Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/3e DAG.

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
2e DAG. Johannes Viator door Frederik van Eeden

3e DAG.

4e DAG.



[ 3e dag ]
 

DERDE DAG.

 
[ 73 ]

vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv

 

VII.

 

—Dus hebt gij mij nu wel zeer bedrogen, Marjon, lieve, mijne. Wat moet ik nu beginnen?

Ik weet niet. Ik weet niet recht.

Ik ben nu waarachtig moe, en dit tobben zat. Het is mooi en het is verfoeielijk leelijk. Het is goed en het is walgelijk slecht. Als ik u zie, zijt ge heerlijk, als ik u neem, u tot mij neem, zijt gij een ander, verachtelijk en gemeen.

Dit weet ik. Het een en ander weet ik. Ik kan niet beter weten. Niemand zegt me, niemand leert me, niemand helpt me. Dus ben ik een misgewas, een hulpeloos, sterkteloos onding, een tegenstrijdigheid. Ik wil u wel en ik wil u niet. Dat kan niet. Dus moet ik maar weg. Dood en weg. Want hieraan is geen veranderen.

Als ik nu maar genoeg had aan mooi vinden. Aan stil, blind, staren. Uitstaren op uw mooi en zóó leven. Als ik kon wonen in een huis van kristal, een paleis [ 74 ] van ijs, geluidloos, roerloos,—gelukkig ondergaand het gebeuren der kleuren op de klare wanden mijner ziel. Maar ik moet doen, helaas, en ik moet denken, denken, denken.

Ik kan het niet helpen. Ik kan niet enkel leven het vlakke, verre leven van mooiheid. Ik moet bewegen en groeien in alles, en zoo het mooi verstoren, tot mijn groot leed. Ik kan het niet helpen. Ik ben niet enkel een zie-mensch, maar een doe-mensch en mijn schoon moet zoo sterk wezen dat het de bewegingen van mijn doen verdraagt.


Marjon, leef nu verre. Kom niet nader. Ik begrijp u niet, maar dit weet ik, dat gij niet van menschen zijt. Kom niet onder menschen, plaag mij niet, bedrieg mij niet.

Leef verre. Leef hoog en onbereikbaar. Alleen geweten, nimmer beroerd. Wees in hoog, zuiver lichtblauw boven mij, de blanke essence mijner reinheid.

Ik ben een verworpene en moet doen. Maar laat mijn donkere daden niet reiken tot waar uw witte voeten rusten op den ontastbaren ether. Laat mij weten dat uw lippen stil zijn boven mij, en uw fijne handen rustig. Laat mij voelen het enkel zien uwer glansrijke oogen. Uw oogen kunnen enkel zien, uw goudhaar kan wolklicht zweven in licht. Maar ik ben een mensch, een [ 75 ] man met zware, bloedvolle leden—en mijn donkere grofheid mag u niet begeeren. —


Toen ik dit gezegd had ben ik stil geworden en vastberaden. Ik heb volgehouden te willen dat het zóó zijn zou.

Maar of ik Marjon al niet wilde, zij wilde mij. Ik kende haar niet en zij is veel machtiger dan ik. Zij heeft mij nooit verlaten en ingegrepen in mijn leven, aldoor, ongezien.


Ik was thuis en de dagen van den zomer, de groenige, lustige, lichte dagen vol zon zijn daar voor mij opengegaan.

Het was zomer, en in mijn herinnerend verbeelden zie ik nu de lichte zomergestalte, die door eene langzame verandering werd de kern en concentratie van mijn eigenlijk waarachtig leven. Wij weten dit altijd wel: dit is het bijkomende, het uitstroomende, het kleine verspreidde,—en dit is de kern, het hart van ons leven, ons waarachtige leven. Wij gaan door het dicht gewoel van kleine en groote daden, wij voelen het dagelijksch geplaag der kleine zorgen, wij hooren het verwarde wereldgedruisch,—maar daarbij is maar één die ons vergezelt, één lange smart, één gestadige melodie, die is het onze, ons eigene. En dit getrouwe komt [ 76 ] naast ons, als een schaduw, ongemerkt. Wij wanen alleen te gaan, maar opziende is het getrouwe naast ons,—en dan gaan wij ook soms langen tijd, meenende goed te weten wie bij ons is, maar wij zien op en zie! het is een geheel andere.


Ik heb een vrouw gezien en zij was in hetzelfde licht van alle dingen om mij heen.

Ik dacht haar ver, in den wijden kring der dagelijksche wereld een gelijke, mij daar midden-in alleen latend met mijn intieme mooiheidsgedachten. Maar na langen tijd zag ik op en zij was toegetreden, al het andere verjagend, mijn eenige intieme.


Het is gekomen in muziek, in zomerschijn, in zomeravond-donkerte, in muziek, muziek.

In het feestgewoel van zomerwarmte en rijk groen, van veel lieve, blijde menschen bijeen,—vroolijkheid op tuinpaden tusschen grasperken. Het fijne zand voor mijn voeten, de geur van groote rozen, de menschen goed, alle dingen goed en weelderig, en het late, zoele avondlicht van den dag die moet heengaan, maar de vreugde nog zal laten aan het donker, het lampelicht, de warm-levende zomernacht.


Deze illusie, deze zoete droom, heel enkele [ 77 ] momenten gevoeld met een even tot duizeling opstijgende emotie van genot, hoe kom ik daaraan?:

Is het een herinnering of een profetie?: Alle menschen goed en mijn heel lieve vrienden. Niemand mij liever dan de anderen.


Toen is dat het sterkst geweest, zóó is het nimmer terug gekomen. Toen, in den zomernacht, in muziek. En die vrouw bracht het mij,—zij droeg het mij aan als een geschenk, in hare jonge, lieve, volle goedheid. Ik zat daar dan zoo stil, midden in de menschen, in veel menschen. De boomen stonden rondom, groote, ronde vormen, donker, rustig zacht wachtende in den stommen nacht. Een zoele tuin vol gemoedelijke goedheid, gelukkig. Mijn geest ging mee met het muziekgewiegel, zonder te hooren, niet recht bedenkend dat de muziek het deed, dat de muziek die goedheid over de wereld bracht. Naast mij zat de vrouw, de jonge, lieve,—en zij en de muziek, zij waren het,—zij deden dit alles voor mij.

