Alleen op de wereld/Hoofdstuk XXII
| ← HET HUISGEZIN WORDT OPGEBROKEN | Alleen op de wereld (1880) door Hector Malot, vertaald door Gerard Keller | EEN ZWARTE STAD → |
| Uitgegeven in 's-Gravenhage door Henri J. Stemberg. Van dit artikel bestaat een wikisource HERTALING in modern Nederlands. |
ALLEEN OP DE WERELD.
TWEEDE DEEL.
I.
VOORWAARTS.
Voorwaarts!
De wijde wereld lag daar voor mij open, het deed er niet toe, naar welken kant ik mijn schreden richtte, het kwam er niet op aan of ik naar het noorden of het zuiden, het oosten of het westen ging, ik was geheel vrij.
Hoewel ik nog maar een knaap was, zoo was ik geheel mijn eigen meester.
Helaas! juist dit was het meest treurige van mijn toestand. Er zijn kinderen, die dikwijls bij zichzelf zeggen: „Ach, kon ik maar doen, wat ik gaarne wilde! " en die met verlangen den dag tegemoetzien, waarop zij van hun vrijheid kunnen gebruik maken..., om dwaasheden te begaan.
Ik dacht bij mezelf: „Ach, had ik toch maar iemand, die mij kon raden en leiden."
Tusschen die kinderen en mij was er dus een treurig onderscheid.
Wanneer zij eene dwaasheid begaan, dan hebben zij altijd iemand in hun nabijheid, die hun de hand reikt wanneer zij struikelen, of om hen op te beuren als zij gevallen zijn, terwijl ik niemand had. Als ik struikelde, zou ik moeten vallen en alleen beproeven op te staan, zoo ik althans nog instaat was om op te staan.
Ik had genoeg ondervinding om te begrijpen, dat dit mijn toestand wezen kon — hetgeen mij, ik moet het bekennen, wel eenigen angst aanjoeg.
Hoewel nog zeer jong, was ik reeds menigmaal door het ongeluk getroffen en er dus meer op bedacht voorzichtiger te [ 2 ]zijn dan andere kinderen van mijn leeftijd; dit was een voordeel, dat ik echter duur had moeten koopen.
Vóór ik den weg, die voor mij openlag, betrad, wilde ik eerst hem, die de laatste jaren een vader voor mij geweest was, bezoeken: al had tante Katharina mij niet met de kinderen medegenomen om hem vaarwel te zeggen, moest ik thans wel alleen afscheid van hem gaan nemen.
Zonder ooit zelf voor schuld in hechtenis te zijn genomen, had ik er toch genoeg over hooren spreken om zeker te zijn, dat ik hem in de gevangenis zou vinden. Ik volgde den weg naar de Madeleine, dien ik zeer goed kende. Daar tante Katharina en de kinderen bij hem waren toegelaten, zou men ook mij niet weigeren. Ik was immers ook zijn kind, of liever ik was zijn kind geweest, want hij had mij liefgehad!
Ik durfde, met Capi op mijne hielen, mij niet in alle straten van Parijs wagen. Wat zou ik den agenten van politie hebben moeten antwoorden, als zij mij aanhielden? Voor hen was ik het meest bevreesd geworden, want ik had niet vergeten hetgeen te Toulouse gebeurd was. Ik bond Capi dus een touw om den hals, wat hem zeer in zijn eigenliefde scheen te kwetsen, en daarop begaven wij ons naar de gevangenis van Clichy.
Er zijn in de wereld dikwijls zeer treurige dingen, die, als wij ze zien, ons in een somber gepeins doen vervallen; ik ken er geen droever en onaangenamer dan de deur van een gevangenis; dit maakt ons koud om het harte, meer nog dan de ingang van een grafkelder; de dooden, waarop een steen rust, gevoelen dien niet; de gevangenen zijn levend begraven.
Ik bleef een oogenblik stilstaan vóór dat ik de gevangenis van Clichy durfde binnentreden, zoo bekroop mij de angst, dat men mij er zou houden, en dat die deur, die zware deur, zich nooit voor mij weder zou openen.
Ik verbeeldde mij, dat het zeer moeilijk was om een gevangenis te verlaten, maar ik wist niet, dat er ook heelwat zwarigheden te overwinnen waren, eer men ze kon binnentreden. Ik ondervond dit thans.
Eindelijk echter gelukte het mij, daar ik mij niet liet afschrikken of terugzenden, om te worden toegelaten bij hem, dien ik zien wilde.
Men liet mij in een spreekkamer waar geen tralies voor de vensters waren, zooals ik dacht, dat er zijn zouden, en vader Acquin trad ongeboeid binnen.
— Ik verwachtte u, mijn beste Rémi, zeide hij, en ik heb Katharina beknord, dat zij u niet met de kinderen medegebracht had.
Dien geheelen morgen was ik zeer neerslachtig geweest; zijn woorden beurden mij eenigszins op. [ 3 ]
— Tante Katharina wilde mij niet medenemen.
— Dat was ook onmogelijk, beste jongen; men doet in deze wereld niet wat men wil. Ik ben ervan overtuigd dat gij hard zoudt gewerkt hebben om uw kost te verdienen, maar mijn zwager Suriot zou u geen werk hebben kunnen verschaffen. Hij is sluiswachter aan het kanaal van Nivernais en de sluiswachters, dat weet ge, kunnen geen tuinlieden gebruiken. De kinderen hebben mij verteld, dat gij weder wilt gaan zingen. Gij zijt dus vergeten, dat gij bijna van koude en honger zijt omgekomen.
— Neen, dat ben ik niet vergeten.
— Toen waart gij niet alleen, toen hadt gij iemand, die u leiden kon; op uw leeftijd, mijn jongen, is het een gewaagde stap om geheel alleen zulke verre tochten af te leggen.
— Ik heb Capi nog.
Wanneer Capi zijn naam hoorde noemen, begon hij altijd te blaffen, alsof hij daarmede zeggen wilde: „Ik ben er nog, als gij mij noodig hebt, hier sta ik. "
— Ja. Capi is een goede hond, maar hij is slechts een hond. Hoe zult gij uw kost verdienen?
