezig. De mannen zoeken in die huizen, wel geen blijvende verbintenissen, maar toch den omgang met vrouwen die zij niet beschouwen als seksueele koopwaar alleen. In dezen omgang vinden de mannen eenige vergoeding voor de ontberingen van een levenswijs, noodzakelijk vreugdeloos, eentonig, ruw, onhuiselijk, als het gevolg van een door hunne maatschappelijke positie aan[ 175 ] gewezen of door hun beroep bevolen celibaat. Wat zij zich in een eigen woning niet kunnen verschaffen en missen moeten aan een eigen haard, schenkt hun, zoo goed en kwaad als het daarbuiten in deze maatschappij mogelijk is, en in een gehalte overeenkomstig de ongunst van die omstandigheden, het publieke huis met zijn voor allen toegankelijke bewoonsters. En deze bewoonsters van haar kant, hoewel voor allen toegankelijk, zien in de bezoekers niet enkel de koopers van een vermaak dat partijen vrijlaat zoodra het is genoten en haar slechts de verplichtingen oplegt van levering ter ééne, van betaling ter andere zij. Niet geheel en al heeft hier de commerciëele verhouding de natuurlijke doen ontaarden, en iets van de relatie tusschen vrouw en man, met teekenen van genegenheid en verschooning, bleef haar vergezellen.

Niet alleen de mannen die geen eigen huis konden houden, verschaffen de kliënteele van deze oudere en mildere vormen van prostitutie. Er zijn ook de jonge mannen onder, die door het genot van deze kortstondige betrekkingen en haar vrije, plompe gezelligheid, deze leeren stellen boven den omvang met vrouwen die zich enkel blijvend verbinden, en wier omgang uit dien hoofde het inachtnemen van een zekere ingetogenheid oplegt. Wij lezen in vroegere tijden van veel vrijer verhoudingen tusschen jonge mannen en vrouwen dan tegenwoordig algemeen zijn; en van huwelijken die dan eerst werden gesloten, wanneer de vrijster en vrijer weldra moeder en vader zouden worden of het reeds eenigen tijd waren. Zulke verhoudingen worden onmogelijk in een maatschappij waarin kapitalisme en warenproduktie het individualistisch streven van elk voor zich op de spits hebben gedreven. Thans zou het moeder worden van het meisje in de meeste gevallen maatschappelijk het omgekeerde gevolg hebben: niet het huwelijk bespoedigen maar voor altijd doen uitstellen. Wil zij trouwen, het meisje, dan moet zij voor alle dingen zorgen dat zij nog geen kinderen heeft, want haar echtgenoot heeft alle redenen om nog niet vader te willen zijn. En dit heeft [ 176 ] in vele kringen de gedwongenheid en de stijfheid gebracht, maatschappelijke wachteressen van de vrouwelijke kuischheid, die in andere omstandigheden geen uiterlijke beveiliging van noode heeft. Op deze wijze is bij mannen de behoefte ontstaan aan de konversatie met vrouwen die aan allen tezamen behoorden, geen aanspraken derhalve op één hunner konden maken, en tegenover niemand ingetogen behoefden te zijn.

Er zijn teekenen, zeiden we, van het bestaan dezer mildere vormen vóór het algemeen worden van de moderne bordeelprostitutie. In La Fille Elisa, roman van De Goncourt, vindt men er de duidelijke schets van. Het huis waar zij woont, wordt bezocht door mannen die er een praatje komen maken, een glaasje drinken, zich vermaken eenigermate als op een plaats die, behalve bordeel, ook een herberg en een danshuis is. Elke vrouw heeft haar vasten uitgaansdag dien zij doorbrengt met haar vasten minnaar. Het blijkt niet dat dezen haar op hun beurt exploiteeren, eerder behooren ze tot de bezoekers die iets meer van haar verlangen dan hare kussen alleen. Echter heft deze relatieve vrijheid en het gebruik dat zij er van maakt om aan éénen man veel meer te geven, bij Elisa de prostitutie niet op waartoe zij en hare kameraden zijn vervallen. Zij brengt, dit op een keer beseffende, den minnaar om het leven dien zij lief heeft met een genegenheid, welke hem schenken wilde wat zij niet meer bezat.

De oude speelhuizen in de Hollandsche groote steden behooren ook tot deze kategorie. Zij zijn de rendez-vous van vreemdelingen, zeelui, jongelieden van hoogeren stand die er een kijkje komen nemen. Gelegenheid tot afzondering met de bezoeksters is niet aanwezig en moet elders worden opgezocht. Er wordt muziek gemaakt („gespeeld"), gedanst, gerookt en gedronken. „De uiterste buitensporigheden" bericht een reiziger in 1682 van de Amsterdamsche, „worden er niet gepleegd." Tot in het begin van de 19e eeuw zijn de speelhuizen in stand gebleven en ze waren in de tweede helft nog niet geheel verdwenen. In een zijner Amsterdamsche schetsen verhaalt Justus van Maurik van een vermaard huis, niet ver [ 177 ] van de Kalverstraat en bijgenaamd „de zeepzaal", in kermistijden door welgestelde burgers met hunne vrouwen bezocht.

