Staatsregeling voor het Bataafsche Volk 1798

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Nederlandsche Grondwetten
Bataafse Republiek: [1798] | Vereenigde Nederlanden: [1814] | Koninkrijk der Nederlanden: [1815] | [1840] | [1848] | [1917] | [1972] | [1983] | [huidig]


Staatsregeling voor het Bataafsche Volk

Auteur Constituerende Vergadering, representerende het Bataafse Volk
Genre(s) Staatsregeling
Brontaal Nederlands
Datering 1 mei 1798
Bron Staatsregeling des Bataafschen Volks, Den Haag: 's Lands Drukkerij 1798
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Staatsregeling voor het Bataafsche Volk op Wikipedia
STAATSREGELING
voor het
BATAAFSCHE VOLK

Het Bataafsche Volk, zig vormende tot eenen ondeelbaaren Staat, en bezeffende, dat het voornaame bederf van alle Regeeringen gelegen is in de miskenning der natuurlijke en geheiligde regten van den Mensch in maatschappij, verklaart de navolgende stellingen als den wettigen grondslag, waarop Het zijne Staatsregeling vestigt, en als zoo veele regels, waarnaar Het zijne burgerlijke en staatkundige betrekkingen wil hebben gewijzigd.

Inhoud

Algemeene beginselen[bewerken]

 Art. I. Het oogmerk der maatschappijlijke vereeniging is beveiliging van persoon, leven, eer en goederen, en beschaaving van verstand en zeden.

 II. Het Maatschappijlijk Verdrag wijzigt, noch beperkt, de natuurlijke regten van den Mensch, dan in zoo verre zulks, ter bereikinge van dat oogmerk, noodzaaklijk is.

 III. Alle Leden der Maatschappij hebben, zonder onderscheiding van geboorte, bezitting, stand, of rang, eene gelijke aanspraak op derzelver voordeelen.

 Art. IV. Ieder Burger is volkomen vrij, om te beschikken over zijne goederen, inkomsten, en de vruchten van zijn vernuft en arbeid, en voords, om alles te doen, wat de regten van eenen ander niet schend.

 V. De Wet is de wil van het geheele maatschappijlijk Lichaam, uitgedrukt door de meerderheid, of der Burgeren, of van Derzelver Vertegenwoordigers. Zij is, hetzij beschermende, of straffende, gelijk voor allen. Zij strekt zig alleen uit tot daaden, nimmer tot gevoelens. Alles, wat overeenkomt met de onvervreemdbare regten van den Mensch in Maatschappij, kan door geene Wet verboden worden. Zij beveelt, noch laat toe, hetgeen daarmede strijdig is.

 VI. Alle de pligten van den Mensch in Maatschappij hebben hunnen grondslag in deze heilige wet: Doe eenen ander niet, hetgeen gij niet wenscht dat aan u geschiede. Doe aan anderen, ten allen tijde, zoo veel goeds, als gij in gelijke omstandigheden, van hun zoudt wenschen te ontvangen.

 VII. Niemand is een goed Burger, dan die de huislijke pligten, in den onderscheiden stand, waarin hij moge gesteld zijn, zorgvuldiglijk uitöefent, en voords in alle opzigten, aan zijne maatschappijlijke betrekkingen voldoet.

 VIII. De eerbiedige erkentenis van een Albestuurend Opperwezen versterkt de banden der maatschappij, en blijft iederen Burger ten duursten aanbevolen.

Burgerlijke en staatkundige grondregels[bewerken]

 Art. IX. Het Opper-gezag is het regt der gantsche Maatschappij over elk haarer Leden, over het grondgebied, dat zij beslaan, en over alle voorwerpen, waarin hunne belangen betrokken zijn. Hetzelve is één, ondeelbaar, onvervreemdbaar. Geen Lid, geen gedeelte der Maatschappij, kan zich het opper-gezag aanmaatigen. Hetzelve is de bron van alle openbaare Magten.

 Art. X. Het Bataafsche Volk, zijne belangen in persoon niet kunnende waarnemen, verkiest daartoe, bij onderlinge overeenkomst, eene geregelde Staats-form, en wel eene Volks-regeering bij Vertegenwoordiging.

 XI. Het verkiest, ten dien einde, zijne Vertegenwoordigers, die, in Deszelfs-naam, voor de gemeenschaplijke belangen waaken, en, ten allen tijde, aan Hetzelve verändwoordlijk zijn.

 XII. Aan deze Vertegenwoordigende Magt zijn alle bewindvoerende Lichaamen ondergeschikt en verändwoordlijk.

 XIII. Buiten de wettig aangestelde Magten i, kan geen Burger, noch ook eenig gedeelte des Volks, eenig openbaar gezag uitoefenen. Het is alleen in de Grond-Vergaderingen, dat alle Staatkundige Regten door de Burgeren worden geöefend.

 XIV. Alle magt of gezag, door het Volk aan zijne Vertegenwoordigers verleend, is slechts bij volmacht. De uitoefening van dat gezag word gewijzigd door de Staatsregeling.

 XV. Ambten en bedieningen zijn lastgevingen der Maatschappij voor eenen bepaalden tijd. Zij zijn noch erflijk, noch vervreemdbaar, noch bijzondere voorregten van hun, die ze waarnemen. De keus van den eenen Burger, boven den ander, is alleenlijk gegrond op meerdere deugd en bekwaamheden.

 Art. XVI. Ieder Burger mag zijn gevoelens uiten en verspreiden, op zoodanige wijze, als hij goedvindt, des niet strijdig met het oogmerk der Maatschappij. De vrijheid der Druk-pers is heilig, mids de Geschriften met den naam van Uitgever, Drukker, of Schrijver voorzien zijn. Dezen allen zijn, ten allen tijde, aansprakelijk voor alle zoodanige bedrijven, door middel der Drukpers, ten aanzien van afzonderlijke personen, of der gantsche Maatschappij, begaan, die door de Wet als misdadig erkend zijn.

 XVII. Elk ingezeten kan zig, bij Request, Addrès, of met anderen Vóórdragt, vervoegen bij zoodanige Magten, waar hij geraaden zal oordeelen. Alle vóórdragten zullen persoonlijk, en niet gezamenlijk, geschieden; tenzij door Lichamen, wettig zaamgesteld , en als zoodanigen erkend, en wel alsdan over onderwerpen, die tot derzelver erkende werkzaamheden behooren.

 XVIII. Ieder Burger heeft regt, om met zijne Medeburgers te vergaderen, ter onderlinge vóórlichting, ter opwekking van vaderlands-liefde, en ter naauwer verbindtenis aan de Staatsregeling, zonder dat, nogthands de Constitutioneele Gezelschappen, als zoodanigen, met elkanderen over Staats-zaken briefwisseling houden, geschreven aanklagten ontvangen, bij stemming besluiten, of, bij wijze van Corporatie, eenige openbare daad zullen verrigten.

 XIX. Elk Burger heeft vrijheid, om God te dienen naar de overtuiging van zijn hart. De Maatschappij verleent, ten dezen opzigte, aan allen gelijke zekerheid en bescherming; mids de openbaare orde, door de Wet gevestigd, door hunnen uiterlijken eerdienst nimmer gestoord worde.

 Art. XX. Geene burgerlijke voordeelen, of nadeelen, zijn aan de belijdenis van eenig Kerkelijk Leerstelsel gehegt.

 Art. XXI. Elk Kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijnen Eerdienst, deszelfs Bedienaaren en Gestigten.

 XXII. De gemeenschaplijke Godsdienst-oefening wordt verrigt binnen de daartoe bestemde Gebouwen, en wel met ontsloten deuren.

 XXIII. Niemand zal met eenig orde's-kleed, of teeken, van een Kerklijk Genootschap, buiten zijn Kerkgebouw verschijnen.

 XXIV. Alle eigenlijk gezegde Heerlijke Regten en Tituls, waardoor aan een bijzonder Persoon of Lichaam zou worden toegekend eenig gezag omtrent het Bestuur van zaken in eenige Stad, Dorp of Plaats, of de aanstelling van deze of gene Ambtenaaren binnen dezelve, worden, voor zoo verr' die niet reeds niet de daad zijn afgeschaft, bij de aanneming der Staatsregeling, zonder eenige schaêvergoeding, voor altijd vernietigd.

 XXV. Alle Tiend-, Chijns- of Thijns-, Nakoops-, Afstervings-, en Naastings-Regten, van welken aard, mids-gaders alle andere Regten of Verpligtingen, hoe ook genoemd, uit het Leenstelsel of Leenrecht afkomstig, en die hunnen oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch vrijwillig en wettig verdrag, worden, met alle de gevolgen van dien, als strijdig met der Burgeren gelijkheid en vrijheid, voor altijd vervallen verklaard.

Het Vertegenwoordigend Lichaam zal, binnen agtien Maanden, na Deszelfs eerste zitting, bepaalen den voet en de wijze van afkoop van alle zoodanige regten en renten, welke als vruchten van wezenlijken eigendom kunnen beschouwd worden. Geene aanspraak op pecunieele vergoeding, uit de vernietiging van gemelde Regten voordvloeiende, zal gelden, dan welke, binnen zes Maanden na de aanneming der Staatsregeling, zal zijn ingeleverd.

 Art. XXVI. Insgelijks word vernietigd het zoogenoemd regt van Exuë, met opzigt tot verhuising, of verval van Erfenissen, binnen de Republiek.

 XXVII. Alle Burgers hebben, ten alle tijde, het regt, om, met uitsluiting van anderen, op hunnen eigen, of gebruikten, grond te Jagen, te Vogelen en te Visschen.

Het Vertegenwoordigend Lichaam maakt, binnen zes Maanden na Deszelfs eerste zitting, bij Reglement, de nodige bepaalingen, om, ten dezen opzigte, de openbaare veiligheid en eigendommen der Ingezetenen te verzekeren, en zorgt, dat noch de Visscherijen bedorven, noch de Landgebruiker, bij eenige Wet of Beding, belet worde, allen Wild op zijnen gebruikten grond te vangen, noch ook, dat een ander daarop zal mogen Jagen of Visschen zonder zijne bewilliging.

 XXVIII. Er zal een Wetboek gemaakt worden, zoo wel van Burgerlijke, als van Lijfstraflijke Wetten, te gelijk met de wijze van Regtsvordering, op gronden, door de Staatsregeling verzekerd, en algemeen voor de gantsche Republiek.

Deszelfs invoering zal zijn, uiterlijk binnen twee jaaren na de invoering der Staatsregeling.

 XXIX. Niemand mag beschuldigd of in verzekering genomen worden, dan uit kragt der Wet, in de gevallen, en volgends de wijze, door Haar voorgeschreven. Niemand kan gevonnisd worden, dan na alvoorens wettig te zijn geroepen, en alle de middelen van verdediging te hebben kunnen bezigen, die bij de Wet bepaald zijn. Elk Burger, alzoo opgeroepen, of in verzekering wordende genomen, is verpligt te gehoorzamen.

 Art. XXX. Alle gestrengheid omtrend Gevangenen, buiten hetgeen de Wet bepaalt, gelijk mede alle willekeurig verwijl van derzelver teregtstelling, en van de uitvoering hunner straf, is misdaadig.

 XXXI. Zij, die, buiten den Regter, in geval van noodzaaklijkheid, gevat worden, zullen, uiterlijk binnen vier-en-twintig Uuren daarna, aan hunnen bevoegden Regter worden overgebragt.

 XXXII. Allen, die in verzekering genomen worden, zullen, uiterlijk binnen één Dag daarna, kennis ontvangen van de redenen hunner gevangenneming.

 XXXIII. In alle gevallen, waarin de Wet geene Lijfstraffen vordert, zal de gevangene, onder voldoenenden Borgtogt, ontslagen worden.

 XXXIV. Niemand kan, tegen zijnen wil worden afgetrokken van den Regter, dien de Staatsregeling, of de Wet, hem toekent.

 XXXV. Nimmer zal er eene verbeurdverklaring der Goederen van eenig Ingezeten der Bataafsche Republiek plaats hebben, dan alleen in het geval, hieronder uitdruklijk bepaald:

 Het Bataafsche volk verklaart, voor altijd, van het grondgebied der Republiek gebannen te zijn alle de openbaare Voorstanders van het gewezen Stadhouderlijk Bestuur, binnen deze Republiek gewoond hebbende, en daaruit geweken zederd den 1 Januarij 1795.
 Het verklaart, tevens, alle derzelver goederen en bezittingen, welke zullen blijken, op den 1 Januarij 1798, hun persoonlijk eigendom te zijn geweest, vervallen aan de Natie; zullende dezelve, van harren wege, onder behoorlijke sequestratie gebracht, en ten behoeve der Republiek verkogt worden.
 Het Vertegenwoordigend Lichaam zorgt, dat de uitvoering dezer laatste Wet, met betrekking tot agtergelaten ongelukkige Kinderen en Huisgezinnen, de onschuld niet met en om den schuldigen treffe.

 Art. XXXVI. De pijnbank wordt afgeschaft door de gantsche Republiek.

 XXXVII. Alle Sententiën en Vonnissen moeten in het openbaar worden uitgesproken.

 XXXVIII. Er zal, door de gantsche Republiek, alleen regt worden gesproken in naam en van wege het Bataafsche Volk.

 XXXIX. Ieder Burger is onschendbaar in zijne Wooning. Zijns ondanks, mag men nimmer in dezelve treden, ten zij uit kragt van een order, bevèl, of decreet van gijzeling, eener daartoe bevoegde Magt.

 XL. Niemand kan van het geringst gedeelte van zijn Eigendom, buiten zijne toestemming, beroofd worden, dan alleen, wanneer de openbaare noodzaaklijkheid, door de Vertegenwoordigende Magt erkend, zulks vordert, en alleenlijk op voorwaarde eener billijke schaêvergoeding.

 XLI. De Wet zal geene andere straffen opleggen, dan die welke volstrekt noodzakelijk zijn voor de algemeene zekerheid.

 XLII. Ieder Burger heeft het onvervreemdbaar regt, om eene schriftelijke en eigenhandig onderteekende aanklagt te doen tegen zoodanigen zijner Medeburgers, het zij Ambtelozen of Ambtenaren, Geconstitueerde Magten, of bijzondere Leden van dien, door welken hij oordeelt dat de Wetten, hetzij ten zijnen bijzonderen nadeele, of ten nadeele der Maatschappij, geschonden zijn, mids bij zoodanige Magt, als in dezen bevoegd zal zijn, en overeenkomstig de wijze, door de Burgerlijke wet voorgeschreven. In geval van laster, zal hij onderworpen zijn aan de straffen, door de Wet ten dezen opzichte bepaald.

 XLIII. Het Bataafsche Volk wil eene Gewaapende Burgermagt, (de Nationale Troepen daaronder begrepen) ter verdediging zijner vrijheid en onafhanglijkheid, zoo naar binnen, als naar buiten. De regeling dezer Magt zal geschieden door de Wet.

 Art. XLIV. Ieder Bataafsch Burger is verpligt, tot dat einde de Waapenen te dragen, en zich op de rol van Waapen-voerende Burgeren te doen inschrijven.

 XLV. De gewaapende Magt is ten alle tijde een ondergeschikt Lichaam. Zij kan, als zoodanig, nimmer raadpleegen.

 XLVI. Geen gedeelte derzelve kan immer in werking komen, dan op schriftelijken last eener Wettige Magt, op zoodanige wijze, als bij de Wet is uitgedrukt.

 XLVII. De Maatschappij, bedoelende in alles de welvaart van al haare Leden, verschaft arbeid aan den Nijveren, onderstand aan den Onvermogenden. Moedwillige lediggangers hebben daarop geene aanspraak. De Maatschappij vordert de volstrekte weering van Bedelarij.

 XXXVIII. Het Vertegenwoordigend Lichaam regelt, binnen zes Maanden na Deszelfs eerste zitting, bij eene uitdruklijke Wet, het Armen-bestuur over de geheele Republiek.

Deze Wet bepaalt de algemeene voorschriften en plaatslijke beschikkingen, hiertoe vereischt.

 XXXIX. Er zal gezorgd worden voor de opvoeding van verworpen Kinders.

 L. De Maatschappij ontvangt alle Vreemdelingen, die de weldaaden der vrijheid vreedzaam wenschen te genieten, in haar midden, verleenende denzelven alle zekerheid en bescherming.

 LI. Zij moedigt alle Konstenaars en Handwerkslieden aan, en wil de spoedigste en krachtdaadigste inrigtingen, waardoor de bloeij van alle Inlandsche Fabrieken en Trafieken, Koophandel, Zeevaart, en Visscherijen, en daardoor van Ambagten, Neeringen en Hanteeringen, bijzonderlijk de Handel met de Buitenlandsche bezittingen en Coloniën van den Staat, zal worden bevorderd.

 Art. LII. Van de aanneming der Constitutie af, zal er aan den doorvoer, koop en verkoop, van alle voordbrengselen van den vaderlandschen grond, gelijk mede van alle goederen binnen deze Republiek bewerkt of vervaardigd, door en in alle Departementen en Plaatsen, geenerlei belemmering, hoe ook genoemd, worden toegebragt.

 LIII. Bij de aanneming der Staatsregeling, worden vervallen verklaard alle Gilden, Corporatiën of Broederschappen van Neeringen, Ambachten, of Fabrieken.
 Ook heeft ieder Burger, in welke Plaats woonachtig, het regt zoodanige Fabriek of Trafiek op te rigten, of zoodanig eerlijk bedrijf aan te vangen als hij verkiezen zal.
 Het Vertegenwoordigend Lichaam zorgt, dat de goede orde, het gemak en gerief der ingezetenen, ten dezen opzigte, worden verzekerd.

 LIV. De Maatschappij beveelt, ingelijks, de meeste bevordering van den Landbouw, en deszelfs bloeij, bijzonderlijk ten aanzien der nog ledige en woeste gronden, door de gantsche Republiek.

 LV. Alle openbaare Inrigtingen, ter bevordering of staaving van het openbaar crediet, inzonderheid alle Wisselbanken, worden aangemerkt als afzonderlijke bemoeijingen der daarbij onmiddellijk belang hebbende Burgers. De openbaare Magt oefent daaromtrent geene andere, dan toeziende, beschikking. De gantsche Natie waarborgt allen binnen- en buitenlandschen eigendom, in die Wisselbanken geplaatst.

 LVI. Alle zoogenoemde Provinciaale Beleenbanken worden Nationaal verklaard.
 Het Vertegenwoordigend Lichaam doet dezelven ten spoedigsten brengen onder eene Nationaale Beheering.
 Ook dit laatste word, binnen den kortstmooglijken tijd, toegepast op de gewoone plaatslijke Beleenbanken.

 LVII. De Maatschappij verbied, in alle gevallen, dat eenig uitsluitend Voorregt verleend worde.
 Zij beloont de verdiensten door bewijzen van eer, of door praemiën. Alle vergeldingen worden, in geval van voordduuring, jaarlijks vernieuwd, en, op geenerlei wijze, erflijk gemaakt tot Kinderen of Nakoomlingen.

 LVIII. De Maatschappij verleent nimmer eenig Pensioen, dan voor zoo verr', na het gestrengst onderzoek, gebleken zij, zoo van de getrouwe diensten, aan de Republiek bewezen door hun, die daarop aanspraak maaken, als van derzelver volstrekt onvermogen, om, hetzij door ouderdom, of door eenig lichaamlijk gebrek den Lande langer van dienst te zijn, en van hunne eigen middelen te bestaan.

 LIX. Alle Maaten en Gewigten worden, door de gantsche Republiek, zoo spoedig doenlijk, naar eene zekere onveranderlijke grootheid, tiendeelig gelijk gemaakt.
 Ook zal 'er, ten aanzien van alle Muntspeciën, een gelijke Muntslag, door de gantsche Republiek, worden ingevoerd.

 LX. De Maatschappij wil, dat de verlichting en beschaaving onder haare Leden zoo veel mooglijk bevorderd worde.

 LXI. De Vertegenwoordigende Magt maakt zoodanige inrigtingen, waardoor het Nationaal Charakter ten goede gewijzigd, en de goede zeden bevorderd worden.

 LXII. Zij strekt, insgelijks, door heilzame wetten, haare zorg uit tot alles, wat in het algemeen de gezondheid der Ingezetenen kan bevorderen, met wegruiming, zooveel mooglijk, van alle belemmeringen.

 LXIII. Er zullen Nationaale Feesten worden vastgesteld, om de Bataafsche Omwending, en andere merkwaardige gebeurdtenissen, jaarlijks te herinneren; voords, om de broederschap onder de burgers aan te kweeken, en hen aan de Staatsregeling, aan de Wetten, aan het Vaderland en de Vrijheid, te verbinden.

 LXIV. De onderstand tot de noodwendige behoeften van den Staat is eene geheiligde schuld van ieder Burger, ter vergoeding der bescherminge, welke hij geniet. Deze toelage, met de meest mogelijke bezuiniging ingezameld, word door alle Burgers, naar evenredigheid hunner vermogens gedragen. Hij, die dezelve opzetlijk ontduikt, of verkort, is eerloos.

 LXV. Het Bestuur is verpligt tot eene verstandige bezuiniging in alle opzigten. Het schaft onnodige Ambten en uitgaven af, en evenredigt de belooning van Ambtenaaren en Bedienden naar het gewigt van derzelver werkzaamheden. Alle Administrative Lichaamen zullen, jaarlijks, voorslagen doen van die huishoudenlijkheid, welke onder hun bereik valt.

 LXVI. Het gebruik der penningen, door de Natie opgebragt, word, op gezette tijden, door den druk bekend gemaakt.

 LXVII. Het Bataafsche Volk vat nimmer de waapenen op, dan ter handhavinge zijner vrijheid, ter bewaaringe van zijn grondgebied, en ter verdediging zijner Bondgenooten. Het beveelt, tot dat einde, eene zorgvuldige inrigting zijner Krijgsmagt, bovenal ter Zee, als het bolwerk van den nationaalen voorspoed. Het gelast de stipste onzijdigheid van het Bestuur ten aanzien der mogendheden. Het bewaart, zooveel mooglijk, den vrede met alle Volken, en koomt zijne verbindtenissen met denzelven heiliglijk na. Het eerbiedigt derzelver regten, en wil, dat, in tijd van Oorlog, de rampen der menschheid, bij wederzijdsch verdrag, zoo veel doenlijk, verzagt worden.

 Art. LXVIII. Het Bataafsche Volk, overtuigd, dat de belangen der vereenigde Fransche en Bataafsche Republieken, door derzelver onderlinge zamenstemming, altijd, het gelukkigst zullen bevorderd worden, wil, van zijne zijde, nimmer eenige afzonderlijke verbindtenis met die Volken, wier staatkundig belang in tweestrijd is met den voorspoed der beide Natiën.

 LXIX. Alle overeenkomst, of verdrag, met andere Volken, of Mogendheden, geschied alleenlijk in naam des Bataafschen Volks.

 LXX. Geene verandering, noch vermeerdering, dezer Grondregelen, noch ook der Staatsregeling, zal plaats grijpen, dan gestaafd door den wil des Volks, en naar derzelver voorschrift.

 LXXI. Geen Genootschap, of verzameling van afzonderlijke Persoonen, van welken aard ook, heeft of maakt Reglementen, strijdig met deze Grondbeginselen, of met de Acte van Staatsregeling.

 LXXII. Alle besluiten der Vertegenwoordigende Magt, met deze Grondregelen, en met de daarop gebouwde Staatsregeling overeenkomstig, hebben, ten allen tijde, de kragt van Wet.