— Met zingen en door Capi comedie te laten spelen.
— Capi kan toch alleen geen comedie-spelen.
Ik zal hem kunstjes leeren, nietwaar Capi, gij wilt immers alles leeren, wat ik wil?
Hij legde zijn poot op de borst.
— Geloof mij, mijn jongen, als gij verstandig doet, moet ge een dienst zoeken; gij zijt een goed werkman en daarmede kunt gij verder komen dan met langs den weg te loopen; dat is toch eigenlijk maar goed voor luiaards.
— Ik ben niet lui, dat weet ge wel en ik heb mij ook nooit beklaagd, dat ik te veel werk had. Bij u zou ik zooveel gewerkt hebben als ik kon, en ik zou altijd bij u gebleven zijn, maar ik wil niet bij een ander in dienst gaan.
— Ik zeide deze woorden zeker op een zonderlingen toon, want vader Acquin zag mij aan zonder te antwoorden.
— Gij hebt ons dikwijls verteld, begon hij eindelijk, dat gij niet wist, wie Vitalis was, en dat gij bij u zelf dikwijls verwonderd waart over de wijze, waarop hij de menschen aanzag, en over zijn voorname manieren, waarmede hij ze behandelde; maar weet gij wel, dat gij ook die manieren hebt en me nu, naar uw voorkomen te oordeelen, ook niet voor een armen drommel zou houden? Gij wilt niet bij anderen gaan dienen. Nu, misschien hebt gij gelijk en wat ik u daareven zeide was voor uw bestwil, voor niets anders, geloof dat maar. Ik meende, dat het mijn plicht was, om zoo tot u te spreken. Maar gij zijt uw eigen meester, daar gij geen ouders hebt en ik voortaan uw vader niet meer zijn kan. [ 4 ]arme ongelukkige, zooals ik ben, heeft geen recht van spreken.
Zijn woorden hadden mij diep getroffen, vooral daar ik dit ongeveer tot mezelf ook reeds gezegd had.
Ja, het was gewaagd om geheel alleen langs de groote wegen te loopen; ik gevoelde dat, ik zag het zelf ook in, en wanneer men, zooals ik, reeds een zwervend leven geleid had, als men nachten had moeten doorbrengen als die, toen onze honden door de wolven verslonden werden, of die als in de steengroeven van Gentilly; wanneer men het eene dorp na het andere wordt uitgejaagd, zonder een stuiver te verdienen, zooals mij overkomen was, toen Vitalis in de gevangenis zat, dan wist men ook aan welke gevaren men zich blootstelde, en welk een ellende zulk een zwervend leven medebrengt, als men nooit zeker kan zijn van den dag die volgen moet, als zelfs het uur geen zekerheid kan geven.
Maar zoo ik dit leven varen liet, dan schoot mij slechts één ding over, wat vader Acquin mij ook aan de hand gedaan had — een dienst zoeken, en ik wilde niet in dienst gaan. Misschien was het een zeer verkeerde trots van mij, vooral in mijn toestand; maar ik had een meester gehad, aan wien ik verkocht was geworden, en hoewel deze zeer goed voor mij geweest was, wenschte ik thans'toch geen ander, dat stond bij mij vast.
Wat mij nog meer besluiten deed, bij mijn voornemen te blijven om een vrij leven te leiden, was de belofte, die ik aan de kinderen van Acquin had gedaan, want dan zou ik ze aan hun lot moeten overlaten. 't Is waar, zij konden zeer goed buiten mij, want zij zouden elkander kunnen schrijven; maar Lize! Lize niet, want zij kon niet schrijven en tante Katharina evenmin. Lize zou dus voor ons verloren zijn, als ik haar niet bezocht. Wat zou zij van mij denken? Zij kon niet anders denken, dan dat ik niet meer van haar hield, van haar, die altijd even lief voor mij geweest was, zij, die mij steeds gelukkig had gemaakt. Dat was niet mogelijk.
— Wilt gij dan niet, dat ik u nu en dan eenige tijding van ze breng? vroeg ik hem.
— Zij hebben mij daar iets van verteld; maar ik dacht ook niet aan ons, toen ik u aanraadde om van uw muzikanten-leven af te zien; men moet niet eerst aan zich zelf denken en dan aan anderen.
— Juist, vader; gij ziet dus dat gij mij zelf aanwijst, wat mij te doen staat; wanneer ik van mijn voornemen afzie, uit vrees voor de gevaren, waarvan gij spreekt, dan zou ik aan mezelf denken en niet aan u en aan Lize.
Hij zag mij weder aan, maar nu nog langer; daarop vatte hij eensklaps mijn beide handen. [ 5 ]
— Voor die woorden moet ik je danken, mijn jongen; gij hebt een hart en dat krijgt men niet met de jaren.
Wij waren alleen in de spreekkamer, en zaten naast elkander op een bank. Zijn woorden deden mij goed en ik was er trotsch op hem te hooren zeggen, dat ik een hart had.
— Ik zeg niets meer, mijn jongen, hervatte hij, dan God behoede u.
Een oogenblik zwegen wij beiden; de tijd was bijna verstreken en wij moesten scheiden.
Plotseling stak hij de hand in zijn vestzak en haalde een groot zilveren horloge daaruit te voorschijn, dat met een koord aan een knoop van zijn buis bevestigd was.
— Wij mogen niet van elkander scheiden, zonder een aandenken van mij. Hier hebt ge mijn horloge. Het heeft niet veel waarde, want ge begrijpt, dat ik het anders verkocht zou hebben. Het loopt evenmin goed en nu en dan moet gij er maar eens een duwtje aan geven. Maar het is al, wat ik op het oogenblik bezit, daarom geef ik het u.
Dit zeggende, legde hij het in mijn hand; toen ik er mij tegen verzette om zulk een geschenk van hem aan te nemen, voegde hij er op treurigen toon bij:
— Gij begrijpt, dat ik hier niet behoef te weten, hoe laat het is; de tijd duurt hier maar al te lang, ik zou er van sterven, als ik de uren tellen moest. Vaarwel, goede Rémi, geef mij nog een kus; gij zijt een brave jongen; zorg dat altijd te zijn.