Wat deze prostitutie, overgebleven in de danshuizen enz. van Zeedijk en Zandstraat, van de nieuwere, dikwijls als „Fransche" bordeelen aangeduid onderscheidt, is het karakter dat haar eigen is van betrekkelijke openbaarheid van gebruik. Het zijn niet de van boven tot onder zorgvuldig gesloten gevels, de gemeenlijk in stille buurten gelegen, aan slechts enkele bijzonderheden van uiterlijke inrichting (kleur van gordijnen, 's avonds bij sommige een bescheiden, rood licht boven de deur) herkenbare etablissementen. Er is luidruchtige muziek; de deuren staan niet op een kier maar wijd open en zijn dikwijls vervangen door een los gordijn; de bezoekers sluipen niet binnen, maar komen bij troepen hossende en zingende over den drempel. De maatschappij heeft deze betrekking van de geslachten nog niet zoo volkomen gedemoraliseerd, dat zij zich schaamt voor haar produkt, buiten hetwelk zij niet kan bestaan. De Hollandsche zeventiende-eeuwsche schrijver dien we citeerden, leefde in den tijd toen de regeerende bourgeoisie nog uitsprak wat haar voor den mond kwam: dat men, al ware het maar oogluikend, in de groote steden bordeelen behoorde toetelaten, opdat niet tot schending van eerbare voorname vrouwen werd gedrongen, zoo men de wellust geheel verboden en benomen had. Niet slechts, inderdaad, is in de burgerlijke maatschappij de prostitutie voor de mannen maar ook voor de vrouwen. Zij is een uitbuitingsvorm van de armen door de rijken en met de industriëele uitbuiting ten nauwste verwant.

 

V

 

Ekonomisch gesproken is de prostitutie een bedrijf van vrouwen in loondienst.

Gelijk alle arbeid van die kategorie wordt ook deze gedeeltelijk onbetaald verricht. Hij brengt geen waarde voort en dus ook geen meerwaarde, maar hij stelt een [ 178 ] kleiner of grooter kapitaal, in handen van bordeelhouders, herbergiers, leveranciers van allerlei waar, enz. in staat een evenredig of zelfs een onevenredig deel van de maatschappelijke meerwaarde, die de bezittende klasse voor haar genoegen verteert, tot zich te nemen.

De geprostitueerde vrouwen, immers, ontvangen zooveel als voor haar onderhoud noodig is, en het overige gaat den weg van alle kapitaalwinst. Niet altijd steekt er kapitaalwinst in den prijs van de prostitutie, de opbrengst is soms geheel voor de geprostitueerde vrouw, doch ook in dit geval ontvangt zij proletariërsloon, aangezien de verkoopsters bij gebrek aan andere bestaansmiddelen, tevreden moeten zijn met haar levensonderhoud te verdienen en de konkurrentie in den regel groot genoeg is om verhooging van levensvoorwaarden te beletten. Er is in de gegeven maatschappij een gegeven behoefte aan prostitutie, het te groote aanbod zou zich doen gevoelen in een prijsdruk, die de geprostitueerde vrouwen trof, wijl zij het onveranderde bedrag voor den koop van hare waar beschikbaar, onder een toenemend getal hadden te verdeelen. Veranderde de verhouding in tegenovergestelden zin, dan zou de prijsverhooging intreden als gevolg van een kleiner getal mededingsters voor een deel van hetzelfde totaal. En wisten zij, in dit laatste geval, de hoogere eischen blijvend te maken en zoodoende de waarde te verhoogen van de aangeboden waar, dan zou in die bepaalde maatschappij een grootere som van de warenwaarde voor de vervulling van deze behoefte beschikbaar moeten worden gesteld. De aard van het bedrijf brengt evenwel mee, dat van eenig krachtig streven naar lotsverbetering volstrekt geen sprake kan zijn, zoodat men de prostitutie terecht de meest hopelooze slavernij heeft genoemd in de wereld van den loondienst. Zij volgt als bedrijf de ekonomische wetten, hetzij die van het loon, hetzij die van den prijs der niet kapitalistisch geëxploiteerde goederen.

Wij hebben thans te onderzoeken welke betrekking er bestaat tusschen het loon der prostitutie en de loonen van de industrie.

[ 179 ] Loon van prostitutie is de prijs van een koopwaar, en industriëel loon is de prijs van een andere koopwaar. De prijs van een lokomotief houdt verband met den prijs van ijzer, maar alleen omdat een lokomotief van ijzer gemaakt wordt. Hier, echter, is een andere verhouding. De met prostitutie- en de met industriëel loon betaalde koopwaar zijn namelijk niet twee afzonderlijk naast elkander bestaande waren. De industriëel koopt de arbeidskracht; de geprostitueerde vrouw verkoopt hare schoonheid, hetzij direkt of door tusschenkomst van den kapitalistischen ondernemer. Maar de arbeidskracht en iedere andere fyzieke geschiktheid is een uiting en bijzondere aanwending van de menschelijke levenskracht. Het onderhoud, de reproduktie van de levenskracht stelt en herstelt het vermogen om te arbeiden. Er komt nog bij, het opnemen van de kennis en de vaardigheid noodig om de levenskracht op de door de eischen van ieder bedrijf bepaalde manier te gebruiken. Doch voor proletarischen arbeid wil dit in den regel niet veel zeggen, en bovendien wordt de bekwaamheid gewoonlijk al werkende verkregen. En daarom wordt de prijs van een hoeveelheid arbeidskracht bepaald door den prijs van het noodige om den werkman in het leven te houden gedurende den tijd waarin hij arbeidt. Men weet dat de hoeveelheid van dit noodige hoofdzakelijk afhankelijk is van de min of meer sterke positie, die de arbeidersklasse tegenover het kapitaal heeft kunnen innemen.