En dan was alle haat, en leed, en kleinachting en vijandschap weg.

Dit alles was zoo volkomen weg, dat ik het mij in zijn volkomenheid, in de gevolgen zijner volmaaktheid nauwelijks meer denken kan.

[ 78 ] Ik zelve was oneindig goed en eindeloos volmaakt. Hoor! even de zacht-vallende modulatiën. Ja, eindeloos goed. Maar daar was niemand anders dan ik. Zij waren allen gelijk. Geen vrienden mij nader dan anderen, geen vreemden. Al die gestalten, die donkere, bewegende menschen,—daaronder was geen vreemde. Niemand verliet ik, want elk andere was mij even na. Daar hoefde geen scheiding te zijn,—ook was er geen innigheid, want allen waren mij even innig. Zij kenden elkaar allen, en mij in volkomenheid. Er was noch vriend, noch moeder, noch liefste—het was alles gelijk. O wondere, bedwelmende zaligheid!—maar te kort, korter dan dit gedachte, dit herinneringsbeeld. Dan vloog plotseling de haat met een koud lachen over de menigte—en zij waren allen bespottelijk en ver en ten uiterste vreemd.


Hoor! het feest-accoord, het trotsche, blije, even opheffende accoord. Dat is de hooge verrukking, het fiere neerzien, het sterke, machtige, koninklijk bedwingende, onderwerpend met hoon en koele verachting.

Ik zag het in de muziekstroomen, in den wind van rijk geluid, als een mooi, sterk, trouw dier, een blank, sterk dier, een wit paard. Het kwam aanstormen met slaande hoeven en wapperende manen. Iets geweldigs en sterks in deze onbeduidendheid, iets schitterend moois en blanks in dit donkere leelijke, een wit wonder van [ 79 ] ongewoonheid in dit gewone. En het boog voor mij, en knielde voor mij, het had mij lief, het was mijn eigen, mijn trouw paard. Dan sprong ik er op en het droeg mij. Voort deed ik het stuiven met hooge, geweldige, sprongen, rustig, triomfantelijk. En allen zagen het, en verbaasden zich, twijfelloos erkennend mijn macht en mijn meerderheid. Diep en behagelijk dacht ik mij in het kleine gesprokene na mijn verdwijnen.

En daardoor, door deze nagedachten, bespeurde ik dat ik mijne hoogheid niet wilde voor mijzelven, maar dat ik ze wilde ter erkenning door anderen. Die moest mij zien, en die—hoe zou het gezicht mijner verheerlijking hem treffen, en hem.

Maar zij, alleen zij die daar zat, zij zou niet verbaasd zijn, maar mij toeknikken, vertrouwelijk, wèl-wetend. Zij en ik, wij zouden zijn van één volk, hoog boven alle anderen uit, elkander verstaand—


Toen begon het leven, toen sloeg de vlam van mijn leven uit, naar buiten.

Tot zoover was mijn denken een lang zelfgesprek, mijn zijn een in-zich-geslotenheid, innerlijk glanzend, dof naar buiten.

Toen ontrolden zich mijne gedachten aan het licht, als teedere, schuwe diertjes, zachtjes, langzaam. Trillend fijne voelsprietjes ontplooiden zich, want het werd toch [ 80 ] warm daarbuiten. En o! de zaligheid, de vreemde lust van het opengaan, van het zich naakt gevoelen.

Want wat ik gekend had, was geen realiteit, het was een voorzeggende droom, een profetie, gekomen en weer vergaan in de geslotenheid van mijn ziel.

Maar nu kwam wat geprofeteerd was, in machtige volheid, in reine concentratie.


Zij was groot en slank, ouder dan ik, een volwassen vrouw. Zij had zwaar, grof, blond haar, witte, edele, sterke handen. Het was een vaste, klare gestalte, een sterk-levende vrouw, een mensch machtig in goedheid en liefheid.

In de angstvallige schemering mijner kleinsteedsche wereld een helderheid, levendig, roodlichtend. Het maakte groot en wezenlijk waar het kwam,—om haar waren de dingen mooi en verlicht, als ik daaraan terugdacht, in den nacht.

En ik zond mijn arme gedachtetjes uit, de onnoozele, grijze woordvertooninkjes. Zij gingen altijd, met de gretige begeerte naar een nieuwen lust, altijd naar haar. Zij volgden haar, gestadig, met onrust, met onrust,—alsof daar iets uiterst gewichtigs te doen viel.

Het was een belachelijk vertoon. Ik, kleine potentaat mijner kleinere, povere gedachtenslaafjes, meenend deze armoedige bende te beheerschen en te doen dienen mijn [ 81 ] wil en mijzelven,—maar ik zelf een onwetend beheerschte, machteloos nasukkelend het donkere volkje, dat haar zocht, haar altijd begeerde, mij naar haar heentrok, om toch goed en rijk gemaakt te worden door haar, en verlost en gelukkig door de macht van haar goedheid.


Het was een zwerven, het was een dwalen, mijn gedachten een vliegenzwerm, nazwermend in vreemde zwenkingen een voorbijgaand licht.

Het was een prevelen, een overleggen, een druk gegons der gedachten onder elkaar, een gepraat als van veel hongerige menschen die geen heerscher hebben.

Maar alles geschiedde naar den wil der dingen om mij heen, niet naar mijn wil, want die wist ik niet.

En wel zag ik mijzelven, zooals men uit een hoog venster een volksmenigte ziet. Ik zag mijn wijfelen, mijn ongewild bewegen, mijn toch voortgaan op eenen weg. Ik kon zoo lachen, mijzelven belachen, maar veranderen kon ik niet. Ik zeide dat ik niet wilde.