Ik meende, dat hij mij toen bij de hand nam om mij naar de deur te brengen; maar wat toen tusschen ons voorviel, wat wij toen tot elkander zeiden, dat herinner ik mij niet meer; ik was te aangedaan.
Als ik nog aan deze scheiding denk, als ik ze mij weder in het geheugen terugroep, dan maakt zich weder dezelfde verslagenheid van mij meester.
Ik geloof dat ik geruimen tijd voor de deur van de gevangenis staan bleef, zonder er toe te kunnen komen om rechts of links te gaan en misschien zou ik 's avonds daar nog gestaan hebben, als mijn hand niet toevallig in mijn zak een rond en hard voorwerp gevoeld had.
Werktuiglijk en zonder te weten wat ik deed, stamelde ik: „Mijn horloge!"
Voor het oogenblik vergat ik al mijn verdriet en kommer; ik dacht slechts aan mijn horloge. Ik had een horloge, een eigen horloge in mijn zak, waarop ik zien kon hoe laat het was: het stond op twaalf uur. Dat was voor mij echter volstrekt van geen belang, mij was twaalf, tien of twee uur onverschillig; maar toch was ik blijde, dat het twaalf uur was. Waarom? ik zou het [ 6 ]moeilijk hebben kunnen zeggen; maar het was zoo. O, twaalf uur, gelukkig reeds twaalf uur! Het scheen mij toe, alsof een horloge een vertrouwd vriend was, aan wien men raad vraagt en met wien men een gesprek voert.
— Hoe laat is het, mijn vriend?
— Twaalf uur, beste Rémi.
— O twaalf uur, dan moet ik dit of dat gaan doen. — Zeker.
— Gij hadt gelijk, dat ge mij er aan herinnerdet, want zonder u zou ik het vergeten hebben. — Ik ben er immers om het u te helpen herinneren?
Met Capi en mijn horloge kon ik dus voortaan spreken.
Mijn horloge! Dat waren een paar heerlijke woorden om uit te spreken. Ik had altijd naar een horloge verlangd en ik was er steeds van overtuigd geweest, dat ik er nooit een bezitten zou. En toch had ik er nu een in mijn zak, een dat voortdurend tikte. Het liep niet erg goed, had vader Acquin gezegd. Het liep, en dat was voldoende. Nu en dan moest ik eens aan de wijzers duwen. Dat zou ik van tijd tot tijd doen en als dat niet hielp, zou ik het zelf wel eens nazien. Dat zou eerst prettig zijn; ik zou het van binnen bekijken en zien hoe het liep. Het moest dus goed loopen, want ik zou het zeer streng behandelen.
Ik had mij zoo geheel door mijn vreugde laten medesleepen, dat ik niet eens de blijdschap van Capi bemerkte; hij sprong tegen mijn been op en liet van tijd tot tijd een zacht blaffen hooren. Eindelijk gelukte het hem, om mij in mijn gepeins te storen.
— Wat wilt gij Capi?
Hij keek mij aan en daar ik hem niet terstond begreep, richtte hij zich op en legde zijn poot op mijn zak, waarin ik het horloge bewaarde.
Hij wilde weten hoe laat het was, om het aan het „geëerde publiek" te kunnen zeggen, evenals toen hij nog bij Vitalis was.
Ik liet het hem zien; een poos bleef hij er op staren, alsof hij zich iets wilde herinneren; daarop kwispelde hij met den staart blafte twaalf maal: hij had het niet vergeten. Wat een geld zouden wij al niet met dit horloge verdienen! Dat was nog een kunstverrichting, waarop ik niet gerekend had.
Daar dit allemaal op straat gebeurde, juist tegenover de deur van de gevangenis, bleven verscheidene menschen stilstaan om ons gade te slaan.
Als ik gedurfd had, zou ik op dat oogenblik zelf een voorstelling gegeven hebben, maar uit vrees voor de politie, stelde ik het voorloopig uit.
Het was bovendien twaalf uur en juist een geschikte tijd om opweg te gaan. [ 7 ]
— Voorwaarts!
Ik wierp een laatsten blik, een laatst vaarwel naar de gevangenis, achter wier muren de ongelukkige Acquin zat opgesloten, terwijl ik vrij was en gaan kon, waarheen ik wilde. Wij vertrokken.
Wat mij op mijn reizen het meest van pas kon komen, was een kaart van Frankrijk; ik wist waar ik die koopen kon en begaf mij in de eerste plaats daarheen.
Toen ik een plein overstak, viel mijn oog op de wijzerplaat van den toren der Tuileriën en gevoelde ik lust om te zien of de klok en mijn horloge gelijk gingen. Mijn horloge stond op halfeen en de klok wees één uur. Wie van beide liep dus te langzaam? Ik gevoelde grooten lust om mijn horloge wat vooruit te zetten, maar na een oogenblik nadenken zag ik hiervan af: het was volstrekt niet zeker, dat mijn horloge verkeerd liep; het kon zeer wel zijn, dat de klok slecht ging. Ik borg mijn horloge dus weer in den zak en zeide tot mezelf, dat voor hetgeen ik te doen had, dit juist de geschiktste tijd was.
Het duurde lang eer ik een kaart had, tenminste zoo'n kaart als ik wenschte te hebben, dat is te zeggen, een, die op linnen geplakt was en dichtgevouwen kon worden, en niet duurder dan een gulden, wat voor mij al zeer veel was. Gelukkig vond ik er een, die geel was geworden en die ik voor een prijsje kon koopen.
Nu kon ik Parijs verlaten, — wat ik dan ook besloot zoo spoedig mogelijk te doen.
Tusschen twee wegen kon ik kiezen: dien van Fontainebleau naar de grenzen van Italië of dien van Orléans over Moutrouge; de een was mij even onverschillig als de ander en het toeval wilde, dat ik dien van Fontainebleau koos.