Nu is het, verder, zoo gesteld dat behalve de arbeidskracht, iedere andere fyzieke geschiktheid met het onderhoud van de levenskracht, vernieuwd wordt en bestendigd. Bovendien is de hierbedoelde niet eene die zeldzaam voorkomt (zoodat in een gegeven maatschappij een groot getal vrouwen slechts een kleine hoeveelheid, als het ware, vertegenwoordigden en in het onderhoud van het groote getal voorzien moest worden om die beperkte hoeveelheid te verschaffen) of eenige bijzondere, moeilijk te verzwijgen bekwaamheid onderstelt. Zeer vele jonge vrouwen die niets anders bezitten, bezitten haar als een voor ander gebruik geschikten vorm [ 180 ] van haar arbeidskracht. Zij zijn jonge arbeidsters wijl zij jonge vrouwen zijn. Haar levenskracht kan aangewend worden in het eerlijke en in het oneerlijke bedrijf, zonder dat voor beiden een afzonderlijk levensonderhoud noodig is. Een bepaalde hoeveelheid benoodigdheden, derhalve, waarvoor een zekere hoeveelheid levenskracht kan worden onderhouden, verschaft de beide vermogens ter beschikking van het kapitaal, zoolang de kracht strekt, waarvan beide slechts verschillende gebruikswijzen zijn. Een bepaalde hoeveelheid benoodigdheden, echter, vertegenwoordigt een zekere waarde, die den prijs uitmaakt van vrouwelijke arbeidskracht voor de industrie en vrouwelijke bekoorlijkheid voor de prostitutie. Een geprostitueerde vrouw, die tevens arbeidt voor de industrie, zal de kosten van haar levensonderhoud dus niet alleen in den verkoop van de eene of van de andere waar behoeven te vinden, maar kunnen verdeelen over de opbrengst van beide, die dus ieder goedkooper kunnen, gedwongen door de konkurrentie ook inderdaad zullen zijn, dan wanneer zij van een van beide moest bestaan.

Deze waren, de menschelijke levenskracht in hare onderscheidene nuttigheden aangewend, zijn geen waren als de meeste. Hare maat is een slechts door de gewoonte vast te stellen grootheid. Is een dagwaarde arbeidskracht 10 uur, 8 uur, of misschien 12, 15 uur? Voor hetgeen hij ontvangt kan de arbeider, strikt genomen, langer werken dan hij wenscht, langer dan hij bij voldoende maatschappelijke krachtsontwikkeling zijnerzijds zal willen. Omdat zij verschillende toepassingen van levenskracht zijn, kunnen zij zonder onherstelbare uitputting van den bezitter aan de koopers worden geleverd ongeveer gelijkertijd of onmiddellijk na elkander. Een arbeidster die een normale dagtaak heeft verricht, behoudt de geschiktheid voor prostitutie. Prostitutie kan bij nacht en ontijd gebeuren. Aan een weinigje hoogere orde van prostitutie, de min of meer klandestiene, die bij bepaalde kategorieën van arbeidsters in zwang is, die jonge vrouwen verlangt van iets hoogeren levensstandaard dan b.v. bij [ 181 ] gewone fabrieksmeisjes wordt gevonden, die de meisjes van de kleine burgerij trekt; aan de prostitutie van naaisters, modistes, winkeljuffrouwen, enz. is in de grootere steden een behoefte, die, naar het schijnt, den prijs doet stijgen en haar vergelijkenderwijs ruimt beloont. Het mannenbezoek dat zij een maal per week ontvangt, zal een arbeidster van deze soort zich wellicht hooger laten betalen dan haar loon bedraagt van een geheele week. In sommige gevallen wordt het eerlijk bedrijf alleen nog aangehouden wijl het de vrijheid geeft voor de uitoefening van het oneerlijke en den schijn helpt bewaren, die het voordeeliger maakt.

De prostitutie, willen wij zeggen, sluit den arbeid voor de industrie geenszins uit, evenmin als omgekeerd. Zoo is het duidelijk dat inderdaad voor één bedrag aan levensmiddelen niet slechts een hoeveelheid van ééne waar: de arbeidskracht of de vrouwelijke bekoorlijkheid, maar van beide kan worden geleverd. Dit is van andere goederen niet mogelijk. Geen twee waren worden voortgebracht door één en hetzelfde produktieproces. Slechts de mensch, door zijn levenskracht te vernieuwen, produceert daarmee zoovele waren als zijne geschiktheden en vermogens in de warenwereld een rol vervullen. Sommige van deze krachten, behalve hare zeldzaamheid, hebben een moeilijke en langdurige speciale oefening noodig en kunnen gezegd worden de geheele levenskracht in zich op te nemen, en andere funkties zoo goed als uit te sluiten. Het talent van een kunstenaar, ongerekend de onmisbare studie, blijft werkzaam door het verbruik van de benoodigdheden welke zijn levenskracht onderhouden, maar het is zeldzaam dat verschillende talenten de vrucht zijn van één en hetzelfde produktieproces.