Mijn zinnen zijn opgeroepen, mijn oogen, mijn ooren. Blij en nieuwsgierig zijn de teedere, weeke gevoelens uitgewandeld. Zij waren naar buiten geroepen, zij kwamen vroolijk als kinderen gaan naar een buitenpartij. Zij verheugen zich op het eten en drinken, maar hun [ 82 ] eigenlijke vreugde is de zon, en het groen, en de geurige lucht, de dingen waar zij niet op letten. Dit weten zij dan niet, maar later weten ze het.

En mijn jonge zinnen zochten haar. Zij wilden juist dat en dat, wat aan haar was. Als einddoel wilden mijn oogen het donkere bont aan haar kleed, en de gulden glanslichten van haar haren en de bewegingen van haar handen en schouders, en haar grijze oogen en haar witte tanden, en mijn ooren wilden haar stembuigingen en haar lachen en alle geluiden van haren adem. En mijn lichaam wilde haar nabijheid, ik wist niet hoe.

Maar alles waardoor mijn zinnen gingen, om tot haar te gaan, dat is nu in mijn herinnering als strepen vuur, als lichtende wegen in een donker land.

Terugdenkend aan die dagen zie ik een grauw veld, een donkergrauwe wolk—en daarin heldere lijnen, rayonnante kronkelingen, stralende om een lichte kern.

Want mijne dagen waren droef en mijne wereld een groote dorheid,—maar naar haar toe liepen mijn gedachten als heldere beken en om hen werd het groen van gras en kleurrijk van bloemen.


Blond zand en fijn vaalgroen mos, en goudbrons mos en fluweel donkergroen mos—en boven mijn hoofd de fijngrijze hemel wijd en de koele, zandvochtige wind. Ver, ver het zeegeruisch rondom en vele stilliggende [ 83 ] heuvelentoppen, allen om mij heen, dat men niet wist waar het lieve duinenvolk zou eindigen.

En zij, daarin alleen, hoogstaand, een duinenkoningin. Het was een lichtblauw kleed,—en dat lichtblauwe kleed zocht ik en mijne gedachten hadden het meer lief dan iets anders. In den nacht kwam het lichtblauwe kleed, als een groote vlinder in mijne droomen. Om mijn hoofd, onrustig fladderden de blauwe, groote vleugels en daarop waren arabesken, de arabesken van haar kleed.


Maar dan diep, neergaande uit de wind-atmosfeer, was daar een wegje. De armen raakten bij 't gaan de gladde, groene blaadjes dicht opeen,—en tusschen 't geelgroen was het bleek koraal-rood van veel besjes. En dan dieper, dieper onder dennenschaduw somber,—lag een water te lichten. En zij stond daar aan den rand, het kleed zwart, met den allerdiepst zwarten rand van bont. O dat was zwart en diep, mijn allerdiepste liefde.


En ook vaak lag de avond groot en warm over den langen weg onzer samengaande voeten. De vleermuisstilte en het klein-zilveren luiden van een vogelstem door de lange, lange zoelte. Onze stemmen zacht. Ze zeiden niets, niet meer dan het geluid onzer kleederen.

[ 84 ] En uit de groote, goede buitennacht in het vreemde, wildlichte, kleinlichte stadsleven. De menschen waren daar met veel gerucht, geschreeuw en rood geraas, en kopergeluid en muziek en scherpe geuren. Hoe was het mij daar lief, het schetterende en het flikkerende, de menschgezichten en de rosse lichten en het dansgedreun—hoe was het mij lief om haar heen. Als een groot diadeem van scherpe, vurige juweelen was het om haar zachte gestalte.


Maar stiller lief nog was de dag in het huis, de effene dag zonder veel bewegen. Zacht als duivenvleugels woei om mij heen de lichte tocht van haar voorbijgaand kleed, in de kleine bewegingen van den gewonen, langen zonnedag. En al haar kleine daden waren om mij als zachte, geurige bloemen—waarop ik rusten kon in stil geluk.

Daar was dan niets niet goed—al het gewone, de dingen van eten en drinken, de vage huisgeuren, de matte geluiden, het rustige doen der andere menschen, het waren allen de enkele noten van één geluks-symfonie, verbonden door de harmonie van haar daartusschen levend ik.

En onze arme, kleurlooze denkwoordjes gingen gestadig, al over en weer. Zij deden weinig, maar wij sponnen ze, in den lust om ons te binden, als een fijn [ 85 ] grauw spinsel tusschen onze zielen. Daarachter schuilde ik, mijn onbewust mooi, mijn ongeweten machtig begeeren, en ik was tevreden in mijn doen.


Soms trilden even enkele woorden voller, en warmblauw-gloeiende klanken sloegen even uit.

Dat maakte duizelig en nerveus voor lange uren.

 

 
[ 86 ]

vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv

 

VIII.

 

Kan het dan toch bestaan, dat mijn woorden goed zijn en ikzelf zoo slecht?

Want ik ben wel gedaald in blinde duisternis, in dood-stomme nacht, ik ben wel minder dan de minste die mij hooren kan.

En zie, de lichte woorden rijzen toch in mij op,—zoodat ik ze aanzie als wonderlijke leugens.

De liefde van geenen mensch is sterk genoeg dat zij kan dragen het weten mijner slechtheid.

Van waar is dan deze matelooze barmhartigheid die voortgaat mij goed te doen in mijnen hoon?

Ik ben zielskrank, ik ken de stem mijner liefste niet, mijne kinderen zijn mij vreemden.

Maar eene Liefde blijft mij gestadig bij en geefl mij rustig haar serene licht. Zij legt haar zachte witte handen over mijn donker ongeloof.

[ 87 ] Hebt mij niet lief, kleinlievende menschen, weet het, ik ben slecht.

Gij kunt mij niet liefhebben, want gij kunt mij niet vergeven, zooals deze Eene mij reeds eeuwiglijk vergeven heeft.


Ik moet voortgaan. Maar mijn voeten zijn traag in het brengen van blijde tijdingen, mijn handen zijn moe en onwillig het schoone te dragen. Ik weet niet af van de dingen die ik zeg en ik geloof ze niet. Waarom zou ik dit alles zeggen? Is het ongezegd mooie niet reiner en gelukkiger? Is het niet beter te liggen in de zon, de witte bergen hoog te zien staan en ver-uit het bewegen van een blauwe zee, die wil komen en toch blijft. Geef mij het onmerkbaar groeien der boomen en het stille bloeien der bloemen om mij heen en laat mij verplegen mijn lieve lijf met zoetheid, met warmte, met molligen slaap. Laat mijn hoofd neerliggen, en mijn ziel zoo teer-huiverend wegschemeren, in een droom, in een droomdood.