Toen ik op een bordje den naam van de straat Mouffetard las, kwamen tal van herinneringen bij mij op: Garofoli. Mattia Ricardo, de knaap met zijn marmotjes, de zweep en Vitalis, mijn goede meester, die gestorven was, omdat hij mij niet verhuurd had aan den padrone in de straat Lourcine; ik meende zelfs bij den ingang van de naburige kerk in een knaap Mattia te herkennen: hij had hetzelfde groote hoofd, dezelfde starende oogen en sprekende trekken, kortom, zijn gansche voorkomen deed mij aan hem denken; maar zonderling, hij was in dien tusschentijd niet gegroeid.
Ik naderde hem om mezelf te overtuigen; er viel niet meer te twijfelen, hij was het. Ook hij herkende mij, want op zijn bleek gelaat kwam een glimlach.
— Gij zijt immers met dien ouden man by Garofoli geweest, juist toen ik op het punt stond om naar het hospitaal te gaan? O wat had ik toen een hoofdpijn! [ 8 ]
— En is Garofoli nog altijd uw meester?
Hij wierp eerst een blik om zich heen, vóór dat hij mij antwoordde.
Garofoli is in de gevangenis; men heeft hem in hechtenis genomen, omdat hij Oslando doodgeslagen heeft.
Het deed mij genoegen, dat Garofoli in de gevangenis zat en voor de eerste maal in mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat de gevangenissen, die mij gewoonlijk zooveel afschuw inboezemden, toch ook haar nut hadden.
— En de jongens? vroeg ik.
— O, dat weet ik niet; ik was niet bij Garofoli's inhechtenisneming tegenwoordig. Toen ik het gasthuis verliet, zag Garofoli in, dat ik niet geschikt was om geslagen te worden, daar ik er altijd ziek van werd; hij besloot toen om mij weg te zenden en verhuurde mij voor twee jaar, met vooruitbetaling, aan het paardenspel van Gassot. Kent gij het paardenspel van Gassot niet? Het is niet heel groot, maar het is er toch een. Zij hadden daar een kind noodig om bij den ingang te staan en Garofoli verhuurde mij aan Gassot. Bij dezen ben ik tot verleden Maandag gebleven; toen heeft hij mij weggezonden, omdat mijn hoofd te groot is om in het loketje te zitten. Ik heb Gisors, waar het cirque was opgeslagen, verlaten om weder bij Garofoli te komen, maar deze was nergens te vinden; het huis was gesloten en een buurman heeft mij verteld, dat Garofoli in de gevangenis zat. Ik ben toen daarheen gegaan, daar ik niet wist wat te doen of waarheen mij te begeven.
— Waarom zijt ge niet naar Gisors teruggekeerd?
— Omdat dienzelfden dag, toen ik het paardenspel verliet, dit naar Rouaan vertrok, en hoe zou ik naar Rouaan gaan? Het is veel te ver en ik heb geen geld; sedert gisterenmiddag heb ik niets gegeten.
Ik was niet rijk, maar ik had toch geld genoeg om dit ongelukkige kind niet van honger te laten omkomen; hoe dankbaar zou ik niet geweest zijn als men mij op weg naar Toulouse, toen ik even hongerig was als Mattia op dit oogenblk, een stukje brood gegeven had.
— Wacht mij hier, zeide ik.
Ik liep zoo gauw ik kon naar een bakker, die op den hoek van de straat woonde en keerde met een stuk brood terug, dat ik hem aanbood; hij brak het klein en begon er met gulzigheid van te eten.
— En wat wilt gij thans gaan doen? vroeg ik hem.
— Dat weet ik niet.
— Gij moet toch iets gaan beginnen.
— Ik wilde juist mijn viool gaan verkoopen, toen gij mij aanspraakt en zeker zou ik ze reeds verkocht hebben, als het mij [ 9 ]niet zooveel kostte om ervan te scheiden. Het is mijn eenig genot en troost. Als ik mij erg treurig gevoel, dan zonder ik mij af en speel voor mezelf eenigen tijd en dan zie ik allerlei mooie dingen in den hemel, veel mooier nog dan in mijn droomen, dat spreekt.
— Waarom speelt gij dan niet op straat op uw viool?
— Ik heb erop gespeeld, maar niemand heeft mij er iets voor gegeven.
Ik wist hoe onaangenaam het was, als niemand eraan dacht om zijn hand in den zak te steken.
— En gij? vroeg Mattia, wat gaat gij thans doen?
— Ik weet niet waarom, maar door een gevoel van ijdelheid gedreven, zeide ik:
— Wel, ik ben het hoofd van een troep.
— Het was de waarheid, dat ik een troep bezat, want Capi maakte er een deel van uit, maar toch grensden mijn woorden zeer nauw aan een leugen.
— O, als gij dan wilt ... begon Mattia.
— Wat?
— Mij bij uw troep opnemen.
Toen werd ik weder oprecht.
— Hier hebt gij mijn heelen troep, zeide ik, op Capi wijzende.
— Welnu, wat doet er dat toe, dan zijn we met ons beiden. Ik bid u, laat mij niet aan mijn lot over; wat zou er van mij worden? waarschijnlijk zou ik van honger sterven.
— Van honger sterven! Allen, die dezen kreet hooren, zullen hem niet volgens dezelfde wijze opvatten en evenmin zal hij bij een ieder ingang vinden. Mij sneed hij door de ziel: ik wist wat het zeggen wilde van honger te sterven.
— Ik kan werken, vervolgde Mattia; ik speel viool, ik kan koorddansen, door een hoepel springen en zingen; gij zult zien, ik zal alles doen wat gij wilt; ik zal uw knecht zijn, ik zal u gehoorzamen; ik behoef geen geld, maar slechts voedsel; als ik iets verkeerd doe, dan kunt gij mij slaan; gij moet mij niet op mijn hoofd slaan, dat moet gij mij beloven, want mijn hoofd is zeer gevoelig, daar Garofoli mij zoo dikwijls erop geslagen heeft.
Toen ik dien armen Mattia zoo hoorde spreken, voelde ik dat er tranen in mijn oogen welden. Het zou mij onmogelijk zijn geweest hem zijn verzoek niet in te willigen. Van honger sterven! Maar had hij met mij daar niet evenveel kans op als wanneer hij alleen bleef?
