Alleen op de wereld/Hoofdstuk XVIII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Alleen op de wereld/Hoofdstuk XVIII) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.

Deze van Gutenberg.org afkomstige tekst is een vertaling van Gerard Keller. De tekst was tamelijk archaïsch en is nu gemoderniseerd. De muziekliefhebbers vinden in het laatste hoofdstuk het Napolitaanse lied dat Remi voor Lise zong. Klik voor een verdere toelichting op Voorrede van de vertaler.

Inleiding Voorrede van de vertaler - Opdracht - Geografie

Deel I: In het dorp - Een pleegvader - De troep van signor Vitalis - Het ouderlijk huis - Op reis - Mijn eerste optreden - Ik leer lezen - Over berg en dal - Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen - Voor de rechter - Op het schip - Mijn eerste vriend - Een vondeling - Sneeuw en wolven - Mijnheer Joli-Coeur - Aankomst te Parijs - Een padrone in de rue Lourcine - De steengroeve van Gentilly - Lise - Bloemenkweker - Het gezin wordt opgebroken

Deel II: Voorwaarts - Een zwarte stad - Opperman - De overstroming - In de zijgang - De redding - Een muziekles - De koe van de prins - Moeder Barberin - Het oude en nieuwe gezin - Barberin - Nasporingen - De familie Driscoll - Eer uw vader en uw moeder - Capi op het slechte pad - De mooie babykleertjes waren bedrog - De oom van Arthur - De kerstnachten - De angst van Mattia - Bob - Le cygne - De mooie babykleertjes hebben waarheid gesproken - In de familie


DE STEENGROEVE VAN GENTILLY[bewerken]

AodW18b.jpg

Zolang wij op straat en onder de mensen waren, liep Vitalis, zonder een woord te spreken, voort, maar toen wij een stil en afgelegen gedeelte van de stad bereikt hadden, ging hij op een paal zitten, en wreef met de hand over het voorhoofd, wat hij altijd deed, wanneer hij in verlegenheid was.

--Het is heel mooi en wel om aan zijn goed hart gehoor te geven, zei hij, alsof hij tot zich zelf sprak, maar met dat al staan wij nu op straat, zonder een cent in de zak, of een stuk brood in de maag. Heb je honger?

--Ik heb na het korstje brood, dat u me vanmorgen gegeven hebt, niets meer gegeten.

--Arme jongen! en waarschijnlijk zul je vanavond zonder eten naar bed moeten gaan, en als ik dan nog maar wist, waar we een nachtverblijf zullen vinden.

--U was dus van plan, om bij Garofoli de nacht door te brengen?

--Ik meende je bij hem te laten, en hij zou mij wel zo’n twintig francs gegeven hebben, als ik je de hele winter bij hem liet, en dan zou ik voor het ogenblik zelf ook geholpen zijn. Maar toen ik zag, hoe hij de kinderen behandelde, toen kon ik mezelf niet langer meester blijven. Jij hebt toch ook geen lust om bij hem te blijven?

--O, U bent goed!

--Misschien is het jonge hart nog niet helemaal bij de oude zwerver uitgedoofd. Ongelukkig echter heeft de zwerver goed gerekend en had de jongeman het mis. Waar zullen we thans heengaan?

Het was reeds laat en de koude, die overdag minder streng was geweest, was thans aanmerkelijk toegenomen; de wind was noord geworden en de nacht zou waarschijnlijk zeer koud wezen.

Vitalis bleef geruime tijd op de paal zitten, terwijl Capi en ik onbeweeglijk voor hem bleven staan totdat hij een beslissing genomen zou hebben. Eindelijk stond hij op.

--Waar gaan wij heen?

--Naar Gentilly en daar een steengroeve opzoeken, waarin ik vroeger ook wel geslapen heb. Ben je moe?

--Ik heb bij Garofoli kunnen uitrusten.

--Helaas heb ik niet kunnen uitrusten en ik kan thans niet meer voort. Toch moeten we verder; kom, vooruit kinderen!

Als hij dit zei, was hij altijd in zijn schik; maar nu klonken die woorden toch treurig.