 Het Bataafsche Volk geeft dit heiligst Pand zijner aangenomen Grondstellingen van het Maatschappijlijk Verdrag ter bewaaringe over aan de getrouwheid der Vertegenwoordigende Hoogste Magt, van het Uitvoerend Bewind, van de Regters, en van alle Bewindslieden; voords aan de waakzaamheid der Huisvaders en Moeders, aan de verlichting der jonge Burgers, aan de deugd der Burgeressen, en aan den moed van alle Bataafsche Ingezetenen: Willende denzelven bestendiglijk hebben herinnerd, dat van de egte waardeering hunner vrijheid, en van de verstandige en eerlijke beöefening hunner afzonderlijke en algemeene Regten en Pligten, voornaamlijk, de duurzaamheid, het behoud en geluk, afhangt van het Vaderland, dat zij behooren te beminnen.

Acte van Staatsregeling[bewerken]

Titul I. Van de verdeeling der Republiek[bewerken]

 Art. I. De Bataafsche Republiek is Eén en Ondeelbaar.

 II. De Oppermagt berust in de gezamenlijke Leden der Maatschappij, Burgers genoemd.

 III. Het tegenwoordig Grondgebied der Bataafsche Republiek is verdeeld in Agt Departementen, met naame:

 Het Eerste Departement: van de Eems.

Tweede Departement: van den Ouden Yssel.
Derde Departement: van den Rhijn.
Vierde Departement: van den Amstel.
Vijfde Departement: van Texel.
Zesde Departement: van de Delf.
Zevende Departement: van de Dommel.
Agtste Departement: van de Schelde en Maas.

 Art. IV. De Departementaale Administratiën vergaderen in de volgende Hoofdplaatsen:

 Die van het Eerste Departement, te Leeuwarden.

van het Tweede, te Zwolle.
van het Derde, te Arnhem.
van het Vierde, te Amsteldam.
van het Vijfde, te Alkmaar.
van het Zesde, te Delft.
van het Zevende, in den Bosch.
van het Agtste, te Middelburg.

 V. Ieder Departement word ten spoedigsten verdeeld in zeven, zoo na mooglijk, gelijk bevolkte Ringen, en elke Ring in verschillende Gemeenten.

 VI. Behalven deze onderscheiding in Departementen, Ringen en Gemeenten, tot daarstelling der Departementale en Gemeente-Bestuuren ingerigt, word de geheele Republiek nog verdeeld in Grond-Vergaderingen en Districten, geschikt tot algemeene verkiezingen en werkzaamheden des Volks.

 VII. Het Vertegenwoordigend Lichaam regelt, ten spoedigsten, de bijzondere bepaalingen der verschillende Departementaale Omtrekken, Ringen en Gemeenten, in ieder Departement, en der Hoofdplaatsen in de onderscheiden Ringen. Het doet daarvan eene Algemeene Kaart vervaardigen, en door den Druk gemeen maaken.

 VIII. Deze verdeelingen en bepaalingen kunnen niet veranderd worden, dan na verloop van vijf jaaren, en dan nog alleenlijk tot verëffening van aanmerklijke ongelijkheid der bevolking, of uit hoofde van eenig bijkomend Grondgebied.

Titul II. Van de uitoefening van het Stemvermogen der Burgeren in Grond- en Districts-Vergaderingen[bewerken]

Eerste Afdeeling. Van de Stem-Bevoegdheid der Burgeren.[bewerken]

 Art. IX. Ieder Ingezeten der Bataafsche Republiek heeft, overeenkomstig het oogmerk, waartoe de Maatschappij gevormd is, aanspraak op de bescherming van persoon en goederen.

 X. Niemand echter kan, als Bataafsch Burger, eenen daadlijken invloed op het bestuur der Maatschappij oefenen, tenzij hij in het openbaar Stemregister der Gemeente, waartoe hij behoort, zig hebbe doen inschrijven. Deze inschrijving word bepaaldlijk vereischt,

a.) Om zijne Stem in de Grond-Vergaderingen te kunnen uitbrengen.
b.) Om eenigen Post van Bestuur, eenig Ambt of Bediening, in de Maatschappij te kunnen waarnemen.
c.) Om eenig Ambt, Bediening of Pensioen, te blijven behouden.

 XI. Zij, die zig mogen doen inschrijven in zoodanig Stemregister, moeten hebben de navolgende vereischten:
 a. Dat zij den vollen ouderdom van twintig jaaren hebben bereikt, in de lasten der Maatschappij hun aandeel dragen, en, Inboorlingen zijnde, ten minsten geduurende de laatste twee Jaaren, doch, Vreemdelingen zijnde, ten minsten geduurende de laatste tien Jaaren, in deze Republiek hunne vaste woonplaats gehouden hebben, en in staat zijn de Nederduitsche Taal te lezen en te schrijven.

 Dit laatste vereischte zal, onmiddellijk na de aanneming der Staatsregeling, gelden ten aanzien van allen, die door het Volk tot eenige openbaare daad, post, of ambt, geroepen worden; doch voor het overige, één jaar na de invoering dezer Staatsregeling, ten aanzien van alle Stembevoegden, die alsdan in het Stemregister worden ingeschreven.
 Ook kunnen Vreemdelingen, die de Republiek te Water of te Lande gediend hebben, volstaan met eene inwooning van zeven jaaren.

 b. Dat zij, in handen van den Vóórzitter van het Plaatslijk Bestuur, hebben afgelegd, en geteekend de navolgende Verklaaring:

 "Ik houde het Bataafsche Volk voor een vrij en onafhanglijk Volk, en beloof aan Hetzelve trouw. Ik verklaar mijnen onveranderlijken afkeer van het Stadhouderlijk Bestuur, het Foederalismus, de Aristocratie en Regeeringloosheid. Ik beloof, dat ik, in alle mijne verrigtingen, hetzij als stemoefenend Burger, hetzij als Kiezer, alle de voorschriften der Staatsregeling getrouwlijk zal opvolgen, en nimmer mijne Stem geven aan iemand, wien ik houde te zijn een voorstander van het Stadhouderlijk of Fœderatief Bestuur, van de Aristocratie en Regeeringloosheid"
 "Dit verklaar ik op mijne Burgertrouw!"

 Art. XII. Aan ieder zoodanig Burger zal, door het Plaatslijk Bestuur, eene uitdruklijke Acte van Burgerschap, door den Voorzitter en Secretaris onderteekend, om niet, worden afgegeven.

 XIII. Van de Stemming zijn uitgesloten:  a. Allen, die zig, zonder uitdruklijken last of toestemming van het Gouvernement, buiten 's Lands met de woon hebbende begeven, na hunne terugkeering, nog geene twee volle Jaaren, in deze Republiek, hunne vaste woonplaats weder persoonlijk gehad hebben.
 b. Allen, die in eed of bediening zijn van eenige vreemde Mogendheid, of daarvan eenig pensioen genieten.
 c. Alle leden van eenige buitenlandsche Corporatiën, tot welker Lidmaatschap, hetzij onderscheiding van geboorte, hetzij de aflegging van eenige godsdienstige gelofte, vereischt word.
 d. Alle Lijf- en Huisbedienden, die tot persoonlijken dienst behooren, en inwoonen bij hen, welken zij dienen.
 e. Allen, die in Wees-, Diaconie-, Arm-Huisen, of andere Gestigten, als behoeftigen onderhouden worden.
 f. Allen, die, in het laatstafgelopen half jaar, tot den dag der oproeping te reekenen, uit de Armen-Kassen zijn bedeeld geworden.
 g. Die om verkwisting, wangedrag, of gebrek aan verstandlijke vermogens, onder Curateele staan.
 h. Bankbreukigen, midsgaders diegenen, wier boedel insolvent verklaard is, die hunnen Crediteuren derzelver agterwezen niet ten genoegen zullen hebben voldaan, niettegenstaande zij het Beneficie van Cessie mogten hebben verkregen.
 i. Die door een Regterlijk Decreet in staat van beschuldiging gesteld zijn, midsgaders die, welken in regten voor eerloos worden gehouden.
 k. Allen, die overtuigd worden, voor geld of geldswaarde, één of meer stemmen bekomen, of verkogt te hebben.

 Art. XIV. Zij, die in het Stemregister zijn ingeschreven, en, geduurende drie agtereenvolgende Jaaren, de Grond-Vergaderingen, waartoe zij behooren, niet hebben bijgewoond, zonder voldoende redenen, staande ter beoordeeling van gezegde Grond-Vergaderingen, worden, voor de daarop volgende drie Jaaren, ontzet van hunne Stembevoegdheid, en van alle publieke Ambten, Bedieningen en Pensioenen.
 Dezelfde uitsluiting, voor den tijd van vijf jaaren, heeft plaats ten opzigte van allen, die eenigen, hun opgedragen, Post van Bestuur, zonder wettige redenen, te beoordeelen door het Lichaam, waartoe zij geroepen waren, weigeren aantenemen.

 De laatste bepaling zal niet langer kragt hebben, dan tot 1 Januarij 1803, tenzij de Wet dezelve alsdan vernieuwe.

 Art. XV. Geduurende den tijd van ten minsten tien volgende Jaaren, na de aanneming der Staatsregeling, worden tot de inschrijving in het Stemregister niet toegelaten de openbaare aanhangers van het Stadhouderlijk en Fœderatief Bestuur, noch ook alle bekende wederstreevers van de groote beginselen der Omwending van 1795.

 XVI. Iemand, vermeenende, dat de inschrijving in het Stemregister hem, uit hoofde van Art. XV, ten onregte geweigerd is, kan zig daarover vervoegen bij het Vertegenwoordigend Lichaam.

 XVII. Over alle geschillen, in eene Grond-Vergadering ontstaande, nopens de bevoegdheid van eenig Burger, om zijne Stem uittebrengen, doet die Grond-Vergadering zelve uitspraak, waaraan de beklaagde zig voor dien tijd moet onderwerpen; doch hij kan zig, daarna, ter dier zake, tot het Vertegenwoordigend Lichaam wenden.

Tweede Afdeeling. Van de Grond- en Districts-Vergaderingen.[bewerken]

 Art. XVIII. Tot het geregeld uitbrengen van de Stem der Burgeren, is de geheele Republiek verdeeld in Grond-Vergaderingen, uit de naast bij elkander gelegene Huisen, Buurten of Wijken, zaamgesteld, waarin de Stemmende Burgers uit iedere vijf honderd Zielen, en in Districts-Vergaderingen, waarin de Kiezers uit veertig Grond-Vergaderingen bijéénkomen.

 Art. XIX. Indien 'er, na de afdeeling der Grond-Vergaderingen, hier of daar, een overschot is van minder dan 500 Zielen, word dat getal, zo het beneden de 250 is, gevoegd bij de naastgelegen Grond-Vergaderingen, en, indien het daar boven is, aangemerkt als eene Grond-Vergadering op zig zelve.

 Van dit een en ander doet het Vertegenwoordigend Lichaam ten spoedigsten een Rooster vervaardigen.

 Art. XX. Ieder Stembevoegd Burger, na vertoon van het bewijs zijner Stembevoegdheid, brengt zijne stem uit in eigen Persoon, en alleen in de Grond-Vergadering, tot welke hij behoort.

 XXI. Krijgslieden stemmen niet, dan ter Plaatse hunner vaste wooning, afgescheiden van hunne Garnisoenen.

 XXII. In de Grond-Vergaderingen word niet alleen niemand, of regtstreeks, of van ter zijde, aanbevolen, maar ook de stipste geheimhouding omtrend de stemming aldaar in acht genomen.

 XXIII. Niemand verschijnt aldaar gewaapend, noch met eenige uniform, of teeken van ambt, bediening of waardigheid.

 XXIV. Tot het bekomen van Leden voor het Vertegenwoordigend Lichaam van het Bataafsche Volk, word in elke Grond-Vergadering van het benoemend District, bij meerderheid van stemmen, benoemd één Persoon, als Vertegenwoordiger, en één als deszelfs Plaatsvervanger, beide stembevoegd, en geene Leden derzelve zijnde, en hebbende de vereischten, bij Art. XXXII., omtrend de Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam bepaald.

 De wijs van stemming geschied volgends het Reglement, lett. a..

 XXV. Op gelijke wijze, word gekozen een Kiezer ter Districts-Vergadering, als mede een Plaatsvervanger van den Kiezer. (Volgends Reglement, lett. a.)

 Art. XXVI. De benoemde Kiezer en Plaatsvervanger leggen, onverwijld en openlijk, in hunne Grond-Vergadering, af de navolgende belofte:

 "Ik beloof, dat ik nimmer mijne stem zal geven, dan aan bekwaame en deugdzaame Mannen, die de verëischten, bij de Staatsregeling bepaald, bezitten; en dat ik, als Kiezer, niemand zal benoemen, wien ik houde te zijn een aanhanger van het Stadhouderlijk of Fœderatief Bestuur, of voorstander van Aristocratie of Regeeringloosheid."
 "Dit verklaar Ik."

 XXVII. Staande dezelfde Vergadering, en daadlijk na het aflopen der verkiezing, word aan den Kiezer en Plaatsvervanger een lastbrief gegeven, geteekend door den Voorzitter en drie Leden der Grond-Vergadering, van den navolgenden inhoud:

 "De Grond-Vergadering van ........ stemt tot Vertegenwoordiger des Bataafschen Volks ....., en, ten einde deze stemming, volgends de Staatsregeling, van kragt zij, ontbied zij den Burger ....., om als Kiezer, en den Burger ........., des noods als Plaatsvervanger, van haaren wege, op de Districts-Vergadering te ....... te verschijnen."

 XXVIII. De Grond- en Districts-Vergaderingen verrigten nimmer eenige daad, dan die, waartoe zij, hetzij door de Staatsregeling, hetzij door eene bijzondere Wet van het Vertegenwoordigend Lichaam, zijn opgeroepen en zaamgekomen.

 XXIX. Zoodra deze werkzaamheid is afgeloopen, gaan dezelven onverwijld uit één.

Titul III.[bewerken]

 De drie voornaame Magten in eene welgeregelde Republiek zijn:

1. De vertegenwoordigende hoogste magt.

2. De uitvoerende magt.

3. De regterlijke magt.


Van de Vertegenwoordigende Hoogste Magt.[bewerken]

Eerste Afdeeling. Van het Vertegenwoordigend Lichaam in het algemeen.[bewerken]

 Art. XXX. Het Vertegenwoordigend Lichaam is datgene, welk het geheele Volk vertegenwoordigt, en, in deszelfs naam, wetten geeft, overeenkomstig het voorschrift der Staatregeling.

 XXXI. Geen Lid van dit Lichaam vertegenwoordigt, immer, eenig afzonderlijk gedeelte des Volks, noch ontvangt eenen bijzonderen Lastbrief.

 XXXII. Tot Leden van dit Lichaam zijn verkiesbaar allen, die in zig verëenigen de navolgende verëischten:
 a. Dat zij zijn stembevoegde Burgers.
 b. Dat zij den ouderdom van dertig jaaren ten vollen bereikt hebben.
 c. Dat zij binnen deze Republiek, zoo als die vóór den Jaare 1795 bestond, of na dezen bestaan zal, geboren zijn, en aldaar, geduurende de laatste tien Jaaren, of, zo elders geboren, geduurende de laatste vijftien Jaaren, hunne vaste woonplaats gehad hebben.

 Dit laatste sluit geenszins uit die Burgers, die in en na den Jaare 1787, om politieke vervolgingen, uit hun Vaderland geweken zijnde, vóór den Jaare 1796 daarin zijn wedergekeerd.

 Art. XXXIII. Tot Leden van dit Lichaam zijn niet verkiesbaar:
 a. Leden van het Uitvoerend Bewind, dan drie jaaren na hunne aftreding uit hetzelve.
 b. Allen, die zig aan eenigen Kerklijken Eerdienst verbonden, of aan eenig openbaar Onderwijs toegewijd hebben; tenzij dezelven, alvoorens, vrijwillig afstand doen van deze hunne bedieningen.

 XXXIV. Zij, die Ambten of Bedieningen van 's Lands wege bekleeden, worden daarvan ontslagen, zoodra zij als Leden van dit Lichaam zitting nemen. Geduurende den tijd hunner zittinge, word een ander in hunne plaats aangesteld door diegenen, aan welken de begeving staat dier Ambten of Bedieningen.

 Art. XXXV. Aan geen' der Leden van dit Lichaam word, geduurende den tijd zijner zitting, eenig Ambt of Bediening opgedragen.

 XXXVI. Niemand kan, als Lid van het Vertegenwoordigend Lichaam, zitting nemen, dan na, alvoorens, in handen van den Vóórzitter der algemeene Vergadering, of, deze reeds uitééngegaan zijnde, in handen van den Voorzitter dier Kamer, van welke hij als Lid door de algemeene Vergadering verkozen is, te hebben afgelegd de volgende verklaaring:

 "Ik beloof op mijne Burger-trouw, dat ik, als Lid van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks, de Staatsregeling met all' mijn vermogen zal handhaven, en nimmer, op eenigerlei wijze, medewerken, of zal helpen besluiten tot eenig ontwerp, strekkende tot wederïnvoering van het Stadhouderlijk of Fœderatief Bestuur, of ter begunstiging van Aristocratie en Regeeringloosheid, maar, met alle mijne magt, dit alles zal tegenwerken."
 "Dit verklaar Ik."

 XXXVII. Jaarlijks treed een derde gedeelte (of hetgeen daarbij het naaste komt) van het volle getal der Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam af, en word vervangen door een gelijk getal nieuwe Leden, gekozen op den, bij het Reglement, lett. b. bepaalden, tijd en wijze, door die Districten, voor welken de in dat jaar aftredenden opgekomen waren.

 XXXVIII. Ter bepaalinge van de orde, volgends welke deze aftreding zal plaats hebben, word in de eerste algemeene Vergadering bij Loting beslist, welke Leden het eerste, tweede en derde Jaar zullen aftreden. En zal deze, door het Lot daargestelde, Orde de tourbeurten der Districten, tot verkiezing van Leden voor het Vertegenwoordigend Lichaam, voor de volgende jaaren bepaalen.

 Art. XXXIX. De aftredende Leden zijn andermaal weder verkiesbaar, doch voor de derde maal niet, dan na een tijdverloop van drie jaaren.

 XL. Eene plaats in het Vertegenwoordigend Lichaam tusschentijds openvallende, word de Plaatsvervanger des Uitgevallenen, onverwijld, door het Uitvoerend Bewind opgeroepen, om den nog overigen tijd van dezen laatsten, in de Kamer, waarin dezelve zitting had, te vervullen.

 Deze oproeping heeft geene plaats, indien de te vervullen tijd niet langer is, dan van zes Maanden; blijvende, in dit geval, de Vacature onvervuld tot de eerstvolgende Verkiezing.

 XLI. De Leden van dit Lichaam genieten, ieder, vierduisend Guldens in het Jaar, onder korting van tien Guldens voor elken dag, dien zij, zonder verlof van den Voorzitter der Kamer, waartoe zij behooren, afwezig zijn.

 XLII. Bij hunne eerste aankomst, en eindlijke aftreding, ontvangen zij, voor Reiskosten en Transport, drie Guldens, voor ieder uur afstands.

 XLIII. Nimmer word uit het Vertegenwoordigend Lichaam eene Commissie benoemd, om het gezag, aan het geheele Lichaam toevertrouwd, uitteoefenen, noch ook, om hetzelve in of buiten de Residentie-plaats te vertegenwoordigen.

 XLIV. Hetzelve woont nimmer, hetzij geheel, hetzij door eene Commissie uit deszelfs midden, eenige openbaare Feesten of Plegtigheden bij.

 XLV. Het Vertegenwoordigend Lichaam heeft, in de plaats zijner Residentie, eene vaste, en alleen ten zijnen bijzonderen dienste staande, Lijf-Wacht van ten minsten zeven-honderd Man, zoo Voet- als Paarden-Volk, welke bij Reglement, door hetzelve Lichaam te maaken, onmiddellijk, en bij uitsluiting, onder de beurtelingsche orders der tijdlijke Voorzitters van de beide Kamers staan.
 Hetzelve bepaalt het Costuum voor zijne Leden.

 Art. XLVI. Het houd zijne gewoone residentie in den Haage.

 XLVII. Het verplaatst zig, des noods, naar elders, op een beredeneerd besluit der Eerste Kamer, bekragtigd door de Tweede Kamer.  Dit Decreet is onherroeplijk, en, na eene onverwijlde kennisgeving van hetzelve aan het Uitvoerend Bewind, gaan beide de Kamers uit één.

 Zie de verdere bepaalingen bij het Reglement, lett. b., tweede Afdeeling.

 XLVIII. In alle andere gevallen, gaat Hetzelve nimmer uit één. Alleenlijk kan de eene of andere Kamer, voor zekeren korten tijd, haare zittingen verschuiven.

 XLIX. Wanneer dit voor langer, dan drie dagen, mogt zijn, word vooraf eene onderlinge overeenkomst der Vóórzitters van beide de Kamers verëischt.

 X. Aan dit Lichaam behoort uitsluitender wijze:
 a. De Magt van Wetgeving, benevens het verklaaren, verbeteren, opschorten en afschaffen der Wetten, alles naar en behoudens het voorschrift der Staatsregeling.
 b. Het besluiten tot Oorlog.
 c. Het ratificeeren en bekragtigen van alle Tractaaten en Alliantiën met vreemde Mogendheden.
 d. Het bepaalen der sterkte, aanwerving, afdanking en bezoldiging der Armeën te Lande, van den aanbouw, het equipeeren der Schepen, en het afdanken der Equipagien, alsmede het in dienstnemen en licentieeren van vreemde Troepen.
 e. Het toestaan van verblijf of doortogt aan vreemde Troepen op of over het grondgebied der Republiek, benevens de toelating van vreemde Zeemagt of gewaapende Scheepen in derzelver Havens, beiden op voordragt van het Uitvoerend Bewind.
 f. Het kennis nemen van den staat van 's Lands Fortificatiën, Magazijnen, Arsenaalen, Werven enz., jaarlijks intezenden door het Uitvoerend Bewind.
 g. Het kennis nemen van den staat van 's Lands Financiën, van zes tot zes Maanden, mede door het Uitvoerend Bewind inteleveren.
 h. Het beöordeelen en vaststellen der jaarlijksche begrootingen van Staats-uitgaven, zoo gewoone als buitengewoone, en het aan zig doen verändwoorden van zoodanige sommen, als het Uitvoerend Bewind, geduurende het afgelopen jaar uit 's Lands Kas ontvangen en uitgegeven heeft.
 i. Het arresteeren der nodige Reglementen, betreklijk de Algemeene Gewaapende Burgermagt.
 k. Het bepaalen der Tractementen, Defroijementen, en andere toelagen van alle Ambtenaren, zoo Burgerlijke als Militaire, op voordragt van het Uitvoerend Bewind, voor zoo veel dezelven bij de Staatsregeling niet bepaald zijn.
 l. De aanstelling der Leden van het Uitvoerend Bewind.
 m. Het, des nodig, maaken van nieuwe Ambten, zoo Burgerlijke als Militaire, met bepaaling van derzelver Tractementen en Voordeelen, op voordragt van het Uitvoerend Bewind.<br.  n. Het maaken van de nodige wetten en bepaalingen omtrend den Muntslag en het generaale Muntwezen.
 o. Het vaststellen van algemeene, zoo gewoone als buitengewoone, belastingen, naar het voorschrift der Staatsregeling, en het maaken van Financiëele Inrigtingen.
 p. Het vaststellen van eenen algemeenen voet op het werk der Posterijen, door de geheele Republiek, en het bepaalen van algemeene voorzieningen dien aangaande.
 q. Het verleenen van gratie, na ingenomen consideratiën, en op gunstig berigt van den Regter, aan wien de zaak behoort.
 r. Het toestaan van remissie van gratie aan Schuldenaaren van den Staat.
 s. Het toeleggen van belooningen, en verleenen van van Pensioenen, op voordragt van het Uitvoerend Bewind, mids volgende het voorschrift Art. LVII en LVIII der Burgerlijke en Staatkundige Grondregelen.
 t. Eindelijk, het bepaalen en regelen van alles, waarin door de Staatsregeling, en de voorhanden zijnde Wetten, niet mogt voorzien zijn.