Dan worden mijne oogen kleiner, en dicht, en het is àl zonder tijd, zonder lijden.


Wee den mensch zonder rust, den eeuwigen wever der gedachten. Wee hem die niet mag opzien van zijn arbeid, die niet mag stilstaan op den weg zijner overwegingen.

[ 88 ] Voor hem is geen genot, want hij moet het vertreden onder den zwaren gang zijner gepeinzen. De fonkelende webben der illusie moet hij verscheuren, hij vertreedt de bloemen der lust. En hij is wreed voor zijn arme kinderen, zijn vroolijke zinne-kinderen, zij mogen niet rusten en de kleurige bloemen niet plukken.

Het kan niet, want zijn wezen is beweging. Rustende kent hij geen bevrediging meer. Zoo hij stilstaat wordt het licht zwart en vreugde sterft. Hij waant den klaren, vasten vorm van den lust nabij, maar zoo hij omkeert en ze aanziet, is het nevel en duisternis.


Want in rust alleen leeft het volmaakte, maar wie eigen slechtheid kent, zal de rust niet kennen. Niemand kan den volkomen lust eerst zoeken, en dan het goedzijn.


Maar als een spelen van veel snarenstemmen om mijn hoofd, als een traag-fleemend geruisch in mijn ooren, als een zwaar trekken aan mijn leden, als een snikkende loomheid in mijn borst is het verlangen, het heete, dikke, verstikkende verlangen naar rust en naar het blijmaken mijner moede, hongerige zinnen.

Wat is deze dwaasheid?—Waarom ga ik? Ik ben moe—mijn arme lijf schreit en doet pijn. Waarom [ 89 ] zou ik gelooven wat niet mijn lijf is. Ik zie niets, mijn oogen zijn gesloten, ik ga als een dronken man. Waarachtig, het is nog beter neer te liggen en mijn zinnen te verzadigen van bedwelming. En als zij onverzadelijk zijn—en groeien en dan mijzelf verteren, waarom niet?


Een ver, wit licht, een roepen—niet in mijn oogen, niet in mijn ooren.


Mijn Liefde, mijn Liefde, hoe zijt gij zoo goed en zoo wreed, zoo machtig en zoo zwak en zoo verwonderlijk standvastig.

Want gij zoudt wel barmhartigheid bewijzen aan een steen, zoo gij u blijft ontfermen over deze dorre, moedelooze ziel.


Kent gij mij nog? Roept gij mij nog? Zie ik, blinde, nog uw innerlijk licht?

Maar weet gij dan niet wat ik ben? wat ik gedaan heb? Weet gij dan niet dat ik u geloochend heb en geschuwd,—dat ik gekust heb uw vijanden, dat ik vuil ben en besmeerd ben met modder en drek. Kan er rein licht branden in zulk een lamp, zijn uw heilige woorden geen leugens in mijn mond?

[ 90 ] Laat mij los. Ik ben niet sterk genoeg. Mijn adem slijpt mijn keel en mijn kaken beven. Ik wilde dat dit alles nu gedaan had.— —


Droeviglijk, droeviglijk verdergaan. Zoo zacht gaat het, een zachte arm, vol medelijden. Ja vol medelijden, maar toch verdergaan. De muziek speelt droeviglijk en heel zacht, maar zij zwijgt niet. Zij mag niet zwijgen want het stuk is nog niet uit.

Kom, mijn lieve, meewarige—gij doet mij glimlachen om mijn weekheid en om uw kalme meerderheid. Gij maakt van mij een opera-held—de muziek houdt niet op als hij verslagen ligt, maar speelt alleen wat zachter, omdat hij zoo aanstonds weer op moet staan. Volstrekt niet ontsteld zijn de muziekanten. O Hoog Lief, dat gij mij kunt doen lachen om deze smart!


Het is het zien van mijn vroegere, kinderlijke zelf dat zoo week maakt. Ik zie hem nu voorbij gaan in zijn goedige jongheid, in de rust zijner lieve onbewustheid. Ik sta daarbij, de groote man, de niet-naïeve, de veel geplaagde—en ik vind den jongen zooveel liever en gelukkiger. Want ik zie hem nu als een vreemde, een kleine vriend, waarvan ik veel houden zou. Zijn leelijkheden, hoe licht schijnen die te vergeven voor mij, die zooveel zwaarder dragen moet, zijn leed, hoe klein [ 91 ] lijkt het me—en wat zijn geluk was, dat heb ik nu voor altijd verloren.

Maar eigen leed en eigen slechtheid is in ons zelven zwaarder en onvergefelijker dan het een vreemde schijnen kan—en deze jongen, mij geheel kennende, zou toch begeeren mij te zijn.

Hij en ik, wij zijn elkander het naast, wat tusschen ons ligt is mij vreemder. Sterk en gelukkig ben ik eerst geworden toen ik hem, na vele jaren, in mij terugvond.

Hij sprak niet heel vaardig en dacht niet heel wijs, —maar uit het toen ongezegd in hem gevoelde heb ik nu nog mijne kracht.

Ja, soms denk ik, dat hij wel meer had van dit allerbeste dan ik—en dat ik door mijn meerder vaardigheid en wijsheid slechts rijker schijn, maar in waarheid armer ben dan hij.

En het leven der zinnen was bij hem glorierijk intens, stralend licht, onverhuld door den rook der dicht opkronkelende gepeinzen.

Mijn is nu een breede, dichter rondende wolk, glanslichtend binnen in,—maar zijn geluk schitterde, schitterde naakt.


Hij zag zijn Lief met al de kracht van zijn oogen, vast, met een zeer stellig genot. Het lichten harer [ 92 ] oogen, het goud van haar haren, het wit der tanden—het brandde lust in hem. De buiging van haar hals en de omwendingen van haar lenige handen, het graveerde zuivere lijnen van felle vreugd in hem.