Wij liepen dus door de straten van Parijs; het was stikdonker en het gaslicht dat door de wind flikkerde, verlichtte de weg slecht; telkens gleden wij uit op de een of andere bevroren plaats. Vitalis had mij bij de hand genomen, terwijl Capi ons volgde. Van tijd tot tijd echter bleef hij achter, om tussen de een of anderen hoop vuil een beentje of een korstje brood te zoeken, want de honger kwelde ook hem; maar het vuil lag onder een ijskorst en zijn zoeken was tevergeefs; met hangende oren haalde hij ons dan weer in.

Op de grote straten volgden de stegen, en na die stegen weer brede straten; wij liepen maar altijd voort, en de weinigen, die wij op onze weg ontmoetten, staarden ons verbaasd na; was het onze kleding of onze vermoeide gang, die de aandacht trok? De agenten van politie, die wij tegenkwamen, bleven stilstaan en sloegen ons een ogenblik gade.

Vitalis liep bijna in tweeën gebogen, zonder een woord te spreken, voort; ondanks de koude, voelde ik zijn hand in de mijne branden; het scheen mij toe, dat hij beefde. Als hij stilstond, om even op mijn schouder te rusten, dan voelde ik, dat er een schok door zijn hele lichaam ging.

Gewoonlijk durfde ik hem niet lastig te vallen met vragen, maar ditmaal brak ik met die gewoonte; ik had dan ook behoefte om hem te vertellen, dat ik van hem hield, of tenminste, dat ik gaarne iets voor hem wilde doen.

--U bent ziek! zei ik, toen wij weer stilstonden.

--Ik geloof het ook; in elk geval ben ik doodmoe; die grote tochten zijn voor mijn leeftijd niet meer geschikt en de koude is te heftig voor mijn oude bloed: ik had een goed bed nodig, een avondmaal in een warme kamer bij een goed vuur. Maar dat alles is een droom. Kom, vooruit kinderen!

Vooruit! Wij waren nu buiten de stad; of liever wij hadden thans geen huizen meer aan onze zijde; nu eens hadden we aan weerskanten een lange rij muren, dan weer bevonden we ons op het vlakke land. Geen voorbijgangers, geen politieagent noch gaslantaarns waren op deze weg te zien; een enkele keer slechts een verlicht venster en boven ons hoofd een donkerblauwe hemel met enige sterren. De scherpe en hevige wind deed onze kleren aan ons lichaam bevriezen; gelukkig echter woei hij in onze rug, maar daar de naad van mijn jas getornd was, blies hij door die opening tegen mijn arm, wat mij niet verwarmde.

Hoewel het donker was en verscheidene wegen elkaar kruisten, liep Vitalis toch steeds voort, als iemand die goed de weg kent; ik volgde hem dan ook zonder een ogenblik bevreesd te zijn, dat wij zouden verdwalen, slechts verlangende, dat wij eindelijk de steengroeve zouden bereiken.

Eensklaps echter bleef hij stilstaan.

--Zie je daar ginds dat bosje bomen? vroeg hij.

--Ik zie niets.

--Zie je geen donkere massa?

Ik keek eerst goed rond, vóór ik hem antwoord gaf; wij moesten ons midden op een vlakte bevinden, want mijn blik verloor zich in de duisternis, zonder iets te bespeuren, wat op bomen of huizen leek; nergens ontdekte ik enig teken van leven; geen ander geluid dan het gieren van den wind, die over de bodem streek.

--O, had ik jouw ogen maar, sprak Vitalis, maar ik zie slecht; kijk daar eens.

Hij wees recht vóór zich, maar daar ik hem toen nog geen antwoord gaf, want ik durfde hem niet bekennen, dat ik niets zag, begon hij weer voort te lopen.

Enige ogenblikken zwegen wij, maar daarop bleef hij weer stilstaan en vroeg hij nogmaals of ik geen bosje bomen zag. Ik was toen niet even zeker van mijn zaak als een ogenblik te voren en een onbestemde angst overweldigde mij, toen ik antwoordde, dat ik weer niets zag.

--Het is de angst die je alles zo verkeerd doet zien.

--Ik verzeker u, dat ik geen bomen zie.

--Ook geen brede weg?

--Ik zie niets.

--Dan hebben we ons vergist!