Geschiktheid voor prostitutie en arbeidskracht zullen daarentegen niet alleen elkaar als fyzieke gesteldheden gewoonlijk vergezellen, maar bovendien in dezelfde persoon geruimen tijd vereenigd kunnen blijven. Binnen zekere grenzen bestaat er bij de industriëele arbeidsters de fyzieke mogelijkheid van prostitutie, en binnen die [ 182 ] grenzen zal deze mogelijkheid zich doen gevoelen als een druk op de industriëele loonen. De verkoop van de waar arbeidskracht zal onder omstandigheden plaats hebben, waarop de aanwezigheid van een andere waar, die met dezelfde kosten wordt voortgebracht, van invloed is—ook dan wanneer zij door de bezitster niet te koop wordt gehouden.—Reeds deze enkele aanwezigheid van "iets anders behalve haar arbeidskracht dat de vrouw verkoopen kan," vermeldt Sidney Webb als een oorzaak van lagere vrouwenloonen (Womens Wages, 1891, in den bundel: Problems of Modern Industry, 1898, bl. 78/9). Het arbeidsloon is daarom lager dan het zijn zou buiten die oorzaak, en in vele gevallen niet in staat de kosten te dekken van het noodige levensonderhoud, omdat ook inderdaad die kosten niet voor de reproduktie van de arbeidskracht alléén zijn aangewend. Tegelijk hebben zij gestrekt om de andere bedoelde fyzieke geschiktheid te ontwikkelen. Van de waarde der geheele gebruikte som vertegenwoordigt dus de waarde der verkregen arbeidskracht slechts een deel. De waarde van de vrouwelijke schoonheid is het andere deel. Het staat haar vrij dit goed niet voor verkoop bestemd te achten. Doch dit maakt voor de arbeidster het feit niet krachteloos, dat andere vrouwen het even regelmatig en met meer voordeel verhandelen dan haar arbeid. Zij leest in het loontarief, dat ook voor haar geldt, den prijs door anderen voor eene veilheid bedongen, die zij verafschuwt. Eerst wanneer uit de lijst der beschikbare waren deze verdwenen zal zijn, zal, met de waarde, ook de te bedingen prijs van de andere verwacht kunnen worden te stijgen. Intusschen bestendigt het kapitalisme zoowel de behoefte aan prostitutie als zekere demoraliseerende werkingen onder verscheidene maatschappelijke klassen waardoor in de behoefte overvloedig wordt voorzien. Althans binnen zekere grenzen en in bepaalde bedrijven, zullen niet de werkelijk gemaakte of noodzakelijk te maken kosten voor de geschiktheid om te arbeiden het loon bepalen van de vrouwen die niets anders wenschen te verkoopen, maar slechts dat deel van die kos[ 183 ] ten welke met het gebruikelijke prostitutieloon geoordeeld kunnen worden dit geheel samen te stellen. En slechts een klein percentage van de arbeidsters in eenig vak zal zich werkelijk behoeven te prostitueeren, om het loon van allen evenredig aan de gemiddelde opbrengst van de prostitutie te doen dalen. Althans in die kringen waaruit de prostitutie voortkomt, is het weerstandsvermogen van de voor de industrie werkende vrouwen zoo gering, dat reeds een geringe druk zich tot haar nadeel voelbaar weet te maken. Aan den anderen kant, bij een sterk georganiseerd vak van ontwikkelde arbeidsters, zal het geen kwade gevolgen hebben wanneer eenige dien weg opgaan. Het weerstandsvermogen tegen het kapitaal is er krachtig genoeg om den prijs van het eenmaal noodig geoordeelde totaal der levensbenoodigdheden als grondslag van het loon, tegen alle aanslagen te beschermen. Loonsverlaging voor de geprostitueerden zullen zij weten te beletten, wijl daardoor loonsverlaging voor allen dreigen zou. In die omstandigheden is de geschiktheid voor prostitutie niet als waar aanwezig, en het is in aller belang, dat zij zoolang mogelijk worden gehandhaafd. Het is alsof deze geschiktheid een monopolie van weinigen ware, uit dien hoofde in staat zich te bevoordeelen door het verhandelen van een goed, dat, voor de meerderheid, niet begrepen was in de reproduktie van de arbeidskracht. Het is in die omstandigheden alsof alleen enkelen voor de prostitutie geschikt zijn, en de ongunstige seksueele gesteldheid dat jonge arbeidsters tevens jonge vrouwen zijn, voor de overigen niet bestond.

Bij weinig samenhang en maatschappelijke sterkte, zal de schande van enkelen het nadeel zijn van velen. In het andere geval zal de prostitutie een bron van voordeel voor enkelen zijn die de overigen niet deert.

 

VI

 

Uiterlijk doet het verband van prostitutie- en industrieloon zich voor als het omgekeerde van de hier aangeduide verhouding. Het schijnt dat vrouwen een zeer [ 184 ] geringe betaling ontvangen om redenen buiten dit verband gelegen, en daardoor gedwongen worden zich te verkoopen op nog een andere manier. De heer Gerritsen in zijn genoemd artikel geeft deze voorstelling, die in de burgerlijke litteratuur algemeen is en door de feministen als een argument tegen wettelijke beperking van vrouwenarbeid wordt aangewend. De Parijsche naaister, heeft reeds Michelet gezegd in zijn beroemd boek, verdient vijf stuivers daags. "Hoe komt zij aan de rest?—ze gaat 's avonds de straat op." (La Femme, 1860, bl. 33). Lage loonen, meent men, zijn oorzaken van prostitutie; inderdaad is de prostitutie een der oorzaken van lage loonen.

Niet alle naaisters, immers, gaan de straat op, en wat zouden zij er doen indien er geen mannen waren die haar zochten? Niet zij hebben de prostitutie uitgevonden om te bestaan toen het andere salaris onvoldoende was, maar van het begin af was het salaris onvoldoende omdat in de prostitutie de gelegenheid opengesteld was om het aan te vullen. Onverschillig of zij er al dan niet gebruik van maken: zoolang zij niet de maatschappelijke kracht kunnen ontwikkelen die de verhoogde waarde van haar arbeidskracht vermag te handhaven tegenover de macht van het kapitaal, zal de mogelijkheid van prostitutie de waarde van haar arbeidskracht blijven drukken tot de grens bereikt is die haar tot prostitutie verplicht. De vraag naar prostitutie schept op zich zelf het aanbod niet, doch zij vertoont zich als de faktor die van de geschiktheid tot prostitutie een waar maakt en doet maken. Maar evenmin als de arbeidskracht wordt deze of eenige andere fyzieke gesteldheid een koopwaar, zoolang de bezitters over andere waren beschikken voor hun levensonderhoud. De beschikking over andere waren onderstelt eigen produktiemiddelen, en het is dus in de klasse die van alle produktiemiddelen beroofd is welke niet van het menschelijk lichaam onafscheidelijk zijn, dat wij de vrouwen vinden die in de behoefte aan prostitutie zullen voorzien. Door het kleine bezit, het bezit van eenige eigen produktiemiddelen te [ 185 ] onteigenen, heeft het kapitaal niet slechts een klasse van proletariërs maar ook een bedrijf van geprostitueerden voortgebracht. De kapitalistische klasse heeft vervolgens van de mannen de arbeidskracht opgeëischt, van de vrouwen de arbeidskracht en de schoonheid. Zij laat aan de mannen een bedrag, voldoende om van te leven, en aan de vrouwen laat zij een zelfde bedrag: doch wat de vrouwen ontvangen is als betaling over de beide waren, die eerder offers dan waren mogen heeten, in twee ongelijke helften verdeeld. En de uiterlijk zichtbare gang van zaken is nu zoo, dat jonge vrouwen die onmogelijk leven kunnen van de kleinste helft die arbeidsloon heet, ook gedwongen worden de hand uit te steken naar de grootere helft die het loon genoemd wordt van haar schande.