Het suizen van haar adem, het geschuifel harer kleederen, het zachte uitbreken van haar stem, van haar klaar opluidend lachen,—het raakte hem sterk, direct, huiverend-heerlijk—als zachte vingertoppen, als tot op zijn naakte hersenen.

En de reuk van haar lichaam, de vreemde, droeviggrijs-zoete reuk van haar haren, de geheel eenige en wonderbare reuk, bracht zijne ziel in een sfeer van zoo pure en hevige blijheid, dat er dan niet anders om hem was, niet anders dan dit glanzig aureool van lustemotie, naar alle zijden triomfantelijk weg-schijnend de somberheid van den dag.

En het buiten-zijn, een boom met den dof-groenen stam, de gladde takken, het licht-groene bladerenvolk, en de zon—het gras, met de witte, wit-roze bloemetjes, met de schuivende, ronde, in elkaar cirkelende plekken licht, met de takjes en het mos en de kleine diertjes—en opziende het land en de struiken, en de diepe, blauwe, tevredene lucht,—zoo eenvoudig en zuiver alles,—niet meer dan dit—het was volmaakt, ten uiterste volmaakt—alles volstrekt deugdelijk en sterk genot—genot tot verdoovens en stikkens toe.

[ 93 ] En de weg, het uitwandelen des morgens, des zomers,—het samen uitwandelen op den weg vol morgenzon, de kleine-stads-straatweg die buiten de poort ligt, met de twee reien sterke boomen en hunne zon-schaduwen daartusschen, met de wagens en de boeren, alles voortreffelijk gelukkig, zoo 't behoort, als in een verhaaltje van een oud kinderboekje,—en voor ons uit de lange, lichte zomerdag, vol groene struiken en warme zandgrond, en gekijk naar bloemen en diertjes, en geluister naar vogelgeluiden—en blij, onderling gepraat,—dat was volmaakt, ten eenenmale volmaakt, zonder schaduw van droefenis.


En dan dit, dit zoo aandoenlijke om nu te herdenken: Het genieten dezer vreugd was vrij. Ik liet mijn oogen vrijelijk in zich nemen wat zij konden,—ik liet mijn zinnen onbekommerd los en heerschte niet over het spel mijner gedachten. Want zij raakten aan niets wat ik niet wilde. Ik kende al veel leelijkheid—maar het was alles vergeten, zoo geheel, dat de angst voor het herinneren mijn lust niet verduisterde.

Ik zag deze vrouw als het geheel van haar hoofd, haar handen, haar kleed. Al wat ik zag was goed, en ik had vrees noch besef dat iets niets goeds zou kunnen komen.

Ver van haar, ver buiten haar lag, ik wist het, een groote wereld, een sombere massa van veel dingen, [ 94 ] alles verwerpelijk en verachtelijk en gering. Maar dit was mij maar zoolang lastig als ik in lichaam of ziel van haar verlaten was. Maar altijd als ik was bij haar, mijn lijf of ook enkel mijn gedachten, altijd dan was dit weten algeheel weg en liet, verweg getrokken als een onwezenlijke damp, mijn wezen in complete vrede, in gelijkmatig vreugdelicht.


Ik woonde in een huis met lichte, vroolijke kamers—en met daaronder een donkere, griezelige, rommelige kelder vol vuil en ontuig en raadselige dingen. Wel dikwijls moest ik werken in dien kelder—maar wie die zit in 't huiselijke kamerlicht, denkt aan den kelder onder zijn voeten?

Ik kan niet, mijn ziel kan niet zijn gelijktijdig in het grauwe, verwarde, afzichtelijke der wereld en in de heldere kamers mijner liefde.


Laat ik dit wel bedenken, laat ik dit fijn en zeer hecht verweven in denk-strengen, het is zoo diep en zoo verwonderlijk.


Ik had gezien in het leven: de droefenis. Het ontberen van het begeerlijke, het missen van het lieve. Deze kan zijn en was veelal in het licht der mooiheid. Zij verdroeg dit. Zij kon zijn in liefde, zij kon zijn goed. [ 95 ] Ja, zij kon zelfs, dit wist ik reeds, begeerlijk zijn—en wederom droefenis doen ontstaan bij haar heengaan, een veel erger droefenis.


Ik had gezien: het dorre, de saaiheid. Dit was het volstrekt ontbreken van mooi, de zuivere lichthonger, het wegzijn van alle mooie en goede dingen. Dit was erger dan Droefenis, en altijd en overal afzichtelijk en verwerpelijk.

Ik had gezien: het slechte, het vuile. Dit was één—maar menschen noemden het, zooals ik bemerkte, beurtelings met beide namen. Dit was het bedriegelijke,—veelal leelijk, maar soms met een zeer sterken schijn van mooiheid en begeerlijkheid.

De Droefenis vreesde ik niet, het Dorre was veel om mij heen, maar weinig in mijn gedachten, want het was eenvoudig: het lokte niet, men moest het ontkomen.

Maar het Slechte vreesde ik zeer, het week niet uit mijn gedachten. Want dit was verbijsterend. Men kon lang voortgaan en niets vermoeden. En op eenmaal sloeg het met schrik en heftige walging—en het was reeds vóór en achter en aan alle zijden. Het liet zich vaak niet kennen eer het zeer sterk was.

En—dit weet ik nu helaas!—zijne verraderlijkheid neemt toe. Niet lichter maar moeilijker ontwijkt hij bet, die eens bedrogen is. Dieper moet hij doorgaan, meer, [ 96 ] meer in de macht van dit vuile dier, eer hij de schrikkelijke klauwen ziet en den walgstank ruikt.


Zoo was al vroeg een bangheid neergevlogen in mijn kinderziel, als een zwarte vogel, die stil blijft zitten wachten op een tak.

Ik was schuw geworden, zooals een kind dat ééns verschrikt is. En mijn onnoozele gedachten begon ik zorgelijk te hoeden, als een herder die wolven speurt.