Ik wist niet wat ik hierop moest antwoorden, want ik kon niet zeggen waar wij ons bevonden, noch waarheen we ons begaven.

--Laten wij nog vijf minuten voortlopen, en wanneer wij dan nog geen bomen zien, dan keren wij terug; ik heb mij zeker in de weg vergist.

Nu ik begreep, dat wij verdwaald waren, nu begonnen ook mij de krachten te ontbreken. Vitalis trok mij bij de arm mee.

--Wat is er?

--Ik kan niet meer lopen.

--En denkt jij dan, dat ik je zou kunnen dragen? Wat mij nog staande houdt is de gedachte, dat, wanneer wij gaan zitten, wij niet meer op kunnen staan en van koude zouden sterven. Kom, vooruit!

Ik volgde hem.

--Zijn er op den weg diepe karresporen?

--Geen enkele.

--Dan moeten wij omkeren.

De wind, die wij eerst van achteren gehad hadden, blies ons thans vlak in het gelaat en met zoveel hevigheid, dat het was of hij ons brandde.

In het gaan hadden wij niet snel kunnen lopen, maar in het terugkomen liepen wij nog langzamer.

--Als je karresporen ziet, waarschuw mij dan, zei Vitalis; de goede weg moet links zijn; je herkent die aan het kreupelhout bij de ingang.

Een kwartier lang liepen wij voort, worstelende tegen de wind; onze stappen weerklonken op de harde grond in deze holle nacht; hoewel ik eigenlijk het ene been niet meer voor het andere verzetten kon, trok ik thans Vitalis voort. Met hoeveel verlangen zag ik de weg aan de linkerzijde tegemoet.

In het donker zag ik eensklaps een klein rode ster schitteren.

--Een licht, sprak ik, mijn hand uitstrekkende.

--Waar?

Vitalis staarde voor zich uit, en hoewel het licht flikkerde op niet zeer grote afstand, zag hij toch niets. Ik begreep hieruit dat zijn gezicht verzwakt was, want gewoonlijk kon hij ver zien.

--Wat doet er dat licht ook toe? zei hij: het is de lamp, die op de tafel van de een of andere arbeider brandt, of misschien wel haar schijnsel over het bed van een stervende werpt; wij kunnen aan die deur toch niet aankloppen. Op het platteland zouden wij ‘s nachts een onderkomen kunnen vragen, maar in de omgeving van Parijs is men niet zo gastvrij. Hier is geen huis voor ons open. Kom vooruit!

Weer liepen wij enige minuten voort; toen meende ik een weg te bespeuren, die den onze doorsneed en op de hoek van dat pad een zwarte massa, dit moest het kreupelhout zijn. Ik liet de hand van Vitalis los om spoedig vooruit te komen. Deze weg was met karresporen doorploegd.

--Hier is het kreupelbosje; hier zijn de voren!

--Geef mij de hand, wij zijn gered: de groeve moet een minuut of vijf hier vandaan zijn; zie maar eens goed, dan zul je het bosje bomen zien.

De hoop schonk ons weer kracht; mijn benen werden minder zwaar; de grond scheen mij minder hard toe.

Toch waren voor mij die vijf minuten een eeuwigheid.

--Wij volgen nu reeds langer dan vijf minuten de goede weg, sprak Vitalis, stilstaande.

--Dat geloof ik ook.

--Waar lopen de voren?

--Recht voor ons.

--De ingang van de steengroeve moet rechts zijn; we zijn hem voorbijgegaan, zonder hem gezien te hebben; in deze donkere nacht is het bijzonder moeilijk; toch hadden wij erom moeten denken, dat wij te ver gingen.

--Ik verzeker u toch, dat de voren niet links afwijken.

--Hoe het ook zij, laten we maar omkeren.

Wederom keerden wij terug.

--Zie je het bosje bomen?

--Ja, daar ginds, links.

--En de karresporen?

--Die zijn er niet.

--Ben ik dan blind? zei Vitalis, terwijl hij de hand over de ogen streek; geef mij je hand en laten we recht op de bomen toelopen.

--Er is een muur.

--Dat is een steenhoop.

--Neen, ik verzeker u, een muur.