Ik maakte hem daarop opmerkzaam, maar hij wilde er niets van hooren.
— Neen, antwoordde hij, met zijn beiden sterft men niet van honger; men steunt en helpt elkander; hij die iets heeft, geeft aan den ander een deel van het zijne. [ 10 ]
Deze woorden maakten een eind aan mijn aarzeling: daar ik iets had, moest ik hem dus helpen.
— Nu, sla dan toe, zeide ik.
Hij vatte mijn hand en kuste die, en dit trof mij zoo, dat ik niet langer mijn tranen bedwingen kon.
— Ga met mij mede, zeide ik, maar niet als mijn knecht, als mijn makker.
Ik hing toen mijn harp weder over den schouder.
— Voorwaarts! sprak ik.
Een kwartier later hadden wij Parijs verlaten.
De voorjaarszon had de wegen gedroogd en de grond was zelfs hard, zoodat wij gemakkelijk konden voortloopen.
Het was zoel in de lucht en de aprilzon stond aan den blauwen, onbewolkten hemel.
Welk een verschil met dien dag, toen ik voor de eerste maal Parijs binnentrad, die stad waarnaar ik zoo vurig had verlangd, alsof ze het beloofde land was.
Langs de slooten zag men hier en daar reeds eenige grassprieten en een meizoentje of krokus kwam van tijd tot tijd uit de aarde te voorschijn.
Als wij voorbij tuinen kwamen, zagen wij de takjes der seringen tusschen het groen, wanneer dit door een zachte koelte bewogen werd en soms viel de bloesem van een vroeg bloeienden boom op ons hoofd.
In de tuinen, in het kreupelhout langs den weg, in de hooge boomen, overal hoorden wij het tjilpen der vogels en voor ons uit scheerden van tijd tot tijd de zwaluwen langs den weg, om het een of ander onzichtbaar mugje te vervolgen.
Onze reis begon goed en vol vertrouwen stapte ik voort; Capi, die nu van zijn touw bevrijd was, sprong om ons heen en blafte alle rijtuigen en steenhoopen na, blafte tegen alles en niets, uit louter pleizier om te blaffen, wat voor de honden waarschijnlijk een even groot genot moet zijn als voor de menschen om te zingen.
Mattia liep zwijgend naast mij voort; ongetwijfeld dacht hij over alles na en ik zeide ook niets, daar ik hem niet wilde storen en ik zelf ook tot nadenken wilde komen.
Waarheen gingen wij met zulk een vastberaden tred?
Eerlijk gezegd wist ik het zelf niet goed, of liever in het geheel niet.
Vooruit. Maar dan?
Ik had aan Lize beloofd, dat ik eerst Martha en haar broeders zou gaan zien, vóór ik haar bezoeken zou; maar verder had ik geen afspraak gemaakt: het was dus hetzelfde met wien ik begon, of ik eerst naar Cevennes, naar Charente of naar Picardie ging.
Daar ik Parijs in een zuidelijke richting verlaten had, sprak [ 11 ]het vanzelf, dat Benjamin niet in de termen van een bezoek viel, maar dat ik tusschen Alexis en Martha kiezen moest.
Niet zonder réden had ik Parijs van die zijde verlaten, want ik had een onbestemd verlangen om vrouw Barberin terug te zien.
Al heb ik in lang niet over haar gesproken, men moet daaruit niet opmaken, dat ik haar als een ondankbare vergeten had.
Evenmin moet men mij voor ondankbaar houden, omdat ik haar nooit geschreven heb in al dien tijd, dat ik van haar gescheiden ben geweest.
Hoe dikwijls kwam de gedachte niet bij mij op om aan haar te schrijven en haar te zeggen: „Ik denk aan u en ik houd altijd nog veel van u"; maar daar ik bang was voor Barberin, zag ik altijd van dit plan af.
Als Barberin mij eens door middel van mijn brief terugvond, en mij dan weder bij zich nam; als hij mij nogmaals aan een anderen Vitalis verkocht, die niet als Vitalis zou zijn? Ongetwijfeld had hij daartoe het recht. En deze gedachte deed mij telkens besluiten, liever van ondankbaarheid beschuldigd te worden, dan gevaar te loopen weder in Barberins macht te vallen, hetzij dat hij daarvan gebruik maakte om mij te verkoopen, hetzij hij mij onder zijn opzicht zou laten werken. Liever zou ik sterven desnoods van honger sterven — dan aan een dergelijk gevaar te worden blootgesteld, waarvan het denkbeeld alleen mij reeds schrik aanjoeg.
Maar zoo ik niet aan vrouw Barberin had durven schrijven, scheen het mij toch toe, dat ik vrij was om te gaan waar ik wilde, en ik kon tenminste beproeven haar te zien. Zelfs sedert ik Mattia bij mijn troep had opgenomen, zeide ik tot mezelf, dat het zeer gemakkelijk gaan zou. Ik zond Mattia vooruit, terwijl ik uit voorzichtigheid achterbleef; hij zou bij vrouw Barberin binnengaan en haar onder het een of ander voorwendsel laten praten; als zij alleen was, zou hij haar de waarheid kunnen zeggen, mij komen waarschuwen en ik zou den drempel van het huis weder betreden, waar ik als kind gewoond had en mij in de armen werpen van haar, die mij in mijn eerste jeugd had verzorgd; als Barberin echter tehuis was, dan zou Mattia vrouw Barberin verzoeken op een bepaalde plaats te komen, en daar zou ik haar dan komen omhelzen.
Terwijl ik voortliep bouwde ik deze luchtkasteelen en dit maakte mij stil, want ik had al mijn gedachten en al mijn overleg wel noodig om zulk een belangrijk punt vast te stellen.
Ik moest niet alleen de gelegenheid vinden om vrouw Barberin op te zoeken, maar ik moest ook mezelf overtuigen, dat wij door steden en dorpen zouden trekken, die ons een voldoende opbrengst zouden geven. [ 12 ]
Daarvoor moest ik eerst mijn kaart raadplegen.
Wij bevonden ons nu geheel buiten en wij konden zeer goed een oogenblik uitrusten, zonder dat we bevreesd behoefden te zijn gestoord te worden.