En zie nu, dit was het heerlijke, het wonder, het nù zoo diep-aandoenlijke: mijn Liefde bracht een volkomene en zalige veiligheid,—er was geen angst, er was geen gevaar. Slecht was niet.

Zie, ik kon de lammeren vrijlaten tot ver aan den lichten goudhorizon—zij gingen in eeuwige gerustheid. Mijne gedachten vlogen ver, ver—eindeloos ver, zij ontmoetten het te vreezene niet.

Want deze vrouweziel was een grenzeloos meer, een aard en hemel doordringend en omhullend meer van volmaakte licht-helderheid. Mijne gouden pijlen doorvlogen het en konden het in aller eeuwigheid doorvliegen, zij zouden het donker niet raken.

Dit is het, wat de menschen rein noemen, maar zij weten weinig wat het is.

 

 
[ 97 ]

vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv

 

IX.

 

Het steeg, het steeg, het vlamde hooger, het zong luider.

Het kwam nabij. Het kwam als een groot leger over de vlakte. Men weet niet wat men ziet in 't eerst. Is het schitteren van koren waarover de wind lange voren sleept? Is het blinkend op-gewaaid stof? Zijn het witte schapen, wit vee dat draaft? Maar het golft breed donker, en schittert en vonkt daarboven. Het zijn fonkelende wapenen en sterk aanschrijdende mannen. Het is goud van helmen, dat plotseling vuurschiet in de zon,—het zijn vaandels—het is een groot, triomfantelijk, welgeordend leger,—het komt van alle zijden—het komt in dreunend gerucht, in wappering van kleuren,—een heer van macht en schoonheid.


Het kwam. Het kwam als een gezang van duizenden, een groot koor dat opdaagt in den nacht, van heel ver.

[ 98 ] Men weet niet wat men hoort in de stilte. Het wordt geboren uit de stilte zelf, het spruit uit de matte geruchten van het nachtzwijgen. Dan plekjes klank, maar éven verheven. Het kon de wind zijn, het toevallig breken aller onbestemdheid. Maar dan de zangklank langer, een veeg van geluid, een vlaagje, met harptoon. Tot het stijgt en samensmelt, brokjes melodiën,—die doen oprijzen en de aandacht aanspannen. En eindelijk—o het is één, het is alles één, één volle harmonie—het kent elkaar allen, al deze geluiden, het is een geluidenheer vol onderlinge liefde,—zij reien de handen ineen, en zij vlechten dansfiguren—neervallend op de lenige voeten gelijk met het zware neerdreunen der sombere ondertonen, die zich nauw verheffen van den grond. En sterker, sterker—het zwelt tot volle macht, tot blijde, geweldige, zich gansch zelflievende en zelfkennende sterkte. Het groote koor juicht, de lucht is vol, de nachtwanden beven.


Zóó kwam zij, mijne liefde.


Onrustig zwierven mijn gedachten nu over dit vreemde, geweldig opdoemende,—als opgejaagde vogels over een stijgenden watervloed.

Dit was zoo nieuw, dit was zoo sterk. Niet meer het stille mooi-licht om te bekijken, niet meer het fraaie [ 99 ] vuurwerk—zooals vroeger,—dit was een brand, angstwekkend. Wat bang werd het den glimlachenden toeschouwer, daar aan het hooge venster.

Mijn wil en mijn daden:—een menner met doorslaande paarden. Ik lachte nog, maar ziende dat het ernst werd, dat er geen houden meer aan was.

Ik gaf toe, wetende dat ik wel moest. En ik had ook mijne vreugde in dit woest en koninklijk rijden. Maar een beklemming, alsof dit niet was wat ik van mijzelven verwacht had.

Want als ik zeide:—»ik wil haar nu zien, ik ga haar zoeken, ik wil haar stem hooren en bij haar zijn, want het is goed en ik wil het«—dan begreep ik terstond, dat ook al was het niet goed, al was het tot schade en verderf van mijzelven, ik toch zóó zou moeten willen. Dat dit niet was willen maar gewild worden. Dat de mensch die zóó leefde niet de mensch was die ik begeerde te zijn.


Tot op een dag— —


Maar hoe is dit gekomen? Wie heeft dit voorbereid? Ik tuur in de verte mijner herinneringen, maar daar is een nevel. Ik zie niet scherp daar. Iemand heeft het gezegd, iemand heeft dit boosaardiglijk zoo gedaan, stil achter mij komende, heimelijk ondergravend mijn huis, [ 100 ] een breuk makend in den wand die licht van donker scheidde. Het zwarte is ingestroomd in het lichte, een droevige verwarring.

Ja het was wel zij, die de vloek en het gif is van dit leven. Zoo doet zij altijd, de donkere, valschlievende,—zoo komt zij achter mij met haar vuige liefkoozing en dan speelt zij de miskende waarheid en het gekrenkte recht.

Het was een namiddag van den laten zomer. Deze Donkere leeft in het late uur, in den nacht,—ook in het licht van lampen,—zij zoekt de stad, het nabijzijn van veel menschen. Des morgens zag ik haar nooit.

In den stadstuin was het licht al donkerig, de dag mat, verzwakt. Er hing een regendamp,—de herfststammetjes zagen zwart, en nog hardgroen het gladde seringenloof, in een gelen schijn. Warm, en de geuren broeikasachtig, maar vol scherpe en duffe, gevaarlijke bij-geuren, van de oude, kalk-bladderige muren, van den vuilen, platgetreden, zwarten, schelpbespikkelden grond. Een drukkende, drenzerige schemering, met de harde sensaties van dat groen, dat zwart—en de vochtige, rookachtige, scherpe stadsgeuren.

Ik zat en wachtte. De groote kamer met open glazen deuren voor mij, diep, donker, kil.

Ik zag naar den groenig donkergrijzen steendrempel voor me, met de ribjes, glimmend na den regen.

[ 101 ] Daar kwam op eens, met een zacht en heerlijk gerucht, de volle gestalte van mijn liefste òp uit het kamerdonker. Den voet op den drempel zag ik, en daarboven was haar donkerblauw kleed—en dit alles was vast en rustig lief in de pijnlijke schemering.