Dat dit werkelijk zo was, kon ik spoedig ontdekken, daar wij slechts weinig stappen van de muur verwijderd waren. Vitalis deed enige passen en toen, alsof hij hem nog niet zag, legde hij zijn beide handen op de hinderpaal, die ik een muur noemde, en die hij voor een hoop stenen hield.

--Het is een muur, zei hij; alle stenen zijn geregeld geschikt en ik voel de kalk: waar is dan toch de ingang? Zoek de voren.

Ik bukte me en kroop de hele muur langs, zonder echter een karrespoor te kunnen ontdekken; ik ging toen naar Vitalis terug en stelde een zelfde onderzoek aan de tegenovergestelde zijde in. De uitslag was dezelfde, overal een muur; nergens kon men een opening bespeuren, noch een weg of diepe voren of het spoor dat ons de ingang verraadde.

--Ik zie niets dan sneeuw.

De toestand was onhoudbaar; ongetwijfeld was mijn meester verdwaald en de groeven, die hij zocht, waren niet in dezen omtrek.

Toen ik geen karresporen kon vinden, bleef mijn meester een ogenbik zwijgend staan; daarop drukte hij weer zijn handen tegen de muur en betastte dezen van alle kanten. Capi begreep van dit alles niets en blafte van ongeduld.

Ik liep achter Vitalis.

--Moeten wij nog verder zoeken?

--Nee, de groeve is ommuurd.

--Ommuurd?

--Men heeft de ingang gesloten, en wij kunnen onmogelijk daar binnen komen.

--Maar wat dan?

--Wat nu, niet waar? Ik weet het niet en er schiet ons niets anders over dan hier te sterven.

--O, meester!

--Ja, jij wilt niet sterven; je bent jong en aan het leven gehecht: welnu, je kunt lopen; ga uw gang.

--Maar u dan?

--Als ik niet meer voort kan, dan zal ik als een oud, versleten paard er bij neervallen.

--Waar moet ik heen?

--Naar Parijs terug; wanneer wij soms een politieagent tegenkomen, dan laten we ons naar het bureau van politie brengen; ik had dit willen vermijden, maar ik wil jou niet van koude laten omkomen. Kom, Remi, mijn jongen, vat moed.

En wij sloegen toen weer dezelfde weg in, die wij reeds eenmaal hadden afgelegd. Hoe laat het was, daarvan kon ik mij volstrekt geen denkbeeld maken. Wij hadden reeds lang en zelfs zeer langzaam gelopen. Middernacht, misschien wel een uur later. De hemel bleef steeds donker; de maan scheen niet en slechts enkele sterren vertoonden zich, die echter veel kleiner dan anders leken. De wind was niet gaan liggen, maar met dubbele kracht opgestoken. Telkens liet hij de sneeuw, die aan de kant van de weg opgestapeld lag, verstuiven en ons in het gelaat waaien. De huizen, die wij voorbijgingen, waren allen gesloten en donker: ik verbeeldde mij dat de bewoners, die onder hun dekens lagen te slapen, de deur voor ons zouden geopend hebben, als ze wisten, hoe koud wij het hadden.

Als we maar hard waren gaan lopen, zouden we de koude nog hebben kunnen trotseren, maar Vitalis kon slechts met moeite voort en moest telkens uitrusten; zijn ademhaling was snel en kort, alsof hij zeer haastig gelopen had. Toen ik hem iets vroeg, antwoordde hij niet, maar gaf met een gebaar van de hand te kennen, dat hij niet spreken kon.

Wij waren nu weer in de stad gekomen, dat is te zeggen wij liepen tussen muren, waarboven van tijd tot tijd een lantaarn uitstak, die aan een ijzerdraad scheen te hangen.

Vitalis stond stil: ik begreep, dat hij niet langer voort kon.

--Wilt u, dat ik aan deze deur zal kloppen? vroeg ik.

--Nee, want men zou ons toch niet openen; het zijn tuinlui en groenteboeren, die daar wonen; zij staan midden in den nacht niet op. Laten wij dus maar voortlopen.

Maar hoe graag hij dit ook wilde, zijn krachten begaven hem. Toen hij enige schreden gedaan had, stond hij weer stil.

--Ik moet een ogenblik uitrusten, zei hij, ik kan niet meer.