— Als gij het goedvindt, zeide ik tot Mattia, dan zullen we hier wat uitrusten.
— Vindt ge het goed, dat we nu wat praten?
— Hebt gij mij iets te zeggen?
— Ja.
Ik haalde uit mijn reiszak de kaart te voorschijn en spreidde die op het gras uit. Het duurde lang eer ik mij goed op de hoogte gesteld had, maar eindelijk gelukte het mij toch mijn weg af te bakenen: Corbeil. Fontainebleau. Montargis. Gier. Bourges. Saint-Amand. Montlucour. Wij konden dus zeer goed naar Chavanon gaan en als het ons nu wat medeliep, dan zouden we op weg geen honger behoeven te lijden.
— Wat is dit? vroeg Mattia, op de kaart wijzende.
Ik legde hem toen uit wat het was en waartoe het diende, met ongeveer dezelfde woorden, als Vitalis gebruikt had, toen hij mij de eerste les in de aardrijkskunde gaf.
Hij luisterde aandachtig, terwijl hij mij strak aanzag.
— Maar dan moet men kunnen lezen.
— Zeker; kunt gij dan niet lezen?
— Neen.
— Wilt gij het leeren?
— O ja, dat wil ik gaarne.
— Welnu, dan zal ik het u leeren.
— Kan men dan op de kaart den weg van Gisors naar Parijs vinden.
— Zeker, zeer gemakkelijk zelfs.
En ik wees hem dien op de kaart.
In het eerst wilde hij niet gelooven wat ik hem vertelde, terwijl ik met mijn vinger den weg op de kaart volgde.
— Ik heb hem te voet afgelegd, zeide hij, en die weg was veel verder.
Ik legde hem toen zoo goed mogelijk, hoewel niet zeer duidelijk, uit, op welke wijze de afstanden op de kaart worden aangewezen; hij luisterde wel naar mij, maar scheen niet zeer veel vertrouwen in mijn wetenschap te stellen.
Toen ik mijn zak geopend had, kwam ik op de gedachte om hem eens nader te onderzoeken en ik was ook blijde, dat ik al mijn schatten eens aan Mattia kon laten zien. Ik legde ze allen op het gras.
Ik bezat drie linnen hemden, drie paar kousen, vijf zakdoeken; alles was zeer goed in orde, behalve een paar halfversleten schoenen. [ 13 ]
Mattia stond als verstomd.
— En wat hebt gij? vroeg ik.
Ik heb mijn viool en die draag ik altijd bij mij.
— Welnu, zeide ik, wij zullen alles deelen, zooals dat onder makkers behoort: gij krijgt twee hemden, twee paar kousen en drie zakdoeken; daar wij alles eerlijk moeten deelen, zullen wij beurtelings elk een uur lang de reistasch dragen.
Mattia weigerde eerst dit aanbod aan te nemen, maar ik was reeds gewend om mijn bevelen te geven, wat ik zeer prettig vond — dat moet ik bekennen — en ik verbood hem dus zich hiertegen langer te verzetten.
Op mijn hemden had ik het werktaschje van Martha uitgestald en een doosje met Lize's roos daarnaast gelegd; hij wilde dit openen, maar dat stond ik hem niet toe; ik legde het daarom weder in de tasch zonder het zelf te openen.
— Zoo ge mij pleizier doen wilt, zeide ik, dan zult ge nooit aan dit doosje komen: dat is een geschenk.
— Goed, hernam hij, ik beloof het u.
Sedert ik weder mijn schapevacht en mijn harp had omgehangen, had ik toch iets, dat mij hinderde: het was mijn broek. Ik meende dat een kunstenaar geen lange broek moest dragen; als men in het publiek optrad moest men korte broeken dragen met kousen, waarover gekleurde schoenlinten kruiselings gebonden waren. Een lange broek was goed voor een tuinman, maar niet voor mij die thans kunstenaar was!....
Als men zich eenmaal iets in het hoofd gesteld heeft en meester over zijn eigen daden is, dan draalt men niet om zijn wil ten uitvoer te brengen. Ik opende Martha's werktaschje en haalde de schaar eruit te voorschijn.
— Terwijl ik mijn broek in orde maak, zeide ik tot Mattia, moet gij mij in dien tijd eens laten hooren, hoe gij op de viool speelt.
— O, dat is goed.
Hij nam daarop de viool en begon te spelen.
In dien tusschentijd zette ik dapper de punt der schaar in de stof van mijn broek, even boven de knie en begon er de beenen af te knippen.
Het was een goede broek van grijs laken, evenals mijn jas en vest, en toen vader Acquin haar mij gegeven had, was ik er erg mede in mijn schik geweest; maar het kwam niet bij mij op, dat ik haar geheel vernielde door er een stuk af te knippen; integendeel.
In het eerst had ik onder het knippen naar Mattia geluisterd, maar al spoedig had ik de schaar opzijde gelegd en was ik geheel gehoor; Mattia speelde bijna even mooi als Vitalis. [ 14 ]
— En wie heeft u viool leeren spelen? vroeg ik, in de handen klappend.
— Niemand, of liever iedereen, en vooral mezelf, door mij veel te oefenen.
— En wie heeft u muziek geleerd? Dat weet ik niet; ik speel wat ik heb hooren spelen.
— Ik zal ze u leeren.
— Gij kent dus alles? Dat moet wel, daar ik directeur van een tooneelgezelschap ben.
Men is geen kunstenaar zonder eigenwaan; ik wilde aan Mattia toonen, dat ik ook musicus was.
— Ik nam mijn harp, en zonder eenige inleiding begon ik mijn beroemd lied.
e padrona crudele".
En zooals het onder artisten behoort, betaalde Mattia mijn spel met dezelfde loftuitingen als ik het zijne; hij had veel talent maar ook ik had talent en wij waren elkander waardig.
Maar toch konden wij daar niet blijven zitten en elkaar tal van complimenten maken; wij moesten, na voor ons zelven en ons eigen genot muziek te hebben gemaakt, muziek maken voor een avondmaal en een slaapplaats.