Schandelijk is werkelijk alleen het loon dat de dubbele exploitatie van den vrouwenarbeid in handen van de ondernemersklasse stort. Niet enkel de bordeelhouders, de koppelaars, de souteneurs zijn het die van prostitutie leven of rijk worden. De aldus jammerlijk in waarde verminderde vrouwelijke arbeidskracht levert in de werkplaatsen van het kapitaal een ontzaglijk groote meerwaarde. Prostitutie, zeiden wij reeds, kost geen eigenlijken arbeidstijd en de hongerloonen van de arbeidsters in alle vakken gaan gepaard met eindelooze werkuren. Maar wat haar wordt afgeperst door de ondernemers, die haar dwingen bij nacht en ontijd het ontbrekende te verdienen, blijft niet bij deze ondernemers alleen. De konkurrentie der kapitalen verplicht hen op hunne beurt er van aan hunne klassegenooten af te staan, die onder elkaar verdeelen de arbeidsprodukten door het proletariaat als meerwaarde voortgebracht en als verschillende vormen van kapitalistisch inkomen genoten. In dien niet ver gezochten zin des woords, bij de geweldige en toenemende uitbreiding van vrouwenarbeid en prostitutie heeft de geheele kapitalistische klasse bij deze dubbele uitbreiding belang. Haar rijkdom, immers, bestaat voor geen klein deel uit hoerenloon.

Van ouds zijn de vormen van dubbele uitbuiting der [ 186 ] vrouwen onafscheidelijk geweest. Loondienst en prostitutie behooren historisch bij elkaar, zoodanig, dat het kapitaal de vrouwen die het gedwongen had voor zich te werken, ook noodzaakte voor de bezitters zich te prostitueeren. Reeds de vrouwelijke lijfeigenen waren, naar het schijnt, aan de eene zoowel als aan de andere afpersing onderworpen. Hij die de macht heeft haar het arbeidsprodukt af te nemen, heeft ook de macht haar overigens geweld aan te doen. Met de misdrijven van het kapitaal heeft een vroegere klasse niet gewacht, wanneer zij de voordeelen kon genieten van een overeenkomstige machtspositie.

"Sedert de negende eeuw", schrijft Leroy Beaulieu, was het woord "genitiaria" of onvrije arbeidster éénsluidend met publieke vrouw". In de vrije bedrijven, zegt hij, waren de toestanden niet beter. "Het bederf schijnt zeer algemeen geweest te zijn onder de arbeidsters in de steden; zij namen haar toevlucht, gelijk wij nog thans kunnen zien, tot verkeerde of misdadige middelen om haar lage loonen aan te vullen". In de oogen van den rechten bourgeois, nl., zijn het niet de rijken die plunderen, maar de armen die geplunderd worden, op wie de blaam ligt van onzedelijkheid en misdaad.

Geeft, zegt Mary Wollstonecraft in haar beroemd werk over Vrouwenrechten van 1792, geeft aan de vrouwen een opleiding welke haar in staat stelt iets beters te worden dan loonarbeidster. Wij vinden in de sterke uitdrukking van het gevoelen dezer geniale feministe, dat hare sekse in de gelegenheid gesteld behoort te worden zich voor de burgerlijke beroepen te bekwamen, een getuigenis tegen het kapitalisme dat de vrouwen uit de lagere klassen gelijktijdig heeft geproletariseerd en geprostitueerd. Het huwelijk als een broodwinning voor vrouwen die anders geen bestaan hebben, noemt zij, tegenover de andere, de wettelijke prostitutie. "Bezigheden van verschillenden aard", schrijft Wollstonecraft, "zouden zij kunnen uitoefenen indien zij een degelijke opvoeding hadden genoten, welke haar kan redden voor de gewone en de wettelijke prostitutie". Zoo toegerust, [ 187 ] gaat zij voort, zou eene poging om haar eigen brood te verdienen haar niet (gelijk thans) doen dalen schier tot het peil van de ongelukkige wezens die zich verkoopen om te leven. Rekent men niet de naaisters en mantelmaaksters tot een klasse die er onmiddellijk op volgt? De weinige betrekkingen thans voor vrouwen toegankelijk maken haar dienstbaar inplaats van haar te bevrijden"[4].... (A Vindication of the Rights of Woman, Scott Library, bl. 709).

Een modern schrijver heeft de drukking op het loon door de mogelijkheid van prostitutie en andere ekonomisch overeenkomstige oorzaken, de oorzaken genoemd van een "natuurlijke goedkoopte" van sommigen vrouwenarbeid: bedoelende dat in het kapitalisme haar arbeid onder de werking van faktoren welke in den aard liggen van het stelsel, noodzakelijk als een artikel van lageren prijs verschijnt. Natuurlijk goedkooper dan mannenarbeid is die van vrouwen daarom, wijl zij niet als de mannen, die, toen het kapitalisme zijn intree hield als broodwinners en zij als huishoudsters werkzaam waren, het onderhoud moeten verdienen voor een gezin. De meeste vrouwen, heeft reeds Stuart Mill gezegd, zijn, "maatschappelijk gesproken, het aanhangsel van dezen of genen man." (Principles of Political Economy, People's ed. bl. 242). Aanvankelijk, schrijft Jules Simon (l'Ouvrière, voorr. 9e uitg. 1891, blz. 2) gebruikte men, tot ongeveer de helft van de 19e eeuw, de vrouwen niet in de groote industrie. Zij verrichtten huisarbeid—"en die bezigheden waren in het leven van de vrouwen van weinig belang. Het veel lagere loon dan dat van de mannen, werd beschouwd als een aanvulling van het inkomen van den vader of van den echtgenoot." Bijvoegsel of aanhangsel van de mannelijke gezinsleden: zoo heeft het moderne kapitaal de vrouw uit de arbeidersklasse gevonden, wat voor hem zeggen wilde, dat hij een volle of althans bijna volle arbeidskracht kon koopen [ 188 ] tegen een deel van de waarde. Indien het kapitaal reeds overwaarde kan halen uit arbeid waarvan de waarde geheel wordt vergoed, hoe veel gunstiger is dan voor hem de kans wanneer hij met arbeidskrachten te doen krijgt in welker onderhoud voor een kleiner of grooter deel door anderen voorzien wordt. Of die anderen leden van het gezin zijn, vrienden dan wel vreemden, is uit kapitalistisch oogpunt onverschillig. Geen wonder, dat van meet af loondienst en prostitutie nauw verbonden zijn geweest: niet alle vrouwen hebben vaders of echtgenooten die voor haar werken: minnaars, echter, kunnen alle vrouwen ondersteld worden te houden. Is u het loon niet voldoende, verkoop uw lichaam—heeft het kapitaal tot de jonge vrouwen gezegd, die om werk kwamen. Indien hij het niet steeds met zooveel woorden heeft gezegd, was het verwijzen naar het lagere loontarief een ondubbelzinnige wenk.