Een deur in de heining stond open en boven deze heining uit verrees een grote mesthoop, zoals men ze dikwijls in de tuinen van groentekwekers ziet; de wind, die daarover heenstreek, had het stro losgemaakt en de eerste laag had zich over de weg, zelfs tot aan de heining toe, verspreid.

--Ik ga daar zitten, hernam Vitalis.

--U zei zonet nog, dat, als wij gingen zitten, wij door de koude overvallen zouden worden, en niet meer zouden kunnen opstaan.

Zonder mij hierop te antwoorden, wenkte hij mij, dat ik het stro een beetje bij elkaar moest vegen. Hij liet zich toen daarop neervallen; hij klappertandde en een rilling voer door zijn hele lichaam.

--Breng nog wat stro, zei hij, de mesthoop beschut ons tegen de wind.

Hij beschutte ons tegen den wind, dat is waar, maar niet tegen de kou. Toen ik al het stro zo goed mogelijk bij elkaar had gezameld, ging ik naast Vitalis zitten.

--Kruip maar dicht naast mij en neem Capi bij je; hij zal je iets van zijn warmte geven.

Vitalis was een man van ondervinding, die wist, dat de koude, in een toestand, waarin wij verkeerden, dodelijk kon zijn. Hij moest dus wel uitgeput zijn, om zich aan zulk een gevaar bloot te stellen.

Hij was dit ook inderdaad. Veertien dagen lang was hij iedere avond te ruste gegaan, na een dag van inspanning, die zijn krachten te boven ging; deze laatste tocht had hem bewezen, dat hij te zwak en te oud was om dergelijke vermoeienissen te doorstaan.

Had hij enig bewustzijn van zijn toestand? Dat heb ik nooit te weten kunnen komen. Maar toen ik wat stro over mij heen had gelegd en vlak naast hem was gekropen, toen voelde ik, dat hij zich over mij heen boog en mij een kus gaf. Dat was voor de tweede maal en, helaas! het was ook de laatste maal.

Een geringe koude belet hen, die zich bibberend in bed leggen, te slapen; een grote koude, die men geruime tijd heeft moeten doorstaan, brengt ons plotseling in een bedwelmende, doffe toestand. Dit was bij ons het geval.

Nauwelijks lag ik naast Vitalis of ik gevoelde, dat ik in zwijm viel en dat mijn ogen zich sloten. Ik deed nog een poging om ze te openen, maar daar dit mij niet lukte, kneep ik mezelf met alle kracht in mijn arm; mijn huid was echter gevoelloos, en hoe ik ook mijn best deed, mocht het mij niet gelukken, mezelf pijn te doen. Toch keerde ik enigszins tot mijn bewustzijn terug. Vitalis, die met zijn rug tegen de deur leunde, haalde zwaar en moeilijk adem. In mijn armen en vast tegen mijn borst gedrukt, lag Capi te slapen. De wind gierde steeds over ons heen en bedekte ons met stro. Op straat was niemand; een dodelijke stilte omringde ons.

Deze stilte maakte mij bang; waarvoor was ik bang? Ik kon me daarvan geen rekenschap geven, maar een onbestemde vrees en een onbeschrijflijk treurig gevoel deed mij de tranen in de ogen komen. Het was mij, of ik daar zou sterven.

En de gedachte aan de dood bracht mij Chavanon in herinnering. Arme moeder Barberin! Zou ik dan sterven, zonder haar te hebben weergezien, zonder een blik op ons huis en onze tuin? En ik weet niet door welk een zonderling spel van mijn verbeelding, zag ik mij plotseling in die tuin verplaatst; de zon stond hoog aan de hemel, de goudsbloemen openden hun knoppen, de merels zongen in het kreupelhout en over de heg had moeder Barberin het linnen gehangen, dat zij in de beek gewassen had.

Ineens dwaalde mijn geest van Chavanon naar Le Cygne: Arthur sliep in zijn bed; mevrouw Milligan was ontwaakt en toen zij de wind zo hoorde loeien, vroeg zij zichzelf af, waar ik mij in deze hevige koude bevinden zou.

Mijn ogen vielen toen weer dicht; mijn hart verstijfde en het leek of ik daarna niets meer wist.

AodW18a.jpg