Ik sloot mijn reiszak weder, dien Mattia thans over zijn schouder hing.
En nu voorwaarts over den bestoven weg; nu moesten wij in het eerste dorp, waar wij aankwamen, blijven en daar een voorstelling geven; „eerste optreden van het gezelschap Rémi."
— Leer mij uw lied, zeide Mattia, wij zullen het dan samen zingen en ik denk, dat ik het wel spoedig met de viool zal kunnen begeleiden; dat moet zeer mooi zijn.
— Dat zou zeker zeer mooi zijn en het geëerde publiek" zou wel een hart van steen moeten hebben om ons niet ruimschoots daarvoor te beloonen.
Die ramp werd ons echter bespaard. Toen wij een dorp bereikten en wij bezig waren een geschikte plaats voor onze voorstelling uit te zoeken, kwamen wij voorbij een boerderij, waar tal van menschen, gedost in hun zondagsche kleeren met bloemen en linten versierd, bij elkander waren; men behoefde niet heel slim te zijn om te raden, dat dit een bruiloft was.
Plotseling viel het mij in, dat deze menschen het misschien wel prettig zouden vinden, als wij muziek maakten om hen te laten dansen; ik liep de plaats dus op, gevolgd door Mattia en Capi, en met mijn hoed in de hand en een diepe buiging (de [ 15 ]deftige buiging van Vitalis) deed ik aan den eersten persoon, dien ik tegenkwam, dit voorstel.
Het was een groote jonge man, wiens rood gelaat door een paar stijve hooge boorden, die tot aan de ooren reikten, was ingesloten; hij zag er goedhartig en bedaard uit.
Hij gaf mij geen antwoord; maar zich geheel omkeerende tot eenige bruiloftsgasten — want zijn fonkelnieuwe jas scheen hem in zijn bewegingen te hinderen — stak hij twee vingers in den mond, en liet daarop een schel gefluit hooren, waarvan zelfs Capi schrikte.
— Heila, ho! vrienden! riep hij; wat denkt gij van een stukje muziek? Hier komen juist eenige muzikanten.
— O ja, ja! muziek, muziek! riepen allen als uit één mond.
— Maakt plaats voor een quadrille.
En binnen winige minuten hadden de dansers een kring gevormd en waren alle kippen en vogels die rondliepen op de vlucht geslagen.
— Hebt gij wel eens een quadrille gespeeld? vroeg ik Mattia fluisterend in het italiaansch, want ik gevoelde mij in het geheel niet gerust.
— Ja.
— En hij begon er een op zijn viool te spelen, toevallig kende ik ze. Wij waren dus gered.
Er werd een karretje uit den stal gehaald en de boomen op den grond gelegd, zoodat wij er konden instijgen.
Hoewel wij nooit samen gespeeld hadden, bleef onze quadrille toch goed in de maat. Het is waar, ons gehoor was niet zeer fijn, noch aan veel gewend.
— Kan een van u op den waldhoren blazen? vroeg de groote man.
— Ja, ik, antwoordde Mattia, maar ik bezit er geen.
— Ik zal er een gaan halen, want ik vind een viool wel heel mooi, maar ijselijk pieperig.
— Speelt gij dan ook op den waldhoren? vroeg ik in het italiaansch aan Mattia.
— Ook op de schuiftrompet en de fluit.
Mattia was ongetwijfeld een groote aanwinst voor mij.
De waldhoren was spoedig gehaald en weder begonnen wij quadrilles, polka's en walsen te spelen.
Wij speelden, zonder een oogenblik op te houden, tot aan den nacht toe door; dat was voor mij niet heel erg, maar wel voor Mattia, want hij had de zwaarste partij, daar hij bovendien vermoeid was van de reis en de ontberingen.
Van tijd tot tijd zag ik hem bleek worden, maar hij speelde toch door, en blies zoo hard hij kon door den horen. [ 16 ]
Gelukkig was ik niet de eenige, die zijn bleekheid opmerkte, de bruid zag het eveneens.
— Nu is het genoeg, sprak zij, de kleine jongen kan het niet langer volhouden; nu moet ieder zijn beurs openen voor de muzikanten.
Als gij het goedvindt, zeide ik, terwijl ik uit den wagen sprong, dan zal onze kassier met het bakje rondgaan.
Ik wierp Capi mijn hoed toe, dien hij in zijn bek opving.
Allen bewonderden om strijd de bevallige buiging, die hij maakte, als men hem iets gegeven had, maar wat voor ons nog wel het meeste waard was, hij haalde zeer veel op; daar ik hem volgde, kon ik telkens een stuk zilver zien glinsteren; bij de bruid kwam hij het laatste en deze legde er een rijksdaalder in.
Welk een schat! En daarmede was het nog niet gedaan. Men noodigde ons in de keuken en zorgde in een schuur voor een slaapplaats. Als wij den anderen morgen deze gastvrije woning verlieten, zouden wij minstens vijftien gulden bezitten.
— Dat hebben we aan u te danken. Mattia, zeide ik tot mijn makker; alleen zou ik nooit zoo'n orkest hebben kunnen samenstellen.
Toen ik dit zeide, schoten mij plotseling de woorden van vader Acquin te binnen, toen ik begonnen was met Lize les te geven. Weder had ik een bewijs, dat men voor het goede, wat men doet, beloond wordt.
— Ik had een dwazer streek kunnen begaan dan u in mijn troep op te nemen.
Met vijftien gulden in onzen zak waren wij rijk, en toen wij te Corbeil kwamen, durfde ik, zonder al te onvoorzichtig te zijn, eenige noodzakelijke inkoopen doen; in de eerste plaats een waldhoren, die ons één gulden vijftig cents kostte, bij een oudroest; hij was wel niet nieuw, maar toch tamelijk onderhouden en zeker zou hij ons goed te stade komen; voorts kocht ik rood lint voor onze kousen en een versleten ransel voor Mattia, want het was minder vermoeiend om altijd een lichten zak, dan nu en dan een zwaren op den rug te dragen. Wij zouden alles wat wij dragen moesten, eerlijk verdeelen en op die wijze veel vlugger kunnen loopen.