Maar mijn oogen gingen langzaam op en zij zagen het lijf, zooals het bewoog in de kleedplooien.

En er kwam een woord in mij, dat door mijn ziel heenscheurde als een gil—dat mij haast blind maakte als een zware slag.

Het werd mij gezegd, het moet mij gezegd zijn. Ik kon dit niet verzinnen.

Ik kan het niet herhalen, neen ik wil het niet herhalen. Het was niet van mij.

Maar ik zag haar toen, zooals ik haar nooit gezien had. En ik zag alles plotseling om mij heen anders. Hard, scherp, droog, verschrikkelijk helder. Een man die een vrouw verwacht.


En ik voelde om mij heen, in de stad om mij heen, het bestaan van duizenden aan wier wezen het mijne gelijk was. Wat hier gebeurde, dit mij zoo geheel verheven en exceptioneel schijnende, dit was maar het groeien van wat overal groeide om mij heen—het onnoozele jong van het zoo bekende, zoo leelijke en verfoeide dier.

[ 102 ] En weer de scherpe smart, de woeste zelfverachting,—het kokende schuld en schandegevoelen.

De reeds gekende vloed van woede, de bittere afschuw van mijn stomme, hulpelooze zelf. Maar sterker, dreigender—alles in mijn ziel verschrompelend en verdrogend tot meedoogenlooze, onveranderlijke Dorheid.


En daar gingen mijn gedachten, en hun weg was ellende en verderf. Zij martelden mij alsof zij krasten langs mijn schedelwand.

Ik weet nog hoe zij wreed en diep doordrongen in het lijf, in het vreemde, nooit-besefte lijf van haar die daar voor mij stond, mijn heilige. Ik zag haar bloed donker stroomen,—donker binnen-in rusteloos woelend door de kameren en gangen van dat uiterlijk blanke, en zoo stil-pralend staande huis.

Ik zag het hart arbeiden, zonder rust, en liet trage schuiven en sijpelen der flauwe vochten en het slaafsche glijden der spieren en het afzichtelijk lage wormachtige doen der verborgen dingen, der verachtelijke, donkere, stil en heimelijk werkende dingen.


Zoo het mij nu nog bekommerde wat er worden zal van het licht dat deze eenzame ziel afstraalt, in de duisternissen waardoor zij zweeft,—zoo zou het mij verheugen als dit door menschen geloovende werd [ 103 ] gehoord. Dit, dat ik kan getuigen van twee waarheden die in mij, en in mij gansch alleen, in mijn allerzelfste zelf toen zijn geboren.

Bij het naderen van mijn Vijandin zijn zij op eenmaal opgevlogen, twee angstige, vluchtende duiven, witte duiven.

Toen zag ik ze.

afschuw de eene. Afschuw van mijzelven, afschuw van deze donkere gedachten, afschuw van dit vuile, slechte zijn. Een zoo sterk mogelijk gevoel van het niet-goede, het verwerpelijke.

medelijden de ander. Angstig, weemoedig lijden om haar. Liefde die bang is en diepbedroefd, niet voor zichzelven maar voor de ander.


Mijzelven had ik toen wel willen dooden en vernietigen. Ik haatte mij fel en mijn lijf dat mij was. Maar haar haatte ik niet. Ik zag haar aan met bange oogen en mijn lippen zeiden zacht:

»O jij arme kind! o jij arme kind!«


Wie zal dit verstaan? Het is eeuwige waarheid, tijdloos eeuwige en intense waarheid.

Laten zij niet beproeven het te vertalen in hun matte denktaal. Dat zal niemand nader brengen aan haren oorsprong.

[ 104 ] Dit is de eerste dag geweest van den strijd, den strijd tusschen wit en zwart, den fellen strijd zonder vrede, den bitteren, desperaten strijd waarvan geen verzoening het eind kan zijn.

Nu liet het niet meer af—en de eerste dagen waren een afgrijzen—de blinde schrik voor gruwelen van haat en strijd, zooals die nooit vermoed waren in mijn kalm-licht, vredezingend hart. Dit was de booze twist in mijn huis, toen is vrede niet meer gekend.

 
[ 105 ]

vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv

 

X.

 

Marjon's zuster, Marjon's zuster—zwarte spiegel des duivels, zwart gif, zwart, boos vuur, mijn haat, felle satan.


Het verstijft mij—het spant mijn ziel zoo straf—ik kan niet—als ik u vloeken wil.


Ik kan niet—ik denk stroef—ik ben een starre haat—een droge, stroeve vloek.


Als een steen,—als een bleeke, harde steen, mijn woede innerlijk.


Gestremd innerlijk,—gekrompen in haat tot een hard, hoekig stuk rots.

Ik zie u aan, bleek,—maar ik krom mijn handen [ 106 ] heen om de klanken van mijn stem—dat ze bij mij blijven—niet uitgaan in hun jonge hitte—tot u, satan. Het roode leven vlucht voor u uit mijn lippen, wegschuilend in mijn hart. Maar mijn bleek oogenlicht weert u af.

De zwakste mijner daden is te goed voor u—mijn adem is te goed voor u—

Dat toch niets zich bewege naar u—mijn haat is te goed voor u—


Mijn haat staat tegen u over als een hard kristalvlak—spiegelende diamant-wand. Al het mijne van u teruggehouden, in een koude, gladde weerkaatsing.

Onheil mijner dagen, schrik mijner nachten, nimmerrustende dreigster.

Roofster van mijn goed,—verderfster mijner arme kinderen, zwart roof beest, raaf.

Zwarte walm-slang, gluipend kronkelend over mijne zon-lichte velden.

Donkere gif-stroom, gezwollen rivier van rottend gif,—giftig dier.

Hoe hebt gij mij geplaagd—O God hoe ben ik geplaagd. Gij hebt uw zwarte spijkers in mijn hoofd gedreven, dag en nacht.

Gij hebt mijn leden gelikt, al mijn leden met uw slappe, zwarte tong, lauw-nat.