Tweede Afdeeling. Van de vorming des Vertegenwoordigenden Lichaams in twee Kamers.[bewerken]

 Art. LI. Het geheel Vertegenwoordigend Lichaam bestaat uit zooveele Leden, als 'er twintig duisend tallen Zielen in de Bataafsche Republiek gevonden worden.

 Art. LII. Dit Lichaam verdeelt zig in twee Kamers, genoemd Eerste Kamer en Tweede Kamer.

 LIII. Ter daarstellinge dezer verdeeling in twee Kamers, houden alle de Leden van dit Lichaam, jaarlijks, op den laatsten Dingsdag der maand Julij, eene algemeene Vergadering, kiezen alsdan, uit het volle getal van alle de verkozenen tot het Vertegenwoordigend Lichaam, dertig Leden, welke de Tweede Kamer uitmaken; vormende de overige Leden te zamen de Eerste Kamer.

 LIV. Zoodra deze schifting volbragt is, constiueëren zig de beide Kamers gelijktijdig, en geven daarvan, onverwijld, kennis aan elkanderen, en aan het Uitvoerend Bewind. De zig dus geconstitueerd hebbende Kamers Vergaderen nimmer in dezelfde Vergaderzaal.

 LV. Elke Kamer stelt haare eigen Ministers en Bedienden aan.

 LVI. Elke Kamer heeft, buiten zig, eenen vasten Secretaris, en eenen Boodschapper van Staat.

 LVII. De Voorzitters, en de Secretarissen, der beide Kamers, zijn altijd in de Residentie-Plaats tegenwoordig.

 LVIII. Elke Kamer heeft het regt van politie in de plaats haarer zittinge.

 LIX. Elke der beide Kamers ontwerpt voor zig zelve een Reglement van Orde, hetgeen, na door dezelve goedgekeurd, en door de andere Kamer bekragtigd te zijn, het gezag van Wet heeft, en niet, dan op dezelfde wijze, kan veranderd worden.

Derde Afdeeling. Van de raadpleegingen des Vertegenwoordigenden Lichaams.[bewerken]

 Art. LX. Het ontwerpen én voorstellen van alle wetten en besluiten behoort alleen, en bij uitsluiting, aan de Eerste Kamer, en het al of niet bekragtigen van dezelven, aan de Tweede Kamer.

 LXI. Geene der beide Kamers kan wettiglijk raadpleegen, tenzij de volstrekte meerderheid van alle derzelver Leden in de Vergadering tegenwoordig zij.
 Alleen in geval van verplaatsing van het Vertegenwoordigend Lichaam naar eene andere Residentieplaats, kan Hetzelve, geduurende vier Weeken, na den bepaalden dag der zamenkomst, raadpleegen, schoon de meerderheid van alle de Leden, in de beide Kamers, of in ééne derzelven, niet tegenwoordig zij.

 LXII. Ook word in elke derzelven, tot het opmaaken van een besluit, ten minsten de volstrekte meerderheid van alle tegenwoordig zijnde Leden vereischt.

 LXIII. Geene der beide Kamers benoemt, immer, uit derzelver midden, eenige aanblijvende Commissie. Elke Kamer kan, tot een voorlopig onderzoek van zekere zaken, persooneele Commissiën, uit haare Leden, benoemen; doch deze Commissiën zijn ontbonden, zoodra, op derzelver Rapport een besluit gevallen is.

 LXIV. Beide de Kamers houden haare zittingen in het openbaar, en doen derzelver Notulen in druk uitgeven.

 Art. LXV. De Toehoorers mengen zig, op geenerlei wijze, in de raadpleegingen, en geven nimmer eenig teeken van goedkeuring of afkeuring; gelijk ook de Leden der Vergadering zig, in geen geval, op hen mogen beroepen.

 LXVI. De Vóórzitter van elke der beide Kamers kan de open Vergadering in een Generaal Committé veränderen, en is verpligt dit te doen, zoodra een vierde der tegenwoordig zijnde Leden zulks begeert.
 Tot een Generaal Committé worden geene Toehoorers toegelaten.

 LXVII. In een Generaal Committé word wel geraadpleegd, maar geen besluit, kragt van wet hebbende, vastgesteld.

 LXVIII. Alle Besluiten van het Vertegenwoordigend Lichaam moeten, om kragt van Wet te hebben, in de form, bij het Reglement (lett. b. Art. 18–32) voorgeschreven, door de Eerste Kamer voorgesteld, en door de Tweede Kamer bekragtigd zijn.

 LXIX. De alzoo bekragtigde besluiten en wetten worden door de Tweede Kamer, na gedaane registratie, onverwijld verzonden aan het Uitvoerend Bewind, ten einde naar eisch van zaken te handelen, en word tevens daarvan een afschrift, in behoorlijke form, aan de Eerste Kamer toegezonden.

 LXX. Eene Wet, ten gevolge van een onverwijld besluit vastgesteld, behoud, in geen geval, haare kragt langer, dan één Jaar, en moet alsdan, om in werking te blijven, op nieuw, en in de gewoone orde, door het Vertegenwoordigend Lichaam overwogen en bekragtigd worden.

Vierde Afdeeling. Van de Vrijwaaring der Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam.[bewerken]

 Art. LXXI. De Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam kunnen nimmer agterhaald, beschuldigd, of geoordeeld worden, over hetgeen zij, in de uitoefening van hunnen Post, gezegd of geschreven hebben.

 LXXII. Zij kunnen, geduurende hunne Zitting in de Vertegenwoordigende Vergadering, niet in verzekering genomen, beschuldigd, of te regt gesteld worden, dan overeenkomstig de form, bij de volgende Artikelen bepaald.

 LXXIII. Wegens lijfstraflijke misdaaden op de daad agterhaald, kunnen zij in verzekering worden genomen. Doch word daarvan, onverwijld, kennis gegeven aan het Vertegenwoordigend Lichaam.

 LXXIV. Zo de Eerste Kamer, na daarover in de gewoone form geraadpleegd te hebben, niet bij de meerderheid van twee derden der tegenwoordig zijnde Leden, verklaart, dat 'er redenen tot beschuldiging zijn, word de, in verzekering genomen, Persoon in vrijheid gesteld, en herneemt zijnen post.

 LXXV. Zo de Eerste Kamer verklaart, dat 'er redenen van beschuldiging zijn, word dat besluit verzonden aan de Tweede Kamer, en, zo deze, na de derde Lezing dit Besluit niet bekragtigt, word de in verzekering genomene in vrijheid gesteld, en herneemt zijnen post.

 LXXVI. Zo, in tegendeel, de Tweede Kamer het Besluit bekragtigt, word de beschuldigde voor een Hoog Nationaal Geregtshof te regt gesteld.

 Art. LXXVII. Elke Kamer, alvoorens te raadpleegen, ontbied den beschuldigden vóór zig, en geeft hem het woord ter zijner verdediging.

 LXXVIII. Buiten het geval, van op de daad agterhaald te zijn, kan de teregtstelling van een Lid van het Vertegenwoordigend Lichaam niet worden gevorderd, dan op eene aanklagt, gedaan aan de Eerste Kamer en geteekend ten minsten door drie Burgers, met overlegging van schriftlijk bewijs hunner Stembevoegdheid.

 LXXIX. De Eerste Kamer kan terstond, en zonder eenigzins in de zaak te treden, bij meerderheid van stemmen, verklaaren, dat 'er geene reden is, om over de aanklagt te raadpleegen.

 LXXX. Indien de meerderheid oordeelt, dat de aanklagt nader onderzoek vereischt, raadpleegt de Eerste Kamer, en des noods de Tweede Kamer, over de aanklagt, met in achtneming der gewoone drie Lezingen, en na den beklaagden gelegenheid gegeven te hebben ter zijner verdediging.

 LXXXI. Indien het Vertegenwoordigend Lichaam verklaart dat 'er reden tot beschuldiging is, word de beschuldigde te regt gesteld voor een Hoog Nationaal Geregtshof. Zo de beschuldigde door dat Hof word vrijgesproken, herneemt dezelve zijne Zitting.

 LXXXII. Alle Raadpleegingen, in beide de Kamers, over aanklagt of beschuldiging tegen een Lid van het Vertegenwoordigend Lichaam, geschieden in een Generaal Committé, en word het besluit bij geheime stemming opgemaakt.

Titul IV. Van het Uitvoerend Bewind.[bewerken]

 Art. LXXXIII. Het Uitvoerend Bewind word toevertrouwd aan een afzonderlijk Lichaam, bestaande uit vijf Leden.

 LXXXIV. Deszelfs Leden worden door het Lichaam der Vertegenwoordigende Hoogste Magt, buiten zig, gekozen.

 De wijze word bij het Reglement, Letter C., bepaald.

 LXXXV. Het Uitvoerend Bewind houd deszelfs verblijf, ten allen tijde, in dezelfde plaats, als het Vertegenwoordigend Lichaam.

 LXXXVI. Jaarlijks, treed één Lid van het Uitvoerend Bewind af.

 De wijze word bepaald bij het Reglement, Letter C.

 LXXXVII. Zij, die elkanderen bestaan tot in den vierden graad van Maagschap, hetzij door Bloedverwantschap, of door Huwelijk, kunnen niet te gelijk Leden zijn van het Uitvoerend Bewind, noch ook elkanderen daarin opvolgen, dan na een tusschentijd van twee Jaaren.

 LXXXVIII. Op den tweeden Dingsdag der Maand Junij, neemt het nieuw-gekozen Lid zitting, en legt, in handen van den tijdlijken Voorzitter, de navolgende belofte af:

 "Ik verbind mij plegtig, mijnen post, als Lid van het Uitvoerend Bewind, met all' mijn vermogen, overeenkomstig de Staatsregeling, getrouw en ijverig te zullen waarnemen, voor de veiligheid, de welvaart en het geluk des Bataafschen Volks te waaken, met alle magt tegen te gaan de poogingen tot herstel van een Stadhouderiijk of Bondgenootschaplijk Bestuur, onder welke benaaming of form ook, en tot dat einde stiptlijk te zullen volgen alles, wat mij, in mijne voornoemde betrekking, bij de Staatsregeling is voorgeschreven, en door de Wet zal worden gelast."
 "Dit beloof ik, op mijne Burgertrouw"

 Aan de beide Kamers van het Vertegenwoordigend Lichaam word een afschrift van deze belofte, door hem eigenhandig geschreven en geteekend, ingezonden.

 LXXXIX. De Voorzitter van het Uitvoerend Bewind is de bewaarer van het groot Nationaal Zegel, en heeft de paraphure. Alle aftevaardigen orders en besluiten van het Uitvoerend Bewind worden door hem geteekend.

 XC. Alle Besluiten van het Uitvoerend Bewind worden genomen, bij meerderheid der tegenwoordig zijnde Leden, mids zijnde ten minste drie in getal.

 XCI. Dit Lichaam heeft, ten zijnen dienste, éénen algemeenen Secretaris buiten deszelfs Leden, die, zoo ten aanzien van alle binnenlandsche, als buitenlandsche Zaken, aan hetzelve alleen verbonden is; voords een bepaald getal van Agenten, de benoodigde Commissarissen, eenen Boodschapper van Staat, en een vereischt getal van Boden. (Zie Reglement, Letter C.)

 Art. XCII. Het Uitvoerend Bewind bedient zig, ter volbrenging zijner verschillende werkzaamheden, van de volgende agt Agenten, als:
 Eén van buitenlandsche Betrekkingen;
 Eén van Marine;
 Eén van Oorlog;
 Eén van Financie;
 Eén van Justitie;
 Eén van inwendige Policie en toezigt op den staat van Dijken, Wegen en Wateren;
 Eén van Nationaale Opvoeding, waaronder begrepen is de Geneeskundige Staatsregeling, de vorming der Nationaale Zeden, en de bevordering van het openbaar Onderwijs, en van Konsten en Wetenschappen;
 Eén van Nationaale Oeconomie, zig uitstrekkende tot Koophandel, Zeevaart, Visscherijën, Fabrieken, Trafieken, Landbouw, en alle andere middelen van bestaan.

 XCIII. Deze Agenten worden aangesteld door het Uitvoerend Bewind, op Instructien, vasttestellen door het Vertegenwoordigend Lichaam, en op eene Jaarwedde van negen-duisend Guldens ieder.

 XCIV. Ieder Agent benoemt voor zig eenen vasten Secretaris, en verdere Bedienden, tot zijne verschillende Bureaux vereischt wordende, op Instructiën, en onder goedkeuring van het Uitvoerend Bewind.

 Op voordragt van het Uitvoerend Bewind, bepaalt het Vertegenwoordigend Lichaam de Jaarwedden voor de Secretarissen, en verdere Bedienden, der Agenten.

 XCV. Ieder Agent is aan het Uitvoerend Bewind alleen verändwoordelijk voor all' het verzuim of nadeel, hetgeen uit wanbestuur, in zijn bijzonder vak, voor den Lande mogt voordspruiten.

 Art. XCVI. De Agenten vormen nimmer onder elkanderen eenen afzonderlijken Raad, maar zijn bepaaldelijk, ieder aan zijne persoonlijke werkzaamheden, verbonden.

 XCVII. Behalve de Agenten, benoemt het Uitvoerend Bewind, buiten zig, Commissarissen, zoo bij de Departementaale Bestuuren en Geregtshoven, als ook voor de Gemeente-Bestuuren, gelijk mede, in tijd van Oorlog, bij de Krijgsmagt ter Zee en te Lande.
 Deze Commissarissen, bestemd, om de spoedige en stipte nakoming der Wetten en Besluiten te verzekeren, ontvangen, voor een bepaalden tijd, hunnen last en instructie van het Uitvoerend Bewind, en zijn aan hetzelve alleen verändwoordlijk.

 XCVIII. De beide Raaden van Administratie, over de Buitenlandsche Etablissementen, Bezittingen en Coloniën der Republiek, zoo ook Commissarissen van de Nationaale Tresorie, worden aangesteld door het Uitvoerend Bewind, en zijn aan hetzelve ondergeschikt, en verändwoordlijk.

 XCIX. Het Uitvoerend Bewind word, bij alle openbaare optogten, verzeld van eene Eere-Wacht.

 C. Hetzelve bepaalt het Costuum voor zijne Leden.

 Het Uitvoerend Bewind, of eenig Lid van hetzelve, in het openbaar verschijnende in deszelfs aangenomen Costume, geniet van alle Posten der Gewaapende Magt de hoogste militaire eerbetooning.

 CI. Deszelfs Leden worden gehuisvest in éénzelfde Gebouw, op kosten der Natie.

 CII. Ieder Lid van het Uitvoerend Bewind geniet eene Jaarwedde van twaalf duisend Guldens.

 Art. CIII. Het Uitvoerend Bewind doet de Wetten, aan hetzelve door het Vertegenwoordigend Lichaam in de gewoone form toegezonden, binnen drie Dagen, en, in geval van onverwijlde noodzaaklijkheid, binnen vier-en-twintig Uuren, na derzelver ontvangst, registreeren, parapheeren, teekenen, in de Residentie-Plaats afkondigen, en voords verzenden aan de Departementaale Bestuuren, ter verdere bekendmaaking, en aan de Nationaale Commissarissen of Ambtenaaren, tot derzelver narigt.

 CIV. Indien de form, door de Staatsregeling voorgeschreven, bij de toegezonden Wet niet blijkt te zijn in acht genomen, zend het Uitvoerend Bewind dezelve, onverwijld, terug aan de tweede Kamer, met redengeving, waarom het die niet kan afkondigen.

 De Formulieren, in beide gevallen Art. CIII. en CIV. te gebruiken, zijn vervat in het Reglement, Letter C.

 CV. Het Uitvoerend Bewind is voornaamlijk belast met het toezigt op de stipte uitvoering van alle Wetten en Besluiten des Vertegenwoordigenden Lichaams. Het regelt de wijze dier uitvoering, voor zoo verre die bij de Wet zelve niet bepaald is, en ziet naauwkeurig toe, dat ieder ten dien opzigte tot zijnen pligt gehouden worde.

 CVI. Het draagt, overeenkomstig de Wetten, zorg voor de inwendige en uitwendige veiligheid van den Staat, doet, in geval van aanslag tegen dezelve, de verdagte Persoonen in verzekering nemen, en onverwijld onder vragen; doch levert dezelven binnen vier-en-twintig Uuren daarna, aan den Regter over.

 CVII. Het heeft toezigt over de handelingen der Departementaale en Gemeente-Bestuuren, gelijk mede der Geregtshoven en Regtbanken. Het kan derzelver Acten, zo die met de Wetten strijdig zijn, in haare werking, gelijk ook derzelver Leden in hunne bedieningen, schorssen, en de laatsten daadlijk afzetten, mids zoodanig besluit met redenen bekleed zij; blijvende aan de voornoemde Bestuuren, Geregtshoven en Regtbanken, of aan de bijzondere Leden van dien, ten allen tijde, onverlet hunne bijzondere verändwoording of aanklagt bij het Vertegenwoordigend Lichaam.

 Art. CVIII. Het organiseert de Gewaapende Burgermagt, de Nationaale Troepen daaronder begrepen, overeenkomstig de Reglementen, door Hetzelve aan het Vertegenwoordigend Lichaam, binnen zes Maanden, na Deszelfs eerste Zitting, ter beslissinge voorgedragen.

 CIX. Het beschikt over de Krijgsmagt te Water en te Lande, en bepaalt derzelver bijzondere bestemmingen.

 CX. Het doet aan dat Lichaam, jaarlijks, voordragt ter voordduuring, vermeerdering of afdanking, der Nationaale Krijgsmagt te Water en te Lande.

 CXI. Het benoemt uit de Officieren, in dienst of soldij der Republiek, wanneer dezelve met vijandlijkheden bedreigd word, de Bevelhebbers der Vloot of Arméé, of van eenig gedeelte derzelve, op Instructiën, door het Vertegenwoordigend Lichaam goedgekeurd, en met onverwijlde kennisgeving aan hetzelve.

 Dit Bevelhebberschap word opgedragen voor eenen bepaalden tijd, en kan de last daartoe, zelfs binnen dien tijd, worden ingetrokken.
 Het algemeen Bevèl over de Vloot en Armée word nimmer aan denzelfden Persoon, noch ook immer, één van beiden, aan één, of meer, of aan alle de Leden van het Uitvoerend Bewind, en even weinig aan een aftredend Lid van hetzelve, dan na verloop van twee Jaaren zederd deszelfs aftreding, opgedragen.
 De benoemde Generaals en Admiraals mogen aan de Leden van het Uitvoerend Bewind niet vermaagschapt zijn, tot in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap.

 Art. CXII. Het Uitvoerend Bewind heeft de aanstelling van alle hooge Officieren, in dienst van den Staat, te Water en te Lande, bepaaldlijk boven den rang van Kapitein ter Zee, of van Colonel te Lande, overëenkomstig de regelen, door de Wet vastgesteld.

 CXIII. Op Deszelfs voordragt, bepaalt het Vertegenwoordigend Lichaam, binnen zes Maanden na Deszelfs eerste zitting, bij eene Wet, de wijze van benoeming en bevordering der Officieren van minderen rang.

 CXIV. Het Uitvoerend Bewind bestemt, in tijd van Vrede, vaste Garnisoens-Plaatsen voor de Troepen van den Staat.

 CXV. In deze Garnisoens-Plaatsen, stelt Hetzelve de tijdlijke Militaire Commandanten en andere Militaire Beämbten aan.

 CXVI. In tijd van Vrede, doet Hetzelve geene Staats Troepen heen- en wedertrekken, dan voor zoo veel de nood, of eene goede Krijgstugt, zulks vordert, of ook, op verzoek van eenig binnenlandsch Bestuur, ter bewaaring of herstelling der openbaare veiligheid.

 CXVII. Het draagt zorg, dat de Krijgstugt bij de Militie van den Staat, volgends de Wetten, door het Vertegenwoordigend Lichaam vastgesteld, naauwkeurig gehandhaafd worde.

 CXVIII. Het doet geene gewaapende Manschap in de Verblijfplaats van het Vertegenwoordigend Lichaam, zelfs niet binnen drie uuren afstands van dezelve, bijëenkomen, noch doortrekken, dan met toestemming, of op vordering van dat Lichaam.

 Art. CXIX. Het vergunt geen verblijf, noch doortogt aan vreemde Troepen, op of over het grondgebied der Republiek, noch laat eenige vreemde Zeemagt of Gewaapende Schepen in de Havens toe, dan met bewilliging van het Vertegenwoordigend Lichaam.

 CXX. Het kan, in tijd van nood, alleen voor zekeren bepaalden tijd, het vertrek der Nationaale en Vreemde Schepen uit de Havens, of van de Rheeden, der Republiek verhinderen.

 CXXI. Het bevordert, in tijd van Oorlog, de Kaap-Vaart.

 CXXII. Het heeft opzigt over alle Fortificatiën, Magazijnen, Werven, Tuighuisen, en over alles, wat ter verdediging van den Staat te Water en te Lande behoort.
 Het zend, jaarlijks, daarvan een gemotiveerd verslag aan het Vertegenwoordigend Lichaam, en stelt alle daartoe betreklijke Ambtenaars aan.

 CXXIII. Het verleent Paspoorten, en andere zoortgelijke Acten, naar buiten 's Lands; doch kan dit vermogen, tot gerief der Ingezetenen, overdragen aan de onderscheiden Departementaale Bestuuren, onder derzelver bijzondere verändwoordlijkheid.

 CXXIV. Het zend, jaarlijks, aan het Vertegenwoordigend Lichaam de gewoone of ook buitengewoone begrootingen van Staats-Uitgaven, gelijk ook eene verandwoording der Penningen, geduurende het voorig jaar door hetzelve uit de Nationaale Kas ontvangen en uitgegeven, beiden op den tijd en wijze, in Titul VI. Afd. II. bepaald.

 CXXV. Ook zend Hetzelve, van zes tot zes Maanden, aan dat Lichaam eenen nauwkeurigen staat van de Nationaale Kas. Het stelt daarbij alle verbeteringen, en bezuinigingen in het Financieële voor, die hetzelve nodig oordeelt.

 Art. CXXVI. Het draagt naauwkeurig zorg, dat de belastingen overal behoorlijk ingevorderd, de Geldmiddelen rigtig geädministreerd, en in de Nationaale Kas overgebragt worden.

 CXXVII. Het ziet toe, dat de Financieele Wetten, en Ordonnantiën, van het Vertegenwoordigend Lichaam, door de geheele Republiek, getrouwlijk worden gehandhaafd en nagekomen.

 CXXVIII. Het stelt alle de Ontvangers, en andere Financiëele Beambten, in de Departementen aan, op Instructiën, door het Vertegenwoordigend Lichaam goedgekeurd. Het houd dezelven tot hunnen pligt, en kan hen, wegens pligtverzuim, van hunne posten ontzetten.

 CXXIX. Het heeft de beheering over alle de Goederen en Bezittingen der Republiek, gelijk mede over haare buitenlandsche Etablissementen en Coloniën, en derzelver inwendig bestuur. Het draagt zorg, dat de jaarlijksche inkomsten van alle dezelven verzekerd, en in de Nationaale Kas gestort worden.
 In geen geval, kan het Uitvoerend Bewind die Goederen, Bezittingen, Etablissementen, of Coloniën, afstaan, vervreemden, of bezwaaren.

 Art. CXXX. Het heeft toezigt op de uitvoering der Wetten, betreklijk het algemeen Muntwezen en den Muntslag, door het Vertegenwoordigend Lichaam vastgesteld.