Toen wij Corbeil verlieten, waren wij werkelijk goed ingespannen; al onze inkoopen waren betaald, en wij hadden nog veertien gulden over, daar onze voorstellingen zeer veel hadden opgebracht. Ons répertoire hadden we zóó samengesteld, dat we verscheidene dagen achtereen in dezelfde streek konden blijven, zonder dat we te veel in herhalingen behoefden te vervallen; gelukkig konden Mattia en ik uitmuntend met elkaar omgaan en waren wij als broeders voor elkander. [ 17 ]
— Gij begrijpt toch wel, dat het al te mooi is, dat de chef van een troep nooit slaat, zeide hij dikwijls, lachende.
— Gij zijt dus tevreden?
Of ik tevreden ben! Voor het eerst van mijn leven, sedert ik mijn land verlaten heb, verlang ik niet naar het ziekenhuis.
— Deze gunstige toestand prikkelde mijne eerzucht.
Toen wij Corbeil verlaten hadden, begaven we ons naar Montargis, welke stad in dezelfde richting lag als het dorp van vrouw Barberin.
Als ik moeder Barberin ging opzoeken, kweet ik mij tevens van mijn schuld; toch kon ik haar maar zeer weinig en lang niet voldoende mijn dank betuigen.
Als ik eens iets voor haar medebracht....
Nu ik rijk was, mocht ik haar ook wel een geschenk aanbieden.
Wat zou ik haar geven?
Lang zou ik niet behoeven te zoeken.
Eén ding zou haar overgelukkig maken, niet alleen voor het een koe, die de oogenblik, maar zelfs op haar ouden dag, plaats van de arme Roussette zou kunnen innemen.
Hoe blijde zou vrouw Barberin zijn als ik haar een koe gaf, maar welk een genot zou dit ook voor mij zijn! Vóór dat wij te Chavanon kwamen, zou ik een koe koopen en Mattia zou hem dan aan een touw het hek bij vrouw Barberin binnenleiden. Tenminste als Barberin er niet was. — Vrouw Barberin, zou Mattia zeggen, hier breng ik u een koe. — Een koe! gij vergist u, mijn jongen. — En zij zou zuchten. — Neen vrouwtje, ik vergis me niet, want gij zijt immers vrouw Barberin uit Chavanon? Welnu, bij vrouw Barberin heeft de prins (evenals in de sprookjes) gezegd, dat ik deze koe brengen moest. — Welke prins? — Ik zou dan te voorschijn komen en mij in de armen van mijn pleegmoeder werpen, en als we elkaar dan alles verteld hadden, zouden we pannekoeken gaan bakken, die wij drieën en niet Barberin zouden eten, zooals op dien Woensdag, toen hij teruggekomen was en onze pan omgeworpen en de boter door zijn uiensoep geroerd had.
Welk een heerlijke droom! Maar om dien te verwezenlijken moest ik een koe kunnen koopen.
Wat zou een koe wel kosten? Daar had ik volstrekt geen begrip van; zeker zeer duur, maar hoe duur dan wel?
Ik wilde geen heel groote en geen heel zware koe. Want in de eerste plaats, hoe zwaarder ze weegt, hoe duurder zij is en bovendien, hoe vetter een koe is, hoe meer zij eet, en ik wilde niet dat mijn geschenk vrouw Barberin in verlegenheid zou brengen. [ 18 ]
Voor het oogenblik moest ik dus slechts den prijs der koeien weten, of liever van een koe, zooals ik er een verlangde.
Gelukkig was dat niet zeer moeilijk voor mij en onderweg of 's avonds in de herberg, kwamen wij dikwijls in aanraking met koeiendrijvers of veekoopers. Niets was dus eenvoudiger dan hun naar den prijs te vragen.
Maar de eerste maal, dat ik deze vraag aan een ossendrijver deed, wiens eerlijk gelaat mij had aangetrokken, lachte hij mij in mijn gezicht uit.
De man sloeg met zijn vuist op de tafel, terwijl hij zijn rug in den stoel wierp; daarop riep hij de waardin.
— Weet ge, wat mij die kleine muzikant vraagt? Wat een koe kost, geen groote en geen zware, maar toch een goede koe. Moet zij misschien kunstjes leeren?
En wederom begon hij te lachen, maar ik liet mij niet van mijn stuk brengen.
— Zij moet veel melk geven en niet veel eten.
— Moet zij misschien evenals uw hond aan een touw langs den weg loopen?
Toen hij eindelijk uitgelachen had en zijn spotternijen ophielden, was hij wel geneigd mij een ernstig antwoord te geven en begon hij zelfs een gesprek met mij.
Hij had juist wat ik verlangde, een goede koe, die veel melk gaf, melk zoo dik als room, en bijna niets at; als ik hem honderd, gulden gaf, dan kreeg ik de koe.
Hoeveel moeite het mij gekost had om hem tot spreken te krijgen, het viel mij nog zwaarder om hem te doen zwijgen, toen hij eenmaal begonnen was.
Eindelijk konden wij naar bed gaan en ik had alle gelegenheid om over zijn woorden na te denken.
Honderd gulden, zoo'n som zou ik in langen tijd niet bij elkander hebben.
Zou ik die kunnen verdienen? Het scheen mij onmogelijk toe en toch, als het ons nu evenzoo bleef medeloopen als in de eerste dagen het geval was, dan zou ik er misschien kunnen komen.
Maar ik moest er den tijd voor hebben.
Ik kwam toen op een andere gedachte: als wij inplaats van naar Chavanon te gaan, eerst Varses bezochten, daarmede zouden wij dan tevens tijd winnen, daar het een omweg was.
Wij moesten dus eerst naar Varses trekken en vrouw Barberin op onzen terugweg bezoeken; ik zou dan zeker mijn honderd gulden hebben en wij konden ons tooneelstuk: „De koe van den Prins" vertoonen. [ 19 ] Den anderen dag maakte ik Mattia met mijn plan bekend, die er zich volstrekt niet tegen verzette.
Laten wij naar Varses gaan, zeide hij; de mijnen zijn zeer belangrijk, vooral daar ik er nooit een gezien heb.