 

VII

 

Waar de omstandigheden het meebrengen, is die duidelijke wenk tot een dringend bevel verscherpt of gesteld als een bindende voorwaarde.

Niet in alle omstandigheden is de prostitueering van de arbeidsters voor de ondernemers voordeelig. In haar studies over de toestanden van het vrouwelijk werkvolk in de Berlijnsche papierindustrie (Leipzig, 1896; blz. 39), geeft Elisabeth Gnauck—Kühns te kennen, dat de onzedelijke levenswijs van slechten invloed is op het gehalte der werkzaamheden. Of het door haar gekonstateerde feit, dat de geprostitueerde arbeidsters in de laagste loonklasse vallen, inderdaad aan deze bijzondere en niet aan de algemeene oorzaak is te wijten, moge in het midden blijven. Ongetwijfeld is menige fabrikant tot het inzicht gekomen, dat in zijn onderneming het belang der zaak evenzeer ingetogenheid bij de vrouwen als nuchterheid bij de mannen eischt. Met persoonlijke gezindheden voortkomende uit een meer dan gewonen af[ 189 ] keer van onkuischheid of onmatigheid bij eenigen ondernemer hebben wij hier niet te maken. De ervaring leert, dat noch het drankmisbruik, noch de prostitutie door persoonlijke bemoeiingen van patroons met noemenswaard gevolg bestreden is. Aan den anderen kant leert de ervaring met een voor de patroonsklasse beschamende duidelijkheid, dat de prostitutie zelfs openlijk en direkt wordt in de hand gewerkt, overal daar waar het belang van de onderneming er mee gediend is, of waar de aard van het bedrijf het veroorlooft. Voor alle kapitalistische ondernemingen geldt, dat de mogelijkheid van prostitutie haar aan goedkoopen vrouwenarbeid helpt. Dit geldt zelfs voor die zaken waar men ordelijk en zedig werkvolk eischt. Het loon ontvangen van slechte en het werk leveren van brave meisjes, is een konditie welke iedere kapitalist bij voorkeur aan zijn arbeidsters zou opleggen. Voor een aantal zaken zal het tamelijk onverschillig zijn wat de vrouwelijke geëmployeerden buiten de werkuren doen—mits, natuurlijk, geen propaganda voor een beweging om betere arbeidsvoorwaarden. Waarschijnlijk is dit het geval voor de groote meerderheid van alle fabrieken en werkplaatsen. De kapitalist steekt zwijgende de winsten op, die zoowel de brave als de slechte meisjes voor hem verdienen, tevreden dat niet allen zóó braaf zijn om hem de voordeelen te ontnemen die hem de slechtheid oplevert, en ook niet allen zóó slecht, dat zijn zaak eer een danshuis dan een fabriek geleek.—Doch waar de fabriek eenmaal een danshuis is of ten minste er op gelijkt, daar wordt de prostitutie gelast en behoort zij tot de eischen van het vak en de konditie van den dienst.

Eene spreekster op het Berlijnsche dameskongres van 1896 heeft van toestanden in Oostenrijk, met betrekking tot dit onderwerp, het volgende gezegd:—de onregelmatige huishoudens bij de arbeiders zijn een groot kwaad want zij worden een instrument van loondruk. Getrouwde vrouwen, nl., drukken het loon voor de ongetrouwden; en nu hebben naar de mededeelingen van deze spreekster, de vernuftige kapitalisten een middel gevon[ 190 ] den om ook de ongetrouwde vrouwen als loonbederfsters te bezigen door de meisjes, die om welke reden dan ook, geen wettig huwelijk sluiten, aan te moedigen in het leggen van een losseren band, die, zoo niet aan de betrokken paren, dan toch aan hun meesters de voordeelen verschaft van een verbintenis volgens de wet.—"De ondernemers", zeide ze, "die bij het aannemen van werkvolk zich helaas niet door zedelijke maar meest door geldelijke overwegingen laten leiden, en dus naar goedkoope arbeidskrachten omzien, kiezen gaarne arbeidsters die met mannen samenleven. Derzulken bieden zij dan echter hongerloonen, met het oog daarop, dat het dagloon alléén haar inkomen niet vormt. Daardoor wordt het loon voor de vrouwen in 't algemeen lager gesteld en voor het meisje uit de bezitslooze klasse een zedig leven steeds moeielijker gemaakt." (Verslag, bl. 326). Vrienden of vreemden, het is den rechten kapitalist 't zelfde wie, mits hij slechts niet het loon behoeft te betalen dat zijn arbeiders noodig hebben.