 CXXXI. Het heeft mede toezigt op het bestuur en de inkomsten der Posterijën.

 CXXXII. Indien het Uitvoerend Bewind nodig oordeelt, eenigen nieuwen Post, Ambt, of Bediening te vormen, zend het een voorstel daartoe aan het Vertegenwoordigend Lichaam.

 Art. CXXXIII. Het kan, ten allen tijde, aan het Vertegenwoordigend Lichaam een voorstel doen, en maatregelen voordragen tot heil van den Lande; doch het doet zulks, nimmer, in de form van eene Wet.

 CXXXIV. Hetzelve dient, aan beide de Kamers van het Vertegenwoordigend Lichaam, van consideratiën en advies, of ook van berigt, in alle gevallen, waarin zulks van hetzelve gevorderd word.

 CXXXV. Het geeft, tweemaalen in ieder Jaar, een schriftlijk algemeen verslag, van den staat der binnenlandsche en buitenlandsche Zaken, aan de beide Kamers van het Vertegenwoordigend Lichaam, in een geheim Committé daartoe vergaderd.

 CXXXVI. Het heeft de aanstelling van alle buitenlandsche Gezanten, Gezantschaps-Secretarissen, Consuls en andere Ministers, hoe ook genoemd, die, van wege dezer Republiek, bij andere Mogendheden resideeren, op de Tractementen en Defroijementen, door het Vertegenwoordigend Lichaam bepaald. Het kan dezelven terug roepen. Het geeft van derzelver aanstellingen en afstellingen aan het Vertegenwoordigend Lichaam kennis.

 CXXXVII. Alle diplomatieke verrigtingen zijn, bij uitsluiting, aan hetzelve opgedragen.

 CXXXVIII. Het verleent, in het openbaar of afzonderlijk, gehoor aan alle Gevolmagtigden van buitenlandsche Hoven.

 CXXXIX. Het ontvangt alle openingen tot onderhandeling met dezelven.

 CXL. Het zal de onderhandelingen over Vrede, het maaken van Tractaaten van Vriendschap of Koophandel, en het aangaan van Alliantiën met vreemde Mogendheden, voorbereiden, voordzetten en sluiten, mids onder de opvolgende ratificatie, en bekragtiging van het Vertegenwoordigend Lichaam.

 Art. CXLI. Het zal, echter, met eene vreemde Mogendheid, eenige geheime Articulen van verdrag mogen vaststellen, mids dezelven niet strijdig zijn met de bekende Articulen, of met plaatsgrijpende Tractaaten, noch ook strekken tot afstand van eenig Grondgebied der Republiek.

 CXLII. Ten aanzien van het aangaan van Oorlog, zal Hetzelve mogen treden in onderhandelingen, doch geen Besluit nemen; zijnde in dat geval verpligt tot het doen van een met redenen bekleed Voorstel aan het Vertegenwoordigend Lichaam.

 CXLIII. In geval van gedreigde of daadlijke vijandlijkheden, geeft Hetzelve daarvan ten spoedigsten kennis aan het Vertegenwoordigend Lichaam. Intusschen, kan Hetzelve voorlopige bedingen tot onzijdigheid van eenige Plaatsen, of wel van de geheele Republiek, gelijk ook overëenkomsten tot stilstand van waapenen aangaan, teekenen, of doen teekenen: alles onder nadere goedkeuring van het Vertegenwoordigend Lichaam.

 CXLIV. Hetzelve teekent, of doet teekenen, in naam der Bataafsche Republiek, alle Tractaaten of Overëenkomsten met andere Mogendheden, die door het Vertegenwoordigend Lichaam zijn geratificeerd.

 CXLV. De wijze van vrijwaaring en regtspleeging, omtrend de Leden van het Uitvoerend Bewind, is dezelfde, als die, welke, bij Tit. III. Afd. IV., omtrend de Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam, is bepaald.

 CXLVI. Een afgetreden Lid van het Uitvoerend Bewind blijft, gedurende twee Jaaren, na deszelfs aftreding, verandwoordlijk wegens zijne handelingen, in die betrekking verrigt; en mag, geduurende dien tijd, het grondgebied der Republiek niet verlaten, dan op last, of met bewilliging van het Vertegenwoordigend Lichaam.

Titul V. Van de Departementaale en Gemeente-Bestuuren.[bewerken]

Eerste Afdeeling. Algemeene Bepaalingen.[bewerken]

 Art. CXLVII. De Departementaale en Gemeente-Bestuuren zijn Administrative Lichaamen, ondergeschikt en verändwoordlijk aan het Uitvoerend Bewind.
 In geval van pligt-verzuim, kunnen derzelver Leden door het Uitvoerend Bewind van hunne Posten ontzet worden, mids in acht nemende het bepaalde bij Titul IV, Art. CVII.

 CXLVIII. Zij zijn gehouden, ieder in zijne betrekking, alle de wetten en bevelen van het Uitvoerend Bewind, hun toegezonden, zonder verwijl te doen afkondigen, en stiptlijk natekomen of te doen nakomen.

 CXLIX. Zij vermogen, in geen geval, de uitvoering dier wetten en bevelen, zoo min als der Decreeten van Geregtshoven in hun Departement, te vertraagen of te schorssen, noch ook aan hunne Ingezetenen iet, met dezelven strijdig, te gebieden.

 CL. Zij kunnen, echter, aan het Uitvoerend Bewind, en door hetzelve aan het Vertegenwoordigend Lichaam, Vertoogen inzenden, hetzij tot voordragt van bezwaar, of tot voorstel van nuttige inrigtingen, elk voor zijn bijzonder Departement of Gemeente.

 CLI. Zij mogen met elkanderen in onderhandeling zijn over zaken, die aan hun opzigt zijn toevertrouwd; maar nimmer over de algemeene belangen der Republiek.

 Art. CLII. Elk derzelven doet de gehouden Registers van deszelfs handelingen, iedere zes maanden, veertien dagen lang, op eene vertrouwde plaats, openlijk, ter lezing der Ingezetenen voorleggen.

 CLIII. Geen Lid van een Departementaal of Gemeente-Bestuur woont deszelfs raadpleeging bij over zaken, hem zelven of iemand zijner Nabestaanden, tot in den derden graad, betreffende.

 CLIV. Hij mag geen belang hebben in eenige Pagt, of Collecte van 's Lands belastingen, of in Leverantien, of in Aannemingen, ten behoeve der Republiek, of van derzelver Gedeelten. Hij mag niet kopen eenige Ordonnantiën, Actiën of Credieten, ten haaren laste.

 CLV. Het Uitvoerend Bewind benoemt, bij ieder Departementaal Bestuur, éénen Commissaris, en ten hoogsten drie voor de gezamenlijke Gemeente-Bestuuren, in elk Departement, om toetezien en te zorgen, dat de Wetten behoorlijk worden uitgevoerd.

Tweede Afdeeling. Van de Departementaale Bestuuren.[bewerken]

 Art. CLVI. Ieder Departement heeft zijn eigen Bestuur, bestaande uit zeven Leden. Dezen moeten zijn Stembevoegde Burgers, ten vollen vijf-en-twintig Jaaren oud, en, zederd de laatste zes Jaaren, Inwooners van het Departement, waarin zij gekozen zijn.

 CLVII. Tot dit Bestuur, echter, worden niet gekozen Burgers, die aan eenigen Kerklijken Eerdienst verbonden, of aan eenig openbaar onderwijs zijn toegewijd; ten zij dezelven, alvoorens, vrijwillig afstand doen van deze hunne Bedieningen.

 Art. CLVIII. Uit elk der zeven Ringen, waarin (volgends Titul I. Art. V.) een Departement verdeeld is, word één Lid tot dat Bestuur gekozen. Voor de eerste maal, kiezen de zeven Ringen allen te gelijk, ieder, één Lid.

 CLIX. Van de zeven Leden, treden telkens, de twee eerste Jaaren, twee, en, het derde Jaar, de drie overigen af. Voor de eerste maal beslist het lot, één Maand na derzelver eerste zitting, welke Leden het eerste, tweede en derde Jaar zullen aftreden. Vervolgends, geschied dit naar ouderdom van dienst.

 CLX. Het aftredend Lid is andermaal verkiesbaar, doch voor de derde maal niet, dan na een tusschen-tijd van drie Jaaren.

 CLXI. Ieder Jaar, worden de nieuwe Leden gekozen door die Ringen, aan wien zulks, naar de orde van aftreding, toekomt.

 CLXII. Tot dat einde, komen de Grond-Vergaderingen in zoodanigen Ring bijéén, op den laatsten Dingsdag in Junij van ieder Jaar.

 CLXIII. Elke Grond-Vergadering benoemt, alsdan, één Persoon tot Lid van het Departementaal Bestuur, benevens eenen Kiezer en deszelfs Plaatsvervanger.

 De wijze is dezelfde, als bij Tit. II, Reglement, Letter A, bepaald is omtrend de Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam.

 CLXIV. Op den tweeden dag daarna, vergaderen alle de Kiezers ter Rings-Vergadering, in de daartoe bestemde Hoofdplaats, tot het verkiezen van één Lid tot het Departementaal Bestuur voor hunnen Ring.

 De wijze is dezelfde, als bij Tit. II., Reglement, Letter A., bepaald word.

 Art. CLXV. Na de gedaane keus word, mede op de wijze, aldaar bepaald, een Geloofsbrief aan den gekozenen, en van het gebeurde aan het Uitvoerend Bewind en Departementaal Bestuur berigt gezonden.

 CLXVI. De gekozene zend, binnen agt Dagen, zijnen Geloofs-Brief aan het Departementaal Bestuur ter bekragtiging.

 CLXVII. Zo Hetzelve dien afkeurt, of den gekozenen, om aangevoerde redenen, zijn ontslag verleent, geeft het daarvan ten spoedigsten kennis aan het Uitvoerend Bewind; hetgeen alsdan een ander Lid, de vereischten van Art. CLVI. hebbende, in zijne plaats doet benoemen.

 CLXVIII. De Geloofsbrief bekragtigd zijnde, word het gekozen Lid door het Departementaal Bestuur opgeroepen, en neemt, binnen veertien Dagen daarna zitting, met aflegging der gewoone Verklaaring.

 CLXIX. Alle tusschentijds openvallende Plaatsen worden, volgends de vooräf bepaalde wijze, vervuld.

 CLXX. De Departementaale Bestuuren zorgen, dat alle Wetten en Bevelen, hun door het Uitvoerend Bewind toegezonden, spoedig bekend gemaakt, aangeplakt, en, ter verdere afkondiging en aanplakking, alomme, waar zulks behoort, verzonden worden.

 CLXXI. Zij ontvangen van de Ingezetenen, alsmede door de verschillende Gemeente-Bestuuren, zoodanige individueele Addressen, als dezelven hun ter verdere bezorging toezenden, en verzenden die ten spoedigsten aan het Uitvoerend Bewind, om daarop te disponeeren, of, zo die aan het Vertegenwoordigend Lichaam gerigt zijn, dezelven aan de eerste Kamer te doen toekomen.

 Art. CLXXII. Op gelijke wijze, ontvangen zij van het Uitvoerend Bewind de gemelde Addressen, met het daarop gevallen besluit, terug, en verzenden die, zonder uitstel, aan het Gemeente-Bestuur, welk hun die had toegezonden, of doen dezelven, kosteloos, uitleveren aan hun, dieze, als Onderteekenaars, terug vorderen.

 CLXXIII. Zij zien toe, dat de goede orde en policie in hun Departement alomme bewaard blijven.

 CLXXIV. Zij beschikken, des nodig, op hunne verandwoordlijkheid, en met daadlijke kennisgeving aan het Uitvoerend Bewind, over de naastbijgelegen Garnisoenen of Troepen van den Staat, tot bewaaring of herstelling der openbaare veiligheid.

 CLXXV. De Huislijke Departementaale Kosten, voor ieder Departement, worden, jaarlijks, door het Vertegenwoordigend Lichaam bepaald.

 CLXXVI. Ten dien einde, zend elk Departementaal Bestuur, jaarlijks, met den aanvang der Maand September, aan het Uitvoerend Bewind eene specifieke begrooting der kosten voor het volgend Jaar.

 CLXXVII. Bij deze begrooting voegt Hetzelve eene specifieke verändwoording der sommen, in het afgelopen Jaar aan het Departement toegestaan, en alzoo besteed. Het baatig Slot strekt in mindering der nieuwe begrooting.

 CLXXVIII. In onvoorziene gevallen, kan een Departementaal Bestuur eene buitengewoone begrooting inzenden. Het Uitvoerend Bewind doet dezelve, alsdan, zonder uitstel, aan het Vertegenwoordigend Lichaam ter beoordeeling toekomen.

 Art. CLXXIX. De Departementaale Bestuuren zien toe, ieder in zijn Departement, dat de invordering der Nationaale Belastingen rigtig en zonder knevelarij geschiede, en dat de overmaaking der ontvangen gelden niet vertraagd worde. Van allen misbruik, of verzuim in dezen, geven zij aan het Uitvoerend Bewind kennis.

 CLXXX. Zij ontvangen van de Gemeente-Bestuuren, in hun Departement, Memoriën van derzelver Ontvang en Uitgave, voor reekening der Republiek, en verzenden die, met hunne bedenkingen, des nodig, aan het Uitvoerend Bewind.

 CLXXXI. Zij vernietigen, na ingekomen berigt der Gemeente-Bestuuren, of andere ondergeschikte Collegiën, in hun Departement, alle zoodanige besluiten van dezelven, als strijdig met de Staatsregeling of met de Wetten genomen zijn, met onverwijlde kennisgeving aan het Uitvoerend Bewind.

 CLXXXII. Zij schorssen de Leden van een Gemeente-Bestuur in de waarneming van hunnen post, wanneer dezelven, daarin volhardende, de openbaare veiligheid in gevaar zouden brengen, en geven van zoodanige schorsing aan het Uitvoerend Bewind onverwijld kennis.

 CLXXXIII. Zij nemen kennis van zoodanige geschillen, als tusschen onderscheiden Gemeente-Bestuuren, of andere ondergeschikte Collegiën, in hun Departement mogten ontstaan, en vereffenen dezelven, na verhoor van beklaagden, onverminderd ieders regt, om zijne grieven en bezwaaren te brengen bij het Vertegenwoordigend Lichaam, bij het Uitvoerend Bewind, of voor het Geregtshof, daaromtrent bevoegd, naar gelang der zake.

 CLXXXIV. Het Uitvoerend Bewind roept, in geenerlei geval, de Leden van eenig Departementaal Bestuur, ter verandwoording, persoonlijk, vóór zig.

 Art. CLXXXV. De Leden worden, in geval van misdrijf, door het Uitvoerend Bewind, bij uitspraak van het Vertegenwoordigend Lichaam, te regt gesteld voor een Hoog Nationaal Geregtshof.

 CLXXXVI. Zij genieten een Dag-geld van zeven Guldens ieder, zonder boven dien iet meer, dan zuiver verschot, in reekening te mogen brengen. Ieder Lid, in Commissie zijnde, kan zijne reiskosten en verteeringen als verschot bereekenen, mids niet hooger, dan tot zeven Guldens daags.

 CLXXXVII. Bij het aanvaarden hunner posten, leggen zij, gelijk mede hunne Secretarissen en verdere Bedienden, de gevorderde Verklaaring af, en onderteekenen dezelve.

 CLXXXVIII. De Kiezers-Vergadering van iederen Ring benoemt, jaarlijks, op eenen dag, door de Wet bepaald, eenen Opnemer der Reekeningen van het Departementaal Bestuur. De zeven alzoo benoemde Opnemers vergaderen, mede op eenen tijd, bij de Wet vastgesteld, in de Departementaale Stad, om te hooren en te sluiten de Reekeningen van het afgelopen Jaar, of hunne bedenkingen daarop voortedragen. Zij doen het verslag van dit hun verrigtte drukken, en zenden hetzelve, nevens de reekeningen, aan het Uitvoerend Bewind, hetgeen beslissende uitspraak doet.
 Zij blijven, jaarlijks, niet langer dan veertien Dagen, tot het opnemen der reekeningen, vergaderd.

 CLXXXIX. De Departementaale Bestuuren worden georganiseerd door den tijdlijken Voorzitter.

Derde Afdeeling. Van de Gemeente-Bestuuren.[bewerken]

 Art. CXC. Over elke Gemeente is een Gemeente-Bestuur.

 CXCI. Het getal en de jaarwedden der Leden, de tijd en wijze hunner Verkiezing door de stembevoegde Burgers, tot iedere Gemeente behoorende, en de tijd der zitting-neming, zoo van allen voor de eerste maal, als ten aanzien der nieuwe Leden jaarlijks, word door het Vertegenwoordigend Lichaam, bij een Reglement, op voordragt van het Uitvoerend Bewind, bepaald.

 CXCII. Jaarlijks treed een derde gedeelte af van ieder Gemeente-Bestuur, of een getal van Leden, dat het naast daarbij komt. De orde van aftreding word, voor de eerste maal, door het lot bepaald, en geschied verder naar ouderdom van dienst.
Een aftredend Lid is weder verkiesbaar, doch voor de derde maal niet, dan na een tijdsverloop van drie Jaaren.

 CXCIII. De Leden van een Gemeente-Bestuur moeten zijn stembevoegd, ten volle vijf-en-twintig Jaaren oud, en, ten minste zederd de laatste vijf Jaaren, gewoond hebbende in die Gemeente, tot welker Bestuur zij geroepen zijn.

 CXCIV. Geen Gemeente-Bestuur mag eenige nieuwe plaatslijke Belasting vaststellen, dan na alvoorens daaromtrend te hebben gehandeld, en te zijn overeengekomen met gevolmagtigden uit de Stembevoegde Burgeren binnen deszelfs Gemeente, tot dat einde, op de wijze, bij het Reglement voorgeschreven, door dezelven benoemd, en onder opvolgende goedkeuring van het Vertegenwoordigend Lichaam.

 Art. CXCV. Ieder Gemeente-Bestuur maakt deszelfs jaarlijksche reekeningen van den plaatslijken Ontvang en Uitgave openbaar, op de wijze, bij het Reglement bepaald.

 CXCVI. Het zend, jaarlijks, met den aanvang der Maand Augustus, aan dat Departementaal Bestuur, waaronder deszelfs Gemeente behoort, specifieke Memorien van Ontvang en Uitgave voor Nationaale Reekening.

 CXCVII. Het ontvangt alle zoodanige individueele Addressen, als deszelfs Ingezetenen, door hun Gemeente-Bestuur, aan het Departementaal Bestuur, aan het Uitvoerend Bewind, of het Vertegenwoordigend Lichaam, mogten willen inzenden. Het verzend dezelven ten spoedigsten aan het Departementaal Bestuur, ter verdere verzending, of om daarop te besluiten, en ontvangt die van daar terug, met het daarop gevallen besluit, waarna het dezelven, op aanvrage der Teekenaars, kosteloos, doet uitleveren.

 CXCVIII. De Leden van eenig Gemeente-Bestuur kunnen, nimmer, voor een Departementaal-Bestuur, persoonlijk, ter verändwoording geroepen, noch van hunne Posten ontzet worden.

 CXCIX. Zij worden, in geval van eenig door hun begaan misdrijf, te regt gesteld voor het Crimineel Departementaal Geregtshof, waartoe derzelver Gemeente behoort.

Titul VI. Van de Financiën.[bewerken]

Eerste Afdeeling. Algemeene Bepaalingen omtrend het Financie-wezen der Republiek.[bewerken]

 Art. CC. Alle Geldmiddelen van de Republiek, hetzij dezelven bestaan in belastingen, hetzij in bezittingen, hoe ook genoemd, waarvan de inkomsten, vóór de invoering der Staatsregeling, gekomen zijn ten voordeele van de Kas der Generaliteit, midsgaders van de Kassen der onderscheiden Provinciën van de drie Kwartieren van Gelderland, van het Landschap Drenthe, en van het Bataafsch Braband, worden verklaard, en van nu voordaan gehouden, voor nationaale inkomsten en bezittingen van het geheele Bataafsche Volk.

 CCI. De Schulden en Verbindtenissen, vóór de invoering der Staatsregeling gemaakt, en aangegaan niet alleen door of van wege der Generaliteit, maar ook van wege der onderscheiden Provinciën, de drie Kwartieren van Gelderland, het Landschap Drenthe en Bataafsch Braband, worden verklaard en gehouden voor nationaale schulden en verbindtenissen van het geheele Bataafsche Volk.

 CCII. Alle daarvan afgegeven Rente-Brieven, Obligatiën, Recepissen, of andere Acten van verbindtenis, zullen tegen nationaale Schuldbrieven verwisseld, en op eenen eenparigen voet gebragt worden.
 Het Vertegenwoordigend Lichaam bepaalt, ten spoedigsten, den tijd en de wijze dezer verwisseling; zoodanig echter, dat dezelve binnen drie Maanden na de eerste zitting van het Vertegenwoordigend Lichaam, zal aangevangen, en voleindigd moeten zijn vóór het einde van het derde Jaar, na de aanneming der Staatsregeling.

 Art. CCIII. Er zal geene vermindering plaats hebben, noch van de Hoofdsom der Schuldbrieven zelven, noch der Interessen en jaarlijksche Renten.
 Dezelven zullen, nimmer, met eenige belastingen worden bezwaard, dan alleen met zoodanigen, welke, bij de invoering der Staatsregeling, daadlijk plaats zullen hebben.

 CCIV. Bij de Obligatiën zullen worden afgegeven jaarlijksche Coupons, die in alle betaalingen aan den Lande aangenomen, óf, ter keuze der Houders, bij de Nationaale Tresorie worden voldaan.

 CCV. De Renten en Interessen van de voorgemelde Nationaale Schuld, jaarlijks te betaalen, worden gevonden uit zoodanige algemeene belastingen, als, overeenkomstig zekere hierna te melden bepaalingen, door het Vertegenwoordigend Lichaam, jaarlijks, zullen worden vastgesteld.

 CCVI. Insgelijks, worden door het Vertegenwoordigend Lichaam bepaald zekere afzonderlijke Fondsen, tot het formeeren eener Kas van vermindering of aflossing der nationaale Schuld, welke fondsen alleen tot het voorsz. einde zullen worden geäffecteerd.
Bij dezelve worden, t'elken jaare, ten zelfden einde, gevoegd de penningen, voordkomende uit de vermindering der interessen, zoo door vernietiging van Effecten, als versterving van Lijfrenten, afloop der Dertigjaarige en andere tijdlijke Renten, waarvan, jaarlijks, bij gedrukte Reekening, aan de Natie zal moeten blijken; terwijl de vernietigde Effecten openlijk zullen verbrand worden.

 CCVII. Deze, alzoo ter betaaling der Interessen en Aflossingen bestemde, Fondsen zullen worden gebragt onder een afzonderlijk bestuur, afgescheiden van alle andere betaalingen. Dit Bestuur is voor de getrouwe waarneming dezer wet verandwoordlijk.

 Art. CCVIII. Het Vertegenwoordigend Lichaam beslist, jaarlijks, na ontvang der vereischte openingen van het Uitvoerend Bewind, en van de Commissarissen der Nationaale Reekening, bij het vaststellen der algemeene begrooting van Staats-Uitgaven, of de algemeene belastingen op denzelfden voet behooren te blijven, dan wel vermeerderd, of verminderd, te worden. Het voorstel hiertoe word in de eerste Kamer in overweging gebragt, uiterlijk ééne Maand, nadat die begrooting zal bekragtigd zijn.
 Geene Wet, waarbij eene nieuwe belasting word ingevoerd, heeft langer kragt, dan één Jaar, indien zij niet uitdruklijk vernieuwd word.