[ 107 ] Gij hebt mij mijzelven tot een walging gemaakt. Mijn tong heb ik willen uitspuwen, mijn oogen heb ik willen uitscheuren, mijn hart heb ik gevoeld als een afschuw binnen in mij.

Twist hebt gij gebracht tot in het binnenste huis mijner vrede. Uw duistere walm is valsch-stil ingestegen in de heldere en zuivere ruimte van mijn allerheiligste. Als boos glinsterzwart roet is het neergezegen op de blanke, reine dingen daar.

Gij kunt dan zoo stil liggen, in een donkeren hoek mijner aardsche gevangenis, een zwarte hond, de kop op de pooten. Mijn gedachten dwalen dan argeloos weg, en gij wacht tot ik u vergeten ben.

Maar als ik opsta en ademhaal, en de vrije lucht wil zoeken, dan zijn uw tanden in mijn vleesch.

In de stilste der kameren van mijn huis is de stilte wit. Daar is niets dan de matwitte hemelschijn, alom gelijk, witter dan lelie-wit de wanden alle.

En moet ik u ook dáár dan vinden, een donkere vlek, een saamgerolde adder, donkergroen.

Ik vloek u—ik vloek u—maar gij hebt mij, en de tijden zijn nog niet vervuld.


Machtiger dan allen zijt gij om mij heen, ik ben uw slaaf geweest, en uw hond, en uw armzalig mishandeld kind,—dat u lekkers bracht met magere [ 108 ] bevende handjes, dat u gehoorzaamde met doodelijken schrik in de bange, holle oogen.

Gij hebt mij gestreeld, en mij gesard, en mij gebrutaliseerd—gij hebt mijn hoofd omvat met uw weeke armen, uw vuile lippen gedrukt op mijn mond. En gij hebt mij geslagen, lang, lang achtereen geslagen, slaande, zonder ophouden de plek waar mijn hart zwoegt onder de ribben.

Gij hebt lange naalden gestoken tusschen mijn schouders, wreed-zacht, bedachtzaam.

Gij hebt uw twee harde beenderduimen gezet aan mijn slapen en gedrukt, gedrukt.

Lange nachten hebt gij gemaakt tot woestijnen van trillende onrust, morgen aan morgen tot een vaal stormig strand, een sombere branding van tranen.—


En dan gij weggaan, en ik opzien, denkende: zij is weg, ik ben vrij, ik ben waarlijk vrij. En mijn ideeën breed oprijzend, mijn hart gelukkig, mijn leden licht.

En dan iets vreemds, iets nieuws naast me, een vreemde figuur. Argeloos zag ik het en was niet bang.

Tot de schrik en de woede en de rampzaligheid—als ik ú weer zag in de vermomming.

En zoo weer,—en weer—in velerlei gestalten—één duivelsch spel.

[ 109 ] Dit is uwe menschgedaante, zóó zie ik u als mensch.

Een vrouw met geelig-wit gezichtsvleesch, met dikke glimmende vingers, dikke leden, een nog niet heel oude vrouw.

Een vrouw met fel-zwart, hard-zwart gladgeplakt haar—en vlakke, harde, wreed-grijze oogen.

Zij is mooi zonder eenige mooiheid, rood, rood de lippen, witte tanden—de armen rond. Ze kraakt in haar zwart-zijden kleed,—ze riekt vettig.

Ze doet als een moeder—maar zonder liefde,—ze doet als een vrouw die lief heeft maar zonder wellust. Ze kust week, breed, koud—als met den mond van een lijk. Haar stem lach-fluistert, laag, grof.

Ze is in een klein vertrek, warm, warm,—een arm olie-lampje, met blik-flikkerende weerkaatsing, maakt het licht, naakt, hoog licht,—tot in de zolderhoogte licht,—kaal, schraal-licht. En broei-warm, met geur van vochtige kleeren.

En haar schouders zijn plomp en haar voeten, haar dikke beenen zijn zot, maar belachelijk met een plotseling tot gillens toe angstig makende zotheid.

En ze doet dan teederlijk—maar uit de teeder doende plooiing van de wangen zien de oogen strak, stekend-wreed. En in de beweging der liefkozende hand is het gebaar van zichzelf-alleen-begeeren. En onder de [ 110 ] donzen wellust-huicheling is een koud, ijshard vlak onbegrepen zelfzucht.

En door het lieve zich als een vrouw voordoen, breekt eensklaps een ruw, ongegeneerd gebaar, een schaamteloos, manachtig, om zichzelf alleen denkend gebaar—griezelig, akelig verschrikkend.

En dan zegt ze haar woorden, die mij kruipen over 't lijf als spinnen, als slakken. Ze verwikkelen zich in mijne gedachten, ze blijven kleven aan mijne ziel.

»Ik heb je gewacht, schat, mijn prachtige jongen.« En ze staat zich warmende van achter, voor een kachel, de kleeren opgenomen, wijdbeensch. En ik voel niet terstond mijne verachting.

Haar woorden legt ze tegen mij aan, zacht als kattenvel, en ook weekglad als slangebuik. En ik voel het niet naar, ik voel het niet met afschuw—als de ongeweten aanraking van een heel gevaarlijk dier, ik voel het zacht, zie het gevaar niet.

Op eens een lichte beweging en de doodelijke schrik, als ik ga begrijpen wat dat is, dat zoo weeke, zachte. De slang aan mijn naakt lijf.

Het weten, het zeer hooge onzinnelijke weten, dat zij afschuwelijk is, maar het niet voelen—dat is de sterkste kwelling, dat is het felle booze, dat is de hel.

O Duivel—O duivel, duivel.

[ 111 ] Tergen wilt gij mij wel—tot ik zou luid uit-krijschen heete, heesche drift—tot ik u zou willen aangrijpen en van-een rijten met nagels—in razende haat. Dat zoudt gij willen, lust voor uw macht.

Maar het is te groot—en mijn woede verstramt—gij zijt te ver, te laag.

De donkerrondende toorn-wolk verschrompelt koel—breekt neer in trage, zwijgende sneeuw.

En het ziedende vuur trekt samen, samen—stijgend en zich hoog inkeerend tot één enkele, eindeloos hoog wit-tintelende ster.