Wij willen echter niet van gewone fabrieken spreken, maar van die kapitalistische ondernemingen waar het bedrijf als zoodanig de prostitutie bevordert. Dit zijn in 't algemeen de schouwburgen van allerlei soort, aanvangende bij koninklijke en keizerlijke opera's met hare groote balletten en koren, en eindigende bij den tingeltangel die dikwijls van een bordeel alleen in naam verschilt. Doch ook in de huizen waar prostitutie geduld wordt noch bedreven, is van de arbeidsters die er werken de prostitutie het voornaamste bestaansmiddel. Waarom? Omdat de aard van het bedrijf, dat als zoodanig geene prostitutie is, de vrouwen een buitengewoon gunstige gelegenheid geeft om prostitutie te begaan buiten het bedrijf. En daarvan mag naar alle begrippen van billijkheid in deze wereld, de ondernemer toch waarlijk wel het zijne trekken in den vorm van lage en zeer lage loonen! Ja, niet zeldzaam is die gelegenheid zoo zeer gunstig, dat de arbeidsters tevreden moeten zijn met de inkomsten van het oneerlijke beroep en het andere geheel gratis verrichten. In de groote massa van de indus[ 191 ] triëele ondernemingen wordt het aan de vrouwen overgelaten of zij de waar die met haar arbeidskracht door een zelfde fyziologische proces wordt opgebouwd, verkoopen zullen al dan niet. In sommige ondernemingen zou men geen geprostitueerde arbeidsters kunnen gebruiken. Maar waar men haar eer beter dan minder goed kan gebruiken, en waar de patroon in het bedrijf de geheele inrichting levert die den handel ten goede komt: waar zij in fraaie ontkleeding zich kunnen vertoonen, waar zij met koopers persoonlijk in aanraking komen, enz., daar wordt de mogelijkheid van prostitutie dermate verhoogd dat zij in noodzakelijkheid van prostitutie verkeert, die niemand ontkent. De loondruk is hier het allerkrachtigste geworden, het loon zelf vaak volkomen verdwenen. Niet maar een deel van de arbeidskracht in dienst van het kapitaal wordt door de koopers van het seksueele genot vergoed, dezen vergoeden alles of bijna alles, en de waarde aan het kapitaal geleverd is voor honderd procent meerwaarde! Zal men nu van de balletdanseressen en van de koristen zeggen, dat ze door de lage traktementen gedwongen worden zich te prostitueeren? Is het niet veeleer de prostitutie, in dit vak oneindig gemakkelijk gemaakt, welke haar dwingt met een ellendige betaling genoegen te nemen: dwingt de deugdzamen en de lichtzinnigen, of aan de deugdzamen den toegang tot dit beroep verbiedt? Tegenover de arbeidsters verschijnt de kapitalist als de dwingende, machtige persoon. Maar hij zou haar nimmer kunnen noodzaken voor niets of bijna niets te werken, indien hij niet haar in zijn andere hand de gelegenheid bood om hare geschiktheid voor prostitutie op een voordeelige manier aan te wenden. Zoo ligt niet de schuld bij de geringe bezoldiging, in den zin van een willekeurige benadeeling van of een halsstarrig vooroordeel tegen vrouwenarbeid, maar in den dieperen zin van de manier waarop aan het vrouwelijk proletariaat de werking van het kapitalistische stelsel voelbaar wordt gemaakt. Ja, de kapitalist werpt zijn arbeidsters in den afgrond van de prostitutie en wat hij trekt, niet zij, is een schandloon. Maar hij [ 192 ] doet het als de vertegenwoordiger van zijn klasse die van de uitbuiting leeft der andere klasse en hierbij aan een systeem is verbonden dat geen willekeur en geen vooroordeel kent. De drukte die dikwijls over het onrechtvaardige van de lage vrouwenloonen en het treurige gevolg wordt gemaakt, zou kunnen doen vergeten dat in het kapitalisme dit alles niet onbillijk en volkomen natuurlijk is. Wij zullen ons niet verzetten, indien men meent, dat dit zooveel te erger is voor het kapitalisme.

Er is een andere groep van bedrijven, aan de betrekkingen waarvan tot de prostitutie, de waarheid van de hier gegeven voorstelling gemakkelijk te zien is. Hoe komt het dat in de bedrijven van naaisters en aanverwante vakken de loonen in alle landen miserabel laag zijn? Door dezelfde oorzaak, slechts minder sterk werkzaam, als in de zooeven genoemde: er bestaat bij die bedrijven een verhoogde geschiktheid tot prostitutie. Zij behoeven wel is waar niet als de danseressen of de zangeressen zich te vertoonen en komen niet in zulk een drukke aanraking met de verbruikers. Maar de modistes etc. zijn jonge meisjes die meer dan fabriekswerksters aan haar toilet hebben te denken, die deftige klanten bedienen, die in het werk zindelijker en netter blijven, die niet den dag doorbrengen binnen fabrieksmuren, maar boodschappen doen in de stad en in rijke huizen komen. Zij zijn, in één woord, voor de prostitutie geschikter dan de meeste vrouwen van haar klasse en de onverbiddelijke wet der kapitalistische uitbuiting straft deze betrekkelijke uitgelezenheid met de toepassing van de in dit vak beruchte loontarieven. De ondernemer redeneert, zonder te redeneeren, dat zijn knappere en frisschere krachten voor hem voordeeliger zijn naarmate ze in de behoefte aan prostitutie beter kunnen voldoen. Welnu, laten dan degenen die dit genot zoeken een deel van haar onderhoud betalen. Maar zij verkiezen niet zich te verkoopen, zegt men hem. Dat staat haar vrij, antwoordt de patroon, doch evenmin kan men hem verplichten een waar te betalen die hij niet wenscht te koopen. Hij koopt en betaalt alleen de arbeidskracht, de helft [ 193 ] van het vrouwelijk bezit. Wat er met de andere helft gebeurt gaat hem niet aan, genoeg dat zij bestaat.