 CCIX. Indien de omstandigheden der Republiek eenige buitengewoone uitgaven noodzakelijk maaken, vind het Vertegenwoordigend Lichaam die, bij voorkeur, zoo veel mooglijk, uit eene buitengewoone heffing, en wel als don gratuit, bij wijze van Quotisatie over de relative inkomsten en verteeringen van alle de Ingezetenen der Bataafsche Republiek.
 Dan, wanneer Hetzelve oordeelt, te moeten overgaan tot het zoeken van Penningen, bij wijze van vrijwillige Negotiatie, bepaalt Het den kortstmooglijken termijn van aflossing, en eene behoorlijke geëvenredigde belasting, voldoende tot het bekomen der noodige fondsen, zoo tot betaaling der jaarlijksche aflossingen, als interessen.
 Deze belasting zal niet verder mogen geheven worden, dan toereikende tot de jaarlijksche aflossingen en interessen, noch worden verlengd, nadat dezelve Negotiatie zal zijn afgelost; alles onder de bepaalingen, bij Art. CCV. vermeld.

 CCX. Het Uitvoerend Bewind levert, binnen één Jaar na de eerste Zitting van het Vertegenwoordigend Lichaam, aan Hetzelve een nieuw stelsel van algemeene belastingen, zoo ter goedmaakinge der Staatsbehoeften, als in 't bijzonder tot het betaalen der jaarlijksche interessen en aflossingen voor de geheele Republiek.
 Hetzelve word zoodanig ingerigt, dat alle de belastingen, en ieder derzelven, zoo veel mooglijk, geëvenredigd zijn aan het betreklijk vermogen der Ingezetenen, en opgemaakt uit de vergelijking van derzelver bezittingen, inkomsten, en bekende verteeringen, met inachtneming der volgende grondbeginselen:

a. De belastingen op de Onroerende Goederen, in de geheele Republiek, op eenen evenredigen voet, naar derzelver betreklijke waarde gebragt, met vernieuwing en aanvulling der oude Quohieren, blijven bestaan.
b. Omtrend alle belastingen, zoo gewoone als buitengewoone, hetzij die gelegd worden op bezittingen, of op inkomsten en bekende verteeringen, word zoo veel mooglijk gezorgd, aan den eenen kant, dat ieder zig, opregt en ter goeder trouwe, van zijnen pligt kwijte, en, aan de andere zijde, dat noodelose openbaarmaakingen van iemands bezittingen en inkomsten worden vóórgekomen.
c. Dat alle belastingen op het consumtive, indien en zoo verr' die plaats zullen hebben, alzoo worden ingerigt, dat dezelve geheven worden van dat gedeelte van elks verteering, hetgeen hij, na genot van het volstrekt noodige, uit zijne inkomsten verkiest te bekostigen.
d. 'Er kan geenerlei belasting gelegd worden op levensmiddelen van de eerste noodzakelijkheid.

 Het Vertegenwoordigend Lichaam ontheft zoodanige middelen, die daarmede bezwaard zijn, van dien last, zodra Hetzelve bevind, dat de opbreng van andere belastingen zulks toelaat.

e. 'Er kan geen Hoofdgeld, ieder Ingezeten, zonder onderscheid van vermogen, drukkende, worden ingevoerd.

 Met het einde van het eerste Jaar, na de aanneming der Staatsregeling, zal hetzelve ophouden, overal, waar zulks nog op die wijze geheven word.

f. 'Er zal, over de geheele Republiek, worden ingevoerd eene algemeene en billijk geregelde belasting van het Collateraal op de Saldo's der Boedels, als mede op het Nationaal Klein Zegel.

 Voor beide die belastingen, maakt het Vertegenwoordigend Lichaam, ten spoedigsten, eene nieuwe Ordonnantie.

g. De afzonderlijke administratie over de Middelen te Water, of inkomende en uitgaande Regten, zal daadlijk ophouden, en begrepen worden onder het algemeen zamenstel van Financie.

 Art. CCXI. Naar maate het Nieuw Stelsel van algemeene Belastingen, volgens Art. CCX., in werking gebragt en genoegzaam word bevonden, schaft het Vertegenwoordigend Lichaam de voorige belastingen af.
 Het Nieuwe Stelsel zal, uiterlijk binnen twee Jaaren na de aanneming der Staatsregeling, alomme ingevoerd en in werking moeten zijn, als wanneer het Vertegenwoordigend Lichaam alle voorige belastingen, tot hiertoe geheven, zoo verre dezelven, in gevolge der hiervoor gemaakte bepaalingen, niet gecontinueerd zijn, zal doen ophouden.

 CCXII. De Uitgaven zullen, in tijd van Vrede, zoo veel mooglijk verminderd, en zoodanig worden geregeld, dat zij de bekende en vastgestelde inkomsten niet moeten overtreffen.
 In gewoone tijden, zal het overschot, of wel eene jaarlijksche som, door het Vertegenwoordigend Lichaam te bepaalen, worden overgebragt in eene afzonderlijke Kas van Reserve, ten einde te kunnen voorzien in de behoeften van den Staat, bij opkomende Oorlogen, of andere nationaale rampspoeden.

 CCXIII. Het Vertegenwoordigend Lichaam maakt, ten spoedigsten, op voordragt van het Uitvoerend Bewind, een Reglement, waardoor, aan den eenen kant, de rigtige betaaling van alle gemeene middelen, hoe ook genoemd, bewaakt, en, aan de andere zijde, gezorgd word, dat op dit stuk aan eenen ieder, zonder knevelarij, kort en onvertogen regt geschiede.

Tweede Afdeeling. Van de Begrootingen der Staats-Uitgaven.[bewerken]

 Art. CCXIV. In den aanvang der Maand October van ieder Jaar, zend het Uitvoerend Bewind, aan het Vertegenwoordigend Lichaam, eene algemeene begrooting van alle zoodanige Sommen, als hetzelve oordeelt, dat, voor het volgend jaar, ten dienste der Republiek zullen vereischt worden, met bijvoeging der bijzondere begrootingen van de Departementaale Bestuuren, daartoe betreklijk, en van zijde consideratiën, zo nodig, op dezelven.

 CCXV. Deze algemeene jaarlijksche begrooting houd in de afzonderlijke Soms-bepaaling van elken bijzonderen post, is gemotiveerd, en geeft tevens bedenkingen op, aangaande de geschikste middelen, om het benodigde voor een volgend jaar, door gewoone of buitengewoone belastingen, te vinden.

 CCXVI. 'Er zal, op die begrooting, een bijzondere Post gesteld worden voor onvoorziene Uitgaven, of ongespecificeerde zaken.

 CCXVII. Op dezelve word, echter, niet gebragt zoodanige Som, als het Vertegenwoordigend Lichaam, jaarlijks, tot geheime uitgaven aan het Uitvoerend Bewind zal toestaan, noch ook zoodanige Som, als het Vertegenwoordigend Lichaam zal besluiten, te doen overbrengen in de Kas van Reserve, bij Art. CCXII. bepaald.

 CCXVIII. Het Vertegenwoordigend Lichaam raadpleegt, en besluit, over de jaarlijksche algemeene begrooting van Staats-Uitgaven.

 De wijze word bij het Reglement, Letter D., eerste afdeeling, bepaald.

 Art. CCXIX. Het Uitvoerend Bewind verandwoord jaarlijks, vóór het einde van Julij, aan het Vertegenwoordigend Lichaam, de Sommen, door hetzelve, geduurende het voorig jaar, uit de Nationaale Kas ontvangen en uitgegeven.
 Alle de Leden van voorn. Bewind verklaaren bij deze gelegenheid, plegtig, op hunne gedaane belofte bij het aanvaarden van hunnen Post, dat zij van de Penningen, tot geheime Uitgaven hun toegestaan, geen ander gebruik hebben gemaakt, dan ten dienste der Republiek.
Deze schriftlijke, door alle de Leden geteekende, Verklaaring word aan de beide Kamers van het Vertegenwoordigend Lichaam gezonden.
 Deze Reekening word jaarlijks gedrukt en publiek gemaakt.
 In tijd van Oorlog, met eenige Europeesche Mogendheid, word deze openbaarmaking uitgesteld tot zes Maanden na den Vrede.

Derde Afdeeling. Van de Commissarissen der Nationaale Tresorie.[bewerken]

 Art. CCXX. Het bestuur over den ontvang der Nationaale inkomsten, en de beheering der betaalingen, word toevertrouwd aan vijf Commissarissen der Nationaale Tresorie, allen aan en af te stellen door het Uitvoerend Bewind.

 CCXXI. Derzelver Jaarwedden zijn, voor ieder hunner, vier-duisend Guldens.

 CCXXII. Deze Commissarissen ontvangen, bij hunne aanstelling, elk eene Instructie, inhoudende een duidlijke aanwijzing van derzelver onderscheiden werkzaamheden, voorgedragen door het Uitvoerend Bewind, en goedgekeurd door het Vertegenwoordigend Lichaam.
 Dit Lichaam bepaalt den Borgtogt, door elk hunner bij de aanvaarding van zijnen post te stellen, en jaarlijks te vernieuwen.

 Art. CCXXIII. Hunne werkzaamheden zijn:

a. De algemeene ontvang der Nationaale Geldmiddelen.
b. Het doen overstorten van Penningen uit de bijzondere Kassen der Ontvangers, hetzij uit de eene in de andere, of in de algemeene Kas.
c. Het betaalen der Ordonnantiën, op hen afgegeven door het Uitvoerend Bewind of de Departementaale Administratiën.
d. Het houden van de noodige correspondentiën met de Ontvangers en andere Comptabelen.
e. Het houden der Nationaale Registers van alle inkomsten en uitgaven, en der Contraboeken over de ontvangsten en uitgaven der Ontvangers.
f. Het doen toekomen, van drie tot drie Maanden, aan de Commissarissen der Nationaale Reekening, van de Algemeene Reekening van ontvang en uitgave der Nationaale Kas, gesterkt met de, daartoe behoorende, bijzondere reekeningen en bewijsstukken, ten fine van bekragtiging; alsmede van alle Ordonnantiën van betaalingen, door het Uitvoerend Bewind of Departementaale Bestuuren op hen afgegeven.
g. Commissarissen ontvangen en beheeren mede de inkomsten, bij Art. CCVI. afzonderlijk bestemd, tot de betaaling der Interessen en Aflossingen der Nationaale Schuld.

 Zij houden daarvan afzonderlijke Boeken, en zorgen, dat, de Fondsen bij den eenen Nationaalen Ontvanger niet toereikende zijnde voor de in betaaling ontvangen Coupons, dezelven uit die der andere Ontvangers worden overgestort, zoodanig, dat dezelven, op geenerlei wijze, met de andere ontvangsten en uitgaven vermengd worden.
 Zij stellen, in handen van Commissarissen der Nationaale Reekening, de ingetrokken en geroijeerde Coupons, als mede de ingetrokken Schuldbrieven, ten einde, ingevolge Art. CCVI., te worden verbrand.

 Art. CCXXIV. Zij nemen stiptlijk, en op hunne verandwoordlijkheid, zoo gezamenlijk, als ieder in het bijzonder, in acht de volgende bepaalingen:

 a. Dat zij nimmer betaalen zoodanige Ordonnantiën, als door eenig Departement van Bestuur op hen mogten worden afgegeven, te boven gaande zoodanige Sommen, als door het Vertegenwoordigend Lichaam, op de begrooting der Staats-Uitgaven, of bij eene bijzondere Wet, daarvoor uitdrukkelijk zijn ingewilligd.
 b. Dat zij nimmer voldoen eenige Ordonnantiën, waarbij niet het volgende in acht is genomen:

 a. Een specifieke opgave, aan wien, benevens de post, tot welken, de uitgave behoort, of het einde, waartoe zij bestemd is, benevens de Dagteekening der Wet, die deze uitgave wettigt.
 b. De teekening van het Uitvoerend Bewind, van den Agent, of van het Departementaal Bestuur, dat de te doene betaaling vordert.
 c. De Contrasignature van Commissarissen der Nationaale Reekening, ten blijke, dat de betaaling geschied volgends de Wet, en bij dezelven accoord is bevonden.

 Art. CCXXV. Zij geven aan het Vertegenwoordigend Lichaam opening van den staat der Nationaale Kas.
Elke Kamer zend, zulks nodig oordeelende, drie haarer Leden bij de Commissarissen der Financie, om zig de Nationaale Reekenboeken te doen voorleggen, ten einde aan de Kamer daarvan verslag te geven.
 Deze zending kan, echter, niet langer zijn, dan voor drie Dagen, en, geduurende dat Jaar, aan dezelfde Leden, niet andermaal, worden opgedragen.
 Zoodanige Afgevaardigden uit het Vertegenwoordigend Lichaam geven geenerlei hevelen aan de Commissarissen van Financie, noch oefenen eenige daaden van gezag omtrend hen uit.
 Commissarissen geven, ten allen tijde, zoodanige berigten en elucidatiën, als door het Vertegenwoordigend Lichaam, en Uitvoerend Bewind, van hun worden gevraagd, en doen mede, Maandelijks, aan het Uitvoerend Bewind toekomen den staat van ontvang en uitgave der Nationaale Kas.

Vierde Afdeeling. Van de Commissarissen der Nationaale Reekening.[bewerken]

 Art. CCXXVI. Het getal dezer Commissarissen word bepaald op zeven, en éénen Secretaris, aantestellen en aftezetten door het Vertegenwoordigend Lichaam, en aan geene Uitvoerende Magt verbonden, noch verandwoordlijk.

 CCXXVII. Zij ontvangen, bij hunne aanstelling, van het Vertegenwoordigend Lichaam, eene Instructie, inhoudende eene aanwijzing van derzelver onderscheiden werkzaamheden, onder de behoorlijke verandwoordlijkheid aan Hetzelve.

 Art. CCXXVIII. Tot derzelver werkzaamheden behoort:
 a. Het houden van algemeene boeken, zoo van alle 's Lands Inkomsten, uit de Maandstaaten en Boeken der Ontvangers en andere Comptabelen, als van alle de Uitgaven, waarvan de Ordonnantiën door hen moeten worden geregistreerd, en geäpprobeerd.
 b. Het nagaan en sluiten van alle de reekeningen, zoo der Nationaale Tresorie, als der Nationaale Ontvangers en financiëele Ambtenaaren en Comptabelen, en het onderzoeken van alle bescheiden, daartoe betreklijk.
 c. Het onderzoeken en liquideeren van alle Declaratiën, welke ten laste der Republiek worden ingezonden.
 d. De zorg, dat, omtrend dezelven, de vastgestelde orders en wetten stiptelijk worden nagekomen, en, door geen Departement van Uitvoerend Bestuur, meerdere Ordonnantiën worden afgegeven, dan de sommen bedragen, aan elk derzelven, bij de Wet en bij goedgekeurde Begrootingen, toegestaan, als mede, dat de form, bij Art. CCXXIV. bepaald, behoorlijk worde in acht genomen.

 Het een of ander vereischte aan eenige Ordonnantie ontbrekende, zenden Commissarissen der Nationaale Reekening dezelve, onverwijld, aan het Departement, van waar dezelve komt, te rug.
 Zij, die niet berusten in de loquaturs of roijementen dezer Commissarissen, vervoegen zig bij het Vertegenwoordigend Lichaam.

 e. Het kennis geven aan het Vertegenwoordigend Lichaam van alle misslagen, wangedragingen, en andere verandwoording vorderende omstandigheden, welke ter hunner kennisse komen.
 f. Het voordragen van nuttige financiëele verbeteringen of bezuinigingen aan het Vertegenwoordigend Lichaam, en het geven, op Deszelfs vordering, van nodige berigten of consideratiën, ten aanzien van alle onderwerpen, tot hunnen post betreklijk.

 Art. CCXXIX. Zij kunnen, echter, ten aanzien van Art. CCXXVIII. Lett. b en c, zoodanige uitzondering maaken, als zij, uit hoofde der kleene aangelegenheid van de Reekeningen der Comptabelen, of uit hoofde van het gering beloop der Declaratiën, zullen nodig oordeelen.

 CCXXX. De aard en sommen der door hen gesloten Reekeningen, en geliquideerde Declaratiën, worden, jaarlijks, door den druk gemeen gemaakt, benevens zoodanige aanmerkingen, aanklagten en voorstellen, als, zonder nadeel der Nationaale Belangen, kunnen worden bekend gemaakt.

Titul VII. Van de Buitenlandsche Bezittingen en Coloniën der Republiek, en van derzelver bestuur hier te Lande[bewerken]

 Art. CCXXXI. De betrekkingen der Buitenlandsche Bezittingen en Coloniën van de Bataafsche Republiek, in de beide Indiën, tot het Moederland, zullen op den thands nog plaats hebbende voet blijven, totdat de Vertegenwoordigende Vergadering, op voorstel van het Uitvoerend Bewind, daaromtrend zoodanige schikkingen zal hebben gemaakt, als zij ter bevordering van het algemeen belang oordeelen zal te behooren.

 CCXXXII. Het Bestuur over de Bezittingen in Asia, midsgaders over de Coloniën in Amerika, en de Bezittingen op de Kust van Guinea, zal worden opgedragen aan twee onderscheiden Raaden, welken, ieder geheel afzonderlijk, zullen werken. Het eene zal worden genoemd de Raad der Asiatische Bezittingen en Etablissementen; het andere de Raad der Amerikaansche Coloniën en Bezittingen.

 CCXXXIII. De Raad der Asiatische Bezittingen en Etablissementen zal uit negen, en die der Amerikaansche Coloniën en Bezittingen uit vijf Leden bestaan.

 CCXXXIV. Beide Raaden zullen verandwoordlijk en ondergeschikt zijn aan het Uitvoerend Bewind. De aanstelling en afstelling der Leden zal door hetzelve geschieden.

 CCXXXV. Ieder Lid van één der beide Raaden geniet eene Jaarwedde van vier-duisend Guldens.

 Art. CCXXXVI. De Vertegenwoordigende Vergadering zal, op voorstel van het Uitvoerend Bewind, voor de beide Raaden vaststellen eene uitgebreide Instructie, naar welke zij moeten handelen, en de Jaarwedden der Secretarissen, Ontvangers, en Fiskaals, bepaalen.

 CCXXXVII. Ieder der Raaden zal aanstellen eenen Secretaris, Ontvanger en Fiskaal, en wel onder eene bepaalde Instructie, vóór derzelver benoeming aan het Uitvoerend Bewind ter goedkeuringe voortedragen.

 CCXXXVIII. De Leden, Secretarissen, Ontvanger en Fiskaal, van beide Raaden, mogen aan elkanderen niet bestaan tot in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap.

 CCXXXIX. De Leden, Secretarissen, Ontvangers en Fiskaals, mogen, noch regtstreeks, noch van ter zijde, op eenigerhande wijze, in eenigen Koophandel betrokken, geene eigenaars van Plantagiën of Gronden in de Coloniën zijn, noch ook eenige andere Ambten of Bedieningen, hoe ook genoemd, waarnemen.

 CCXL. Het Uitvoerend Bewind zal, op voorstel van ieder der beide Raaden, in de verdediging der Coloniën voorzien, door de noodige Oorlogschepen en andere noodwendigheden derwaards te zenden, en een benoodigd getal Troepen aldaar te onderhouden. Het zorgt, insgelijks, voor de rust in de Bezittingen en Coloniën, en voor de verbetering van derzelver Koophandel en Landbouw.

 CCXLI. Het Uitvoerend Bewind zal, ieder jaar, na de specifieke opgave, die aan hetzelve door ieder der Raaden zal moeten gedaan worden, van de Vertegenwoordigende Vergadering de noodige gelden vragen, zoo wel voor het onderhoud der gezegde Bezittingen en Coloniën, als om in de Soldijen, Renten, Pensioenen en andere noodwendigheden, te voorzien.

 Art. CCXLII. Het Uitvoerend Bewind zal, alle Jaaren, na van ieder der Raaden reekening en verandwoording, met overlegging van alle stukken en bescheiden, daartoe behoorende, ontvangen te hebben, aan de Vertegenwoordigende Vergadering verslag doen van zoodanige sommen, als tot waarneming van de belangen der Buitenlandsche Bezittingen en Coloniën, geduurende het afgelopen Jaar, ontvangen en uitgegeven zijn, als mede van den staat der zaken aldaar.
 Bijaldien 'er een zuiver overschot, na aftrek van hetgeen voor het volgend Jaar noodig zal zijn, plaats heeft, zal hetzelve in de Nationaale Kas gestort worden.
 De Rapporten, Reekeningen en Begrootingen, in dit en het voorig Artikel gemeld, zullen door den druk worden bekend gemaakt.

 CCXLIII. Het Uitvoerend Bewind zal, op voordragt van ieder der Raaden, de aanstelling hebben der hooger Ambtenaars, in de Buitenlandsche Bezittingen en Coloniën, tot derzelver bestuur behoorende.

 CCXLIV. Ieder der Raaden zal zorgen, dat de Troepen, die zig in de Coloniën bevinden, wel behandeld, betaald, en gekleed worden, en voltallig blijven.

 CCXLV. Ieder der Raaden, en de bijzondere Leden van dien, zullen, in geval van misdrijf, in derzelver Bediening begaan, voor een Hoog Nationaal Geregtshof te regt gesteld worden.

 CCXLVI. De wijze, waarop de republikeinsche beginselen, in de Bezittingen en Coloniën der Republiek, geregeld zullen worden ingevoerd, word door de Wet bepaald.

Over de Asiatische Bezittingen en Etablissementen.

 Art. CCXLVII. De Bataafsche Republiek neemt tot zig alle de Bezittingen en Eigendommen der gewezen Oost-Indische Compagnie, benevens alle derzelver Schulden.
 De Octrooijen, voormaals aan die Compagnie verleend, worden vernietigd.

 CCXLVIII. De Geïnteresseerden bij en Houders van Actiën, in de gewezen Oost-Indische Compagnie, worden door de Natie, bij wijze van afkoop, schaadeloos gesteld.

 CCXLIX. De Bataafsche Republiek behoud, voor als nog, aan zig het vervoeren van allerlei Goederen naar de Oost-Indiën, die niet aan de handeldrijvende Ingezetenen zijn afgestaan, als mede den aanbreng der voordbrengselen van den grond aldaar herwaards, het aanvoeren van Thée, uit het Rijk van China, daaronder begrepen. De Raad, zulks uitvoerende, zal, bij voorraad, handelen volgends den inhoud van het laatste Octrooij, aan het Committé tot de zaken van den Oost-Indischen Handel en Bezittingen verleend, met zoodanige verdere bepaalingen, als bij deze Acte van Staatsregeling zijn uitgedrukt, tot zoo lang, dat, door het Uitvoerend Bewind, op voorstel van den Raad der Asiatische Bezittingen, aan het Vertegenwoordigend Lichaam, een nieuw Charter aangeboden, en door het laatste zal zijn bekragtigd.
 De Wet zal dit Artikel kunnen veränderen of vernietigen, naar maate het belang der Bataafsche Republiek zulks zal vorderen.

 CCL. De Wet zal de inwendige Staatsïnrigting, en de wijze van bediening der Policie en Justitie, in elk dezer Bezittingen en Etablissementen, regelen.

Over de West-Indische Bezittingen en Coloniën, in Amerika en op de Kust van Guinéä.

 Art. CCLI. Aan ieder der Coloniën zal een nieuw Constitutioneel Charter gegeven worden. Dit Charter zal de tegenwoordige belastingen doen ophouden, en eene nieuwe wijze van vergoeding aan de Republiek, voor derzelver verleende bescherming, vaststellen.

 CCLII. Het ontwerp van dat nieuwe Charter zal door het Uitvoerend Bewind, op voorstel van den Raad der Amerikaansche Coloniën, aan de Vertegenwoordigende Vergadering ter bekragtiging aangeboden worden.

 CCLIII. De kosten, voor het huishoudenlijk Bestuur der Coloniën, zullen door de Inwooners zelven geregeld en betaald worden.

 CCLIV. De Wet zal bepaalen het getal en de magt der Commissarissen, welken het uitvoerend Bewind in iedere Colonie of bezitting zal kunnen zenden.

 CCLV. Alle onderscheiden Kamers en Departementen van den West-Indischen Handel, of hoe ook genoemd, zijn vernietigd. Alle afzonderlijke Coloniën worden, terstond, onder één algemeen Bestuur gebragt, en zij, die zullen bewijzen door deze vereeniging benadeeld te zijn, afgekogt.

Titul VIII. Van de Regterlijke Magt.[bewerken]

Eerste Afdeeling. Algemeene Bepaalingen.[bewerken]

 Art. CCLVI. Geene Regterlijke Bediening word waargenomen, dan door Bataafsche Burgers, die den vollen ouderdom van dertig jaaren bereikt hebben.
 Buiten deze voorwaarde, kan de Wet nog andere bepaalingen in de keuse maaken.

 CCLVII. In geene Regtbank hebben Leden, of openbaare Aanklaagers, te gelijk zitting, die aan elkanderen bestaan in de opklimmende of nederdaalende linie, noch ook als Broeders, of als Oom en Neef, hetzij door Bloedverwandtschap, of Huwelijk.

 CCLVIII. De Leden van alle Regtbanken zijn, bij hunne aftreding volgends de Wet, wederom, ten zelfden tijde verkiesbaar.

 CCLIX. Geen Lid word afgezet, dan om misdrijf, in zijnen Post begaan, noch ook geschorst, noch gevonnisd, dan na een vooräfgegaan Decreet van beschuldiging.

 CCLX. Geen Lid mengt zig in de uitöefening van Wetgevende of Uitvoerende Magt, of van Policie. Het verhindert nimmer de uitvoering van eenige Wet, noch roept eenig ander Lid van Bewind vóór zig ter verändwoording.
 Het gezag der Regtbanken word door de Wet bepaald.
 In geval van geschil tusschen Bewindvoerend of Regterlijk Gezag, tot welk van beiden de eene of andere zaak ter beslissing behoore, geschied de uitspraak door het Vertegenwoordigend Lichaam.

 Art. CCLXI. In Civile zaken, is het regt van partijen, om haare geschillen door bemiddeling van, door haar zelven gekozen, Scheidsmannen aftedoen, onschendbaar, en derzelver uitspraak zonder hooger beroep, tenzij partijen zig zulks uitdruklijk voorbehouden.

 CCLXII. In Crimineele Vonnissen, ten nadeele van den beschuldigden gewezen, word de misdaad naauwkeuriglijk uitgedrukt, op pœne van nulliteit.

 CCLXIII. Geen Regter of Regtbank bereekent, onder eenig voorwendsel, of benaaming, eenige kosten, ten behoeve van zig zelven, aan de geschilvoerende Partijen.

Tweede Afdeeling. Van de Vrederegters, en derzelver Bijzitters, – van de Burgerlijke Regtbanken, – van de Departementaale Geregtshoven, – van de Vierschaar over de misdrijven der Regters, – van het Hoog Nationaal Geregtshof, – en van de Regtspleeging over het Volk van Oorlog.[bewerken]

 Art. CCLXIV. In elke Gemeente is of zijn één of meer Vrederegters. Derzelver getal is evenredig aan de bevolking.

 Art. CCLXV. Elke Grond-Vergadering benoemt, ten dien einde, één Persoon buiten zig, bij meerderheid van stemmen, en geeft berigt van haare keus, bij billet, door den Vóórzitter en Secretaris geteekend, en verzegeld, aan den Raad der Gemeente.

 CCLXVI. De Raad der Gemeente doet eene Lijst der benoemde Persoonen drukken, vermindert die, bij herhaalde stemming, tot een Drie-tal, en volbrengt daaruit, agt Dagen daarna, de gevorderde keus.

 CCLXVII. Wanneer eenig benoemd Persoon de volstrekte meerderheid van stemmen der Grond-Vergaderingen heeft, word deze keus door den Raad bekragtigd.

 CCLXVIII. Aan ieder Vrederegter worden, op vordering van wederzijdsche Partijen, twee Bijzitters toegevoegd.

 CCLXIX. De Bijzitters worden benoemd door de Grond-Vergadering, en wel door ieder Eén. De lijst derzelven word door den Raad der Gemeente, ten spoedigsten, openlijk bekend gemaakt.

 CCLXX. Vrederegters en Bijzitters worden, voor den tijd van twee Jaaren, gekozen; doch zijn wederom verkiesbaar.

 CCLXXI. Uit de algemeene Lijst der Bijzitters zijn Partijen bevoegd, ieder, één, naar hun welgevallen, te kiezen.

 CCLXXII. De Wet bepaalt de voorwerpen, waarover de Vrederegters, hetzij met of zonder hunne Bijzitters, ook met of zonder hooger beroep, uitspraak doen.

 Art. CCLXXIII. Het staat niemand vrij, eenig twistgeding aantevangen, zonder zig, alvoorens, tot den Vrederegter te hebben vervoegd.
 Zo de Vrederegter hen niet kan bevredigen, verwijst hij hen, bij schriftelijke Acte, naar de Burgerlijke Regtbank, met overlegging der daartoe behoorende Stukken, door beide Partijën onderteekend.

 CCLXXIV. Geene Practisijns, noch derzelver instructoire Schriftuuren, voor zoo verr' zij geene bewijs-stukken behelzen, worden door den Vrederegter, met of zonder Bijzitters gezeten zijnde, toegelaten.

 CCLXXV. De Wet bepaalt de ambtsverrigtingen en de jaarwedden der Vrederegters, als mede, op welke wijze zij de zaken, voor hen gebragt, hebben te instruëeren.

 CCLXXVI. In elk Departement bestaan Burgerlijke Regtbanken.

 CCLXXVII. Derzelver aantal en werkzaamheden, zoodanig, als het gerief der Ingezetenen, ter bekominge van goed regt, vordert, gelijk mede het aantal van Leden, en de wijze van keus door de Grond-Vergaderingen, worden door de Wet bepaald.

 CCLXXVIII. Ieder Departementaal Bestuur benoemt, op Instructie van het Uitvoerend Bewind, in de verschillende Gemeenten van deszelfs Departement, het benoodigd aantal van Schouten Crimineel, met derzelver Dienaars.

 CCLXXIX. Voor elk Departement bestaat een Departementaal Geregtshof, ter behandeling zoo wel van Crimineele, als van Civile zaken, volgends Instructie, door het Vertegenwoordigend Lichaam vervaardigd.

 Art. CCLXXX. Hetzelve is zaamgesteld uit tien Leden, waarvan vijf tot de crimineele, en vijf tot de civile Zaken, bijzonderlijk werkzaam zijn.

 CCLXXXI. Het Uitvoerend Bewind stelt, bij elk dier Geregtshoven, eenen Commissaris, gelast, om te waaken voor de uitvoering der Wetten, en derzelver form, gelijk mede, eenen openbaaren Aanklaager in crimineele gevallen.

 CCLXXXII. Bij deze Geregtshoven dienen de Civile zaken, alleen in geval van hooger beroep.

 CCLXXXIII. Ieder dezer Geregtshoven vonnist, bij uitsluiting, over alle misdaaden, in derzelver Departement begaan, over welken de Wet, hetzij infamie of lijfstraf bepaalt, waaronder bijzonderlijk behooren alle fraudes en contraventiën, door Ingezetenen van het Departement ten nadeele van 's Lands Middelen gepleegd.

 CCLXXXIV. Dezelven doen, al mede, uitspraak over alle misdrijven, door alle Leden van eenig Administratief Bestuur, of ook door de ondergeschikte Financieele Ambtenaars in de Departementen en Gemeenten, in derzelver posten begaan.

 CCLXXXV. In geval eener gevorderde Revisie van een Vonnis, door zoodanig Geregtshof gewezen, word dezelve opgedragen aan Adjuncten Reviseurs, uit de naastbij gelegen Departementaale Geregtshoven te benoemen.
 Derzelver getal zal evenredig zijn aan dat van hun, die het Vonnis hebben uitgebragt.

 CCLXXXVI. De Wet bepaalt de wijze van benoeming, den tijd van aftreding, de werkzaamheden, met derzelver splitsing, en de jaarwedden van alle Leden, tot de Departementaale Geregtshoven behoorende.

 Art. CCLXXXVII. De Wet bepaalt, insgelijks, de aanstelling der nodige Ministers bij ieder dezer Hoven, onder bepaalde Instructiën.

 CCLXXXVIII. In geval van verzuim, of misdrijf, door een Regter of Regtbank in de uitvoering der Wetten, of derzelver form begaan, geeft de Commissaris bij dat Departementaal Geregtshof, waaronder die Regter of Regtbank behoort, daarvan terstond kennis aan den Agent van Justitie.

 CCLXXXIX. In het eerste geval, poogt de Agent van Justitie denzelven Regter, of Regtbank, door nadrukkelijke instantiën, tot derzelver pligt te overreeden.

 CCLXC. In geval van misdrijf, schorst de voornoemde Agent het Vonnis, en draagt zijne aanklagt vóór aan het Vertegenwoordigend Lichaam, met eisch van regtsvervolging.

 CCXCI. Het Vertegenwoordigend Lichaam volmagtigt, alsdan, den gemelden Agent, om ten dien einde, bijéénteroepen de Vierschaar over de misdrijven der Regters, in hunnen post begaan.

 CCXCII. Deze Vierschaar is zaamgesteld uit den voorn. Agent, als Aanklanger, en vijf Leden uit de vijf Departementaale Geregtshoven, daartoe, bij tourbeurt dier Hoven, en bij loting van derzelver Leden, te verkiezen.
 Bij de daarstelling der Departementaale Geregtshoven, zal daartoe een Rooster gemaakt worden.

 CCXCIII. De gedaane aanklagt tegen den Regter, of Regtbank, door dezelve Vierschaar wordende bekragtigd, vernietigd Zij alsdan het Vonnis, tegen de Wet of derzelver form geveld, en verwijst den Regter tot de straf, bij de Wet bepaald.

 Art. CCXCIV. Het Hoog Nationaal Geregtshof bestaat, alleenlijk, in de gevallen, bij de Wet bepaald, bijzonderlijk, om uitspraak te doen over misdrijven, door de Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam, of van het Uitvoerend Bewind, deszelfs Agenten, Commissarissen der Nationaale Reekening, door de Ministers dezer Republiek en derzelver Secretarissen bij Buitenlandsche Mogendheden, of door de Secretarissen van Ambassade, in de waarneming hunner Posten begaan.
 Deszelfs zamenroeping geschied door het Uitvoerend Bewind, op last van het Vertegenwoordigend Lichaam.

 CCXCV. Hetzelve is zaamgesteld uit Leden der Departementaale Geregtshoven.
 Uit ieder dezer Hoven worden, bij loting, drie Leden gekozen, om als Regters te handelen.
 Uit deze, aldus gekozen, vier-en-twintig Regters, kan zoo wel de beschuldigde, als beschuldiger, agt derzelven weigeren, zonder redengeving.
 De redenen van weigering, tegen de overige Regters aangevoerd, worden beöordeeld door zoodanig Departementaal Geregtshof, als beschuldigde of beschuldiger zal benoemen. Aan Deszelfs uitspraak zullen zij zig onderwerpen. De redenen gegrond wordende geöordeeld, worden de Plaatsen dier geweigerde Leden, bij loting, vervuld, zonder de weigering te herhaalen.
 Onder de zestien Regters, die alzoo zijn toegelaten, geschied eene uitloting van vier Leden.
 De overige twaalf Regters vormen alzoo het Hoog Nationaal Geregtshof.
 Uit dit getal word, bij loting, Eén derzelven tot openbaaren Aanklaager benoemd.
 De overige elf Regters verkiezen uit hun midden eenen Voorzitter.
 De Wet bepaalt de Belofte, en andere voorbereidselen, tot deze Zitting behoorende.

 CCXCVI. Dit Geregtshof vergadert niet, dan nadat het Vertegenwoordigend Lichaam een Decreet van beschuldiging genomen heeft.

 Art. CCXCVII. Het Vertegenwoordigend Lichaam bepaalt almede de Plaats, alwaar dit Geregtshof zijne zitting zal houden.
 Deze Plaats moet, ten minsten, tien uuren van het verblijf des Vertegenwoordigenden Lichaams verwijderd zijn.

 CCXCVIII. Het Volk van Oorlog blijft, zonder onderscheiding van rang, in alle civile zaken, en voords in commune delicten, alleenlijk onderworpen aan den Burgerlijken Regter.

 CCXCIX. Zoodanige feiten, echter, die in den Dienst, en door den Krijgsman alleen, kunnen worden bedreven, worden aan Garnisoens-Krijgsraaden verwezen, die, op confessie, vonnis wijzen, zonder hooger beroep.
 De Wet zal nader bepaalen de gevallen, op welke deze regel toepaslijk zij.

Het Reglement van Krijgs-Tugt (Art. CXVII.) bepaalt derzelver zamenstelling, vooral ten aanzien der Auditeuren Militair, en Fiskaals.

 CCC. In tijd van Vrede, kan, in crimineele gevallen, eene herziening der Vonnissen van genoemde Garnisoens-Krijgsraaden gevorderd worden, om te beoordeelen, of de straf, bij de Wet bepaald, naar behooren is toegepast.
 In dat geval, dienen de vijf oudste Hoofd-Officieren van de Brigade, en de naastbijzijnde Auditeur-Militair, mids niet in dezelfde zaak bij den Krijgsraad gediend hebbende.

 CCCI. In Militaire Vonnissen, door Garnisoens-Krijgsraaden zonder confessie geslagen, zal een hooger beroep zijn op eene Hooge Vierschaar.
 Dezelve zal bestaan uit vijf Hoofd-Officieren, en één Fiskaal.
 De Wet bepaalt, in dit geval, de werkzaamheden van den Agent van Oorlog, en de betrekkingen van den Fiskaal en der Auditeurs Militair, gelijk mede de wijze van zamenstelling dezer Vierschaar.

 CCCII. Eene gelijksoortige vorming en werking van Krijgsraaden heeft plaats, ten aanzien der Mariniers, zoodra zij zig aan boord van 's Lands Schepen bevinden.
 De Wet maakt ook, ten dezen opzigte, zoortgelijke bepaalinge, als in Art. CCC. tot CCCII. zijn uitgedrukt.

 CCCIII. De nieuwe vorming der, in dezen Titul omschreven, Regterlijke Magt zal haaren aanvang nemen, binnen ééne Maand na de eerste zitting van het Vertegenwoordigend Lichaam.

Het Wetboek van Burgerlijke en Lijfstraflijke Wetten (Art. XXVIII. Bladz. 8.) zal echter, in de form dezer inrigtingen, zoodanige veranderingen mogen maaken, als tot veiligheid van den Staat, en gerief der Ingezetenen, in den tijd, zal noodig geoordeeld worden.

Titul IX. Over den Staatkundigen invloed des Volks op de Staatsregeling.[bewerken]

 Art. CCCIV. Tot op het einde van het Jaar 1803 der gemeene Tijdreekening, kan 'er geenerlei verändering in de Staatsregeling gemaakt worden.

 CCCV. Met den aanvang van het Jaar 1804, zal 'er eene herziening van dezelve plaats hebben.

 CCCVI. Tot dat einde, zal werkzaam zijn eene Commissie van Herziening, bestaande uit zoo veele Leden, als 'er tagtig Duisendtallen Zielen in de Bataafsche Republiek gevonden worden, en gekozen door de Grond- en Districts-Vergaderingen, op den tijd en de wijze, bepaald bij het Reglement, Letter E.

 CCCVII. Vervolgends, kan 'er, van vijf tot vijf Jaaren, eene nieuwe Herziening der Staatsregeling plaats hebben, op de wijze, bij hetzelfde Reglement vastgesteld.

 CCCVIII. Behalven op deze, bij de Staatsregeling vastgestelde, tijdstippen en wijze, en zonder den uitgedrukten wil des Volks, kan dezelve, nimmer, wettiglijk worden veränderd.

Reglementen, behoorende tot de Acte van Staatsregeling.[bewerken]

Bijlage. Reglement, Letter A. Behoorende tot Titul II.[bewerken]

Eerste Afdeeling. Over de wijze van Stemming in de Grond-Vergaderingen.[bewerken]

 Art. 1. In elke Grond-Vergadering, is de Oudste in jaaren provisioneel Voorzitter, en de Jongste neemt den post van Secretaris op zig, waarvan zij, nogthands, om redenen, door de Vergadering voldoende geoordeeld, verschoond kunnen worden, en opgevolgd door den Naastvolgenden in jaaren.

 2. In elke Grond-Vergadering, worden door den Secretaris de naamen der stemhebbende Burgers, daartoe behoorende, volgends eene Lijst, door het Gemeente-Bestuur aan den Voorzitter toegezonden, gelezen, die der agtergeblevenen aangeteekend, en het getal der aanwezenden opgemaakt.

 3. Bij geheime stemming, worden vijf Stemöpnemers bij meerderheid benoemd, en uit dezelven één tot Voorzitter, en één tot Secretaris verkozen, terwijl één der drie anderen de Contra-Lijst van stemming zal houden.

 Art. 4 Dezen benoemd zijnde, word niemand, onder welk voorwendsel ook, in de Vergadering meer toegelaten, noch kan zig iemand daaruit verwijderen, dan met toestemming van den Voorzitter.

 5. De Voorzitter opent de Vergadering in dezer voege:

"Het werk, Medeburgers, waartoe wij thands geroepen zijn, vordert de plegtige herinnering van het belang, dat 'er voor ons en voor alle onze Medeburgers, wier zaak wij alhier waarnemen, ligt in de gelukkige keuse van eenen Man, op wiens schouders, benevens anderen, met hem in het Bestuur te plaatzen, deszelfs gewigtige last zal rusten. Dat dan het bezef van dit belang, en van onze duure verpligting, ons alles doe ter zijde zetten, wat ons beletten zou, zoodanig eenen te benoemen, toegedaan aan de heilige beginselen en voorschriften onzer Staatsregeling, dien elk onzer in gemoede, als den braafsten en kundigsten tot zulk eenen aanmerklijken post, beschouwt, ten einde elk onzer een gerust geweten hebbe voor God en het Vaderland!"
"Ik maak dus geene zwaarigheid, om, op nieuw, de volgende Verklaaring afteleggen:"
"Ik verklaar, eenen onveranderlijken afkeer te hebben van het Stadhouderschap, Foederalisme, de Aristocratie, en de Regeeringloosheid. — Ik beloof, dat ik, in alle de benoemingen, die ik heden zal doen, niemand stemmen zal, dien ik in waarheid geloove een aanhanger van het Stadhouderlijk, en Foederatief Bestuur, of voorstander van Aristocratie en Regeeringloosheid te zijn."
"Dit verklaar ik op mijne Burgertrouw."

 Art. 6 Deze Verklaaring ligt geschreven op de tafel, aan welke de Voorzitter geplaatst is, en ieder der Stembevoegden legt, bij den aanvang der werkzaamheden, zijne hand op dit geschrift, en zegt, terwijl dezelve daarop rust, overluid:

"Dit verklaar ik."

 7. De Voorzitter, Secretaris, en drie Stemöpnemers, brengen het eerst hunne stem uit, zonder deswege onder elkanderen eenige raadpleegingen te houden.

 8. De Secretaris, na alvoorens aan ieder der Stembevoegden een Nummer te hebben doen trekken, teekent hetzelve onder het oog van hem, die het getrokken heeft, op den hoek van een Briefjen, vouwt dien hoek, en verzegelt denzelven naar behooren.

 9. Ieder schrijft, in tegenwoordigheid der Stemöpnemers, den Persoon, dien hij stemt, met uitdrukking van deszelfs naam en toenaam, of met zoodanige andere aanduiding, als denzelven kenbaar maakt, op het gezegde Briefjen, steekt het in eene daartoe bestemde Busse, die behoorlijk gesloten is, en waarvan de sleutel, geduurende de stemming, bij den Voorzitter bewaard blijft.

 10. Hij, die niet kan lezen en schrijven, meld den Persoon, dien hij wil stemmen, met uitdrukking van deszelfs naam en toenaam, of met andere voegzaame aanduiding, aan den Secretaris, en aan hem, die de Contra-Lijst houd. De Secretaris schrijft zulks voor hem op het Stembriefjen, vertoont dit aan hem, die de Contra-Lijst houd, en laat het door den Stemmer zelf in de Busse steken.

 11. Na het inkomen van alle de Briefjens, opent de Voorzitter, in tegenwoordigheid der Stemmers, de Busse, neemt de Briefjens één voor één daar uit, en stelt dezelven ter hand aan den derden Stemöpnemer, die tot het oplezen der naamen benoemd is.

 Art. 12. Deze is gehouden, den naam, op ieder Briefjen geschreven, overluid op te lezen, en aan den Secretaris, en hem, die de Contra-Lijst houd, te vertoonen, welke beiden, ieder op zijne Stem-Lijst, de naamen aanteekenen.

 13. In geval bij het oplezen van eenig Briefjen blijkt, dat iemand in de aanduiding van den Persoon een misslag had begaan, word het Nummer door den Voorzitter ontzegeld, en de Stemmer opgeroepen, om zig nader te verklaren.

 14. Hij, die de volstrekte meerderheid van Stemmen (dat is, ten minsten, ééne meer, dan de helft, van alle de Stemmen) heeft, is de Benoemde.

 15. Wanneer niemand de volstrekte meerderheid heeft, zullen alle de Gestemden op nieuw worden voorgelezen, ten einde daaruit één benoemd worde.

 16. Bij de tweede stemming, zulk eene meerderheid geene plaats hebbende, worden de drie, die de meeste stemmen hebben, tot een derde stemming voorgedragen.

 17. Bij de derde stemming, is hij, die de meeste stemmen heeft, schoon geene volstrekte meerderheid hebbende, benoemd. In geval de stemmen steken, beslist het Lot.

 18. Bij elke herstemming worden, alvoorens, de voorige Stembriefjens in een Omslag verzegeld, en, na afloop der Zitting, verbrand.

 19. Zoodra de benoeming van eenen Vertegenwoordiger, en, op dezelfde wijze, die van eenen Kiezer der Grond-Vergadering, en deszelfs Plaatsvervanger, of ook de stemming volbragt is over zoodanige zaak, waartoe de Grond-Vergadering, bij de Staatsregeling, of door eene bijzondere Wet van het Vertegenwoordigend Lichaam, was opgeroepen, word het verhandelde in geschrift gesteld, en door den Voorzitter, Secretaris, en de drie Stemöpnemers onderteekend, waarna de Vergadering door den Voorzitter oogenbliklijk gescheiden word.

 Art. 20. De Wet bepaalt de wijze van stemming, bij het verkiezen van onderscheiden openbaare Ambtenaaren, voor zooveel bij de Staatsregeling daarin niet is voorzien.

Tweede Afdeeling. Van de Kiezers, ter Districts-Vergadering.[bewerken]

  Art. 21. De Kiezers bedanken nimmer voor den hun opgelegden last, dan om redenen, welke bij de Grond-Vergaderingen, waardoor zij benoemd zijn, worden aangenomen.

  22. Zij bevinden zig, op den derden dag na de benoeming, op de plaats hunner bestemming. Ter goedmaakinge der reiskosten, word hun, voor ieder uur afstands, toegelegd één Gulden.

  23. Zij geven hunnen Lastbrief aan eene daartoe benoemde Commissie van het Plaatslijk Bestuur, alwaar de Districts-Vergadering gehouden word, ter naarziening over, en voords in de Vergadering aan den Voorzitter.

  24. Wanneer de Kiezer verhinderd word, ter Districts-Vergadering te verschijnen, draagt hij dien post op aan zijnen Plaatsvervanger.