Modistes en winkelmeisjes vinden eerder betalende minnaars dan fabriekswerksters, ziedaar een afdoende reden waarom ze minder verdienen. Zij hebben door de inrichting van het bedrijf minder weerstandsvermogen tegen het kapitaal dat haar dwingt van de betere gelegenheid gebruik te maken, ziedaar een andere reden.—Voor de bekende partikuliere enquête-kommissie te Weenen in 1896 klaagde een kleermaakster voor dames over de lage loonen. "Maar vele meisjes, zei ze, behoeven van haar verdiensten niet te leven, zij hebben buiten de zaak hun kennissen en zien niet erg op het loon."—"Gelooft gij, vroeg de president, dat de patroon daarvan gebruik maakt?"—"Zeker", was het antwoord, "zulke loonen waren er voor een jaar of zes nog niet." (Verslag, bl. 144).

Bijzonderheden over gedwongen prostitutie in de dameskonfektie te Berlijn geeft Gertrud Dyhrenfurth in haar studie: Die hausindustriellen Arbeiterinnen in der Berliner Blusenkonfektion, etc. (Leipzig, 1898, bl. 63/4). De arbeidsters gevoelen het bezwijken onder den druk van de kapitalistische uitbuiting als een ongeluk, niet als een schande. "Wat zal men zeggen", denken ze, wanneer zij een kameraad op den verkeerden weg zien, "ze had geen werk en honger doet zeer".

En in haar aangehaalde monografie over de papierindustrie te Berlijn schrijft Elisabeth Gnauch—Kühne:

"Een vergissing is het, te meenen dat de arbeidsters onverschillig zijn op het punt van geslachtelijke verhoudingen, zij maken inderdaad een onderscheid tusschen prostitutie en wat er op gelijkt of een onechtelijke liefde. Het eerste achten zij verkeerd, het andere niet. Van de verwerpelijkheid der prostitutie zijn zoowel mannen als vrouwen volkomen overtuigd: wanneer zij evenwel het offeren aan dat kwaad in de meeste gevallen meer beschouwen als een ongeluk dan als eigen schuld, dan is dat niet zoozeer het gevolg van een gebrek aan zedelijk oordeel dan wel van de omstandigheid dat zij in vele gevallen den ekonomischen dwang waaronder arbeidsters leven als tastbare oorzaak voor oogen hebben" (bl. 66/7).
 
[ 194 ]

VIII

 

In vele gevallen zijn het de patroons die persoonlijk profiteeren van den ekonomischen dwang waaronder hunne arbeidsters leven, welke haar noodzaakt niet slechts haar arbeidskracht te verkoopen. In die gevallen is de geweldpleging door het kapitaal volledig en op haar toppunt. De patroons betalen het werk maar voor de helft omdat zij rekening houden, in het eene bedrijf meer dan in het andere, met de gelegenheid voor bijverdiensten. Waar de jonge vrouwen half naakt vóór het publiek moeten verschijnen (wat, bij haar, met een volkomen zedig leven vereenigbaar is; de eischen van het onzedig kostuum worden beschouwd als verplichtingen van het vak en geven na korten tijd geen aanstoot meer; het is het werkpak van de arbeidster in dit bedrijf) daar mogen zij blijde zijn gratis te mogen werken. Waar zij van werk verschoond blijven dat vuil en slordig maakt, en zij anderszins voor prostitutie een grootere geschiktheid behouden, daar zijn de loonen lager dan elders. Doch in beide groepen van industrie wordt inderdaad voor de andere waar betaald, en zijn er werkelijk bijverdiensten. Is echter de patroon zelf de kooper van de andere waar, dan is daarom de uitbuiting kompleet wijl hij meestal een kooper is die niet betaalt. Hij profiteert dubbel van den noodstaat door hem geschapen: hij neemt de arbeidskracht voor de helft en het overige voor niets.

Overal waar het vrouwelijke proletariaat nog de achterlijke, hulpelooze, weinig ontwikkelde en slecht georganiseerde massa uitmaakt, welker toestand een jammervolle slavernij is die de werking van het onbelemmerde en genadelooze kapitalisme vertoont, daar vinden we ook deze ergernis in de industrie die van fa[ 195 ] briek en werkplaats de school der prostitutie maakt. Waarom, vraagt iemand, wanneer de meisjes toch gedwongen worden zich te prostitueeren om werk te krijgen, zouden zij niet liever zich verkoopen en niet werken? De Winne verhaalt er van in zijn Arm Vlaanderen en het verslag der Weener enquête is er vol van. "Ik ben ontslagen en kan niets verdienen", verklaarde een metaalwerkster, "omdat ik niet wilde wat de patroon wilde." "De arbeidsters die inschikkelijk zijn," getuigde een experte uit de bloemen- en veerenindustrie, „hebben de voorkeur." En eene uit de boekbinderij: "wanneer de meisjes bij ons weggaan, dan vervallen ze meestal tot de soort van dames zooals er zooveel in Weenen loopen. Mijnheer is zelf getrouwd en heeft kinderen maar hij scheldt iedere vrouw die hij niet krijgen kan voor slet en vuilik." (Blz. 85, 73, 28).

Niet altijd is het de patroon alleen die in eigen persoon ook dit bezit van de bezitloozen rooft; op zijn voorbeeld volgen hem dikwijls zijn ondergeschikten die een deel uitoefenen van zijn gezag en ook hun deel eischen van zijn profijt.

 

  1. Voor het eerst gepubliceerd in De Nieuwe Tijd (1904).
  2. bedoeld is: Roland Holst, Henriette (1904) — De vrouw, de arbeidswetgeving en de sociaaldemocratie. Een antwoord aan Mevrouw Rutgers-Hoitsema. Amsterdam : Soep. OCLC:65757493all editions (Wikisource-ed.).
  3. "Ook zouden bordeelen bij oogluiking in een grooten staat en gemeente toegelaten worden, opdat niet tot schending van eerlijke en voorname vrouwen gedreven werd door het verhinderen en verbieden van die wellust."(Naeuwkeurige Consideratien van Staet, 1662; bl. 59).
  4. Men weet dat dit tot op heden het beginsel der feministische beweging gebleven is: niet maar "het recht op arbeid" staat zij voor, maar het recht op winstgevenden, kapitalistischen arbeid.