  25. Ook deze wordende verhinderd, draagt hij zorg, dat de door zijne Grond-Vergadering benoemde Persoon aan de Vergadering van Kiezers kenbaar worde, en zend, tot bewijs der egtheid, zijnen lastbrief.

  26. De Vergadering van Kiezers constitueert zig op denzelfden voet, als de Grond-Vergaderingen (Art. 1. enz.)

  Art. 27. De Voorzitter doet alle de, door de onderscheiden Grond-Vergaderingen van dat District benoemde, Persoonen, op eene lijst brengen, en der Vergadering voorlezen.

  28. Zo iemand door eene volstrekte meerderheid (dat is, ééne stem meer, dan de helft) der Grond-Vergaderingen is benoemd, is de keus gedaan.

  29. Zo niemand door de volstrekte meerderheid is benoemd, worden de drie, door de meesten van alle Grond-Vergaderingen benoemd, op eene Lijst gebragt.

  30. Zo 'er geene drie Persoonen door meer dan ééne Grond-Vergadering benoemd zijn, worden uit de andere benoemde Persoonen, bij besloten Briefjens, één of twee tot het Drietal, bij eene betrekkelijke meerderheid van stemmen, benoemd.

  31. Zo niemand der voorgedragenen, door meer dan ééne Grond-Vergadering, ware benoemd, word uit alle de benoemde Persoonen een Drietal op dezelfde wijze daargesteld.

  32. Uit het gemaakte Drietal word het Lid der Vertegenwoordigende Vergadering gekozen.

  33. De wijze van benoeming geschied, overeenkomstig Art. 7, 8, 9, 11, 12 en 13, voor de stemming in Grond-Vergaderingen bepaald.

  34. Op gelijke wijze, als bij Art. 9, 10, 11, 12, 13 en 14, van dit Reglement bepaald is, word één Plaatsvervanger van het Lid der Vertegenwoordigende Vergadering gekozen.

  35. Zo iemand der Kiezers door zijne Mede-Kiezers op het Drietal geplaatst word, begeeft hij zig, bij de stemming daarover, buiten de Vergadering.

  Art. 36. De benoeming geschied zijnde, doet de Voorzitter een Credentiaal voor den Benoemden door den Secretaris opmaaken, van den navolgenden inhoud:

 "De Vergadering van Kiezers uit veertig Grond-Vergaderingen van het District ...... der Bataafsche Republiek, ontbied, in gevolge der Acte van Staatsregeling, den Burger ..., woonende ..., ten einde zig te vervoegen, als Lid, bij het Vertegenwoordigend Lichaam der Bataafsche Republiek."

 Dit Credentiaal word, onverwijld, aan het gekozen Lid, en een zoortgelijk aan deszelfs Plaatsvervanger, toegezonden.

  37. Hetzelve word door den Voorzitter geteekend, en door den Secretaris met twee Leden gecontrasigneerd.

  38. Van deze benoeming, en van het verhandelde ter Districts-Vergadering, wordt met eenen Brief kennis gegeven aan het Vertegenwoordigend Lichaam, en aan het Uitvoerend Bewind, op gelijke wijze onderteekend, als in het naastvoorgaande Artikel is gemeld.

  39. De Voorzitter verklaart alsdan, dat de werkzaamheden der Vergadering geëindigd zijn, en scheid dezelve.

Bijlage. Reglement, Letter B. Behoorende tot Titul III.[bewerken]

Eerste Afdeeling. Van de Vervulling der jaarlijks openvallende Plaatsen in het Vertegenwoordigend Lichaam.[bewerken]

 Art. 1. Het Uitvoerend Bewind roept, volgends de orde, door de loting, bij Art. XXXVIII. van de Acte der Staatsregeling bepaald, jaarlijks, tijdig op alle de Grond-Vergaderingen van die Districten, wier tourbeurt het alsdan is, tegen den laatsten Dingsdag der Maand Maij, met herïnnering van tijd en plaats van zamenkomst der Districts-Vergaderingen, ten einde nieuwe Leden te benoemen voor het Vertegenwoordigend Lichaam.

 2. De aldus verkozen Leden tot het Vertegenwoordigend Lichaam, en derzelver Plaatsvervangers, zenden, binnen veertien Dagen na de gedane keuse, hunne Geloofsbrieven aan het Uitvoerend Bewind, welk dezelven oogenbliklijk zend aan eene Commissie, tot dat einde benoemd, en zaamgesteld uit vier Leden der Eerste Kamer en twee der Tweede Kamer, ter beöordeelinge.

 3. Deze commissie beöordeelt, binnen de drie naastvolgende Weeken, alle de ingekomen Geloofsbrieven, geduurende welken tijd een gekozene aan dezelve redenen kan inzenden, waarom hij meent zig te moeten verschoonen; gelijk ook, in dien tusschentijd, andere Burgers aan dezelve kunnen voordragen zoodanige schriftlijke bezwaaren, als zij tegen de wettigheid der verkiezing, of de bevoegdheid des gekozenen, oordeelen te hebben.

 Art. 4 Indien de Commissie, noch in de keuse, noch in den gekozenen, eenig gebrek bevind, hetgeen hem onbevoegd maakt, volgends de Staats-regeling, om zitting te nemen; en, indien 'er geene gegronde bezwaaren tegen zijn persoon of verkiezing zijn ingekomen, bekragtigt de Commissie deszelfs Geloofsbrief, en geeft daarvan aan de beide Kamers kennis.

 5. Indien zij in de keuse, of in den gekozenen, zoodanig een gebrek bevind, of gegronde bezwaaren daaromtrend aan dezelve zijn voorgekomen, maakt zij zwaarigheid, den Geloofsbrief te bekragtigen, en geeft daarvan, met voordragt van redenen, kennis aan de Eerste Kamer, die alsdan beslist.

 6. Indien de Eerste Kamer meent, den Geloofsbrief, om redenen, door de Commissie aangevoerd, niet te moeten bekragtigen, vernietigt zij de gedaane keus, en gelast het Uitvoerend Bewind, om, zonder uitstel, den Plaatsvervanger van hem, wiens keus vernietigd is, opteroepen; of, zo ook de keus van dezen is vernietigd, alsdan om te zorgen, dat ten spoedigsten eene nieuwe verkiezing voor beiden plaats hebbe.

 7. Indien de Commissie de redenen van verschooning, door eenen gekozenen ingezonden, niet voldoende oordeelt, maakt zij zwaarigheid, denzelven te ontslaan, en geeft daarvan kennis en redenen aan de Eerste Kamer, die in dat geval beslist.

 8. Zo de Eerste Kamer de redenen van verschooning onvoldoende keurt, en de gekozene niettemin blijft weigeren, zitting te nemen, verklaart zij, openlijk, denzelven vervallen van zijne stembevoegdheid, met alle de gevolgen, daaraan bij de Acte der Staatsregeling (Art. X.) verbonden, en gelast het Uitvoerend Bewind, om, onverwijld, deszelfs Plaatsvervanger opteroepen, om zitting te nemen.

Deze oproeping geschied ook, wanneer de Eerste Kamer, op voordragt der Commissie, den gekozenen, om aangevoerde dugtige redenen, zijn ontslag verleent.

 Art. 9. Indien dezelfde persoon in meer dan één District gekozen mogt zijn, beslist de Commissie, bij loting, voor welk District hij zal optreden, en het Uitvoerend Bewind roept zijnen Plaatsvervanger op, uit dat District, waarin hij mede gekozen was.

 10. Ditzelfde heeft plaats omtrend zijnen Plaatsvervanger, indien hij op meer plaatsen gekozen mogt zijn en, in het District, welks Eerste gekozene en Plaatsvervanger beiden voor een ander District moeten optreden, geschied ten spoedigsten eene nieuwe keus.

Alles, wat, bij Art. 2–10 van dit Reglement, aan de combineerde Commissie, en aan de Eerste Kamer, is aanbevolen, geschied, voor de eerste maal, door eene Commissie uit de Constituëerende Vergadering, en door die Vergadering zelve.

 11. Terstond na de goedkeuring der Geloofsbrieven van de nieuwbenoemde Leden, roept het Uitvoerend Bewind dezelven op, om, binnen veertien dagen, zig te vervoegen in de Residentieplaats.

 12. De nieuw verkozen Leden, alsdan in de Residentieplaats tegenwoordig, komen, met de zitting hebbende Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam, te zamen op den daartoe bestemden dag, in eene algemeene Vergadering, ten einde, na de Verklaaring (Acte der Staatsreg.. Art. XXXVI.) te hebben afgelegd, de verdeeling van van het Vertegenwoordigend Lichaam in twee Kamers mede daar te stellen, en daarop, oogenbliklijk, zitting te nemen in die Kamer, tot welke zij door de Algemeene Vergadering benoemd worden.

 Art. 13. Tot op den dag, ter zittingneming der nieuwe Leden bepaald, blijven de aftredende Leden hunne plaats in elke der beide Kamers behouden.

Tweede Afdeeling. Van de verplaatsing van het Vertegenwoordigend Lichaam.[bewerken]

 Art. 14. Het Uitvoerend Bewind, zoodra het kennis ontvangt van een gevallen Decreet ter verplaatsinge van het Vertegenwoordigend Lichaam naar elders, geeft van hetzelve, bij Proclamatie, kennis aan den Volke, en zorgt, zonder uitstel, dat alles in gereedheid zij, om het Vertegenwoordigend Lichaam ten bestemden tijde en plaatse te ontvangen.
 Alle tegenstand en vertraging, aan dit Decreet toegebragt, is een aanslag tegen de veiligheid van den Staat.

 15. Datzelve bewind zorgt tevens, dat daarvan, onverwijld, aanschrijving geschiede aan die Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam, welken afwezig mogten zijn, met oproeping, om, ten bestemden tijde en plaatse, ter Vergadering tegenwoordig te zijn.

 16. Indien eenig Lid, op dien tijd, aldaar niet tegenwoordig is, en, binnen agt Dagen na ontvang der gedaane aanschrijving, geene redenen voor zijne afwezigheid heeft ingezonden, of, indien de gegeven redenen door de Kamer, waartoe hij behoort, niet voldoende gekeurd zijn, word hij door die Kamer verklaard, vervallen te zijn van zijnen post, en het Uitvoerend Bewind gelast, onverwijld te zorgen voor de oproeping van zijnen Plaatsvervanger, of voor eene nieuwe verkiezing in zijne plaats.
 Zoodanig agtergebleven Lid word, daarenboven, als schuldig aan aanslag op de veiligheid van den Staat, voor dat Departementaal Geregtshof, waartoe hij als Ingezeten behoort, te regt gesteld.

 Art. 17. Aan dezelfde misdaad zijn ook schuldig allen, die zig, in eenigerlei opzigt, tegen het verkiezen van nieuwe Leden in het Vertegenwoordigend Lichaam verzetten.

Derde Afdeeling. Van de form van Raadpleeging, en de Formulieren, daarbij in acht te nemen.[bewerken]

 Art. 18. De Eerste Kamer neemt, in het raadpleegen over eenig voorstel haarer Leden of Commissiën, de volgende form in acht:

a.  Bij ieder voorstel, of rapport, moet worden voorgedragen het Ontwerp van de Wet, of van het Besluit, waartoe Hetzelve strekt.
b.  'Er geschieden drie lezingen van elk zoodanig voorstel, alvoorens daarop te besluiten. De tusschenstand van de eene lezing tot de andere is, telkens, ten minsten van drie dagen.
c.  Na de eerste of tweede lezing, kan een voorstel verworpen, of de raadpleeging daarover uitgesteld worden. Het besluit kan niet eerder, dan na de derde lezing, plaats hebben.
d.  De tweede lezing heeft geene plaats, dan wanneer, in de eerste lezing, vijf Leden dezelve vorderen; wordende, in dat geval, de dag tot die tweede lezing bepaald. Ditzelfde word, bij eene tweede lezing, in acht genomen omtrend de derde lezing.
e.  De bijvoegselen, of bepaalingen van eenig voorstel, kunnen wel bij de eerste of tweede lezing voorgedragen, doch niet, dan na de derde lezing, in overweging worden genomen.

 Art. 19. Deze form, echter, word niet in acht genomen omtrend besluiten van onverwijlde noodzaaklijkheid. Alleen moet, vóór dezelven, eene stellige verklaaring van noodzaaklijkheid, door de volstrekte meerderheid van alle de Leden der Eerste Kamer erkend, voorafgaan.

 20. De Voorstellen, door de Eerste Kamer aangenomen, en in besluiten veranderd zijnde, worden onverwijld gezonden aan de Tweede Kamer, zijnde aan het hoofd derzelven uitgedrukt, of de dagteekening der drie agtereenvolgende lezingen, of wel de beredeneerde verklaaring van onverwijlde noodzaaklijkheid.

 21. Indien, uit het hoofd van eenig toegezonden Besluit aan de Tweede Kamer, niet blijkt, dat de voorgeschreven form in acht genomen, of de onverwijlde noodzaaklijkheid door de Eerste Kamer verklaard is, weigert dezelve haare bekragtiging, zonder den inhoud van het besluit zelf in overweging te nemen, en zend dat aan de Eerste Kamer terug.

 Art. 22. Indien, aan het hoofd van een Besluit, de verklaaring van onverwijlde noodzaaklijkheid door de Eerste Kamer is uitgedrukt, raadpleegt de Tweede Kamer, terstond, over die verklaaring.

a.  Zo de Tweede Kamer die verklaaring bekragtigt, raadpleegt Dezelve, zonder uitstel, over het Besluit zelve.
b.  Zo deze Kamer die verklaaring verwerpt, neemt Dezelve het daarbij ingezonden Besluit niet in overweging, maar zend hetzelve oogenbliklijk, met haar Decreet van weigering, terug aan de Eerste Kamer.

 23. Indien een besluit der Eerste Kamer, aan de Tweede Kamer voorgesteld, wel de vereischten heeft, in Art. 18. gevorderd, en, zo de Tweede Kamer wel bekragtigt de verklaaring van onverwijlde noodzaaklijkheid, maar de zaak zelve, of den maatregel, in het Besluit voorgedragen, niet bekragtigt, zend zij hetzelve, met haar Decreet van weigering aan de Eerste Kamer terug.

 24. Alle voorgestelde Besluiten der Eerste Kamer, aan welker hoofd niet geplaatst is de verklaaring van onverwijlde noodzaaklijkheid, moeten, om door de Tweede Kamer te kunnen bekragtigd of verworpen worden, alvoorens, drie lezingen in dezelve ondergaan. Het tijdverloop, tusschen de ééne lezing en de andere, is ten minsten van drie dagen telkens. Zo het Besluit word bekragtigd, worden de drie dagen der onderscheiden lezingen, in de Tweede Kamer, aan het hoofd daarvan uitgedrukt.

 25. In alle gevallen, waarin de Tweede Kamer een Besluit, haar door de Eerste Kamer voorgesteld, op de wijze, bij Art. 23. bepaald, verwerpt, voegt zij, bij haar Decreet van weigering, de redenen, welke haar daartoe bewogen hebben.

 Art. 26. De Eerste Kamer neemt deze redenen, na een tusschentijd van ten minsten twee dagen, in overweging.

a.  Indien Zij in dezelven berust, is het Decreet der Tweede Kamer onveränderlijk, en het voorgesteld Besluit blijft verworpen.
b.  Zo de Eerste Kamer niet berust in de aangevoerde redenen van weigering, zend Zij haare tegenbedenkingen daarop aan de Tweede Kamer.

 27. De Tweede Kamer neemt, in zoodanig geval, de nadere bedenkingen der Eerste Kamer, op den tweeden dag, na die te hebben ontvangen, in overweging.

 28. Indien dezelve de bedenkingen der Eerste Kamer gegrond vind, vernietigt zij haar Decreet van weigering, en bekragtigt het voorgesteld Besluit van de Eerste Kamer.

 29. Indien Zij die bedenkingen niet gegrond vind, volhard Zij bij haar Decreet van weigering. Doch hiertoe word, bij hoofdlijke stemming, eene meerderheid van twee Derden van haare tegenwoordig zijnde Leden verëischt. De naamen van alle, die in dit geval vóór of tegen gestemd hebben, worden in de Notulen aangeteekend. Van dit besluit word, onverwijld, aan de Eerste Kamer kennis gegeven.

 30. Een zoodanig afgekeurd Voorstel kan, bij geene der beide Kamers, wederom in overweging worden gebragt, dan na verloop van een Jaar.

 31. De Tweede Kamer bekragtigt of verwerpt, nimmer, eenig bijzonder Artikel van het voorgesteld Besluit. De Eerste Kamer kan het een of ander gedeelte van hetzelve, in geval van verwerping, op nieuw, aan de Tweede Kamer ter bekragtiging inzenden.

 Art. 32. De Formulieren, waarvan de Tweede Kamer in de onderscheiden gevallen, boven uitgedrukt, zig bedient, zijn de volgende:

a. In het geval, bepaald bij Art. 21.
 De Staatsregeling verbied, dit besluit in overweging te nemen.
b. In het geval, Art. 22, letter a.
 De Tweede Kamer, overwegende, dat ...., bekragtigt de Verklaaring van onverwijlde noodzaaklijkheid door de Eerste Kamer, geplaatst aan het hoofd van het volgend Besluit.
c. In het geval, Art. 22, Letter b. bepaald.
 De Tweede Kamer erkent de noodzaaklijkheid van een onverwijld Besluit niet.
d. In het geval, Art 23 bepaald.
 De Tweede Kamer, overwegende, dat ...., bekragtigt het nevensgaande Besluit niet.
e. In het geval van bekragtiging van een voorgesteld Besluit.
 De Tweede Kamer bekragtigt het voorgesteld Besluit, en verandert hetzelve in een Decreet.

Bijlage. Reglement, Letter C. Behoorende tot Titul IV.[bewerken]

Van de wijze van aftreding en verkiezing der Leden van het Uitvoerend Bewind, het Vóórzitterschap, de wijze van Raadpleeging, den post van Secretaris, en het Formulier wegens de afkondiging der Wetten, of het terugzenden eener Wet.[bewerken]

 Art. 1 Jaarlijks treed één Lid van het Uitvoerend Bewind af, de eerste vier Jaaren bij loting, en, vervolgends, naar ouderdom van dienst.

 2. Ter vervullinge der openvallende plaats, stelt de Eerste Kamer drie Persoonen voor.

Dezelven moeten zijn Bataafsche Burgers, oud veertig jaaren, geboren binnen de Republiek, hebbende binnen dezelve, geduurende de laatste twintig Jaaren, hunne vaste woonplaats gehad, en geene Leden zijnde van het Vertegenwoordigend Lichaam.
De voorwaarde van vaste inwooning heeft geene betrekking tot die Bataven, die, in den Jaare 1787, genoodzaakt geweest zijn, wegens politieke vervolgingen, hun Vaderland te verlaten, mids daarïn vóór den Jaare 1796 zijnde wedergekeerd.
Uit de drie voorgestelde Persoonen, verkiest de Tweede Kamer één Lid tot het Uitvoerend Bewind, binnen drie Dagen na ontvangst der benoeming.
De voorstelling word jaarlijks volbragt op 1 Junij.
Voorstelling en keus worden gedaan bij geheime stemming, en bij eene volstrekte meerderheid van stemmen der tegenwoordig zijnde Leden in iedere Kamer.

 Art. 3. Indien ééne of twee plaatsen openvallen tusschen den 1 Maart en den 1 Junij, worden dezelve niet eerder vervuld, dan op den gewoonen tijd der verkiezing. In dat geval, nemen de overblijvende Leden tot zig één of meer hunner Agenten, als provisoneele Adjuncten, tot op den tijd der vervulling.
 Indien de vacature invalt in eenige andere Maand van het jaar, heeft 'er eene buitengewoone en onverwijlde vervulling plaats.

 4. Hij, die tusschentijds benoemd word tot vervulling eener plaats, welke, naar de gewoone wijze, nog langer, dan één jaar, had moeten bekleed worden, treedt wederom af, zoodra deze tijd door hem vervuld is. Doch, indien zijn Voorganger zoude afgetreden zijn bij de eerstvolgende gewoone verkiezing, vervult hij, nevens den tijd van zijnen Voorganger, ook de vijf daaraan volgende jaaren, alsof hij ten gewoonen tijde gekozen ware.

 5. Niemand zal zig aan de op hem gevallen keus mogen onttrekken, dan om wettige redenen, staande ter beöordeelinge der Eerste Kamer, of eene Commissie uit dezelve, aan welker uitspraak de gekozene zig zal moeten onderwerpen.

 6. Een aftredend Lid is niet weder verkiesbaar, dan na een tusschentijd van vijf jaaren.

 Art. 7. Ieder Lid van het Uitvoerend Bewind zal, bij beurte, Vóórzitter zijn, geduurende ééne Maand. Bij de eerste zitting, bepaalt het Lot de tourbeurten der Leden.

 8. Bij het Uitvoerend Bewind worden geene besluiten genomen, nog eenige orders afgevaardigd, dan in de gewoone, of ook in zoodanige buitengewoone Vergaderingen, waartoe het blijkt, dat de Leden geroepen zijn.  Alle Notulen, zoo van gewoone als buitengewoone Vergaderingen, moeten ten minsten door drie Leden onderteekend zijn.

 9. Ieder Lid is bevoegd, zijnen beredeneerden voordragt in de Notulen te doen inschrijven; gelijk mede te doen aanteekenen, waarom hij tot een genomen besluit niet zal hebben gestemd. Geene protesten worden aangenomen.

 10. Het Uitvoerend Bewind, des nodig oordeelende, raadpleegt, in afwezigheid van den Secretaris; mids, in zoodanig geval, de besluiten, door één der Leden, in een afzonderlijk geheim Register geschreven, en door allen, t'elken reize, onderteekend worden.

 11. De bijzondere Leden van het Uitvoerend Bewind zijn verpligt, alle berigten, betreffende den Staat, of deszelfs betrekkingen, welken zij van de buitenlandsche Ministers dezer Republiek ontvangen, ter kennisse te brengen van het geheele Lichaam, om daarop het nodige regard te slaan, zonder immer eene afzonderlijke politieke of ministeriëele correspondentie te mogen houden.

 12. Niemand der Leden begeeft zig buiten de Residentie-Plaats, dan op last, of met uitdruklijke toestemming van het Bewind zelf. Dit, echter, word nimmer aan meer, dan één Lid te gelijk, vergund.

 Art. 13. Niemand, Lid geweest zijnde van het Uitvoerend Bewind, kan, zonder toestemming van het Vertegenwoordigend Lichaam, het grondgebied der Republiek verlaten, binnen twee jaaren na deszelfs aftreding.

 14. Tot Secretaris van het Uitvoerend Bewind, gelijk mede tot deszelfs Agenten, tot Commissarissen, Leden van de Raaden der Oost- en West-Indische Bezittingen, of ook tot buitenlandsche Gezanten, of derzelver Secretarissen, is niet benoembaar eenig Lid van het Uitvoerend Bewind, dan na verloop van twee jaaren zederd zijne aftreding, noch ook iemand, die aan één van deszelfs in dienst zijnde Leden, tot in den derden graad ingesloten, vermaagschapt is door bloedverwantschap of huwelijk, noch ook iemand, ten zij dertig jaaren oud, en de verdere verëischten, bij TITUL II. van de Staatsregeling bepaald, bezittende.

 15. De aanstelling van den gemelden Secretaris geschied door het Uitvoerend Bewind, volgends Instructie, door het Vertegenwoordigend Lichaam goedgekeurd.

 16. Het Uitvoerend Bewind, noch ook deszelfs Leden, als zoodanigen, verschijnen immer in de Vergaderingen van het Vertegenwoordigend Lichaam. De mededeeling van voordragten aan het laatste geschied door eenen Boodschapper van Staat.

 17. Het Formulier, voor de afkondiging van ontvangen Wetten of Besluiten, (Acte van Staatsregeling, Art. CIII.) is, als volgt :

"Het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek doet te weten: Dat het Vertegenwoordigend Lichaam, op de wijze, bij de Staatsregeling vastgesteld, overwogen hebbende, dat enz.
(Hier volgen de gronden, waarop het Besluit berust.)
besloten en verördend heeft:"
(Hier volgt het Besluit zelf.)
 Dienvolgends gelast het voorn. Bewind, in naam des Vertegenwoordigenden Lichaams, dat deze zal worden afgekondigd en aangeplakt alömme, waar zulks behoort."

 Art. 18. Het Formulier, waarvan zig het Uitvoerend Bewind bedient, bij het terugzenden van eene Wet aan de Tweede Kamer, (Acte van Staatsregeling, Art. CIV.) is dit:

"Dewijl de form, bij de Staatsregeling voorgeschreven, aan deze Wet ontbreekt, vermag het Uitvoerend Bewind dezelve niet te doen afkondigen."

Bijlage. Reglement, Letter D. Behoorende tot Titul VI.[bewerken]

Eerste Afdeeling. Van de Begrootingen der Staats-Uitgaven.[bewerken]

 Art. 1. Zoodra de begrooting van Staats-Uitgaven, door het Uitvoerend Bewind, aan de Eerste Kamer is ingezonden, doet Deze, door eene daartoe benoemde Commissie, onderzoeken, of dezelve zoodanig zij ingerigt , als bij Art. CCXIV. en CCXV. is bepaald. Daarïn eenig gebrek bevindende, geeft dezelve Kamer hiervan aan het Uitvoerend Bewind kennis, met opgave der verlangde ophelderingen of bijvoegselen.

 2. Het Uitvoerend Bewind voldoet, ten spoedigsten, aan de begeerte der Eerste Kamer.

 3. De begrooting van Staats-Uitgaven in de behoorlijke form gebragt zijnde, zend de Eerste Kamer die, onverwijld, aan de Commissarissen der Nationaale Reekening, die dezelve naauwkeurig onderzoeken, en daaröp, van post tot post, uiterlijk binnen ééne Maand daarna, hunne consideratien aan dezelfde Kamer doen toekomen.

 4. Het Vertegenwoordigend Lichaam raadpleegt en besluit alsdan, in de gewoone form, omtrend deze begrooting, vóór het einde van dat jaar.

 Art. 5. Het Uitvoerend Bewind zend, in geval van noodzaaklijkheid, eene buitengewoone begrooting, ingerigt, als bij Art. CCXV. is bepaald, waaromtrent alsdan gehandeld word, volgends Art. 1. tot 4. hier vooren.

Tweede Afdeeling. Van de Commissarissen der Nationaale Tresorie en Nationaale Reekening.[bewerken]

 Art. 6. Tot Commissarissen der Nationaale Tresorie en Reekening, zijn alleen verkiesbaar stembevoegde Burgers, ten vollen dertig jaaren oud, en geduurende de tien laatste jaaren, inwooners der Bataafsche Republiek.

 7. De Commissarissen en Secretaris der Tresorie, benevens de Commissarissen en Secretaris der Nationaale Reekening, mogen aan elkanderen onderling, gelijk ook aan de Leden van het Uitvoerend Bewind, en derzelver Agenten, niet bestaan tot in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap.

 8. Van de vijf Commissarissen der Tresorie, zal jaarlijks één, en, van de zeven der Nationaale Reekening, de eerste drie Jaaren, twee, en, in het vierde Jaar, één aftreden. Het Uitvoerend Bewind bepaalt, ten aanzien der Eersten, en de Eerste Kamer, ten opzigte van de Laatsten, terstond na hunne aanstelling, de orde, waarin deze aftreding zal plaats hebben.

 9. Het aftredend Lid is wederom verkiesbaar.

 Art. 10. Bij vacature van een Lid, zenden Commissarissen der Tresorie aan het Uitvoerend Bewind, en die der Reekening aan de Eerste Kamer, een Drie-tal van Persoonen, waaruit dezelven eene keuse doen.

 11. De Commissarissen der Tresorie, en der Nationaale Reekening, benoemen, ieder, hunnen eigen Secretaris en Bedienden, op eene Jaarwedde, door het Vertegenwoordigend Lichaam te bepaalen, en stellen dezelven af.

 12. Geen hunner, noch ook derzelver Secretarissen, mogen deelen, hetzij regtstreeks of van ter zijde, in eenige leveranciën, aannemingen of verpagtingen, ten behoeve der Republiek.

 13. De Nationaale Ontvangers, en verdere Financiëele Beämbten (wier getal en jaarwedden het Vertegenwoordigend Lichaam bepaalt) door het Uitvoerend Bewind, op eene bijzondere Instructie, aantestellen, moeten, de laatste vijf jaaren, gewoond hebben in het Departement, waarvoor zij bestemd zijn, en zijn verpligt, eene Cautie te stellen, bij het aanvaarden hunner bedieningen, geëvenredigd aan derzelver gewigt, welke om de drie jaaren vernieuwd wordt, en waarïn de Leden van het Uitvoerend Bewind zelven geenerlei aandeel mogen hebben.  Ook mogen zij aan de Leden van het Uitvoerend Bewind niet bestaan in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap.

 14. Deze Ontvangers, en verdere Financiëele Beämbten, stellen derzelver eigen Suppoosten en Bedienden aan, en zijn voor dezelven, in persoon, verändwoordlijk.

 15. Zij zijn verpligt, van alle hun bekend wordende benadeelingen der Financiën, en van alle bedrog en overtredingen, daaromtrend gepleegd, ten spoedigsten aan het Uitvoerend Bewind kennis te geven.

 Art. 16. Het Uitvoerend Bewind schorst dezelve Ontvangers en Beämbten, in geval van pligt-verzuim, in hunne Bedieningen, en doet de klagten tegen dezelven inbrengen door den openbaaren Aanklaager, van en voor dat Departementaal Geregtshof, waaronder de beschuldigden behooren.

 17. Geen Nationaal Ontvanger doet immer eenige betaaling, dan op Ordonnantie van Commissarissen der Tresorie, door dezelven behoorlijk geteekend, en bij die der Nationaale Reekening geregistreerd.

Bijlage. Reglement, Letter E. Behoorende tot Titul IX.[bewerken]

Van de wijze van Herziening der Staatsregeling.[bewerken]

 Art. 1. Tot het daarstellen, der Commissie van Herziening der Staatsregeling, zijn werkzaam alle de Grond-Vergaderingen in de geheele Republiek, welke ten dien einde worden opgeroepen, tegen den gewoonen dag der benoeminge van de Leden des Vertegenwoordigenden Lichaams, in den jaare 1803.

 2. Elk Vier-tal van naast aan elkander liggende Districten kiest één Lid, en éénen Plaatsvervanger, tot deze Commissie.  Zo 'er een overschot mogt zijn van meer dan één District, word daardoor mede een Lid en Plaatsvervanger benoemd; doch, slechts één District overschietende, word hetzelve gevoegd bij het naastgelegen Vier-tal.

 3. Elke Grond-Vergadering benoemt éénen Reviseur, en vervolgends éénen Kiezer ter Districts-Vergadering, en deszelfs Plaatsvervanger; alles op dezelfde wijze, als, omtrend de Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam, (Titul II. en Reglement, Lett. A.) is bepaald.

 4. De verëischten van eenen Reviseur, en deszelfs Plaatsvervanger zijn, dat hij stembevoegd Burger, ten vollen dertig jaaren oud zij, zederd de laatste tien jaaren Inwooner der Republiek, of, elders geboren, zederd de laatste vijftien jaaren; en bovendien geene ambten, noch posten van eenig bestuur, bekleedende.

 Art. 5. Op den tweeden dag, na de gedaane verkiezing, komen de gezamenlijke Kiezers der Grond-Vergaderingen, in de daartoe vastgestelde Hoofdplaatsen, bijéén, tot het houden eener Districts-Vergadering.

 6. In deze Districts-Vergadering, welke mede gehouden word volgends het Reglement, Letter A., word,

a.  Uit alle Geloofsbrieven der Kiezers, opgemaakt eene Lijst van de tot Reviseurs in dat District benoemde Persoonen, en agter ieders naam aangeteekend, door hoeveele Grond-Vergaderingen hij benoemd is geworden.
b.  En worden, bij loting, uit de aldaar aanwezige Kiezers, drie Persoonen benoemd, ten einde, op tijd en plaats, door de Wet vooräf bepaald, met een gelijk getal van Kiezers, uit elk der drie naastgelegen Districts-Vergaderingen, op dezelfde wijze gekozen, verder werkzaam te zijn tot het kiezen van éénen Reviseur en Plaatsvervanger, uit de gezamenlijke en vereenigde Lijsten der vier zaamgevoegde Districten, op de wijze, ten aanzien der verkiezing van Leden tot het Vertegenwoordigend Lichaam (bij het Reglement, Letter A.) voorgeschreven.

 7. Ten dien einde, ontvangen alle deze Gelastigden tot die verëenigde Vergadering eenen behoorlijken Lastbrief, met de Lijst van alle de benoemde Leden, volgends Art. 6, Lett. a., opgemaakt, beiden onderteekend door den Voorzitter en Secretaris van hunne bijzondere Districts-Vergaderingen.

 8. (Het artikel ontbreekt, red.)

 Art. 9. Van de gedaane keus word, door den Vóórzitter dezer verëenigde Kiezers-Vergadering aan het Uitvoerend Bewind, ten spoedigsten, kennis gegeven.
 Alle de berigten ingekomen, en de Geloofsbrieven van alle de gekozen Reviseurs en Plaatsvervangers door het Uitvoerend Bewind gewettigd zijnde (ten welken einde zij dezelven aan dat Bewind, binnen veertien Dagen na de gedaane verkiezing, inzenden) geeft Hetzelve van de benoeming der Commissie van Herziening, bij Publicatie, aan den Volke kennis, en bepaalt daarbij tevens den dag, op welken de Leden derzelve zig zullen moeten bevinden ter bestemde plaatse, om aldaar zitting te nemen.
 Hiervan word aan elk der gekozen Reviseurs, of daarvoor optredende Plaatsvervangers, door dat Bewind mede aanschrijving gedaan.

 10. De Commissie van Herziening vergadert binnen de Stad Utrecht.

 11. Uiterlijk zes Weeken, na de gedaane verkiezing, vangt de Commissie haare werkzaamheden aan, na, in handen van eenen Commissaris van het Uitvoerend Bewind, de gewoone Verklaaring, hoofd voor hoofd, te hebben afgelegd. Zij verkiest den Oudsten haarer Leden tot Vóórzitter, en eenen Secretaris uit haar midden.

 12. De Commissie van Herziening ontvangt, geduurende den tijd haarer zitting, geene orders of bevelen van eenige Magt, hoegenoemd, betreklijk het onderwerp of de wijze haarer raadpleegingen.
 Derzelver Leden zijn nimmer aanspraaklijk wegens hunne uitgebragte adviesen of besluiten. Zij kunnen op geene andere wijze, geduurende den tijd hunner zitting, in regten betrokken worden, dan de Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam.
 De Commissie woont, nimmer, eenige openbaare plegtigheden bij.

 Art. 13. Ieder stembevoegd Burger heeft het regt, geduurende de eerste Maand haarer zitting, aan dezelve intezenden zoodanige individueele, schriftlijke, beredeneerde, en door hem eigenhandig onderteekende, voordragten en bedenkingen, tot verbetering der Staatsregeling, als hij oordeelt nodig te zijn.

 14. De Commissie slaat behoorlijk acht op alle deze bedenkingen, zoo wel als op die, welke haar door de Leden van eenige openbaare Magt of Bewindvoerend Lichaam, binnen denzelfden tijd, worden toegezonden.

 15. Zij strekt haar onderzoek en besluit niet verder uit, dan tot zoodanig Gedeelte, Artikel, of Artikelen der Staatsregeling, waaromtrend haar eenige bedenkingen of voordragten, volgends Art. 13. en 14., zijn toegezonden.

 16. Binnen vier Maanden, na haare eerste zitting, eindigt de Commissie derzelver raadpleegingen, en zend, onverwijld, haar verslag, schriftlijk, en door haaren Vóórzitter en Secretaris onderteekend, aan het Uitvoerend Bewind.

 17. Terstond, na deze verzending, gaat de Commissie van Herziening uit één.

 18. Ieder Lid van dezelve geniet, geduurende den tijd zijner zitting, een Dag-geld van tien Guldens, en, bij zijne aankomst en vertrek, drie Guldens, voor ieder Uur afstands zijner woonplaats van Utrecht, voor reiskosten en transport.

 19. Het verslag der Commissie, aan het Uitvoerend (De rest van het artikel ontbreekt, red.)

 Art. 20. Het Uitvoerend Bewind doet dit verslag door den Druk gemeen maken, en vervaardigt eene Publicatie, daartoe betreklijk.

 21. Hierna roept Hetzelve alle de Grond-Vergaderingen in de geheele Republiek op, om, op eenen bepaalden dag, ten minsten vier Weeken na de afkondiging, Art. 20. gemeld, bij Ja of Neen, de door de Commissie van Herziening ontworpen veranderingen in de Staatsregeling, artikel voor artikel, goedtekeuren of aftekeuren.

 22. De uitslag der stemming, bij meerderheid, nevens het getal der voor en tegen gestemd hebbenden, in elke Grond-Vergadering, word behoorlijk in geschrifte gesteld, door den Vóórzitter en Secretaris onderteekend, en onverwijld toegezonden aan het Uitvoerend Bewind.

 23. Alle deze inkomende berigten zend het Uitvoerend Bewind aan het Vertegenwoordigend Lichaam.

 24. Het Vertegenwoordigend Lichaam doet, door het Uitvoerend Bewind, ten spoedigsten, bij Proclamatie, aan den Volke bekend maaken den uitslag der stemming, bij meerderheid, van alle de Grond-Vergaderingen.

 25. De alzoo goedgekeurde Artikelen der Staatsregeling hebben, oogenbliklijk, na derzelver afkondiging, kragt van Wet.

 26. Alle, de voorgestelde veranderingen verworpen zijnde, blijft de Staatsregeling, voor den tijd van vijf volgende jaaren, bekragtigd.

 Art. 27. Na verloop van dien tijd, en vervolgends van vijf tot vijf jaaren, kan 'er eene nieuwe Herziening der Staatsregeling plaats hebben, doch alleenlijk in deze twee gevallen:

a.  Dat het Vertegenwoordigend Lichaam, op een beredeneerd voorstel van de Eerste Kamer, door de Tweede Kamer goedgekeurd, verklaart de noodzaaklijkheid der herziening van één of meer Artikelen der Staatsregeling.
 De drie lezingen van zoodanig voorstel geschieden, in elke der beide Kamers, van tien tot tien dagen, telkens. Tot het opmaaken van een besluit dienaangaande, word in iedere Kamer vereischt de volstrekte meerderheid van stemmen van alle derzelver Leden, daartoe vooräf uitdruklijk opgeroepen.
 Een zoodanig voorstel der Eerste Kamer kan door de Tweede Kamer niet verworpen worden, dan met eene meerderheid van twee derden van het volle getal haarer Leden.
b.  Of wel, dat vijftien-duisend stembevoegde Burgers, binnen de zes laatste Maanden van het tiende, vijftiende, of twintigste Jaar enz., zig, met individueele en geteekende voordragten, tot verandering van hetzelfde Artikel of Artikelen der Staatsregeling, hebben vervoegd bij het Vertegenwoordigend Lichaam. Deze voordragten moeten duidlijk aanwijzen het Artikel of de Artikelen, waarin men verandering begeert, en de voorgeslagen verandering zelve. Voords, moeten dezelven bekragtigd zijn met een getuigenis der Gemeente-Bestuuren, aangaande de stembevoegdheid van derzelver Teekenaaren.

 28. Eén van beiden, of ook beide deze gevallen plaats hebbende, doet het Vertegenwoordigend Lichaam, door het Uitvoerend Bewind (De rest van het artikel ontbreekt, red.)

 Art. 29. De uitslag der stemming word, wederom, door den Voorzitter van elke Grond-Vergadering, aan het Uitvoerend Bewind toegezonden, en uit alle de ingekomen berigten door hetzelve opgemaakt de beslissende uitspraak des Volks, waarvan aan het Vergenwoordigend Lichaam, en aan het Volk, bij Publicatie, ten spoedigsten word kennis gegeven.

 30. Zo de meerderheid der Grond-Vergaderingen verklaart, dat 'er geene Herziening zal plaats hebben, blijft de Staatsregeling voor vijf volgende jaaren vastgesteld.

 31. Zo die meerderheid eene Herziening begeert, worden de Grond-Vergaderingen opgeroepen, om, op den dag, jaarlijks tot het verkiezen van nieuwe Leden voor het Vertegenwoordigend Lichaam bepaald, tevens Reviseurs te benoemen, op de wijze, hierboven Art. 1–8. voorgeschreven.

 32. Voords word, in dit geval, naauwkeurig in acht genomen alles, wat boven (Art. 9–24.) is verordend; alleen met dit onderscheid, dat de Commissie van Herziening, als nu, geene andere artikelen der Staatsregeling mag in overweging nemen, dan die, welken, volgends Art. 20., bij Publicatie, aan den Volke zijn voorgedragen.

Additioneele Artikelen tot de Acte van Staatsregeling.[bewerken]

 Art. I. De Gemeenten der voormaals Heerschende Kerk blijven, geduurende de eerstkomende drie Jaaren na de aanneming der Staatsregeling, de gewoone Tractamenten van derzelver Leeraaren en Hoogleeraaren, bij wijze van Pensioen, uit s'Lands Kas, genieten, ten einde dezelven, in dien tusschentijd, de nodige schikkingen maaken tot derzelver verdere besoldiging.

 II. Ook tot zoo lang, word aan dezelve Gemeenten het zoogenoemde Kindergeld voor derzelver Leeraaren toegewezen.

 III. Alle Leeraars, Hoogleeraars, en derzelver Weduwen, op 1 Januari 1798, gepensioneerd geweest zijnde, blijven de hun toegelegde Pensioenen, geduurende hun leven, genieten, mids zij aan het Bewind ter Plaatse, alwaar zij woonen, doen blijken, geene zes-honderd Guldens jaarlijksch inkomen te hebben buiten het gemelde Pensioen, en bewijzen toonen van hunne verknogtheid aan de tegenwoordige orde van zaken.

 Art. IV. Alle Geestelijke Goederen en Fondsen, waaruit te vooren de Tractamenten, of Pensioenen, van Leeraaren of Hoogleeraaren der voormaals Heerschende Kerk, betaald werden, worden Nationaal verklaard, om daaruit, eerstlijk, de nog blijvende Tractamenten en Pensioenen te voldoen, en, daarna, tot een vast Fonds te worden aangelegd voor de Nationaale Opvoeding, en ter bezorging der Behoeftigen; blijvende nogthands onverlet de aanspraak, welke eenig Lichaam of Gemeente daarop mogt maaken, en, met de noodige bewijzen voorzien, aan het Vertegenwoordigend Lichaam ter beslissinge zal moeten inleveren.

 V. Alle andere Kerklijke Goederen, door vrijwillige gift, erfmaaking, inzameling of aankoop, bij eenig Kerkgenootschap verkregen, worden als het wettig eigendom der Bezitteren erkend, en, als zoodanigen, aan hun verzekerd.

 VI. Alle Kerkgebouwen en Pastorij-Huisen der voormaals Heerschende Kerk, voor zoo verr' zij, door aanbouw uit de afzonderlijke Kas der Gemeente, geene bijzondere en wettige eigendommen zijn, worden overgelaten aan de beschikking van ieder Plaatslijk Bewind, om deswege tusschen alle Kerkgenootschappen eenig vergelijk te treffen, en wel binnen de eerstkomende zes Maanden na de aanneming der Staatsregeling.
 De grondslag van dit vergelijk is, in iedere Plaats, het grootst aantal van Leden der onderscheiden Kerklijke Genootschappen, hetgeen alzoo de relative meerderheid van Zielen zal uitmaaken.
 Hetzelve zal de vóórkeus hebben omtrend de naasting eener Plaatslijke Kerk en Pastorij, onder bepaaling echter, na gedaane begrooting van de waarde dier Gebouwen, van eene maatige uitkeering, hetzij in eens, of bij termijnen, aan de andere Kerk-Gemeenten, naar evenredigheid van derzelver Leden, welke allen, door deze bepaaling, worden gehouden, voor altijd afstand gedaan te hebben van de gemeene aanspraak.
 De alzoo genaaste Kerken en Pastorijen blijven, ten allen tijde, onder de bezitting, beheering, en het speciaal onderhoud dier Kerk-Gemeenten, aan welken dezelven, volgends het hier voorgaand onderling Contract, zijn toegewezen.
 De geschillen, over dit een en ander ontstaande, worden ten spoedigsten beslist door het Vertegenwoordigend Lichaam.
 De Torens, aan de Kerkgebouwen gehegt, benevens de Klokken, met derzelver huisingen, worden verklaard, eigendommen te zijn en te blijven der Burgerlijke Gemeenten, staande ten allen tijde onder derzelver beheering en onderhoud.

 VII. Alle openbaare Instituuten, ter bevordering der Wetenschappen, in deze Republiek bij de aanneming dezer Staatsregeling aanwezig, blijven op denzelfden voet voordduuren, totdat daaromtrend, door het Uitvoerend Bewind, eenig voorstel van verandering aan het Vertegenwoordigend Lichaam gedaan, en door Hetzelve zal worden goedgekeurd.

 VIII. Ter bevordering van den Landbouw en Koophandel, zorgt het Vertegenwoordigend Lichaam, dat zoodanige Rivieren, Vaarten en Doorsnijdingen, gemaakt worden, als zullen dienen, om de woeste Gronden ten voordeele der Republiek te bereiden.
 Bijzonderlijk zal zulks plaats grijpen, ten opzigte van de Rivieren de Dommel en de Aa; zullende die bevaarbaar gemaakt worden, opwaards de eerste van den Bosch tot Eindhoven, en de laatste van den Bosch tot Helmond, als mede de Run of de Lij tot Oosterwijk.
 Ter volvoering van dit ontwerp, zal, uit 's Lands Kas, jaarlijks, besteed worden eene som van ten minsten vier-honderd-duisend Guldens, tot zoo lang de gemelde Rivieren bevaarbaar zullen wezen.

 IX. De Administrative Bestuuren der voormaals aanwezige Gewesten blijven voordduuren, totdat zij vervangen worden door de Departementaale Administratiën, en zijn inmiddels verpligt, in alles te handelen, overeenkomstig de Staatsregeling, zooals daarin omtrend de Departementaale Bestuuren is vastgesteld.

 Het Bataafsche Volk beveelt de getrouwe handhaving der Acte van Staatsregeling, met de Reglementen, en Additioneele Artikelen, tot dezelve Acte behoorende, aan het Vertegenwoordigend Lichaam, aan het Uitvoerend Bewind, aan de Regterlijke Magt, en aan de verdere Administrative Lichaamen, en verklaart, dat alle inbreuk op dezelven is een aanslag op de veiligheid van den Staat.


Aldus door HET BATAAFSCHE VOLK, in Deszelfs Grond-Vergaderingen, goedgekeurd en bekragtigd, op den 23sten van April, en als zoodanig geproclameerd in DE CONSTITUEERENDE VERGADERING, hetzelve Volk representeerende, in den Haag, den 1sten van Maij 1798, het vierde Jaar der Bataafsche Vrijheid.

(Was geparapheerd)
H.L. van ALTENA Vt.
(Onder stond)
Accordeert met deszelfs Origineel.
(Was geteekend)
ADs. PLOOS van AMSTEL.